Gereformeerde dogmatiek. 1e druk

§ 21.

De kenbaarheid Gods. (Cognitio Dei insita.)

1. Evenals vroeger bij de religie I 209 v., zoo bleek ookthans bij de kennisse Gods, dat ze haar oorsprong niet hebbenkan dan in openbaring. Indien God niet in zijne schepselen openbaarwordt, dan is er ook vanzelf geen kennis van Hem mogelijk.Maar als Hij zijne deugden in de wereld der schepselen ten toonspreidt, dan kan de kenbaarheid Gods ook niet meer bestredenworden. Natuurlijk is daarmede de aard en de mate dier kennis25niet bepaald. Allen, die de kenbaarheid Gods leeren, stemmengaarne toe, dat die kennis geheel eigensoortig en van zeer beperktenomvang is. Immers, al wordt God eenigermate in zijneschepselen openbaar, er blijft in Hem eene oneindige volheid vankracht en leven achter, welke niet aan het licht treedt. Zijnekennis en macht valt niet met de wereld samen en stort daarinniet ten volle zich uit. Hij kan zelfs aan en in schepselen zichniet volkomen openbaren, want het eindige vat het oneindige niet,niemand kent den Vader dan de Zoon, Mt. 11:27 cf. Deut. 29:29.Bovendien, datgene, wat God van zichzelven in en door schepselenopenbaart is reeds zoo rijk en zoo diep, dat het nooit tenvolle door eenig mensch kan worden gekend. Wij begrijpen inzoo menig opzicht de wereld der geschapene dingen niet en staanieder oogenblik aan alle zijden voor raadselen en geheimenissen,hoe zouden wij dan de openbaring Gods in al haar rijkdom endiepte verstaan? Maar daarmede wordt de kenbaarheid Gods tochniet te niet gedaan. De onbegrijpelijkheid Gods doet deze kenbaarheidzoo weinig te niet, dat zij haar veeleer onderstelt enbevestigt; de alle kennis te bovengaande rijkdom van het Goddelijkwezen maakt juist een noodzakelijk en belangrijk elementonzer Godskennis uit. Het blijft vast staan, dat God op diezelfdewijze en in diezelfde mate voor ons kenbaar is, als Hij zich inschepselen aan ons openbaart.

Dat er nu eene openbaring Gods in de wereld is, kan eigenlijkmoeilijk worden ontkend. Vooreerst laat de H. Schrift ons dienaangaandegeen oogenblik in twijfel. Zij richt geen altaar opvoor den onbekenden God, maar verkondigt dien God, die dewereld gemaakt heeft, Hd. 17:23, wiens kracht en goddelijkheiduit de schepselen door den menschelijken νους kan worden aanschouwd,Rom. 1:19, die bovenal den mensch schiep naar zijnbeeld en gelijkenis, Gen. 1:26, als zijn geslacht, dat in Hemleeft en zich beweegt, Hd. 17:28, door profeten en apostelen,bovenal door zijn Zoon zelf tot hem heeft gesproken, Hebr. 1:1,en nu voortdurend door Woord en Geest zich aan en in hemopenbaart, Mt. 16:17, Joh. 14:23 enz. Volgens de H. Schriftis de gansche wereld eene schepping en dus ook eene openbaringGods; er is in absoluten zin niets atheistisch. En dit getuigenisder Schrift wordt van alle zijden bevestigd. Er is geen atheistischewereld, er zijn geen atheistische volken, er zijn ook geen atheistische26menschen. De wereld kan niet als ἀθεος worden gedacht,wijl ze dan niet het werk Gods kon zijn maar de schepping vaneen ἀντιθεος moest wezen. En nu heeft het dualisme, dat inreligie en philosophie telkens is opgetreden, in de stof wel eendaemonisch principe aanschouwd, maar in de wereld toch altijdeene verbinding van idee en stof, een strijd van licht en duisterniserkend. Er is niemand, die in volstrekten zin en consequent dekenbaarheid Gods, en dus Zijne openbaring in de wereld geheelen al loochenen kan. Het agnosticisme is zelf daarvoor ten bewijze,evenals het scepticisme zich niet handhaven kan dan met behulpvan wat het bestrijdt. En juist daarom, wijl de wereld niet ἀθεοςte denken is, daarom zijn er ook geen atheistische en godsdienstloozevolken. Wel is dit door Socinus, Tract. Theol. c. 2, deauctor. Script. c. 2, Locke, Essay on human understanding I ch.4 § 8, en door velen in deze eeuw, b. v. Büchner, Kraft u. Stoff16380 f., Darwin, Afst. des menschen 1884 I 127, beweerd.Maar dit gevoelen is genoegzaam weerlegd en thans schier algemeenprijs gegeven, Moor, Comm. I 57. M. Vitringa, Comm.I 16. Flint, Antitheïstic theories, 3 ed. p. 250-289, 519-532.Peschel, Völkerkunde S 260. Zöckler, Das Kreuz Christi 1875S. 417 f. De bekende uitspraak van Cicero, dat er geen volk zoobarbaarsch is of het gelooft aan de goden, is eeuw aan eeuwbevestigd. Dit feit is van groote beteekenis. Datgene, waarin allemenschen krachtens hunne natuur overeenstemmen, kan niet valschzijn, Cic. de nat. deor. I 17. Opinionum enim commenta deletdies, naturae judicia confirmat, ib. II 2. En zoo zijn er ten slotteook geen atheistische menschen. Er is niet zoozeer verschil overhet bestaan als wel over het wezen Gods. Wel is er een practischatheïsme, een leven zonder God in de wereld, Ps. 14:1, 53:2,Ef. 2:12. Maar het bewuste theoretische atheisme in absolutenzin is zeldzaam, indien het ooit voorkomt. Het woord atheismeis echter dikwerf in relatieven zin gebezigd, niet als loocheningvan de Godheid überhaupt, maar van eene bepaalde Godheid. DeGrieken klaagden Socrates van atheisme aan, Xenophon, Memor.I 1. Cicero rekende Protagoras, Prodicus tot de atheisten, wijlzij de volksgoden loochenden, de nat. deor. I 42. De Christenenwerden daarom menigmaal door de Heidenen van atheismebeschuldigd, Suicerus s. v. ἀθεος. En de Christenen bezigdenop hunne beurt dien naam voor wie den God der openbaring27loochenden, ib. De Roomschen hebben Luther, Melanchton, Calvijnsoms tot de atheisten gerekend, Buddeus, de Atheismo 1747 p.116 sq. In den nieuweren tijd werd J. G. Fichte openlijk vanatheisme aangeklaagd, wijl hij de zedelijke wereldorde zelve voorGod hield. En nog wordt de naam van atheist wel gegeven aanhen, die geen andere macht kennen dan de stof, zooals