Theologische richtingen in Nederland Recent Dogmatic Thought in the Netherlands
Bavinck, Herman. "Theologische richtingen in Nederland." Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 1 (1894): 161–88. Bavinck, Herman. "Recent Dogmatic Thought in the Netherlands." Translated by Geerhardus Vos. The Presbyterian and Reformed Review 3 (1892): 209–28.

161 De Nederlandsche Theologie in de 19e eeuw is meermalen, ook door buitenlanders, onderzocht en beoordeeld geworden. Van al wat over haar geschreven is, noemen wij als het belangrijkste: Chr. Sepp, Proeve eener pragmatische geshiedenis der Theologie in Nederland van 1787 tot 1858, 3e druk, Leiden 1869. D. Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande, Leyde 1860. Dr. G.J. Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1800-1857, Dordrecht 1886. Idem, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1857-1876, Dordrecht 1891. Dr. J.H. Gunning J.Hz., Het Protestantsche Nederland onzer dagen, Groningen 1889. Dr. J.A. Gerth van Wijck, art. Holland in Herzog und Plitt Real Enc. für prot. Theol. u. Kirche VI s. 254-266, Johannes Gloël, Hollands kirchliches Leben. Wittenberg (1885). Dr. Adolf Zahn, Abriss einer Geschichte der evangelischen Kirche auf dem europ. Festlande im 19n Jahrhundert, 2e aufl. Stuttgart 1888 enz. Al deze en meer andere werken kunnen als hulpmiddelen uitstekende diensten doen. Maar beginsel en wezen van de verschillende theol. richtingen, die achtereenvolgens in ons vaderland zijn opgekomen, kunnen alleen uit de geschriften der woordvoerders duidelijk worden gekend. 162

209The Dutch theology of the nineteenth century has been discussed more than once by both foreign and native writers. The following is a list of the more important treatises on the subject: Chr. Sepp, Proeve eener pragmatische geschiedenis der Theologie in Nederland van 1787 tot 1858, 3d ed., Leiden, 1859; D. Chantepie de la Saussaye, La crise religieuse en Hollande, Leyde, 1860; Dr. G.J. Vos, Groen van Prinsterer en zijn tijd 1800-1857, Dordrecht, 1886; Idem., Groen van Prinsterer en zijn tijd, 1857-1876, Dordrecht, 1891; Dr. J.H. Gunning, J.Hz., Het Protestantsche Nederland onzer dagen, Groningen, 1889; Dr. J.A. Gerth van Wyck, art. “Holland," in Herzog und Plitt, Realenc. für Prot. Theol. u. Kirche, vi, s. 254-266; Johannes Gloël, Hollands Kirchliches Leben, Württemberg (1885); Dr. Adolph Zahn, Abriss einer Geschichte der Evangelischen Kirche auf dem Europ. Festlande im 19ten Jahrhundert, 2te Aufl., Stuttgart, 1888, etc. As secondary sources of information all these and other works may render excellent service, but the works of the representative theologians themselves will alone give an insight into the principles and nature of the successive tendencies.

De Nederl. Theologie heeft in deze eeuw verschillende invloeden ondergaan. Niet alleen het Calvinisme, dat onder het volk steeds bleef voortleven, maar ook de Zwitsersche Reveil; niet alleen de Duitsche Vermittelungs-theologie maar ook de Grieksche Wijsbegeerte hebben haar karakter bepaald. Haar geschiedenis is mede daardoor van die in andere landen in menig opzicht onderscheiden. En wie haar opmerkzaam bestudeert, bespeurt in haar weldra eene machtige worsteling van de diepste beginselen. De strijd van geloof en ongeloof, van evangelie en revolutie beheerscht haar geheel en werkt vandaar uit ook door in kerk en school, in staat en maatschappij. Aan de eene zijde zien we eene richting, die, beginnende met het oude Supranaturalisme door de Groninger School heen uitloopt in de Moderne Theologie, en op den weg der ontkenning steeds verder voortschrijdt. En aan de andere zijde komt daartegenover in het begin der eeuw, vooral onder invloed van den Reveil, eene partij des geloofs op, die eerst nog in apologetiek en bemiddeling haar sterkte zoekt, maar dan tot het historisch-nationale Calvinisme moedig wederkeert.

Zoo opgevat en in haar diepste beginselen voorgesteld, krijgt de Nederlandsche Theologie ook voor den vreemdeling meer dan louter historisch belang.


Dutch theology during the present century has been subject to various influences. Its character has been molded in turn not only by Calvinism, which has always continued to live among the 210 people, but also by the Swiss Réveil; both by the German Vermittelungstheologie and by Greek philosophy. Nevertheless — and perhaps partly owing to this very fact — Dutch theology has a character of its own, and a history distinguished in many respects from that in other countries. A careful study of it will not fail to reveal the momentous struggle of deepest principles. The contest between belief and unbelief, between the gospel and revolution, is the controlling factor in its history; and from theology this contest has been carried into the spheres of the Church and the schools, of polities and of society. On the one hand, we may trace a tendency which, starting from the old Supranaturalism, passing through the Groningen School, issues into the Modern Theology, thus continually advancing, on the road to negation. On the other hand, at the beginning of the present century, chiefly under the influence of the Réveil, a believing tendency appears, which first seeks its strength in Apologetics and Mediation, but afterwards returns to the historical antecedents of Dutch theology and boldly takes its stand on the basis of the national Calvinism. When viewed in this light, as the exponent of these underlying principles, Dutch theology may perhaps awake more than a purely historical interest even in the foreign reader.


*

1. Het Supranaturalisme.

*

I. Supranaturalism.

De bloei der Geref. Kerk en Theologie duurde hier te lande slachts kort en was spoedig voorbij. Reeds sedert het midden der 17e eeuw, de eeuw van objectiviteit en gezag, verhief zich het subject en ontwaakte de kritiek. Rationalisme en Pantheisme, Cartesianisme en Coceejanisme trachtten elk op zijne wijze den mensch 163 vrij te maken van het juk der traditie. Kerk en Staat spanden zich wel in om den stroom te keeren. Maar het was te vergeefs, de 18e eeuw was de eeuw der subjectiviteit. In dit tijdperk zien we de Geref. Theologie meer en meer uit het openbaar leven terugwijken naar de lagere en afgesloten kringen van het volk, waar ze voor versterving wordt bewaard, en waaruit ze eerst in deze eeuw met nieuwe kracht te voorschijn zal treden. Andererzijds geeft eene altijd breedere schare van het volk aan de invloeden van het engelsche deïsme en de fransche philosophie zich over, en haalt ongeloof en revolutie binnen onze erve. Maar tusschen die beide, tusschen het nationaal-gereformeerde geloof en de van buiten ingedrongen neologie komt tegen het einde der eeuw eene gematigde richting op, welke tot ver in de 19e eeuw haar leven rekt en als Supranaturalisme bekend staat. Hare voornaamste woordvoorders waren: te Leiden, de Hoogleeraren van der Palm, van Voorst, Borger, Clarisse, Kist, van Hengel; te Groningen, de Hoogleeraren Abresch, Chevallier, Muntinghe, IJpey; te Utrecht, de Hoogleeraren Bonnet, Heringa, Royaards, Bouman, Vinke. En deze werden omgeven en gesteund door een corps van bekwame, ijverige predikanten, zooals Dermout te 's Gravenhage, Donker Curtius te Arnhem, Bosveld en Ewaldus Kist te Dordrecht en vele anderen. De dogmatische richting van dit Supranaturalisme kan o.a. zeer goed gekend worden uit H. Muntinghe, Pars theologiae christianae theoretica, 1800.

The golden age which beheld the Reformed Church and the Reformed theology of Holland at their prime, was not of long duration. As early as the middle of the seventeenth century, that period of objectivity and authority, the subject arose, and criticism began to stir. Rationalism and Pantheism, Cartesianism and Coccejanism, each in its own manner, endeavored to free man from the yoke of tradition. In vain did the State and the Church oppose their united power; the tide would not be stemmed; the eighteenth century was the age of subjectivity. Reformed theology gradually withdrew from public life into the more humble and secluded circles of the common people. Here it was to be saved from utter extinction, and from this retreat it was to come forward with new vigor in the present century. On the other hand, an ever-increasing number of the people yielded to the influence of English deism and French philosophy, thus inviting infidelity and revolution to our borders. Midway between these two, between the national Reformed faith and the neology intruding from without, towards the close of the century a moderate tendency appeared, known by the name of Supranaturalism, and extending far into the nineteenth century. Its chief representatives were: at Leiden, the Professors Van Der Palm, Van Voorst, Borger, Clarisse, Kist, Van Hengel; at 211 Groningen, the Professors Abresch, Chevallier, Muntinghe, Ypey; at Utrecht, the Professors Bonnet, Heringa, Royaards, Bouman, Vinke. These were surrounded and supported by a corps of able and zealous ministers, as Dermout of The Hague, Donker Curtius of Arnhem, Bosveld and Ewaldus Kist of Dordrecht and many others. The dogmatic trend of this Supranaturalism may be known best, among other sources, from H. Muntinghe, Pars Theologiæ Chrislianæ Theoretica, 1800.

Zij is niet moeilijk te beschrijven; zij munt door oppervlakkigheid uit. Zij wilde niet ongeloovige zijn, o neen, zij hield den godsdienst in eere, zij was vroom, zij schatte bijbel en christendom hoog. Van de neologie 164 was zij ten diepste afkeerig. Zij wilde ook niet rationalistisch zijn in den zin van een Wegscheider en Paulus. Maar wel stelde zij er eene eere in, om rationeel te wezen. De rede kon het op het gebied van den godsdienst een heel eind ver brengen, maar ze kon toch de openbaring niet missen, en betoogde zelve hare noodzakelijkheid. Het Supranaturalisme ging dus niet uit van de openbaring en van het geloof, maar plaatste zich aanvankelijk buiten deze beide en trachtte nu door redeneeringen en bewijzen tot de openbaring te komen en de redelijkheid van het geloof te betoogen. Het testimonium Spiritus Sancti kon daarbij natuurlijk geen dienst meer doen. Het bewijs uit de wonderen en voorspellingen had geen kracht meer tegenover de ontkenners van de geloofwaardigheid der H. Schrift. Daarom sloeg het supranaturalisme den historischen weg in.

Uit allerlei uit- en inwendige getuigenissen werd allereerst de authentie, integriteit en axiopistie van de Schriften des N. Test. bewezen. Uit deze fides humana klom men dan tot de fides divina op; immers het alzoo als geloofwaardig bewezene N. Test. leerde ons het Goddelijk gezag kennen van Jezus en de Apostelen, bevestigd door wonderen en voorspellingen. En uit dit goddelijk gezag des N. Test. werd dan ten slotte de inspiratie en autoriteit van het O.T. bewezen. En als men dan alzoo door de pars formalis der dogmatiek was heengeworsteld en op een reeks van historische bewijzen de waarheid der openbaring en de redelijkheid van het geloof had gebouwd, dan kwam men eindelijk aan de pars materialis der dogmatiek. Maar welk eene dogmatiek! Met behulp van de hooggeloofde grammaticale exegese van Ernesti werd uit de Schrift 165 eene zoogenaamde bijbelsche theologie afgeleid, die den naam van dogmatiek niet dragen mocht. Het was een samenvoegsel van eenige algemeene oppervlakkige christelijke waarheden, die niet uit de diepte der Schrift waren geput en aan de kracht der Geref. belijdenis ten eenenmale waren gespeend; eene populaire godsdienstleer, welke God veranderde in het Opperwezen, Christus in een leeraar, den mensch in een verstandswezen, zonde in zwakheid, bekeering in verbetering, heiligmaking in deugd. Ze was om het kort uit te drukken deïstisch in de theologie, pelagiaansch in de anthropologie, ariaansch in de christologie, moralistisch in de soteriologie, collegialistisch in de ecclesiologie en eudaemonistisch in de eschatologie. Geen wonder, dat deze richting, die altijd den mond vol had van verdraagzaamheid, terstond haar gematigdheid en kalmte verloor, als het de Geref. theologie en de Geref. vromen gold. Daarentegen was ze bang voor de linkerzijde, die haar heur halfheid verweet, en trachtte deze altijd door zachtheid en toegefelijkheid te winnen. Toch baatte dit niet. Zoodra eene nieuwe richting optrad, was het met haar heerschappij gedaan.


Its nature is not difficult to describe, superficiality being the main feature. It did not wish to pass for unbelieving; far from it, it honored religion, professed to be pious, put a high estimate on the Bible and Christianity. It had a strong aversion to neology. Neither did it want to be rationalistic in the sense of Wegscheider and Paulus. But it prided itself on. being rational. Reason went for much in the sphere of religion, though it could not do without revelation, and even argued the necessity of the latter. From this it will be seen that Supranaturalism did not take its point of departure in revelation and faith, but from the outset occupied a higher standpoint from which it looked down upon both, and whence, by a process of reasoning, it tried to reach revelation and to demonstrate the reasonableness of faith. Of course the Testimonium Spiritus Sancti could no longer render service on this standpoint. The argument from miracles and prophecy had lost its force with such as denied the credibility of the Holy Scriptures. Hence Supranaturalism chose the historical way. With the help of various external and internal witnesses, first of all the authenticity, integrity and trustworthiness of the New Testament Scriptures were establisbed. From this fides humana one could ascend to the fides divina, inasmuch as the New Testament, having thus been demonstrated trustworthy, revealed a divine authority of Jesus and the apostles, confirmed by miracles and prophecies. The inspiration and authority of the Old Testament were established on the basis of those of the New Testament. After the pars formalis of Dogmatics had been struggled through in this manner, the pars materialis was taken in hand. But what sort of Dogmatics! With the aid of the much-lauded grammatical exegesis of Ernesti, a socalled Biblical theology was drawn from the Scriptures, which did not deserve the name of dogmatics. It was a conglomerate of certain commonplace, superficial Christian truths, not born from the depth of Scripture and utterly foreign to the spirit and vigor of the Reformed confession, a doctrine of religion which changed God into the Supreme Being, Christ into a teacher, man into a purely intellectual being, sin into weakness, conversion into correction, sanctification into a process of making virtuous. In a word, it was deistic 212 in its theology, Pelagian in its anthropology, Arian in its Christology, moralizing in its soteriology, collegialistic in its ecclesiology, and eudæmonistic in its eschatology. It was not to be wondered at, that this party, though accustomed to take merit to itself for its tolerant attitude, immediately lost all patience and composure, as soon as the Reformed theology and the pious Reformed people came under consideration. On the other hand it showed great fear of the left wing by which it was charged with half-heartedness, and persistently sought its favor by a conciliatory and indulgent attitude. This, however, proved of no avail. No sooner did a new tendency appear on the scene than the sway of Supranaturalism came to an end.


*

2. De Groninger School.

*

II. The Groningen School.

De Groninger Theologie heeft haar geestelijken vader in Ph.W. van Heusde, Hoogleeraar in de Wijsbegeerte te Utrecht 1804-1839. De grondgedachten zijner philosophie, neergelegd in zijne werken: De Socratische School, 4 deelen 1834-1839, Initia philosophiae Platonicae, 2 deelen 1827-'31, Brieven over het beoefenen der Wijsgeerte 1837, komen hierop neer: de wijsgeeren zijn tegenwoordig meest allen zeer eenzijdig en vervallen daardoor tot materialisme of idealisme. 166

De ware Wijsbegeerte moet echter uitgaan van den mensch zooals Socrates en Plato dat deden. De mensch toch is bron en uitgangspunt van alle wetenschappen. Zijn gevoelvermogen is het uitgangspunt van alle kunsten, welke uitloopen in de aesthetica. Zijn kenvermogen is de bron dier lagere wetenschappen (mathèmata) welke eindigen in de logica. En zijn begeervermogen is het beginsel van die hoogere toegepaste wetenschappen (Episthèmae), welke zich samenvatten in de ethica. Beginsel en wortel van al deze kunsten en wetenschappen is in den mensch zijne liefde tot het schoone, ware en goede. Maar de mensch is niet alleen het uitgangspunt, hij is ook het doel van al deze kunsten en wetenschappen. Zij bedoelen immers alle, om den mensch op te leiden tot het wezenlijk ware, goede en schoone. En de ware wijsbegeerte is dus die, welke door middel van al die kunsten en wetenschappen den mensch opvoedt tot zijne waarachtige bestemming. Opvoeding is daarom de centrale gedachte in van Heusde's philosophie. Wel heeft de mensch van nature liefde en aanleg tot het ware, goede en schoone; maar die liefde moet opgewekt en die aanleg moet ontwikkeld worden. Aan dezen eisch beantwoordt de wijsbegeerte van Socrates en Plato meer dan eenige andere. Dezen toch hebben haar van den hemel weer op aarde gebracht en de aandacht van de natuur af op den mensch gevestigd. Daarom zijn zij beiden de herstellers geworden van de kunsten en wetenschappen en de hervormers van den godsdienst. Hun wijsbegeerte is door dit haar karakter verwant aan en voorbereiding voor het christendom. Zij is er de propaideia toe. Maar het christendom staat het hoogste; het is de ware paideia; het leert ons beter dan de philosophie van Socrates 167 God en ons zelven kennen. Want het spreekt van Gods heiligheid en liefde, van onze schuld en verzoening. Christus staat daarom verre boven Socrates; hij is het volmaakte ideaal van al wat waar is en goed en schoon.

The Groningen Theology had for its spiritual father Ph.W. Van Heusde, Professor of Philosophy at Utrecht, 1804-1839. Van Heusde developed the principles of his philosophy in his works: De Socratische School, 4 vols., 1834-1839; Initia Philosophiæ Platonicæ, 2 vols., 1827-1831; Brieven over het Beoefenen der Wijsbegeerte, 1837. The outlines of his system are as follows: Nearly all philosophers at the present day are one-sided and, owing to this, lapse into materialism or idealism. True philosophy should take its point of departure in man as Socrates and Plato have done. Man is the true source and starting-point for all sciences. His faculty of feeling is the source of all arts, which issue into Æsthetics. His faculty of knowledge gives rise to all those pure sciences of lower order (:"hZ:"J"), which culminate in Logic. His faculty of desire is the principle of all those higher applied sciences (¦B4FJ0:"4), which centre in Ethics. The root of all these arts and sciences in man is his love for the beautiful, the true and the good. Man, however, is not merely the source; he is also the aim of the arts and sciences. They are all directed to this one end, of guiding him upward to the essence of the true, the good and the beautiful. This alone is the true philosophy, which, by means of arts and sciences, educates man for his true destiny. Education, consequently, is the central thought in Van Heusde's philosophy. To be sure by nature man possesses love and talents for the true, the good and beautiful. But this love stands in need of education; the talents require to be developed. The philosophy of Socrates and Plato satisfies this demand more than any other system. They have brought down philosophy from heaven to earth, diverted its interest from nature to man. By so doing they became the restorers of the arts and sciences and the reformers of religion. Through this feature their philosophy is allied with and preparatory to Christianity; as it were, the 213 BD@B"4*g\" of the latter. Still, Christianity stands higher, being the true B"4*g\", instructing us more fully than the philosophy of Socrates concerning God and ourselves. It speaks of God's holiness and love; of our guilt and reconciliation. Christ stands higher than Socrates, He being the perfect ideal of all that is true and good and beautiful.

Deze gedachten hadden heel wat meer bekoorlijks dan de dorre begrippen van het koude supranaturalisme. Van Heusde vermoeide zich niet met de tegenstelling van rede en openbaring, hij sprak niet van uitwendige openbaring aan maar van opvoeding van den mensch, hij zag in den mensch niet alleen een verstandelijk maar ook een ethisch en aesthetisch wezen, hij wees niet op eene afgetrokkene leer maar op den persoon van Christus. Voeg daarbij dat van Heusde eene interessante persoonlijkheid was, dat hij de gave bezat om tot nadenken op te wekken en liefde voor de waarheid in te boezemen. En het is te verstaan, dat hij weldra eene schare jongelingen aan zich verbond, die in hem hun leermeester zagen. Eén studentenkring in Utrecht en een andere in Groningen ondergingen vooral zijn invloed. En opmerkelijk, velen van deze studenten kwamen kort daarna als Hoogleeraren en predikanten in de stad en de provincie Groningen in elkanders nabijheid. J.F. van Oordt en P. Hofstede de Groot werden Hoogleeraar in 1829, Pareau in 1831. Van Herwerden werd predikant te Groningen in 1831, Amshoff in 1832, enz.

In 1835 richtten zij, twaalf in getal, een gezelschap op. Daaruit ontstond het tijdschrift: Waarheid in Liefde, een godgeleerd tijdschrift voor beschaafde christenen 1837-1872. En behalve in dit tijdschrift, legden zij hunne gedachten neer in handboeken voor alle vakken der theologie. Hun Compendium Dogmatices et Apologetices zag in 1845 het licht. 168

These thoughts were far more attractive than the dry conceptions of a cold Supranaturalism. Van Heusde did not weary himself with the antithesis between reason and revelation. He did not speak of a revelation to man, but only of man's education. He did not look upon man as a purely intellectual, but also as an ethical and æsthetic being, and in consequence did not point to an abstract doctrine so much as to the Person of Christ. If we add to this that Van Heusde was a highly interesting personality and possessed the gift of inciting to reflection and of inspiring love for the truth, it will not be difficult to understand that he soon gathered around himself a company of young people who honored him as their teacher. A circle of students in Utrecht and another circle at Groningen came under the influence of his ideas. Soon afterwards, in a very remarkable manner, many of these students were settled in close proximity to one another, in the city and Province of Groningen, as professors and ministers. J.F. Van Oordt and P. Hofstede de Groot were called to chairs in the University in 1829, Pareau in 1831. Van Herwerden became minister of the church of Groningen in 1831, Amshoff in 1832, etc. In 1835 some twelve of them organized an association which published a periodical, Waarheid en Liefde (A Periodical for Cultured Christians), 1837-1872. In addition to this they formulated their ideas in manuals, covering all branches of theology. Their Compendium Dogmatices et Apologetices was published in 1845.