Feuerbach,Strauss, Büchner, Haeckel, Czolbe, Dühring, cf. A. Drews, Diedeutsche Spekulation seit Kant II 235 f. En inderdaad, als dematerialisten niets anders erkennen dan stof en wisseling der stof,dan zijn ze atheisten en willen daar zelf voor gehouden worden.Maar dit komt bijna nooit voor. In absoluten zin genomen, alsloochening van eene absolute macht, dan is het atheisme bijnaondenkbaar. Allen erkennen ten slotte weer eene macht, die alsGod wordt vereerd. Strauss vraagt voor zijn universum eenepiëteit, als de geloovige voor zijn God, Der alte u. d. neue Gl2.141 f. Het atheisme en materialisme slaat telkens in pantheismeom, Büchner, Kraft u. Stoff16 3, 70, 71 f., Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.20, 32, 64 Id. Der Monismus als Band zw. Rel. u.Wiss. 1893. Dat komt, omdat de mensch aan de erkenning vaneene hoogste macht zich niet kan onttrekken. Op hetzelfde oogenblikdat hij den waren God loochent, versiert hij zich een valschenGod. De religie zit daartoe te diep in ’s menschen natuur en deopenbaring Gods spreekt te luide. Zelfs als in sommige tijdenhet religieuse indifferentisme en scepticisme diep en ver om zichheen grijpt, zooals b. v. in de eeuw van Pericles, van keizerAugustus, van de Renaissance, en ook in deze eeuw, dan komttoch altijd de godsdienst weer boven. Veeleer grijpt de menschhet grofste bijgeloof aan, dan dat hij op den duur bij het naakte,koude ongeloof het uithouden kan. Maar we kunnen zelfs verdergaan. Niet alleen komt het atheisme in absoluten zin bijna nimmervoor, maar zelfs in dien zin is het zeldzaam, dat het een persoonlijkGod zou loochenen, die aanspraak heeft op onze vereering.Het naturalisme, het hylozoïsme, het pantheisme zijn zonder twijfelrichtingen, die telkens zich voordoen. Maar het zijn richtingen,niet zoozeer op godsdienstig als wel op wijsgeerig gebied. Ze zijnnooit van zelf, spontaan opgekomen, maar danken haar ontstaanaan kritiek op de religieuse voorstellingen bij anderen. Ze zijnniet dogmatisch maar kritisch; en ze dienen daarom altijd maarvoor een tijd en in een beperkten kring. Een volk, eene28maatschappij, eene kerk, eene gemeente van zulke naturalisten enpantheisten is ondenkbaar en onbestaanbaar; de pantheïsten erkennendit zelf, de godsdienstige voorstelling is voor den minderenman noodzakelijk, maar alleen de wijsgeer verheft zich tot hetzuivere begrip. Daaruit volgt, dat het geloof aan een persoonlijkGod natuurlijk en normaal is; het komt overal vanzelf en bijalle menschen op. Maar het atheisme, zelfs als loochening vaneen persoonlijk God, is uitzondering. Het is wijsbegeerte, geengodsdienst. Er ligt waarheid in het scherpe woord van Schopenhauer:ein unpersönlicher Gott ist gar kein Gott, sondern blossein missbrauchtes Wort, ein Unbegriff, eine contradictio in adjecto,ein Shiboleth für Philosophieprofessoren, welche, nachdem sie dieSache haben aufgeben mussen, mit dem Worte durchzuschleichenbemüht sind, Par. u. Parel. I5 123. cf. Welt als Wille u. Vorst.II6 398, 406, 739. Daarom is er ook een zekere wil noodig, omniet aan een God, aan een persoonlijk God, te gelooven. Deumnon esse non credit, nisi cui Deum non esse expedit. Er zijngeen athei, die vast en zeker, tot den marteldood toe, van hunongeloof overtuigd zijn. Wijl het abnormaal en onnatuurlijk is,niet op de onmiddellijke beseffen maar op middellijke bewijzenen feilbare redeneeringen steunt, daarom is het nooit zeker vanzijne zaak. De bewijzen voor het bestaan van een persoonlijk Godmogen zwak zijn, ze zijn altijd nog sterker dan die voor deloochening. Te bewijzen, dat er geen God is, is zelfs onmogelijk;daartoe zou men alwetend en alomtegenwoordig, d. i. zelf Godmoeten zijn, cf. Voetius, de atheismo, Disp. I 114-225. G. J.Vossius, de origine et progressu idol. I c. 3. Leydecker, FaxVeritatis III controv. 3. Turretinus, Theol. El. III qu. 2. Maresius,Syst. Theol. 1673 p. 44. Buddeus, Theses theol. de atheismoet superst., ed. Lulofs L. B. 1747. Hodge, Syst. Theol. I 198,242. Flint, Antith. theories3, lecture I, Hoekstra, Des Christensgodsvrucht bl. 6. Doedes, Inl. tot de leer v. God. 57v.

2. Deze natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid vanreligie en Godskennis heeft reeds vroeg tot de gedachte geleid,dat deze den mensch van nature was ingeschapen en aangeboren.Het feit ligt er toch, dat alle menschen van de prilste jeugd afbewustzijn hebben niet alleen van eene physische maar ook vaneene psychische, geestelijke, onzienlijke wereld. Waar en valsch,29goed en kwaad, recht en onrecht, schoon en leelijk zijn wel geenweeg- en meetbare grootheden en kunnen niet waargenomenworden met de vijf zintuigen, maar ze zijn eene werkelijkheid,die voor ons bewustzijn nog veel vaster staat dan die van stofen van kracht. Het materialisme moge alleen rekenen met zwaartekrachten warmte en electriciteit; maar geloof en hoop en liefdezijn nog gansch andere krachten, die de menschheid hebbenbeheerscht en voor het wegzinken in bestialiteit hebben behoed.Augustinus heeft terecht gezegd, dat de waarheid der geestelijkedingen eigenlijk veel zekerder en vaster is dan die van de zienlijke.Nihil absurdius dici potest, quam ea esse quae oculis videmus,ea vero non esse quae intelligentia cernimus, cum dubitare dementissit intelligentiam incomparabiliter oculis anteferri, deimmort. an. c. 10 n. 17. de civ. XIX c. 18. De waarheden dermathesis, der logika, de grondbeginselen van ethiek, recht, religiestaan voor allen ontwijfelbaar vast. Zij dragen een karakter vannatuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid, dat door niemandkan worden ontkend. Zij schijnen als ideae innatae in ’s menschennatuur besloten, met zijne geboorte gegeven te zijn.