De gedachten der Groninger theologie zijn nu wezenlijk geen andere dan die van van Heusde. Zij groepeeren zich alle om deze ééne: openbaring is de opvoeding der menschheid door God tot Godegelijkvormigheid. Deze gedachte brengt voor de leer van God mede, dat God niet beschouwd wordt als Souverein of Rechter, maar als Vader. Voor den mensch volgt daaruit, dat hij niet is een kind des toorns, maar niettegenstaande zijn zinnelijken zondigen toestand een kind Gods, met goddelijken aanleg en vatbaar voor de heerlijkste ontwikkeling. Maar daartoe moet hij opgevoed worden. En dat doet God door zijne openbaring in natuur en geschiedenis. Daardoor voedt Hij ook reeds de Heidenen op; hun godsdiensten staan niet tegenover maar slechts op lageren trap beneden het christendom, de theologia naturalis is verwant aan en voorbereiding voor de theologia revelata. Het christendom is de hoogste godsdienst, de hoogste openbaring Gods. Het wezen des Christendoms is geen leer, maar de persoon van Christus. In zijne gansche verschijning, in zijn leven en sterven, is Hij de „Openbaarder" Gods. Dat kon hij wezen, omdat hij wel niet de eeuwige en natuurlijke Zoon des Vaders is, maar toch voor zijne komst op aarde in den hemel een voorbestaan had. Maar ook met zijn dood, die geen voldoening was aan Gods gerechtigheid maar betooning van Zijne liefde, en niet noodzakelijk was maar door God slechts toegelaten werd, houdt Gods openbaring niet op. Neen, na zijne opstanding en hemelvaart zet Jezus zijne goddelijke opvoeding der menschheid voort, en wel door middel van Zijne kerk. De kerk is wezenlijk eigen aan het Christendom. Zij is het opvoedings-instituut van God. Rome heeft dat beter begrepen dan de Protestanten. 169 En nu in dezen tijd is de Jakobuskerk der joodsche gemeenten, de Petruskerk van Rome, de Pauluskerk van het Protestantisme bestemd om over te gaan in de Johanneskerk der toekomst.

The ideas of the Groningen Theology do not differ materially from those of Van Heusde. They all centre in this single thought: revelation is the education of mankind to a state of conformity to God. In the doctrine of God this principle brings it about that God is not viewed as a Sovereign or Judge, but as a Father. In reference to man it follows that he is not a child of wrath, but, notwithstanding his sensual, sinful condition, a child of God, endowed with divine talents and capable of the most glorious development. In order to attain to this goal he needs education. God educates man by his revelation in nature and history. In this manner He has already been educating the heathen; their religions do not form an antithesis to Christianity, but merely stand on a lower plane. The theologia naturalis is cognate and preparatory to the theologia revelata. Christianity is the highest religion, the highest revelation of 214 God. The essence of Christianity does not consist in doctrine, but in the Person of Christ. In His entire manifestation, in His life and death, He is the Revealer of God. Christ is qualified for this work, not, to be sure, by being the eternal and essential Son of the Father, but still, by His having been preëxistent in heaven before His descent upon earth. His revealing work did not cease at His death, which was not a satisfaction to divine justice but a display of love, not necessary but merely permitted of God. After His resurrection and ascension, Jesus continues His divine training of mankind by means of His Church. The Church is the specific agency of Christianity, the training-institute of God. Rome has better understood this than the Protestants. And at the present juncture the Jacoban Church of Jewish congregations, the Petrine Church of Rome, the Pauline Church of Protestantism are destined to pass into the Johannine Church of the future.

Met deze gedachten deed de Groninger Theologie haar intocht in de Ned. Herv. Kerk. Zij behaalde op het Supranaturalisme weldra de zege en breidde zich vooral uit in de Noordelijke provinciën des lands. Maar zij werd ook onderworpen aan ernstige kritiek, van de zijde der orthodoxie sedert 1842, en van die der opkomende moderne theologie sedert 1851. Aan de laatste verloor zij zelfs vele van hare discipelen. De Groninger Theologie werd eene wegbereidster voor de moderne. Toch hebben velen, vooral onder de leiding van Hofstede de Groot († 1886), zich tot op den huldigen dag, als eene eigene theologische richting weten staande te houden. Sedert zij in 1867 op kerkelijk terrein naast modernen en orthodoxen met eene eigene kiesvereeniging optraden onder den naam van het „Evangelie", worden zij meest de „Evangelischen" geheeten. Aan de Akademiën behooren de kerkelijke Hoogleeraren Gooszen (schrijver van een belangrijk werk over den Heidelb. Catech. 1890) en Offerhaus te Leiden, Cannegieter te Utrecht, Reitsma te Groningen nog tot hunne richting. Hun orgaan is het tijdschrift Geloof en Vrijheid, dat sedert 1867 maandelijksch verschijnt. Door hun Supranaturalisme zijn ze nog altijd van de Modernen onderscheiden.


With these ideas the Groningen Theology made its entrance into the Holland Reformed Church. After gaining an easy victory over Supranaturalism it soon spread, especially in the northern provinc of the country. It also was exposed, however, to severe criticism, both from the side of the old orthodoxy and from the Modern Theology, whose star was in the ascendant after 1851. In conflict with the latter party the Groningen School lost many of its disciples. In general, it prepared the way for the Modern Theology. Still, under the leadership of Hofstede de Groot (†1886), many have succeeded in maintaining an independent theological position. Having organized in 1867 a separate association for influencing Church elections, in distinction from the Moderns and the orthodox, under the name of Het Evangelie, they are since known as Evangelicals. At the universities they count as belonging to their school the ecclesiastical Professors Gooszen (the author of an important work on the Heidelberg Catechism) and Offerhaus at Leiden, Cannegieter at Utrecht, Reitsma at Groningen. Their organ is the periodical Geloof en Vrijheid, published monthly since 1867. From the Moderns they continue to be distinguished by their Supranaturalism.


*

3. De Moderne Theologie.

*

III. The Modern Theology.

Deze is niet zoo gemakkelijk te beschrijven als de beide vorige. Zij is op godgeleerd gebied een bont verschijnsel, dat zeer verschillende karaktertrekken vertoont. 170 Vooral vier personen hebben tot haar ontstaan bijgedragen. De Leidsche Hoogleeraar Scholten († 1885) was de dogmaticus harer eerste periode en na 1864 haar criticus van het N. Test. Zijn ambtgenoot Kuenen bood haar een machtigen steun door zijne historische kritiek van het O. Test. en den Godsdienst van Israël. De Utrechtsche Hoogleeraar Opzoomer drukte haar vooral den stempel op van het anti-supranaturalisme. En de doopsgezinde hoogleeraar, Hoekstra, te Amsterdam schonk haar vooral haar ethische richting.

Reeds als student te Utrecht had Scholten bezwaar tegen de toen daar heerschende Supranaturalistische richting. Vooral twee dingen stonden hem tegen: haar onvaste dogmatische grondslag en haar gemis aan wijsgeerige diepte. Straks sluit hij enger aan de kerkleer zich aan en bestrijdt in haar naam de Supranaturalistische en de Groninger Theologie. In deze richting word hij versterkt door Schweizer's Glaubenslehre der evang. ref. Kirche 1844-'47. En in 1848 geeft hij in het licht het eerste deel van zijn De Leer der Herv. Kerk in hare grondbeginselen, uit de bronnen voorgesteld en beoordeeld, dat in 1850 door een tweede deel gevolgd werd. In deze eerste periode (tot 1864) was Scholten nog vrij conservatief. Hij handhaaft de persoonlijkheid Gods, het metaphysisch Zoonschap van Christus, zijne zondeloosheid, opstanding en hemelvaart, de echtheid van de meeste schriften des N.T. (in zijn Hist. Krit. Inleiding tot de schriften des N.T. 1856); zelfs treedt hij nog tegen Opzoomer als tegen een ongeloovige en vijand van het christendom op. Maar voor de dieper zienden, zooals van Oosterzee en Saussaye in hunne beoordeelingen van Scholtens werk, bleef het niet verborgen, dat dit conservatisme maar tijdelijk was en 171 dat het beginsel, waarvan Scholten uitging, op louter negatie uitloopen moest.

In het formeel gedeelte der dogmatiek was dit de scheiding van Schrift en Woord Gods. De historische bewijsvoering van het Supranaturalisme kon toch de waarheid der H. Schrift niet betoogen; Lessing en Rousseau hadden dit reeds lang aangetoond. Het testimonium Spiritus Sancti kon evenmin iets bewijzen voor al het historische enz., dat in de Schrift aanwezig was. Daarom moest tusschen Schrift en Woord Gods worden onderscheiden, aan het laatste alleen, d.i. aan den godsdienstig-zedelijken inhoud geeft de gezuiverde rede getuigenis. Zoo werd door Scholten de idee van het feit, het Christendom van de historie losgemaakt. In het materieel gedeelte der dogmatiek ging Scholten uit van het spiritualistisch monisme, dat hij uit de Duitsche philosophie had overgenomen en met de volstrekte souvereiniteit Gods in de Geref. theologie vereenzelvigde. Onder de kritiek van dit beginsel bleef er schier niets van de Geref. dogmata over. En de positieve gedachten van Scholtens eigen stelsel waren eenvoudig deze: God is immanent en openbaart zich in al het geschapene. Openbaring valt met schepping en onderhouding samen; eene buitengewone, bijzondere openharing is er niet. God openbaart zich in al zijne werken, in natuur, in geschiedenis, bovenal in den mensch Jezus, die in zijn leven en sterven ons den waren godsdienst toont. Door deze objectieve manifestatie is God dus kenbaar; alles predikt zijne macht maar ook zijne goedheid, en liefde. Maar de mensch wordt zinnelijk, d.i. zelfzuchtig en zoudig geboren. Daarom moet er in hem eene subjectieve apocalypsis plaats hebben, om die objectieve manifestatie Gods te verstaan. Deze 172 apocalypsïs bestaat in de ontwikkeling zijner godsdienstig-zedelijke natuur, in de verlichting van zijn verstand en de reiniging van zijn hart. De alzoo godsdienstig en zedelijk ontwikkelde mensch kent God, hij ziet Hem in al zijne werken, bij gelooft Zijne liefde en weet zich zijn kind. Deze manifestatie Gods in natuur en geschiedenis, in leven en lot, bovenal in Jezus, is zoo duidelijk en werkt zoo krachtig op de zedelijke natuur van den mensch, dat deze haar op den duur niet kan wederstaan.

This tendency is more difficult to describe than the two preceding ones. In the sphere of theology it presents a variegated appearance, with widely differing features. Four persons especially have been influential in producing it. The Leiden Professor Scholten (†1885) was the dogmatician of its first period and after 1864 the spokesman of its critical views on the New Testament. His colleague, Kuenen, (†1891) lent powerful assistance by his historical criticism of the Old Testament and of the religion of Israel. From the 215 Utrecht Professor Opzoomer it received the stamp of a pronounced antisupernaturalism. Finally, the Baptist Professor Hoekstra, of Amsterdam, imparted to it its ethical tendency. While a student at Utrecht Scholten already felt dissatisfied with Supranaturalism, which then reigned supreme. He objected to two features in particular: to its unstable dogmatic basis and to its lack of philosophic depth. He soon sought a nearer approach to the Church doctrine, and in its name opposed the Supranaturalistic and Groningen theology. Schweizer's Glaubenslehre der evang. ref. Kirche, 1844-1847 confirmed him in this opposition. In 1848 he published the first volume of his Leer der Hervormde Kerk, in hare grondbeginselen, uit de bronnen voorgesteld en beoordeeld. In 1850 the second volume followed. During this first period (till 1864) Scholten was quite conservative. He maintained the personality of God, the metaphysical sonship of Christ, His sinlessness, resurrection and ascension, the genuineness of the greater part of the writings of the New Testament (in his Hist. Krit. Inleiding tot de Schriften des N.T., 1856). He even took his stand against Opzoomer as an infidel and an enemy of Christianity. Those, however, who saw below the surface, such as Van Oosterzee and Saussaye, in their criticisms of Scholten's work, did not fail to predict that this conservatism was merely temporary, and that the principle which Scholten followed would of necessity lead him on to absolute negation. This principle consisted for the formal part of Dogmatics in a separation between the Scriptures and the Word of God. Historical demonstration did not suffice to establish the truth of the Scriptures; Lessing and Rousseau had shown this long ago. The Testimonium Spiritus Sancti was no more equal to prove anything for the historical contents of Scripture. For these reasons it became necessary to distinguish between the Scriptures and the Word of God. To the latter alone, i.e., to the religious-moral contents of the Bible the purified reason bears witness. In this manner Scholten severed the bond between facts and ideas, between Christianity and history. In the material part of Dogmatics Scholten proceeded on the basis of spiritualistic monism, a principle which he borrowed from German philosophy and identified with the idea of the absolute sovereignty of God as embodied in Reformed theology. Under the criticism of this principle scarcely anything remained of the Reformed doctrines. The positive thoughts of Scholten's own system were simply these: God is immanent and reveals Himself in all created things. Revelation is coëxtensive with creation and preservation: there is no extraordinary, special revelation. God reveals Himself in all His works — in nature, in history, especially in the man Jesus, who, in His life and 216 death, exhibits to us the true religion. By this objective manifestation, therefore, God is knowable; all things proclaim His power, but also His goodness and love. Man, however, is born sensual, i.e., selfish and sinful. Consequently, there must take place within him a subjective apokalypsis in order that he may understand this objective manifestation of God (n"<XDTF4H). This apokalypsis consists in the development of his religious-moral nature, in the enlightening of his intellect and the purification of his heart. Man, being thus developed religiously and morally, knows God, sees Him in all His works, has faith in His love and is conscious of being His child. This manifestation of God in nature and history, in life and destiny, especially in Jesus, is so clear and exerts such a powerful influence on the moral nature of man that it cannot be permanently resisted.

Maar deze wijsgeerige gedachten traden eerst nog niet duidelijk voor den dag. Ze Waren daartoe nog te zeer in orthodoxe vormen gehuld en met conservatieve bestanddeelen vermengd. Scholten was zelf eerlijk en oprecht overtuigd, dat hij de verzoening van gelooven en weten, van theologie en philosophie, van hart en verstand gevonden had. En hij wist anderen in die overtuiging te doen doelen. Weldra werd het nieuwe Evangelie van vele kansels met geestdrift verkondigd. Zijne colleges werden druk bezocht. Zijn Leer van de Herv. Kerk werd in korten tijd driemalen vermeerderd en herdrukt. En onder zijne aanhangers was de illusie algemeen, dat de redelijkheid van het geloof, en nog wel van de Geref. Kerkleer, was gevonden. Maar ze zou spoedig worden verstoord. In 1864 volgde bij Scholten zelven de omkeer. In de voorrede voor zijn werk Het Evangelie van Johannes, hetwelk in dat jaar verscheen, verklaart hij open, dat hij vroeger meende in de goed uitgelegde Schrift nog zijne wereldbeschouwing te bezitten. Maar thans was dit niet het geval meer. De wereldbeschouwing van Johannes was de zijne niet. Hij komt nu tot de erkentenis, dat tusschen zijne gedachten en die der Schrift geen overeenstemming, maar 173 eene diepe klove bestaat. Van nu af aan wijdt hij zich aan het histor.-kritisch onderzoek van het N. Test., en sluit zich bij de Tubingers aan.

These philosophical thoughts, however, were not expounded with perfect distinctness in the beginning. They were too much clothed in the old orthodox forms and had too large an admixture of conservative elements for this. Scholten himself lived in the honest conviction of having discovered the reconciliation of faith and knowledge, of theology and philosophy, of the heart and the intellect. He was able also to impart this conviction to others. Soon the new gospel was proclaimed, with enthusiasm from many pulpits. His lectures were largely attended. The Leer van de Hervormde Kerk appeared in three new and enlarged editions within a short time. Among his followers the illusion was well-nigh universal, that the reasonableness of the faith, and of the doctrine of the Reformed Church at that, had been established. This illusion, however, was soon to be dispelled. In 1864 the reaction set in with Scholten himself. In the Preface to his work on the gospel of John, which was published in the year just mentioned, he openly declared that, while formerly believing that he found in the Scriptures, when well expounded, his own view of the world, he longer cherished this conviction. The system of John was not his system. He now begins to recognize that between his ideas and those of the Bible there is no agreement, but a deep chasm. Henceforth he devotes his labors to the historico-critical investigation of the New Testament, in close alliance with the Tübingen School.

Deze omkeer was bij Scholten zonder twijfel de consequentie van zijn eigen beginsel maar ook gevolg van den invloed, door Kuenen en Opzoomer op hem en zijne leerlingen uitgeoefend. Kuenen was door zijne kritiek van het O. Test. (Hist.-Krit. Inl. 1861 v.) tot de overtuigjng gekomen, dat de Israelitische godsdienst zeer goed zonder eenig supranaturalistisch element kan worden verklaard. En Opzoomer kwam, na eene korte Krauseaansche periode, onder den invloed der wijsbegeerte van Comte en Mill en huldigde weldra het empirisme, dat voor wonderen geen plaats overliet. De gevolgen van dit alles bleven niet uit. De illusie werd verstoord, het geloof en de geestdrift gingen verloren. Sommige predikanten, zooals Pierson en Busken Huet legden hun ambt neer en verlieten de kerk. Anderen voelden zich onvoldaan door het monisme van Scholten. De behoefte des harten had aan zijn intellectualisme niet genoeg. En de zedelijke natuur van den mensch was onbevredigd door zijn determinisme. Een geheele groep van moderne theologen maakte van Scholtens stelsel zich los en sloot zich nauwer aan Hoekstra aan. Deze was niet zooals Scholten bij Hegel maar bij Kant ter schole gegaan. Hij zocht den grond van het godsdienstig geloof niet in de rede maar in het gemoed, in de zedelijke natuur van den mensch, en had ook tegen Scholten de wilsvrijheid verdedigd. De nieuwe ethische richting, welke nu onder de modernen opkwam, liet zich aldus hooren: al zouden wij ook door de rede tot God als het Absolute kunnen komen, dat Absolute is toch niet de God, dien ons harte behoeft. Maar de 174 schepping predikt geen liefderijk God. Den God, dien wij behoeven, vinden wij niet buiten ons maar alleen binnen in ons. Godsdienst is toewijding aan het zedelijk ideaal, aan de macht van het goede, aan het „Du sollst" des gewetens. Godsdienst is geen wetenschap en geen wereldbeschouwing, maar godsdienst is eene bijzondere levensopvatting. Reine zedelijkheid, heiligheid is de inhoud der religie. En sommigen van deze richting gingen zoo ver, dat er niet ten onrechte van eene „atheïistische nuance" onder de moderne theologen gesproken werd.

This change of front with Scholten was no doubt the result of a consisten carrying out of his own principles. At the same time it was due to the influence exerted on him by Kuenen and Opzoomer. Kuenen had, by his criticism of the Old Testament (Hist. Krit. Inl., 1861), come to the conclusion that the religion of Israel admits of full explanation without resorting to any supernatural element. After a brief period of adherence to Krause Opzoomer passed under the influence of Comte's and Mill's philosophy 217 paying homage to a strict empiricism which left no place for miracles. The results soon showed themselves. The illusion had been dispelled, faith aud enthusiasm suffered shipwreck. Some ministers like Pierson and Busken Ruet, resigned their office and left the Church. Others felt dissatisfied with the monism of Scholten. The heart put in claims which his intellectualism was not able to satisfy. The moral nature of man could not rest in his determinism. A whole group of modern theologians broke loose from Scholten's system and sought a closer alliance with Hoekstra. The latter had not been taught in the school of Hegel, but in that of Kant. According to him the basis of religious faith was not to be found in reason, but in the heart, in the moral nature of man. Against Scholten he had defended also the liberty of the will. This new ethical tendency, which now came to tbe front among the Moderns, argued in the following strain: Even though we should be able to reach, by means of reason, God as the Absolute, yet this Absolute would not be the God which our heart stands in need of. Creation does not proclaim a God of love. The God we need is not to be found outside of ourselves, but within. Religion is consecration to the moral ideal, to the power of the good, to the “Thou shalt" of conscience. Religion is not science, not a view of the world, but a specific conception of life. Pure morality, holiness is the content of religion. Some adherents of this tendency went to such an extreme in the avowal of these ideas, that with a degree of justice an “atheistie shade" of Modern Theology began to be spoken of.

Meer dan 10 jaren, ongeveer van 1868 tot 1878, is er tusschen de intellectualisten en de ethischen onder de modernen een hevige strijd gevoerd. Maar geen van beiden heeft de zege behaald, en verzoening is evenmin gevonden. Alleen is de verwarring toegenomen. Over en weer heeft men wat van elkander overgenomen, zoodat er aan schakeeringen geen gebrek is. De verschillen betreffen vooral den oorsprong, het wezen, de openbaring, de waarde van den godsdienst, de verhouding van godsdienst en zedelijkheid, en die van godsdienst en wetenschap. Ook het werk van Prof. Rauwenhoff, Wijsbegeerte van den godsdienst, eerste gedeelte, Leiden 1887 (onvoltooid wegens den dood des auteurs in Jan. 1889) heeft geen eenheid gebracht. Hoeveel belangstelling en waardeering het ook ondervond, het neemt in de verste verte voor de tweede periode der moderne theologie de plaats niet in, welke Scholtens werk in de eerste veroveren mocht. Aan kritiek heeft het dan ook niet ontbroken. Rauwenhoff verklaart den oorsprong van den godsdienst uit de zedelijke aandoeningen van eerbied en ontzag, die naar eene of andere aanleiding door den primitieven mensch op eene natuurmacht 175 worden overgedragen en hem daarin zijn God deden zien. Het wezen van den godsdienst vindt Rauwenhoff in het geloof aan eene zedelijke wereldorde, hetwelk voor de wetenschap onaantastbaar is. Maar de vorm, waarin dat wezen zich altijd openbaart, is geloof aan eene bovenzinlijke persoonlijke macht, en deze is gewrocht der dichtende verbeelding. Het bevreemdt niet, dat deze denkbeelden geen algemeene instemming vonden en geen eenheid gebracht hebben.

De moderne theologie bleek sterk in het afbreken, maar in het opbouwen zwak.


*

Wanneer wij nu ten slotte de drie beschreven richtingen nog even overzien, is er iets tragisch in deze ontwikkeling der dogmatische gedachte. Het is een langzaam ontbindingsproces. Het begon met de terzijde stelling der belijdenis; alleen de Schrift moest gehoord worden. Dan wordt ook de Schrift losgelaten en gaat men tot den persoon van Christus terug. Van den persoon van Christus wordt echter eerst zijne Godheid, dan zijn prae-existentie, vervolgens ook zijne zondeloosheid prijs gegeven, en er blijft niets van hem over dan een godsdienstig mensch, een religieus genie, die ons Gods liefde openbaart. Maar ook dat bestaan en die liefde Gods blijken voor de kritiek niet bestand. Zoo is dan het zedelijke in den mensch de laatste grondslag, waarop men tegenover het materialisme zich zoekt te handhaven. Maar ook die grondslag zal blijken, onvast en wankel te zijn.