De leer der aangeboren begrippen wortelt reeds in de Griekschephilosophie. Daar maakte het een groot probleem voor het denkenuit, hoe leeren toch mogelijk is. Want een van beide scheen tochhet geval te zijn: òf wij weten iets al en dan kunnen wij hetniet meer leeren, òf wij weten het niet, maar hoe is het dan teverklaren dat wij er naar streven, om het te leeren, Zeller,Philos. d. Gr. I4 996, II4 823, III 189. Plato loste dit probleemop door zijne leer van de herinnering; de ziel had voor hareverbinding met het lichaam de ideeën in al hare schoonheid aanschouwden de beelden daarvan diep in haar geheugen bewaard.Hij bewees dit vooral met de wiskunde, die wij geheel uit onzengeest kunnen opbouwen zonder hulp der zinnelijke waarneming,maar meende overigens dat alle leeren de praeexistentie der zielonderstelde, Zeller, ib. II4 639, 643 f. 823 f. Aristoteles achttewel de zinnelijke waarneming den weg tot kennis, maar oordeeldetoch, dat de rede potentieel eenige hoogste, algemeene beginselenmeebracht, die door zichzelve vaststaan, aan alle bewijzen tengrondslag liggen en door allen worden erkend, ib. III 188 f.De Stoicijnen spraken van κοιναι ἐννοιαι, φυσικαι ἐννοιαι,ἐμφυτοι προληψεις, d. i. zulke begrippen, welke krachtens de30natuur van ons denken door allen uit de waarneming wordenafgeleid, ib. IV3 74 f. 389 f. Bij al deze wijsgeeren is er vanaangeboren ideeën in strikten zin nog geen sprake. Plato beperktde herinnering niet tot enkele aangeboren begrippen maar breidtze tot alle kennis uit; en Aristoteles en anderen spreken welvan algemeene beginselen maar leeren uitdrukkelijk dat deze nietals ideeën met de geboorte gegeven zijn maar bepaaldelijk doormiddel van waarneming en denken gevonden worden, maar zoo,dat elk normaal mensch ze dan ook vinden moet. In eigenlijkenzin komt de leer der aangeboren begrippen eerst bij Cicero voor.Hij spreekt van notiones impressae, cogitationes insitae, innataeen neemt een weten aan van allerlei waarheden voor alle ervaringen onderzoek. Er zijn volgens hem semina innata virtutum,Tusc. III 1, 2, notitiae parvae rerum maximarum, die de natuursine doctrina in onze ziel plantte, de fin. V 21, 59, een aangeborenGodskennis, Deos esse natura opinamur, Tusc. I 16, 36.Nat. D. I 1, 2 enz. Zeller, IV3 659 f.

3. In de nieuwere philosophie werd de leer der ideae innataevoorgedragen door Cartesius, die ook het eerst dezen term gebruikteen idee dus in een tot dien tijd toe ongewonen zin gingbezigen. Bij Cartesius hing deze leer samen met zijn dualismetusschen ziel en lichaam. De cognitio intellectualis is niet uit dezinlijke waarneming af te leiden; deze geeft alleen de occasio,waarbij onze geest per innatam facultatem de voorstellingen enbegrippen vormt, Renati Descartes, Notae p. 185. De cognitiokomt uit een eigen beginsel, d. i. uit ideae innatae, voort. Onderdie ideae innatae is die van God de voornaamste, welke als hetware is eene nota artificis, operi suo impressa. Medit. tertia p.24. Maar het aangeboren zijn dier ideeën vat hij zoo op, dat deziel van nature de kracht, de facultas, de dispositio bezit, omze uit zichzelve voort te brengen. De ideeën zijn dus niet actueelmaar potentieel in onzen geest, Object. et Respons. p. 102, Notaep. 184, 185. Ook volgens Leibniz komen de noodzakelijke enalgemeene waarheden niet van buiten tot ons, maar zij komen uitonszelven voort, zooals bijv. die van substantie, duur, verandering,oorzaak, de mathematische waarheden en vooral ook de Godsidee.Samen vormen deze waarheden het natuurlijk licht der rede.Maar het aangeboren zijn dier waarheden wordt door Leibniz31breedvoeriger en duidelijker verklaard dan door Cartesius. Dezezeide alleen, dat die ideeën potentieel in onzen geest waren.Leibniz echter zegt, dat ze virtualiter zijn aangeboren, commedes inclinations, des dispositions, des habitudes ou des virtualitésnaturelles et non pas comme des actions. De geest des menschenheeft maar niet de vatbaarheid om ze te kennen, want dan konalle kennis aangeboren heeten, maar hij is de bron dier waarheden,hij kan ze uit zichzelf te voorschijn brengen, les tirer lui-mêmede son fond. De ideeën liggen dus als ’t ware gepraeformeerd in’s menschen ziel. En dit is mogelijk, wijl er een voorstellen endenken is zonder bewustheid. Tot bewustheid komen ze, als dezinlijke waarneming er aanleiding toe geeft. Deze brengt de virtueelin ons aanwezige ideeën ook actueel in onzen geest, cf. Spruijt,Proeve van de leer der aangeb. begrippen 144, Stöckl, Gesch.d. n. Phil. I 426, Malebranche meende het leeren en weten bijden mensch niet anders te kunnen verklaren dan door de onderstelling,dat wij de ideeën in God zien en dat God dus als hetalgemeene en oneindige zijn in ons verstand onmiddellijk presentis. Op zijn voetspoor leerde het ontologisme van Gioberti, Gratry,Ubaghs e. a. dat wij God in onzen geest onmiddellijk aanschouwenals het absolute zijn en dat er dus eene intuitieve kennis vanGod in den mensch aanwezig is, Stöckl, Gesch. d. neuern Philos.II 568 f. 620 f. Door Kant werd deze leer der aangeborenbegrippen belangrijk gewijzigd. In aansluiting aan de terminologievan Wolff sprak hij van kennis apriori en aposteriori, en leerdenu geen aangeboren begrippen maar wel aangeboren vormen, nl.vormen der aanschouwing, d. i. ruimte en tijd, vormen des verstands,d. i. kategorieën, en vormen der rede, d. i. de ideeën God,deugd en onsterfelijkheid. Het idealisme van Fichte en Hegeldreef deze leer zoo op de spits, dat zij niet alleen de kennis dernoodzakelijke en algemeene waarheden, maar alle kennis, en zelfsalle zijn, heel de stoffelijke wereld construeerden uit het denken.De gronden, waarop deze leer der ideae innatae voornamelijksteunt, zijn deze: Het leeren, het kunnen leeren, onderstelt dathetgeen geleerd wordt reeds op eenige wijze in onzen geest aanwezigis. De redeneering en het bewijs zijn gebouwd op principia,die per se en apriori moeten vaststaan. De ervaring geeft alleenδοξα, toevallige waarheden; algemeene en noodzakelijke waarhedenkunnen alleen uit den geest des menschen zelf voortkomen.32Dat er zulke algemeene en noodzakelijke waarheden zijn, wordtbewezen door den consensus gentium. En bovenal is de tegenstellingtusschen ziel en lichaam van dien aard, dat voorstellingenen begrippen niet in de zinlijke waarneming hun oorsprong kunnenhebben; zij moeten of uit den geest des menschen worden verklaardof uit den Geest Gods, in wien de mensch alle ideeënaanschouwt. Daarentegen werd de leer der aangeboren begrippenbestreden door de Socinianen, die de natuurlijke religie verwierpen,Fock, Der Socin. 307 f., cf. ook Episcopius, Inst. theol. I c. 3,Locke, Essay concerning human understanding I ch. 2-4, Hobbes,de cive c. 14 n. 19 enz. Zij beriepen zich op de volgende overwegingen:De leer der ideae innatae is volkomen overbodig,omdat het ontstaan dier ideeën ook langs anderen weg zich goedlaat verklaren. De geschiedenis leert, dat geen enkele voorstellingen geen enkel begrip bij alle menschen en volken gelijk is. Zelfsaangeboren zedelijke beginselen zijn er niet; over goed en kwaadheerscht het grootst mogelijke verschil; en het Godsbegrip is zooweinig aangeboren, dat er zelfs atheistische menschen en volkenbestaan. Kinderen, idioten, krankzinnigen weten dan ook van zulkeaangeboren begrippen niets af. Alle kennis stamt bij den menschuit de zinlijke waarneming; nihil est in intellectu quod non priusfuerit in sensu. Deze bestrijding van de ideae innatae maakte inEngeland en Frankrijk in de vorige eeuw veel opgang. Het materialismevan deze eeuw sloot er zich bij aan. De leer deraangeboren begrippen is algemeen prijsgegeven en vervangen doorde theorie van de overerving der eigenschappen, Darwin, Afst.v. d. mensch, hoofdst. 3, 4. Spencer, bij Spruyt Proeve 342.Büchner, Kraft u. Stoff16 S. 344 f.