For more than ten years, from 1868 till 1878, a violent war was waged between the intellectualists and the ethical wing of Modern Theology. Neither party, however, can boast of having gained the victory; nor has a reconciliation been effected. The confusion has rather increased. On both sides certain elements have been adopted from the opposing party, and in consequence the various groups and shades have become numerous. The differences relate chiefly to the origin, the essence, the revelation and the value of religion, to the relation between religion and morality, and to that between religion and science. Nor has the work of Prof. RauwenhoffWijsbegeerte van den Godsdienst, 1st Part, Leiden, 1887 (incomplete owing to the author's death, January, 1889) — brought about a reunion. Notwithstanding the high degree of interest and of appreciation with which it has been received, it is far from being able to claim the importance for the second period of the Modern Theology which Scholten's work possessed for the preceding period. It has been severely criticised. Rauwenhoff seeks the origin of religion in the moral emotions of reverence and awe, which, on certain 218 occasions, were awakened in primitive man, and after having been transferred to some power of nature, clothed the latter to his view with the attributes of divinity. The essence of religion, according to Rauwenhoff, consists in belief in a moral order of the world, a belief which science cannot assail. The form, however, in which this essence reveals itself, is belief in a supersensual, personal power, and this form is a product of the poetic imagination. It causes no surprise that these ideas found but little assent and effected no unity. The Modern Theology has shown itself strong in destroying, but weak in the work of reconstruction.

In casting a retrospective glance at the three tendencies described up to this point, we are struck with the tragic aspect of this development of dogmatic thought. It is a slow process of dissolution that meets our view. It began with setting aside the Confession; Scripture alone was to be heard. Next Scripture also is dismissed; and the Person of Christ is fallen back upon. Of this Person of Christ, however, first His divinity, next His preëxistence, finally His sinlessness are surrendered, and nothing remains but a pious man, a religious genius, revealing to us the love of God. But even the existence and the love of God are not able to withstand criticism. Thus the moral element in man becomes the last basis from which the battle against materialism is conducted. But this basis will appear to be as unstable and unreliable as the others.


*

4. De Utrechtsche School.

*

IV. The Utrecht School.

Hoevelen er ook met de bovengenoemde richting op den weg der ontkenning werden medegevoerd; onder 176 het volk bleef er altijd nog eene kern, die niet mee afdreef op dien stroom maar aan Schrift en belijdenis vasthield. En onder de hoogere standen kwam er eene herleving des geloofs door den Reveil, die na de restauratie door persoonlijk bezoek, en door geschriften van uit Zwitserland ook hier werd overgeplant. De mannen van den Reveil waren echter lang niet allen kinderen ééns geestes. Eerst merkte men dat zoo niet. Maar langzamerhand kwamen de verschillen over belijdenis, theologie, Kerk, Staat, Universiteit, enz. voor den dag. Uit deze verschillende inzichten, die van huis uit onder de geloovigen aanwezig waren, werden straks op wetenschappelijk gebied ook verschillende theologische richtingen geboren.

However great the number of those that were carried away with these tendencies on the road to negation, the core of the nation was not swept along but adhered to the Bible and to the Confession. Among the higher classes a revival of faith was produced by the Réveil, which, after the Restoration, had been transplanted, by personal intercourse and writings, from Switzerland to our country. The men of the Réveil, however, were far from being children of one spirit. At first this was less apparent. But gradually differences of opinion in regard to the Confession, theology, the Church, the State, the university were brought to light. Out of these differences, which were present from the very first, afterwards distinct theological tendencies were born in the sphere of science also.

Het eerste belangrijk teeken van leven, dat van geloovige zijde op wetenschappelijk-theologisch terrein werd gegeven, waren de Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie, die in 1845 begonnen teverschijnen onder redactie o.a. van Dr. J.I. Doedes, en Dr. J.J. van Oosterzee. De laatste opende het met eene „Proeve over den tegenwoordigen toestand der apologetische wetenschap en hare wenschelijke ontwikkeling in onze dagen" en zocht den laatsten grond voor de waarheid van het christendom niet in verstandelijke redeneeringen en historische bewijzen, maar in het gevoel, in de ervaring des christens. Maar na eene scherpe kritiek van Opzoomer, die in 1846 tot Hoogl. in de Wijsbeg. te Utrecht werd benoemd, verklaarde van Oosterzee korten tijd daarna in hetzelfde tijdschrift, dat hij vroeger door gidsen uit de school van Schleiermacher op de baan van het subjectivismewas geleid maar nu in de feiten het eerste en het objectieve bewijs voor de waarheid des christendoms zag. 177 Daarmede kwam hij op denzelfden weg, die ook door zijn ambtgenoot Doedes bewandeld werd. Eerst beiden predikant te Rotterdam, kwamen ze weldra als Hoogleeraren te Utrecht weer in elkanders nabijheid, Doedes in 1859, van Oosterzee in 1863. Er was tusschen hen, ook in verband met hun aanleg en gaven, op theologisch terrein een niet onbelangrijk verschil, rakende de verhouding van gelooven en weten. Doedes oordeelde, dat er van God en goddelijke dingen in den eigenlijken zin geen weten mogelijk was, en maakte dus tusschen gelooven en weten eene scherpe en streng volgehouden scheiding. Van Oosterzee meende daartegenover, dat de Theologie, die uit het geloof wordt geboren, wel ter dege eene wetenschap was; natuurlijk eene eigensoortige, eene wetenschap des geloofs, maar niettemin evengoed eene wetenschap als de andere vakken van hooger onderwijs. Maar de overeenstemming, die tusschen de beide Hoogleeraren bestond, heeft dat verschil bij de leerlingen der Utrechtsche School geheel op den achtergrond doen treden. En die overeenstemming was groot. In de pars formalis der dogmatiek hebben zij het oude Supranaturalisme vernieuwd. De laatste gronden voor het geloof werden gezocht in historische bewijzen. Wel werd erkend, dat die bewijzen, om iemand te overtuigen en tot het geloof te brengen, eene zekere gesteldheid des harten, eene zedelijke gezindheid onderstelden. De bewijzen, waarop het geloof rustte, waren geen bewijzen in stricten zin, maar alleen gronden, die door het vertrouwen van het subject aangevuld en voldoende geacht moesten worden. Maar toch lagen de gronden van het geloof op het gebied van het weten. Niets werd aangenomen dan na voorafgaand onderzoek.

En Doedes ging zelfs zoover dat hij eenmaal 178 uitsprak, dat als er geschreven, staat: de dwaas zegt in zijn hart: er is geen God, men eerst diende te onderzoeken of die dwaas geen gelijk had. Beiden namen hun theologisch standpunt dus niet in maar vóór en buiten het geloof in het weten. Optredende in een tijd, dat Groningers en Modernen met zelfbewustheid de orthodoxie bestreden, zagen zij zich geroepen, om tegenover deze richtingen hun geloof te rechtvaardigen. Van Oosterzee laat daarom in zijn dogmatiek een breeden apologetischen grondslag aan de thetische uiteenzetting des geloofs voorafgaan. Apologetiek en polemiek waren daarom de beide wapenen, die door de Utrechtsche Hoogleeraren met voorliefde werden gehanteerd. En al is het nu, dat zij door dit hun supranaturalistisch standpunt de zelfstandigheid der theologie niet genoeg hebben gehandhaafd, maar het geloof lieten afhangen van en zich lieten schikken naar het weten, in hun tijd was deze positie misschien de eenig mogelijke, zij hebben de Groningers en Modernen wel niet gewonnen, maar toch het zwakke en wankele geloof bij velen in eigen kring versterkt, en een terrein geëffend, waarop de volgende theol. richtingen optreden konden.

The first important sign of life, by which the party of believers asserted itself in the field of scientific theology, was the publication, from 1845, of the Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie, edited by Dr. J.I. Doedes, Dr. J.J. Van Oosterzee and others. The latter opened the first number with an Essay on the Present State of Apologetics, and the Desirability of Developing this Science in our Days. The ultimate ground for the truth of Christianity, 219 he did not seek in an intellectual process of reasoning, nor in historical evidence, but in feeling, in Christian experience. After a severe criticism by Opzoomer, who had been called to the chair of philosophy at Utrecht in 1846, Van Oosterzee soon declared, in the same periodical, that formerly he had been led astray by guides from the school of Schleiermacher, into the error of subjectivism; but that he now considered the facts to be the foremost and objective proof for the truth of Christianity. This retraction brought him on the track, which his colleague, Doedes, had been following for some time. Van Oosterzee and Doedes were at first fellow-ministers of the church at Rotterdam, and were once more united by their professorships at Utrecht, the former being called to tbc chair of theology in 1863, the latter in 1859. Along with their distinct talents and gifts, there existed between these two friends an important theological difference of opinion concerning the relation between faith and knowledge. Doedes judged that in referenee to God and divine things, strictly speaking, knowledge is not possible; and consequeutly he made a sharp distinction between believing and knowing. Van Oosterzee, on the other hand, judged that a theology which is born out of faith is undoubtedly a science, a specific science of course, a science of faith, but nevertheless a science as strictly as any other branch of higher instruction. The agreement, however, which existed between the professors on other points, has obliterated this difference among the disciples of the Utrecht School. This agreement extended very far. In the pars formalis of Dogmaties both renewed the old Supranaturalism. The ultimate grounds of faith lie in historical proof. It was admitted that, for their convincing power, in leading one to faith, these proofs were dependent on a eertain predisposition of the heart, a moral receptivity. The proofs, on which faith rests, are not proofs in the strict sense of the term, but only grounds of belief, which must be supplemented and strengthened by subjective assurance. Still the grounds of belief lie within the sphere of knowledge. Nothing is to be accepted without previous investigation. Doedes went so far as to assert on one occasion that, when it is written, “The fool hath said in his heart: There is no God," it will be neeessary first to inquire whether that fool may not be right. Both Van Oosterzee and Doedes chose their theological standpoint not within faith, but before it and on the outside of it. Their labors began in a period during which the Groningen School and the Moderns were waging war, with great self-confidence, against orthodoxy; and for this reason they felt in duty bound to justify their faith over against these tendencies. Van Oosterzee accordingly builds a broad apologetic foundation before proceeding to the thetical construction 220 of his Dogmatics. Apologetics and Polemics were the weapons which the Utrecht professors liked to wield in preference to all others. It may be true that, owing to this Supranaturalism, they have not sufficiently asserted the independence of theology and have placed faith in a position of servile dependence on knowledge; but we should not forget, that in their time this position was perhaps the only tenable one. To be sure they did not win the adherents of the Groningen and Modern Schools, but within their own cirele they have strengthened the weak and wavering faith of many, and prepared the way for those that were to follow.

Met dit apologetisch standpunt staat ten nauwste de inhoud hunner dogmatiek in verband. In vergelijking met de diepe klove, die hen van hunne tegenstanders scheidde, schenen de verschillen klein en gering, welke er onder de geloovigen aanwezig waren. Op die verschillen zijn zij niet ingegaan. Het confessioneel bewustzijn is door hen niet gewekt. Het was hun genoeg, als zij, de bolwerken van het christendom prijsgevende, slechts de vesting mochten behouden. Op kenmerkend gereformeerde leerstukken legden zij niet den nadruk, maar de groote hoofdwaarheden van het christendom 179 werden door hen met moed beleden en verdedigd. Van Oosterzee had tot spreuk: Christianus nomen, Reformatus cognomen. Hij bleef in zijne dogmatiek wezenlijk staan bij de theologie van den Reveil, bij de onveranderlijke waarheden der Hervorming.

En Doedes ging nog verder terug en gaf in zijne Leer der Zaligheid eene eenvoudige bijbelsche theologie. Voorstanders eener gematigde orthodoxie, konden zij daarom met de later optredende streng-geref. theologie volstrekt niet medegaan. Zulk een confessionalisme stond hun sterk tegen de borst. Van Oosterzee kwam er nog in de laatste jaren van zijn leven tegen op, o.a. in zijne verhandeling over de Theopneustie 1880. En Doedes legde er een krachtig getuigenis tegen af in twee werken, over de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, 1880 en den Heidelb. Catechismus, 1881, waarin hij deze beide confessies aan eene scherpe maar niet diepgaande kritiek onderwierp.

The contents of their Dogmaties are closely dependent on this apologetic standpoint. In comparison with the deep chasm that separated them from their opponents, the differences among believers appeared of but slight importance. They did not enter upon the significance of these differenees. The confessional consciousness was not fostered by them. They were satisfied if, by surrendering the outworks of Christianity, they would be able to save the fortress. They placed no emphasis on any specifically Reformed doctrines, but bravely professed and defended the main truths of Christianity. Van Oosterzee's motto was: Christianus nomen, Reformatus cognomen. His Dogmatics did not advance beyond the theology of the Réveil, the unchangeable truths of the Reformation. Doedes went back still further, and in his Leer der Zaligheid gave a simple Biblical Theology. Being defenders of a moderate orthodoxy, they were unable to join the later movement towards a more strictly Reformed theology. They felt a strong antipathy against such a thoroughgoing confessionalism. Even during the last years of his life Van Oosterzee lifted his voice against it, as, for example, in his treatise on Theopneusty, 1880. Doedes entered a strong protest against it in his works on The Belgic Confession, 1880, and The Heidelberg Catechism, 1881, in which he subjected both creeds to a sharp but somewhat superficial criticism.

Desniettemin, al is de orthodoxie hun ook boven het hoofd gegroeid en voorbijgestreefd, zij hebben jegens de Theologie en de Kerk, in Nederland zeer groote verdiensten. Zij hebben in een tijd, toen de orthodoxie algemeen als een verouderd, en totaal overwonnen standpunt gold, de belijdenis van den Christus naar de Schriften zich niet geschaamd, en velerlei smaad en miskenning om harentwille gedragen. Zij hebben een geslacht van predikanten gekweekt, die de groote waarheden van Schrift en belijdenis weer met moed en vrijmoedigheid hebben verkondigd. Nog tot op den huidigen dag zijn de meeste geloovige predikanten in de Herv. Kerk discipelen van hun school en kinderen huns geestes. En aan de Akademiën is hunne richting, zij het ook min of meer gewijzigd, thans nog 180 vertegenwoordigd door de Hoogleeraren Cramer en Lamers te Utrecht, die samen uitgeven: Bijdragen op het gebied van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte en de kerkelijke Hoogleeraren, van Leeuwen te Utrecht, en Kruijf te Groningen.


Nevertheless, though they have been outgrown and left behind by orthodoxy, they have well deserved of the Church and of theology in Holland. At a period when the orthodox faith had come to be considered as an antiquated and abandoned standpoint, they were not ashamed to confess Christ, and suffered much reproach and scorn for His sake. They trained a generation of ministers who have proclaimed boldly and bravely in the churches the great truths of the Scripture and the Confession. Up to the present day the majority of believing ministers in the Reformed Church consists of their disciples, of their spiritual children. In the universities their views are represented, with more or less modification, by Professors Cramer and Lamers at Utrecht (who jointly publish, 221 Bijdragen op het Gebied van Godgeleerdheid en Wijsbegeerte), Van Toorenenbergen at Amsterdam, and the ecclesiastical Professors Van Leeuwen at Utrecht and Kruijf at Groningen.


*

5. De Ethische Theologie.

*

V. The Ethical Theology.

Hoe groot de invloed der Utrechtsche School ook was, zij voldeed niet aan allen. Naast haar trad weldra eene andere theol. richting op in den persoon van D. Chantepie de la Saussaye, (geb. 1818, pred. te Leeuwarden 1842, te Leiden 1848, te Rotterdam 1862, hoogl. te Groningen 1872-'74), eene beminnelijke persoonlijkheid, een diep denker, een machtig prediker. Hij kon zich in geen der bestaande richtingen vinden. De Reveil was hem te ontheologisch, de Groninger Theologie te onphilosophisch, de orthodoxie te onwetenschappelijk en de Moderne Theologie te ongeloovig. Hij zocht naar iets anders en beters en vond dat in de Duitsche Vermittelungstheologje van Nitzsch, Twesten, Müller, Dorner, Rothe e.a. Hij wilde evenals dezen behoud van het geloof maar ook van de wetenschap. De orthodoxe dogmatiek kon zoo maar niet geloovig aangmomen worden. Zij begon met a priori het gezag der H. Schrift vast te stellen en belette daardoor het vrije onderzoek. Zij plaatste de leer vóór het leven, veranderde het geloof daardoor in eene verstandelijke daad en leed alzoo aan een verderfelijk intellectualisme. De philosophie van Kant en de historische kritiek van de H. Schriften hebben bovendien dit orthodoxe standpunt ook volkomen geoordeeld. Daarom moet er een andere weg worden ingeslagen, om op godsdienstig-zedelijk gebied de waarheid deelachtig te worden. En die weg is de 181 ethische. Dat wil zeggen: niet de mensch met zijn redeneerend verstand, maar de mensch met zijn gemoed, zijn hart, zijn geweten, d.i. de ware, de zedelijke mensch erkent en verstaat alleen de waarheid. In de taal der Schrift gesproken: alleen wie wedergeboren is uit water en Geest, kan het Koninkrijk der Hemelen zien. (Joh. 3 : 3.) Wie Gods wil doet, verstaat van Jezus' leer, dat ze uit God is. (Joh. 7 : 17.) Maar zulk een gelooft dan niet op eenig uitwendig gezag van Schrift, Kerk, historische bewijzen, maar alleen op grond van eigen ervaring (Joh. 4 : 42), op grond van het gezag dat de waarheid in zichzelve heeft. En zulk een gelooft niet met zijn verstand eenige rechtzinnige stellingen. Dat is geen waarachtig geloof. Geloof is geen werk des verstands maar eene zaak des harten; geloof is leven. Het is het leven des H. Geestes in ons, de vervulling van onze ethische aspiratiën, het is het ware, volkomen natuurlijke, echt-menschelijke leven. En wat zoo iemand gelooft, d.i. de waarheid, bestaat niet in eenige verstandelijke dogmata, in eene leer of eene belijdenis. Neen, de waarheid is niet iets intellectueels, zij is door en door zedelijk van nature, zij is persoonlijk, zij is de levende Christus zelf. Dat zijn de ware geloovigen, die in hun hart gemeenschap hebben met den levenden, persoonlijken Christus; in Hem zijn zij de waarheid deelachtig, ook al is hun belijdenis van den Christus nog zoo onzuiver. Maar dat leven des geloofs, dat zetelt in het hart, blijft niet binnen dat hart besloten. Het werkt in op heel den mensch, openbaart zich in al zijne daden, het verheft zich in zijn verstand tot bewustheid. Zoo ontstaat de roeping der theologie, om dat geloofsleven in te denken en te formuleeren. De leer volgt dus op het leven. De 182 dogmatiek is gebouwd op de ethiek. Dogmata zijn beschrijvingen, maar altijd feilbare, van het leven des geloofs. Daarom moeten die dogmata altijd opnieuw aan kritiek worden onderworpen. Ze moeten telkens weer in den smeltkroes worden geworpen, opdat de goede erts van de leemen bestanddeelen gereinigd worde. Gevaar is hier niet aan verbonden. Want al wisselt de vorm, de inhoud blijft. Het geloofsleven staat en valt niet met eenige dogmatische formule of met een resultaat der historische kritiek. Het is onafhankelijk en schept zich altijd nieuwe vormen. De gemeente kan bij die kritiek niets verliezen maar alles winnen.

Though the influence exerted by the Utrecht School was very great, its views did not receive the approval of all. A new theological tendency appeared on the scene in the person of D. Chantepie de la Saussaye (born 1818, minister at Leeuwarden 1842, at Leiden 1848, at Rotterdam 1862, professor at Groningen, 1872-1874). De la Saussaye was an amiable personality, a deep thinker, a powerful preacher. None of the existing schools could fully satisfy him. The Réveil was not sufficiently theological, the Groningen School had too little of philosophy, the orthodox tendency was lacking in scientific spirit, the Modern Theology saturated with unbelief. He looked about for something different and better, which finally he discovered in the German Vermittelungstheologie of Nitzsch, Twesten, Müller, Dorner, Rothe and others. Like these theologians he desired to retain both faith and science. The orthodox Dogmatics could not be accepted in the customary manner with a simple unquestioning faith. It posited a priori the authority of the Holy Scriptures, and thus precluded a free investigation. It put doctrine before faith, transformed faith into an intellectual act, and consequently suffered from a fatal intellectualism. Moreover, by Kant's philosophy and the historical criticism of the Scriptures, this standpoint had long been judged. Another path must be followed to gain access to the truth in the sphere of religion and morals. This is the ethical way, which means that man knows and understands the truth not by reason and intellect, but by his soul, his heart, his conscience, in his capacity as a true man, a moral being. To express the same in scriptural language: He alone, that is born again of water and of tbe Spirit, can see the kingdom of heaven (John iii. 3); whosoever doeth the will of God, understands of the doctrine of Jesus, that it is of God (John vii. 17). Such a one does not believe on the ground of any external authority of the Bible, the Church, historical evidence, but exclusively on the ground of his own experience of that testimony which the truth carries with itself. He does not assent, by a purely intellectual process, to a number of orthodox propositions. That is not the true faith. Faith is not an act of the intellect, but a matter of the heart; faith is life. It is the life of the Holy Spirit within us, the satisfaction of all our ethical aspirations, the true, perfect, natural, genuinely human life. The contents of such a faith are not some theoretical dogmas, some system or confession. Truth is not intellectual; it is 222 thoroughly ethical by nature; it is personal, identical with the living Christ Himself. Those are the true believers, that in their heart hold communion with the living, personal Christ; in Him they are partakers of the truth, should their confession of Christ be ever so erroneous. But this life of faith, residing in the heart, does not remain shut up int the heart. It controls the whole man, reveals itself in his actions, and attains to consciousness in his intellect. Henee the duty of theology to enter into this life by thought and to formulate it. Thus doctrine is made to follow life. Dogmatics is built upon Ethics. Dogmas are a description, never infallible, of the life of faith. Consequently they are to be subjected to an everrenewed criticism. They are to be thrown into the crucible without sparing, in order that the good ore may be purified of its admixture of clay. There is no danger in this whatsoever. Forms may change, the essence remains. The life of faith is not dependent on any dogmatic formula, or on any result of historical criticism. It rests in itself, and creates for itself ever new forms. The Church has nothing to lose and everything to gain by this process of criticism.

En nu was het volgens de la Saussaye thans vooral een tijd, waarin alle dogmata gereconstrueerd moesten worden. De Theologie had de gewichtige taak, om ze van hun scholastischen vorm te ontdoen, ethisch te vernieuwen en christologisch om te werken. Alle dogmata, Inspiratie, Triniteit, Schepping, Christus, de Voldoening, de Kerk, ze moesten zulk eene herschepping ondergaan. En Saussaye arbeidde in dien geest. Wat er zoo van de verschillende dogmata terecht kwam, is licht te bevroeden. Verkiezing b.v.b. was geen eeuwig besluit Gods meer maar werd nu de persoonlijke mededeeling Gods aan den mensch. Voldoening bestond niet meer in het volbrengen van Gods, wet en het dragen van Zijn toorn, maar was de eenheid van God en mensch, door Christus met zijne vleeschwording begonnen en in zijn dood gehandhaafd en voltooid enz. Veel nieuws werd bij deze omsmelting der dogmata door Saussaye niet geleverd; de duitsche Vermittelungs-theologie had dit alles reeds voor hem gedaan.