4. Van belang is het te weten, welke houding de christelijketheologie tegenover deze leer der ideae innatae heeft aangenomen.Prof. Spruyt vindt het vreemd, dat de scholastieken zich metzeldzame eenstemmigheid tegen die leer hebben verklaard, envermoedt dat daarvoor eene theologische reden heeft bestaan,die hij echter niet aangeven kan, Proeve bl. 60. Dit is inderdaadhet geval en zal in het vervolg duidelijk worden. Ofschoon dechristelijke theologie algemeen aannam, dat er waarheden waren,niet door openbaring maar van nature bekend, en niet door opzettelijkonderzoek en nadenken maar als het ware onwillekeurig33verkregen, heeft ze toch de leer der aangeboren begrippen beslistverworpen. Wel beriepen de voorstanders van de ideae innataein lateren tijd, zooals Thomassinus, Theol. dogm. I c. 4, Staudenmaier,Chr. Dogm. II 57 f. Kuhn, Gotteslehre 2de Aufl. 542 f.,Klee, Dogm. II 1-4 en de ontologisten zooals Malebranche,Gioberti, Ubaghs enz. zich op sommige kerkvaders, maar tenonrechte. Justinus Martyr, Apol. II 6 spreekt wel van de Godsideeals eene πραγματος δυσεξηγητου ἐμφυτος τῃ φυσει τωνἀνθρωπων δοξα, maar zegt verder niet, hoe hij dit ἐμφυτοςbedoelt. Irenaeus, adv. haer. II 1 sq. betoogt wel tegen deGnostieken, dat de wereld door God is geschapen en Hem openbaarten kennen doet maar gewaagt niet van eene cognitio innata.Clemens Alexandrinus zegt ook, dat de Vader en Schepper allerdingen door allen van nature en zonder onderricht, ἐμφυτως καιἀδιδακτως wordt gekend, maar hij verklaart zelf meermalen, datdie kennis uit de beschouwing van Gods werken verkregen wordt,Strom. V 13. 14. Tertullianus legt zeer sterken nadruk op denatuurlijke Godskennis. Alle menschen roepen in weerwil van hunafgodendienst in gevaar en nood den éénen God aan. En dit hebbenzij niet van Mozes of de Profeten geleerd, maar hun eigene zielonderwees hen daarin. Animae enim a primordio conscientia Deidos est. Deze is onder alle volken gelijk, adv. Marc. 10. De zielis van nature christin, Apol. 17. Daarmede bedoelt Tertullianusniets anders, dan dat sommige waarheden, zooals die van hetbestaan en de eenheid Gods, niet eerst door bijzondere openbaringmaar van nature bekend zijn: quaedam enim et natura nota sunt,ut immortalitas animae penes plures, ut Deus noster penes omnes,de resurr. 3. Met meer recht beroept men zich op Augustinus,die in veel opzichten onder Plato’s invloed stond en dit zelf ookerkent, de beata vita 4. Inderdaad hecht hij veel meer waardeaan het denken dan aan de zinnelijke waarneming. De zintuigennemen slechts veranderlijke dingen waar, maar de rede, ofschoonin ieder mensch onderscheiden, ziet en kent algemeene, noodzakelijke,onveranderlijke waarheden. En dat is alleen daardoorte verklaren, dat de rede van ieder mensch die algemeene waarhedenziet in de ééne algemeene rede, de ééne onveranderlijkewaarheid, welke God zelf is. En zoo verklaart Augustinus dantelkens, dat wij, evenals we de zinnelijke voorwerpen zien doorhet licht der zon, zoo de intelligibele waarheden aanschouwen in34’t licht Gods, de civ. VIII 7, de trin. XII 15. Hij is ons meernabij dan de schepselen en gemakkelijker te vinden dan deze, deGen. ad litt. V 16. Hij is de veritas super omnia praesidens,Conf. X 41. Zelfs zegt hij, Deus et Dominus rerum omniumhumanis mentibus, nulla natura interposita, praesidet, de musicaVI 1. Hieruit blijkt duidelijk, dat Augustinus het veel beter enlichter acht, om door het indenken van de eeuwige waarhedentot God op te klimmen dan door de beschouwing der uitwendigenatuur. Maar er mag toch niet uit afgeleid worden, dat de zieldes menschen hier op aarde reeds God rechtstreeks en onmiddellijkaanschouwen zou en dan op deze wijze tot de kennis der eeuwigewaarheden zou komen. Want hij zegt elders duidelijk, dat devisio Dei voor den hemel is weggelegd, de trin. II 17, dat onshier op aarde de cognitio vespertina is toebedeeld, de Gen. adlitt. IV 32, dat de eeuwige waarheden, die de mensch erkent,van God als de waarheid zelve te onderscheiden zijn, de lib. arb.II 13, Solil. I 5, dat de mensch allengs van de beschouwing dernatuur, van de kennis der rede en haar wetten tot God opklimt,Conf. VII 10. de lib. arb. II c. 3-13 Cf. Kleutgen, Philos. derVorzeit, I2 756 f. Schwane, D. G. II2 54-67, Gangauf, Aug.Lehre v. Gott dem Dreieinigen 1883 S. 137 f. Spruyt, Proeve43-57. De mystiek had echter in Augustinus een machtigensteun, en zij leerde dat de mensch oorspronkelijk behalve eenoculus carnis en een oculus rationis ook nog een oculus contemplationisontvangen had, hetwelk, door de genade hersteld, Godhier reeds bij oogenblikken en in de heerlijkheid volmaakt aanschouwenzou, Bonaventura, Brevil. II c. 12. Door Bonaventurawordt dan ook de stelling bestreden, dat omnis cognitio sit asensu; de ziel kent God en zichzelve zonder hulp der zintuigen,Sent. II dist. 39 art. 1 qu. 2. Toch blijft de mystiek bij Bonaventura,schoon op dit punt van Thomas afwijkende, binnen degrenzen. Quamvis Deus sit praesens, tamen propter caecitatem etcaliginem intellectus nostri, in qua sumus, ipsum cognoscimus utabsentem, Sent. II dist. 10 art. 1 qu. 1. De aanschouwing Godsis niet gegeven aan ieder mensch, maar is alleen eene gave dergenade, welke een Paulus daartoe opheffen kan, Sent. II dist. 23art. 2 qu. 3. En zelfs wat de kennis der prima principia betreft,deze heet bij Bonaventura wel aangeboren, maar hij verklaartdaarbij, quia