Especially the present time was a time, according to De la Saussaye, that stood in need of a reconstruction of all dogmas. The important duty devolved upon theology to divest them of their scholastic form, ethically to renew and Christologically to reshape them. All dogmas, that of inspiration, the Trinity, creation, Christ's satisfaction, were to be subjected to such a remodeling. Saussaye himself labored in this direction. It is easy to conceive what had to be the result of this in regard to the separate dogmas. Election, for example, was no longer an eternal decree of God, but became the act whereby God personally communicates Himself to man. Satisfaction no longer consisted in the fulfillment of the divine law, and the bearing of the divine wrath, but in the union of God and man as begun by Christ in His incarnation, upheld and completed in His death. There was but little original in all this, the German Vermittelungstheologie having elaborated these ideas before.

Toch is zijne beteekenis voor de Nederlandsche Theologie niet gering te schatten. Niet alleen is hij door 183 zijne machtige en boeiende prediking voor velen ten rijken zegen geweest. Maar hij heeft het intellectualisme en empirisme met kracht bestreden, de verduisterende werking der zonde in het licht gesteld en de noodzakelijkheid der wedergeboorte voor de erkentenis der waarheid nadrukkelijk betoogd. Boven de Utrechtsche Theologie had hij dit vooruit, dat hij niet vooraf in eene breede en altijd wankele apologetiek het recht van zijn geloof behoefde te betoogen, maar aanstonds, ook tegenover de modernen, zich kon beroepen op en aansluiten aan het geweten in den mensch. Niettemin is het aantal van hen die dezen theoloog met bewustheid volgden, niet groot geweest. Aan de Akademie werkte hij te kort, om een schare van discipelen te vormen. Daarontegen heeft hij in Dr. J.H. Gunning, vroeger predikant te 's Gravenhage, daarna kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam en thans hoogleeraar te Leiden, een talentvollen medestander gehad, die zijne denkbeelden trouw heeft overgenomen maar ook nog met eenige theosophische en apocalyptische beschouwingen verbindt.

Onder de Hoogleeraren behooren tot zijne richting zijn zoon P.D. Ch. de la Saussaye, schrijver van het Lehrbuch der Religionsgeschichte 1887-'9, te Amsterdam, Valeton te Utrecht, Van Dijk, Wildeboer en van Rhijn te Groningen; terwijl enkele predikanten, Dr. Daubanton, e.a. een tijdschrift „Theologische Studiën" redigeeren, dat de beginselen der ethische Theologie voorstaat.


Nevertheless, De la Saussaye's significance for the history of Dutch theology should not be underestimated. For many he has become a rich blessing by his powerful and attractive preaching. He opposed intellectualism and empiricism with all his might, set forth elearly the darkening influence of sin, and emphatically argued the necessity of regeneration for attaining to knowledge of the truth. He had the advantage of the Utrecht Theology in this, that he felt absolved from the duty of demonstrating the claims of his faith on the basis of a broad and unstable Apologetics, and could appeal directly to conscience in man over against the Moderns also. Still 223 the number of those who consciously followed him was rather small. The period of his activity at the university was too short to form a school. In Dr. J.H. Gunning, formerly minister at The Hague, afterwards ecclesiastical professor at Amsterdam, at present professor at Leiden, he found a talented assistant, who faithfully adopted his ideas, but also combined them with certain theosophic and apocalyptic views. Among the teachers in the universities his tendency is represented by his son, P.D. Chantepie de la Saussaye, at Amsterdam (author of the Lehrbuch der Religionsgeschichte, 1887-1889), Valeton at Utrecht, Van Dijk, Wildeboer and Van Rhijn at Groningen. A number of ministers, like Dr. Daubanton and others, edit a periodical, Theologische Studiën, which advocates the principles of the Ethical Theology.


*

6. De Gereformeerde Richting.

*

VI. The Reformed Tendency.

De Apologetische en de Ethische Theologie, hoezeer ook op waardeering aanspraak hebbend, leden toch aan 184 twee groote gebreken. Ten eerste waren hare beginselen niet van zulk eene innerlijke vastheid, dat zij op den duur tegen het moderne ongeloof bestand bleken te zijn. En ten andere waren zij juist daardoor niet bij machte, om het gereformeerde deel onder de geloovigen aan zich te verbinden. Het was te voorzien, dat op de periode van verzoening en bemiddeling in de Theologie, straks als de ijdelheid ervan was gebleken, een tijd van scheiding en uiteengaan volgen moest. In weerwil toch van alle achteruitzetting en onderdrukking bleef er nog een aanzienlijk gedeelte onder de geloovigen aan de Geref. waarheid getrouw. In het begin der eeuw waren er slechts weinige predikanten van hun geest; meest vergaderden ze daarom in gezelschappen, voedden zich met de oude schrijvers, en klaagden over den vervallen toestand der kerk. En die toestand was treurig. Een geest des diepen slaaps was over heel de kerk uitgegoten; het koude dorre supranaturalisme heerschte alom. En daarbij had de Koning in 1816 zonder recht en zonder reden aan de Ned. Herv. Kerk eene inrichting en bestuur geschonken, welke met de prestyteriale regeering geheel in strijd waren. Het ontbrak niet aan klachten en betuigingen van smart. Maar eerst in 1834 kwam het tot eene moedige daad. Verhinderd om te spreken en te handelen naar Gods Woord en de belijdenis der kerk, scheidden vele Gereformeerden overeenkomstig art. 29 der Ned. Geloofsbel. van het Ned, Herv. Kerkgenootschap als de valsche kerk zich af, en gaven geboorte aan de Christelijke Gereformeerde Kerk. Maar hoe invloedrijk die Afscheiding ook was en later meer en meer werd, ook voor de Ned. Herv. Kerk, toch was het getal dergenen die meegingen gering; verreweg het grootste gedeelte der Gereformeerden bleef achter. 185

The Apologetic and Ethical Theologies, though worthy of appreciation, suffered from two defects. In the first place, their principles lacked that inner consistency which could enable them permanently to resist the attacks of modern unbelief. And secondly, owing to this very fact, they could not win the support of the Reformed party among believers. One could easily foresee that the period of reconciliation and mediation would be followed by a period of separation and parting of ways, as soon as the futility of all attempts at union should have become apparent. Notwithstanding every slight and oppression, a numerous party among believers remained faithful to the Reformed truth. At the beginning of the present century, only a few ministers sympathized with this spirit, and the pious were obliged to meet in conventicles and to feed on the writings of the old divines while complaining of the desolation of the Church. The state of things was indeed sad in the extreme. A spirit of deep slumber had been poured out upon the entire Church; a cold Supranaturalism reigned supreme everywhere. In addition, the king had, in 1816, without a semblance of right or of necessity, forced upon the Dutch Reformed Church an organization and a government which were utterly at variance with the Presbyterian system. Complaints and protestations of grievance were not lacking; but not until 1834 was courage mustered for action. Being debarred from speaking and acting according to the Word of God and the Confession of the Church, many believers, in agreement with Article xxix of the Belgie Confession of Faith, separated themselves from the Dutch Reformed Church, as from a false Church, thus giving birth to the present “Christian Reformed Church." Though this separation was very influential at the beginning and became so to an ever-increasing extent afterwards, still 224 the number of those who joined it was small; the greater part remained within the pale of the old Church.

Maar nu waren er onder de mannen van den Reveil, die steeds enger aan die Gereformeerden onder het volk zich aansloten. Onder hen moet in de eerste plaats Bilderdijk † 1831 worden genoemd. Vooral in twee opzichten is deze voor de Geref. richting van beteekenis geweest. Vooreerst door rusteloos en onvermoeid in proza en poëzie, in woord en daad de belijdenis van Gods volstrekte Souvereiniteit te handhaven en te verdedigen tegen alle deisme, rationalisme en pelagianisme. En dan ten andere ook, door tijdens zijn verblijf te Leiden op samenkomsten, waar hij allerlei belangrijke onderwerpen vooral ook de Vaderlandsche geschiedenis behandelde, eene schare discipelen te vormen, die evenals hij principieel bezwaar hadden tegen den geest der eeuw. Onder hen moet hier vooral genoemd worden Mr. G. Groen van Prinsterer, geb. 1801, gest. 1876, die door zijne studie van Plato, door de beoefening van de Geschiedenis des Vaderlands en door zijne latere kennismaking met Reveilmannen steeds meer gedreven werd niet maar in algemeen christelijke, maar bepaald in, christelijk-historische richting. In 1831 was naar zijn eigen later getuigenis deze zijne christelijk-historische of antirevolutionnaire opvoeding voltooid en zijne schets dier beginselen gereed.

Among the men of the Réveil, however, there were some who sought a closer contact with the Reformed among the people. First among these was the great poet, Bilderdijk (†1831). He became of significance for the Reformed tendency, chiefly in two respects. First, by advocating and upholding untiringly, both in prose and in poetry, the confession of God's absolute sovereignty, defending it against all Deism, Rationalism and Pelagianism. In the second place, by forming a company of disciples during his sojourn at Leiden in meetings where various important topics, chiefly relating to Dutch history, were discussed by him. Among the disciples who joined in his protest against the spirit of the age the foremost was Mr. G. Groen Van Prinsterer (born 1801; died 1876), who was led by his study of Plato, by his researches in Dutch history and by his subsequent intercourse with men of the Réveil, not merely to a positive Christianity in the general sense, but, beyond this, to specific Christian-historic convictions. According to his own testimony his Christian-historic or Antirevolutionary training was completed and his outline of principles prepared in 1831.

Van den beginne aan nam Groen onder de mannen van den Reveil een eigen standpunt in. Aan de historie van eigen land en volk zich aansluitend, legde hij nadruk op het christelijk karakter der natie en op het recht der Hervormde gezindheid. In 1842 diende hij daarom met zes andere Haagsche Heeren een adres in bij de Synode der Ned. Herv. Kerk, om het recht der Geref. belijdenis tegen de Groningers te handhavan. Dit jaar kan het geboortejaar heeten van de 186 confessioneele partij in de Ned. Herv. Kerk, en de aanvang der scheiding tusschen de geloovige christenen onderling. Maar deze scheuring zou spoedig grooter worden. Groen kwam niet alleen in de kerk op voor het Recht der Herv. Gezindheid, waarover hij in 1848 een belangrijk werk het licht deed zien. Hij was ook Evangeliebelijder op het gebied van de Staatkunde. In 1847 gaf hij zijn standaardwerk over Ongeloof en Revolutie uit. En in 1849 werd hij verkozen tot Lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dit jaar kan men daarom noemen het geboortejaar der Antirevolutionaire partij. De Gereformeerde partij van Groen werd nu ook eene staatkundige partij. Zoo kwam er niet alleen kerkelijk maar ook staatkundig eene scheiding onder de christenen tot stand.

From the very beginning Groen occupied a distinct position among the men of the Réveil. Attaching himself to the history of his own country and people, he emphasized the Christian character of the nation and the rights of the Reformed Confession. In 1842, together with six other gentlemen of The Hague, he presented an address to the Synod of the Dutch Reformed Church, requesting it to maintain the rights of the Reformed Confession against the Groningen School. This year may be called the birthyear of the Confessional party in the Dutch Reformed Church, and it inaugurated the separation between the various groups of believing Christians. The rupture, however, was destined to extend still further. Groen was the champion, not merely of the rights of the Reformed Confession within the Church, to defend which he published an important work in 1840; he also professed the gospel in the sphere of polities. In 1847 he had published his standard work, Ongeloof en Revolutie. In 1849 he was elected to the Lower House of the States General. Hence this year may be considered the birthyear of the Antirevolutionary party. The Reformed party, led by Groen, henceforth was a political party also. In this way a separation was brought about between Christians and Christians not only ecclesiastically, but politically likewise.

Toch was er nog één terrein, waarop overeenstemming bestond en samenwerking mogelijk was. Dat was het christelijk lager onderwijs, hetwelk toenmaals het voornaamste artikel was van het Antirevolutionaire program. Op dit terrein zocht Groen samenwerking te behouden. Hij dreef het gereformeerde niet door, hij stond pal bij de onveranderlijke waarheden der Hervorming en trachtte daarin Confessioneelen, Ethischen, Lutherschen, Doopsgezinden, Afgescheidenen enz. te vereenigen. Maar in 1857 werd onder het Ministerie van Van der Brugghen, vriend en geestverwant van Chantepie de la Saussaye, de neutrale godsdienstlooze Staatsschool ingevoerd. Dat was een slag in het aangezicht der christelijk-historische partij, te pijnlijker, omdat hij door een mede-belijder toegebracht werd. Nu brengt Groen eene gewichtige verandering in zijne politiek. Tot dusver had hij verdedigd het christelijk karakter van den Nederlandschen Staat en van de 187 Staatsinstellingen. Maar bij zijn terugkeer in de Tweede Kamere in 1862 verklaart hij in de door den Staat vrijwillig aanvaarde neutraliteit te berusten. Nu verlangt hij vrije scholen als regel en openbare neutrale scholen als uitzondering; nu neemt hij in zijn politiek program op scheiding van Kerk en Staat; nu eischt hij opheffing der theol. faculteiten aan de Overheidsuniversiteiten. Deze wending in Groens politiek was wederom voor velen een motief tot scheuring; het verschil in beginselen tusschen de geloovige christenen op het gebied van Kerk, Staat en School kwam hoe langer hoe duidelijker uit; zelfs vele Gereformeerden in het Ned. Herv. Kerkgenootschap gingen met Groen in deze nieuwe richting niet van harte mede. Zoo was de principieele scheuring reeds tijdens Groens leven een feit.

There remained one point, however, in regard to which all were in harmony, so as to make coöperation possible. This was the point of Christian instruction in the common schools. The demand for 225 this constituted the leading article in the platform of the Antirevolutionary party. Groen endeavored to preserve coöperation in this matter. He did not urge adherence to Reformed principles of a pronounced type, but stood firm by the unchangeable truths of the Reformation. On this platform he strove to unite, the Confessional party, the Ethicals, Lutherans, Baptists, Dissenters, and others. In 1857, however, the cabinet under the leadership of Van der Brugghen, a friend and adherent of Chantepie de la Saussaye, introduced schools that professed to be strictly neutral, stripped of all religious character. This was a blow aimed directly at the Christian-historie party, all the more painful because inflicted by a fellow-believer. From this moment Groen made an important change in his political programme. Hitherto he had defended the Christian character of the Dutch State and its civil institutions. On his return to the Lower House in 1862, he declared his acquiescence in the principle of neutrality, which had been voluntarily adopted by the goverament. He now demanded free schools as a rule, and neutral public shools only by way of exception; he embodied in his programme a separation of Church and State; he insisted upon abolishment of the theological faculties in the State universities. This change of front became a new cause of rupture; the difference of principles between the various groups of believers, in reference to the Church, the State and the schools, became more and more apparent. Even many Reformed in the Dutch Reformed Church did not cordially endorse Groen in this new movement. Thus the division on the line of principles had become a fact of history already during Groen's lifetime.

Maar na zijn dood in 1875 trok zij nog verder door. Het strenge Calvinisme, waarbij Groens opvolger zich aansloot, de oprichting der Vrije Universiteit, de losmaking der doleerende kerken van het Synodaal verband, en eindelijk de democratische richting, waarin de antirevolutionaire partij zich onlangs wenschte te bewegen, hebben velen van de Gereformeerden en van hunne belijdenis vervreemd. Daartegenover staat echter de winst, dat de kerken der scheiding en der doleantie vereenigd zijn en samen eene niet onaanzienlijke macht vormen tot handhaving en verbreiding der Gereformeerde beginselen. In dit opzicht ligt op die kerken eene schoone en dure roeping.

De Geref. Theologie is schier eene eeuw lang zonder wetenschappelijke beoefening gebleven. Zij staat thans plotseling tegenover allerlei machtige problemen, die vroeger in het geheel niet of in veel eenvoudiger vorm voor haar bestonden. Zij moet overgeleid worden in 188 deze eeuw en toegepast worden op de verschillende vraagstukken, die thans van alle zijden aan de orde worden gesteld. Andere richtingen, die achtereenvolgens in ons vaderland zijn opgetreden, zijn onmachtig gebleken om het ongeloof te keeren en zelve het geloof te behouden. Zij zijn mede afgedreven op den stroom en bezaten het weerstandsvermogen niet, dat tegen revolutie en evolutie beide van noode is. Moge het dan aan de Geref. Kerken gegeven zijn, om aan eene Theologie het aanzijn te schenken, die eenerzijds den schat van het verleden bewaart maar andererzijds ook de rechten van het heden erkent, en gelooven en weten weer in de rechte verhouding stelt tot elkaâr.


Groen died in 1876, after having pointed out Dr. A. Kuyper as his successor and the leader of his party. Dr. Kuyper was born in 1837 at Maassluis as the son of a Reformed minister. He studied theology at Leiden under Scholten, and took his degree as Doctor of Divinity in 1862 with a dissertation on the idea of the Church in Calvin and A Lasco. The historical studies he had to pursue in writing this treatise, and his intercourse with the pious Reformed people in his first congregation at Beesd, in the province of Gelderland, under the Lord's guidance brought him to a believing acceptance of the Scriptures as the Word of God, and to a firm conviction of the truth of the Calvinistic doctrine. By his splendid gifts and many-sided talents, he became not only the able political leader of the Antirevolutionary party, but also the powerful champion of Reformed principles. He quickly perceived the unsatisfactory character of the Apologetic tendency, and the dangerous character of the Ethical Theology. Both were wasting their strength in vindicating their own standpoint, and in a constant warfare, against their opponents, thus weakening themselves without persuading the enemy. 226 The truth of Christianity was not to be vindicated by means of Apologetics and Mediation. Only on one occasion, therefore, has Dr. Kuyper made a direct attack upon Modernism, in a lecture of 1871 in which it was exposed by him as a fata morgana. In this he settled accounts with it forever, being convinced that it would consume itself and did not need his opposition. Avoiding all Apologetics, Dr. Kuyper proceeded in a thetical manner. He chose his standpoint not on the outside but within faith, planted hirnself squarely on the basis of the infallible Scriptures and the Reformed Confession. His arms were directed not against the unbelieving enemies without, but against the heterodox friends within. Incessantly in his weekly paper, De Heraut, the reigning orthodoxy was exposed, as to the weakness of its principle, its departure from the Reformed Confession, its destructive tendencies. The result was that the followers of Van Oosterzee, Doedes and De la Saussaye became more and more estranged from Dr. Kuyper.

While thus embracing the Reformed doctrine, he revives the same in its most strict type. To him the line marked by the names of Calvin, Voetius, Comrie represents Reformed theology in its most correct development. For it is characteristic of the Reformed doctrine, that it deduces all things from God and makes all things return to God. Hence Dr. Kuyper is not satisfied until every dogma has been traced to its deepest roots and set forth in its inner connection with the divine decree. He never remains on the surface, but goes down into the deep region of principles, seeking to penetrate through the phenomena into the sphere of noumena. It would be unjust therefore to say that Dr. Kuyper's work confines itself to a mere repristination and slavish imitation of the old Reformed models. He does not produce a new theology, but reproduces the old in an independent and sometimes in a free manner. The various Reformed doctrines to him are not loosely connected loci communes, but, being most intimately related; they form one world of ideas, one strictly coherent system. This system, with its firmly drawn, clear lines of thought, reproduced from the writings of the best Reformed theologians, he endeavors to accredit and recommend to the children of our age, tossed to and fro by every wind of doctrine.

This depth of insight is accompanied in Dr. Kuyper by a marvelous breadth of vision. He not only fathoms the depth of principles, but is able, likewise, to follow them up in all their consequenees and to trace their application in every sphere of life and in regard to every practical question. In polities he has succeeded, with the aid of Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, lately Minister of Internal Affairs, in making the Conservative party 227 disappear from the scene; has inflicted irretrievable blows upon the Liberal party; has supplemented and extended Groen's programme and applied the Antirevolutionary principles to the systems of lower, of middle and of higher education, to the relations between Church and State, to the colonial, social and numerous other problems, which claim the attention of our age and country. In the sphere of the Church he has labored from the very beginning for the deliverance of the Reformed churches from the illegal government imposed upon them in 1816, and for obtaining a truly Reformed training of the future ministers of the Word. In this he has the valuable assistance of Prof. Dr. F.L. Rutgers, a scholar well versed in the Church History of Holland and in Reformed Church Government. His labors in this direction, however, could but widen the breach between his own followers. The establishment of the Free University in 1880, and the organization of the Doleantie in 1886 have not only confirmed, but also increased, the disharmony which in Groen's lifetime already existed among believers. Since that time many Reformed in the Dutch Reformed Church, who condemn on principle every separation, have withdrawn from his leadership in Church affairs. It is to be feared that this division will destroy coöperation in political life and in regard to the system of lower education likewise.

In addition to all this, Dr. Kuyper possesses in a remarkable degree the power of eloquent language. He commands a style which, by its clearness, liveliness, pithiness, and owing to his inexhaustible resources of illustration, never fails to attract and to hold attention. By his political organ, De Standaard, published daily, and by his Church periodical, De Heraut, published weekly, he has now for almost twenty years been incessantly molding the people in one and the same spirit. He is a master in debate and has great skill in cornering his opponent. All this will fully account for the fact that his influence is greater than that of any living Dutchman; that he possesses more violent enemies and counts more fervent admirers than any other leader. The widening of the breach between believers since the beginning of his labors certainly pains, but does not discourage him. He relies upon the illusory character of the theories of unbelief, upon the truth of the Scriptures, upon the vitality of the Reformed principles in the hearts of the Dutch people. It is especially to the last that he owes his strength. All other tendencies have had their day and passed by. But in the face of all scorn and oppression the core of the Dutch nation has remained faithful to Calvinism. In Calvinism, therefore, a power must reside which is not to be found in other principles and systems. It is possible to check and repress for a short 228 while the influence of Calvinism in politics and Church life; nevertheless, the principles of Calvin will ever again emerge from the depth of the people's life. Dr. Kuyper believes, notwithstanding his frequent disappointments, in the future success of the Calvinistic principles, because they are deeply rooted in the past and interwoven with the innermost fibre of our national existence. At present all his labors aim at bringing together, in one united Church, the three groups of Reformed believers, those of the separation in 1834, those of the doleantie in 1886, and those that still remain within the Dutch Reformed Church. It is impossible to predict what the result of these efforts will be, but undoubtedly for the future of the Reformed Church and of Reformed theology in Holland a great deal depends on the success of this reunion. **


Kampen.

H. Bavinck.


* Dit opstel werd met eenige uitbreiding en in Engelsche vertaling door Prof. G. Vos het eerst geplaatst in The Presbyterian and Reformed Review, April 1892.

Kampen (Netherlands).

H. Bavinck




* [Our readers are indebted for the translation of Dr. Bavinck's paper to Prof. G. Vos, Ph.D., of Grand Rapids, Mich. — Editors.]

** [Since this article was written the union between the two first mentioned of the above groups has been in principle resolved upon by their respective Synods, although formally it has not yet been concluded. — Translator.]


x
This website is using cookies. Accept