lumen illud sufficit ad illa cognoscenda post35receptionem specierum sine aliqua persuasione superaddita propter suievidentiam.... Naturale enim habeo lumen, quod sufficit adcognoscendum quod parentes sunt honorandi, et quod proximi nonsunt laedendi, non tamen habeo naturaliter mihi impressamspeciem patris vel speciem proximi, Sent. II dist. 39 art. 1 qu. 2.Hoewel Bonaventura dus ook aanneemt, dat er waarheden zijn,die we niet door de zinnelijke waarneming bekomen maar doorde inwendige aanschouwing en door de gemeenschap met God,toch is er ook bij hem van aangeboren ideeën in eigenlijken zingeen sprake, cf. de Freiburgsche editie van het Breviloquium,1881 p. 79 sq. 148 sq. Schwane, D. G. III 111 f. Sanseverino,Philos. Christ. Neap. III art. 41. Heel de scholastiek verwierpeenstemmig de leer der aangeboren begrippen. Zij leerde in onderscheidingdaarvan, dat het wezen der dingen het eigenlijkobject der intellectueele kennis is. Alle kennis begint met dezinlijke waarneming. Maar als deze de dingen ziet, dan heeft hetverstand de geschiktheid, om daaruit het algemeene te abstraheerenen wel allereerst de zoogenaamde aangeboren begrippen.Deze worden dus niet kant en klaar door den intellectus meegebrachtmaar overeenkomstig zijne natuur uit de waarneming derzinlijke dingen geabstraheerd. Dat geldt ook van de idee Gods.God is niet de substantie der dingen maar hun causa, en daaromkan Hij uit zijne werken door waarneming en denken eenigermateworden gekend in zijn bestaan en in zijne deugden. Aangeborenkennis is er slechts in zooverre, als aan ons verstand een natuurlijkehabitus is ingeschapen, om uit het eindige tot het oneindige,uit het bijzondere tot het algemeene op te klimmen, cf. deel I 158 v.,en voorts Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 1, c. Gent. Ic. 10, 11. Theol. Wirceb. III 5 sq. C. Pesch, Theol. dogm. II10-13, Kleutgen, Philos. der Vorzeit I2 67 f. 587 f., Beilagen,3tes Heft S. 3-47, Denzinger, Vier Bücher v. d. relig. Erk. II28 f. Het ontologisme van Gioberti en Ubaghs werd 18 Sept. 1861en 21 Sept. 1866 te Rome veroordeeld.

5. Bij de Lutherschen kon het goede en ware element, dater in de leer der aangeboren begrippen lag opgesloten, niet totzijn recht komen. De theologia naturalis, zoo insita als acquisita,vond weinig genade bij hen, cf. reeds deel I 222.Door de bestrijding der scholastieke leer, naturalia adhuc esse integra, liet36Luther zich tot een tegenovergesteld uiterste verleiden. Het beeldGods was geheel verloren. Ratio sine Spiritu Sancto est simplicitersine cognitione Dei. Homo in rebus divinis nihil habet quamtenebras. Eigenlijk is den mensch alleen overgebleven de aptitudopassiva, d. i. de mogelijkheid om gered te worden. Overigens iszijn verstand, wil, genegenheid alleen tot de civilia beperkt; inhet geestelijke is hij geheel blind en dood. Wel erkent Luther,dat God zich nog in zijne werken openbaart, de schepping is eeneLarve Gottes; maar de mensch kent Hem daaruit niet meer.Zelfs gaat Luther soms zoo ver, dat hij de zonde essentia hominisnoemt, en dat de mensch nihil quam peccatum is; uitdrukkingen,die men zeker niet onbillijk mag persen en drukken, maardie toch voor zijne beschouwing van de cognitio Dei insita enacquisita van beteekenis zijn, Köstlin, Luthers Theol. II 244 f.287 f. 367 f. Hetzelfde negatieve standpunt wordt ingenomendoor de Luthersche symbolen, ed. Müller5 522, 585, 589, 594;en sommige theologen zooals Flacius en Chemniz gingen zoo ver,dat ze heel de cognitio Dei naturalis verwierpen, Zöckler, Theol.Natur. 1860 S. 64. Maar weldra kwam men toch van deze eenzijdigheidterug. Luther zelf sprak dikwerf anders, en zag en preesin de natuur een werk Gods, Zöckler, ib. 60 f. Melanchton leerdeeene cognitio Dei zoowel insita als acquisita; er zijn sporen vanGod in al zijne werken, maar deze zouden onvoldoende zijn, nisietiam insita esset menti quaedam notitia seu προληψις de Deo,Corpus Ref. XIII 137 sq. En dit voorbeeld wordt door de lateretheologen gevolgd. Gerhard, Loci Theol. Prooemium § 17, Loc.II c. 4, Quenstedt, Theol. did. polem. I 250 sq., Hollaz, Exam.Theol. p. 187 sq., Calovius, Isag. ad S. Theol. c. 4, Buddeus,de atheismo 1767 p. 225 sq. enz. bespreken de theologia naturalisen verdedigen haar uitdrukkelijk tegen de Socinianen. Later werdze zelfs door sommigen, zooals Jaeger e. a., afzonderlijk behandeld.De cognitio Dei insita werd nu door de Luthersche theologenverschillend omschreven, als een facultas of dispositio ofhabitus of perfectio of lumen congenitum et habitui analogum.Maar hierover waren allen het eens, dat zij niet bestond in eenspecies impressa, welke reeds voor alle gebruik der rede in denmensch aanwezig zou zijn, Hollaz 189, Quenstedt 253, Calovius77. Daarom werd Cartesius’ leer van de ideae innatae verworpen,Hollaz 195, en evenzoo de mystieke leer van het inwendig licht37en van de contemplatie, ib. 198-220. En daartegenover werd dande theologia insita opgevat als eene den intellectus humanus ingeplante,natuurlijke geschiktheid en geneigdheid, om sine discursuet mentis ratiocinatione tot kennisse Gods te komen en aan dezeeen ongetwijfeld, vast en zeker getuigenis te geven, Hollaz 188-190,Quenstedt 253. Ante sensualem perceptionem nihil est inintellectu, quoad idealem rerum repraesentationem, est tamenaliquid in intellectu, quoad notitiam habitualem, Hollaz, Ex.theol. 193. Quenstedt, Theol. did. pol. I 260.

De Gereformeerden namen van den aanvang af tegenover detheologia naturalis eene vriendelijker houding aan. Calvijn onderscheiddetusschen eene algemeene en bijzondere genade en verklaardeuit de eerste alle goeds, dat ook in den zondigen menschnog is overgebleven, cf. mijne rede over De Algem. Genade bl. 27 v.Bepaaldelijk nam hij ook aan, dat den menschelijken geest eensensus divinitatis was ingeplant, en wel naturali instinctu. Godheeft numinis sui intelligentiam allen ingeplant, cujus memoriamassidue renovans, novas subinde guttas instillat, Inst. I 3, 1.Hij noemt dit ook semen religionis, en verklaart daaruit de algemeenheidder religie, ib. De overtuiging, dat er een God is, isnaturaliter ingenita; ze kan nooit worden uitgeroeid, I 3, 3. Maartoch wordt er nauwelijks een op de honderd gevonden, qui conceptumin suo corde foveat, nullus autem in quo maturescat, I,4, 1. En bij dat semen religionis komt nu de openbaring Godsin zijne werken, zoodat aperire oculos nequeant quin aspicereeum cogantur, I 5, 1. Er is geen stukske der wereld, nullamundi particula, in qua non scintillae saltem aliquae gloriaeipsius emicare cernantur, I 5, 1. Allereerst is de mensch zelf alsmikrokosmos eene officina innumeris Dei operibus nobilis, I 5, 3, 4,maar dan voorts heel de natuur, die vromelijk zelfs God genoemdworden kan, 1 5, 5. Cf. II, 2, 18 en comm. op Ps. 8; 19;Hd. 17:27, 28. Rom. 1:19. Hebr. 11:3. En zoo spreken alleGeref. symbolen en theologen. Ursinus, Tract. Theol. 1584 zegt,dat God zich aan den mensch openbaart cum notitiis de se mentihominum impressis, tum creaturis omnibus tanquam speculis etdocumentis suae divinitatis propositis p. 35, en onder de notitiaenobiscum nascentes rekent hij ook den sensus, dat er een God is,gelijk de algemeenheid der religie bewijst, p. 39. Zanchius, Op.III 636 sq. verwerpt beide Plato en Aristoteles en leert met de38Stoa en Cicero, dat de κοιναι ἐννοιαι nobiscum nasci, non autemusu comparari; kinderen weten terstond, dat drie meer is dantwee, dat er onderscheid is van goed en kwaad enz. Polanus,Synt. Theol. p. 325 verstaat onder de recta ratio de vera notitiavoluntatis et operum Dei, ut et ordinis judiciique divini, a Deomenti humanae inscripta; wier auteur de Logos is, wier formaen norma de principia naturalia zijn, en die door de beschouwingvan Gods werken vermeerderd wordt; cf. verder P. Martyr,Loci Comm. p. 2 sq. Maresius, Syst. theol. p. 41. H. Alting,Theol. elenctica 1654 p. 2 sq. Leydecker, Fax Verit. Loc. 3contr. 1. Alsted, Theol. polem. 1620 p. 185-187. Turretinus,Theol. El. I qu. 3 n. 2. Moor, Comm. I 41 enz. En tochwerd, in weerwil dat de theologia insita zoo krachtig werdbepleit, Cartesius’ leer van de ideae innatae door Voetius beslistverworpen, Disp. V 477-525. Hij beschuldigt Cartesius vooralvan drie dingen, dat hij het woord idea in een ongewonenzin bezigt en alzoo vervalscht; dat hij niet duidelijk zegt, watonder die idea Dei innata moet worden verstaan, of ze behoorttot de theologia insita of acquisita, of ze een facultas of actus,een ens reale of ens intentionale is enz.; en dat hij de kennis,die door de zintuigen ons toekomt, van haar waarde en zekerheidberooft. In welken zin de theologia insita dan te verstaan zij,wordt door Voetius klaar omschreven. Zij is eene facultas seuvis seu aptitudo facultatum rationalium, seu lumen naturale ineo, quod intellectus veritatem principiorum potest sine ullo labore,praevio studio aut ratiocinatione comprehendere, et positis ponendis(cognitione scil. terminorum) de facto sic comprehendit, ex naturaliquadam necessitate et insito sibi pondere in hunc veritatis sensumatque assensum dilatus et inclinans; op dezelfde wijze, alsde wil door eene natuurlijke geaardheid het goede najaagt en hetoog vanzelf het licht en het zichtbare aanschouwt, Disp. I 141 cf.V 516, 525. De bekende spreuk: nihil est in intellectu quod nonprius fuerit in sensu wordt dan ook in zoover als waarheid erkend,dat de wereld om ons heen op de eene of de andere zijde, alsrechtstreeksch object of als product of als deel of als tegenstellingenz. noodzakelijk is, om ons tot bewuste kennis te brengen, ib.V 525.

6. Uit al het bovengenoemde wordt ons de reden duidelijk,39waarom de christelijke theologie zoo eenparig de leer der ideaeinnatae verwierp. Het was de vrees voor het rationalisme en hetmysticisme, die haar daarbij leidde. Indien de mensch reeds bijzijne geboorte in zijn geest een volkomen klare en duidelijkekennis meebracht, hetzij van al de ideeën (Plato), of van God(Cartesius), of van het zijn (Gioberti), dan werd hij daardoor vande wereld onafhankelijk; hij kon de volkomen zuivere kennis uitzijn eigen geest voortbrengen en was zichzelf genoeg; hij konzelfs de openbaring missen, welke God in zijn woord had gegeven;beter en duidelijker dan in natuur en Schrift vond hij de volmaaktekennis in zijn eigen geest. Ja meer nog, door de leerder ideae innatae werd eene ondempbare klove gegraven tusschengeest en stof, tusschen ziel en lichaam. De zienlijke wereld wasdan niet een schepping en openbaring Gods, geen belichaming vangoddelijke gedachten; uit haar konden de eeuwige waarheden, deintellectueele kennis niet worden afgeleid; deze vond de menschalleen, door zelfbezinning en herinnering, als hij van de wereldzich afzonderde en in zijn eigen zieleleven zich terugtrok. Eninderdaad is hiermede het gevaar aangewezen, dat altijd van dezijde der ideae innatae dreigt. Het dualisme van Plato heeft inhet neoplatonisme en daardoor weer in de christelijke, bepaaldelijkde Roomsche kerk tot eene mystiek geleid, welke eerst welop de lagere trappen der meditatie van de openbaring Gods innatuur en Schrift gebruik maakte maar dan, hooger tot de contemplatiegestegen, al die uitwendige hulpmiddelen wel missenkon en aan het inwendig woord, het geestelijk licht, de aanschouwingen gemeenschap Gods in het innerlijkst zielsbestaanvolkomen genoeg had. En het in de nieuwere philosophie doorCartesius weer opgekomen dualisme en de daarmede in verbandstaande leer van de idea Dei innata heeft bij Leibniz en Wolffeerst, daarna bij Kant, Fichte en Hegel tot een rationalismegeleid, dat heel de wereld des zijns construeerde uit de immanentegedachte van den menschelijken geest. Nu is het klaar alsde dag, dat de Schrift van zulk eene αὐταρκεια des menschenen van zulk eene verachting van lichaam en wereld niets wetenwil. Zij leert dat de mensch naar ziel en lichaam beelddragerGods is en dat hij door zijn lichaam aan heel de zienlijke wereldverwant en verbonden is. Maar deze band is geen slavenketen;integendeel, de wereld, waarin de mensch is geplaatst, leidt hem40niet van God af maar tot God op; zij is eene schepping Gods,een spiegel van zijne deugden, eene manifestatie zijner gedachten.Er is naar het schoone woord van Calvijn nulla mundi particula,in qua non scintillae saltem aliquae gloriae ipsius emicare cernantur,Inst. I 5, 1. En omdat de christelijke theologie dat heeftverstaan, daarom heeft ze eenstemmig de leer der aangeborenbegrippen verworpen. En daar kwamen dan nog de bedenkingenbij, aan psychologie en historie ontleend, welke tegen deze leero. a. door Locke werden ingebracht. Het empirisme verdedigdetegenover mysticisme en rationalisme eene kostelijke waarheid.Immers, als deze richtingen beweerden, dat het wezen, de ideeder dingen niet uit de zinnelijke waarneming ons konden toekomenmaar alleen in God (Malebranche), in de ziel door ἀναμνησις(Plato) of door denken uit ’s menschen eigen geest (Cartesius-Hegel)konden voortkomen, dan hadden ook zij daarmede eenegoede bedoeling. God is inderdaad de zon der geesten. In zijnlicht zien wij het licht. De Logos verlicht een iegelijk mensch,komende in de wereld. Maar toch is het waar, dat wij hier opaarde niet zien van aangezicht tot aangezicht, dat wij wandelenin geloof, en door een spiegel zien in eene duistere rede. Alleendoor beschouwing van Gods openbaring in natuur en Schriftkomen wij tot kennisse Gods, Rom. 1:19, 1 Cor. 13:22,2 Cor. 3:18. Er is hier op aarde geen rechtstreeksche, onmiddellijkekennis van God en van zijne gedachten te verkrijgen,maar alleen eene middellijke, per speculum en in speculo. Hetgevoelen der mystici, rationalisten en ontologisten is dan ook niettheistisch maar pantheistisch; het verwart het lumen rationis methet lumen Dei, de algemeene waarheden in ons met de ideeënin het bewustzijn Gods, onzen logos met den Λογος του θεου.En daartegenover stelde de christelijke theologie de leer der H.Schrift, dat al onze kennis van God, daar zijn wezen in zichzelfvoor ons onkenbaar is, door middellijke openbaring verkregenwordt en een analogisch karakter draagt. Feitelijk komt dan ookgeen enkel mensch tot de kennis der prima principia en tot degedachte Gods buiten de wereld om. Het kindeke, dat onbewustwordt geboren, ontvangt langzamerhand allerlei voorstellingen endenkbeelden uit de omgeving, waarin het opgevoed wordt. Metden eersten mensch moge dit uit den aard der zaak anders geweestzijn; allen die na hem geboren zijn, zijn niet ieder op eigen41gelegenheid en door eigen nadenken, maar door hun ouders endoor hun levenskring tot bewuste en heldere kennis gekomen,beide van zienlijke en onzienlijke dingen. Daarom is er geen kennisvan het onzienlijke, dan onder het symbool van het zienlijke.Wie een zintuig mist, krijgt ook geene voorstelling van de daaraancorrespondeerende verschijnselen. Een blinde weet niet, wat lichtis en verstaat daarom ook niet, dat God een licht is, anders danalleen negatief en door tegenstelling. Daarom is er ook in rechten zede, in religie en kunst zooveel verschil onder de menschenen volken mogelijk. Dit ware onverklaarbaar, indien de ideeën ineigenlijken zin waren aangeboren en onmiddellijk door God zelvenin onzen geest waren ingeplant. Nu zien we echter, dat alle menschenwel het vermogen der spraak hebben maar toch zeer verschillendetalen spreken; dat allen wel eene idee hebben van God maarze in allerlei voorstellingen inkleeden; dat er menschen zijn, diein hun hart zeggen, dat er geen God is; dat het onderscheid vangoed en kwaad overal bekend is maar beider inhoud zeer uiteenloopendwordt bepaald; dat over recht en onrecht, over schoonen leelijk de meeningen zeer verre van elkander afwijken. In éénwoord, er is geen enkele religieuse of ethische waarheid, dieubique, semper et ab omnibus is erkend; er heeft eene theologianaturalis in actueelen zin nimmer bestaan, evenmin als een natuurrechten eene natuurlijke moraal.

7. Daarmede is echter slechts de eene zijde der waarheidgetoond. Er is nog eene keerzijde, die van niet minder belang is.Het valt immers niet te loochenen, dat gelijk objectief het lichtder zon, zoo ook subjectief het oog noodig is om te zien. Datde menschen feitelijk leeren, en kennis opdoen uit hunne omgeving,staat vast; maar het onderstelt, dat zij een vermogen, eene geschiktheiden geneigdheid tot leeren medebrengen. De taal wordtons geleerd door het volk, waaronder wij geboren zijn, maar zijonderstelt bij iederen mensch eene dispositie en eene neiging omte spreken. Zoo is het op alle terrein, in religie, kunst, moraal,recht, wetenschap enz. De semina scientiarum liggen van naturein den mensch. Alle wetenschap gaat uit van algemeene principia,die door zichzelve en vanzelf vaststaan. Alle kennis rust in geloof.Alle bewijs onderstelt ten slotte eene ἀρχη ἀποδειξεως. Er zijnlogische, mathematische, philosophische, ethische en zoo ook42religieuse en theologische principia, die wel zeer algemeen en abstractzijn, maar die toch door alle menschen en in alle eeuwen wordenaangenomen en die een karakter van natuurlijkheid en noodzakelijkheiddragen. De wetten van het denken zijn voor allen gelijk;de leer der getallen is overal dezelfde; het onderscheid van goeden kwaad is allen bekend; er is geen volk zonder religie enkennisse Gods. Dit is niet anders te verklaren dan door het aannemenvan principia per se nota, κοιναι ἐννοιαι, veritates aeternae,welke den menschelijken geest van nature zijn ingeprent. Bij dereligie moet men, of men wil of niet, altijd weer teruggaan toteen semen religionis, een sensus divinitatis, een instinctus divinus,eene cognitio insita. De Schrift zelve gaat ons daarin voor. Zijbindt den mensch zoo sterk mogelijk aan de objectieve openbaringin natuur en genade, maar zij erkent tegelijkertijd, datde mensch Gods beeld en geslacht is, dat hij in den νους eenvermogen bezit om God in zijne werken te zien en dat hij hetwerk der wet geschreven draagt in zijn hart, Gen. 1:26, Hd.17:27, Rom. 1:19, 2:15. Toch komt er alles op aan, om dezeoorspronkelijkheid der κοιναι ἐννοιαι goed te verstaan. Men heeftze op verschillende wijze aangeduid en gesproken van ἐμφυτος,ingenitus, insculptus, insitus, aangeboren, ingeschapen, ingeplantenz. En niemand bezigt die woorden in letterlijken zin; zoodradeze uitdrukkingen worden ingedacht, haasten zich bijna allen omte verklaren, dat ze niet bedoelen, dat deze ideae innatae terstondmet de geboorte fix und fertig worden meegebracht en als speciesimpressae in het bewustzijn aanwezig zijn. In dien zin zijn er danook geen aangeboren begrippen. God laat den mensch in geenenkel opzicht volwassen in de wereld komen maar laat hem geborenworden als een hulpeloos en hulpbehoevend kind. En datkind zou omkomen, indien het niet gevoed en verzorgd werd doorzijn omgeving. Toch schuilt in het kind reeds de toekomstigeman. En zoo is het op intellectueel, ethisch en religieus terrein.Cognitio Dei insita wil niet zeggen, dat de mensch onmiddellijk,door God zelven, met eene genoegzame kennis is toegerust enaan de openbaring geen behoefte meer heeft. Ze geeft niet tekennen, dat hij alleen op zichzelf in staat is, om eenige bewuste,klare en ware kennis van God uit zijn eigen geest af te leiden.Maar ze duidt aan, dat de mensch beide de potentia (aptitudo,vis, facultas) en de inclinatio (habitus, dispositio) bezit, om in den43normalen ontwikkelingsgang en te midden der omgeving, waarinGod hem het leven schonk, vanzelf en zonder dwang, zonderwetenschappelijke redeneering en bewijsvoering, ἐμφυτως καιαδιδακτως, tot eenige vaste, zekere, ontwijfelbare kennisse Godste komen. De woorden ἐμφυτος, ingenitus, aangeboren enz. bedoelendus niet datgene uit te drukken, waarmede een menschgeboren wordt, maar ze willen slechts te kennen geven, dat dekennisse Gods langs natuurlijken weg, zonder wetenschappelijkeredeneering, uit den mensch zelf geboren wordt. Ze zijn niet opte vatten als opposita van de leer, dat de mensch als tabularasa, zonder bepaalden, materieelen inhoud in zijn bewustzijn geborenwordt; maar ze zijn tegengesteld aan de meening, dat demensch eerst uitwendig, door eene bepaalde openbaring, doorwetenschappelijk bewijs, als het ware kunstmatig en door dwangtot kennisse Gods werd gebracht. Zoo zijn die uitdrukkingen altijdin de christelijke theologie bedoeld. Ze wisselden daarom metἀδιδακτως, φυσει, vi insita, sine praevio studio, sine discursuoperoso enz. af. Dei cognitio nobis innata dicitur esse, in quantumper principia nobis innata de facili percipere possumus Deum esse,Thomas bij Kleutgen, Phil. der Vorzeit I 348. Daarom is deopmerking van Locke ook onjuist, dat, indien onder ideae innataealleen het vermogen der kennis werd verstaan, dan alle kennisaangeboren kon heeten. Want de cognitio Dei heet daarom insitaof innata, wijl ieder mensch bij normale ontwikkeling daartoekomen moet. Gelijk een mensch, de oogen openend, vanzelf dezon en bij haar licht de voorwerpen aanschouwt, zoo moet demensch krachtens zijne natuur, zoodra hij hoort dat er een God is,dat er onderscheid is van goed en kwaad, enz., daaraan zijnetoestemming geven. Hij kan daar niet buiten. Hij neemt diewaarheden vanzelf, zonder dwang of bewijs aan, omdat ze doorzichzelve vaststaan. Daarom heet de kennisse Gods aangeboren,en was de uitdrukking van eene aangeboren potentie of faculteitonbevredigend. Er wordt eenerzijds tegenover de leer der ideaeinnatae door uitgedrukt, dat de kennisse Gods niet klaar en gereeddoor den mensch wordt meegebracht maar middellijk, door inwerkingder openbaring in zijn bewustzijn tot stand komt, enanderzijds wordt er tegenover het empirisme door aangeduid, datdie openbaring Gods zoo luide en krachtig spreekt en zoo diepenweerklank vindt in ieders gemoed, dat ze den mensch als van44nature eigen en ingeschapen kan heeten. En hiermede heeft detheologie niet alleen aan de Schrift, maar ook aan psychologieen historie volle recht laten wedervaren. Openbaring is er vanGod in al zijne werken, niet alleen buiten maar vooral ook inden mensch. Van de natuur, waaruit God wordt gekend, maaktde mensch zelf het voornaamste deel uit. En uit die ganschenatuur, beide buiten en in hem, ontvangt de mensch indrukkenen gewaarwordingen, die in zijn bewustzijn vóór alle redeneeringen bewijs het besef kweeken van een Hoogste Wezen. Het isGod zelf, die aan geen mensch zich onbetuigd laat. Cf. I 16.157v. 212v., en voorts nog Kleutgen, Theol. der Vorzeit I2587-792. Shedd, Dogm. Theol. I 195. Hodge, Syst. Theol. I 197.Mc Cosh, The intuition of the mind, inductively investigated, 1860.John Caird, An introduction to the philos. of religion 1880 p.39. 160. Lotze, Mikrok. III 580 f.





Please send all questions and comments to Dmytro (Dima) Bintsarovskyi:
dbintsarovskyi@tukampen.nl

x
This website is using cookies. Accept