Het Concilie van Presbyterische Kerken te Toronto
"Het Concilie van presbyterische Kerken te Toronto." Stemmen voor Waarheid en Vrede 30 (1893): 909–28.

Stemmen voor Waarheid en Vrede

Evangelisch Tijdschrift voor de Protestantsche Kerken
30e Jaargang, onder redactie van Dr. A.W. Bronsveld
Utrecht (Kemink & Zoon) 1893, 10, 909-928



909Het Concilie van afgevaardigden van Gereformeerde kerken, dat ten vorigen jare in September te Toronto in Canada samenkwam, was reeds het vijfde, hetwelk onder dien naam gehouden werd. Het voorbeeld van de Evangelische Alliantie, welke aanvankelijk zoo schoon begon en zulk eene heerlijke gedachte belichaamde, deed allengs ook in den engeren kring der Gereformeerde kerken de begeerte opkomen, om van tijd tot tijd samen te vergaderen, en met elkander over de belangrijkste vraagstukken van deze eeuw van gedachten te wisselen. Vooral de geleerde Dr. James Mc. Cosh, toenmaals president van Princeton College, was de tolk van deze begeerte. Hij pleitte ervoor op eene vergadering van afgevaardigden van Gereformeerde kerken in Amerika in het jaar 1870, en verdedigde daarna de gedachte van eene Alliantie van Presbyterische kerken met mond en pen, niet alleen in Amerika, maar ook in het land zijner geboorte, in Schotland. In 1874 verklaarde hij aan eenige vrienden in Schotland, dat men in Amerika gaarne zou meedoen, indien Engeland voorging. Ten huize van den bekenden Dr. W.G. Blaikie te Edinburgh werd met eenige vrienden eene samenkomst gehouden, om deze zaak voor te bereiden. In het volgende jaar, in Juli 1875, had er te Londen eene voorloopige conferentie 910 plaats, waar 22 Presbyterische kerken van Amerika, Engeland en het vasteland van Europa vertegenwoordigd waren, en de noodige maatregelen genomen werden voor het eerste Concilie.

Het plan viel echter lang niet in aller smaak; er werden vele bezwaren ingebracht. Sommigen waren bevreesd, dat het Concilie eene tweede Dordsche of Westminster Synode zou worden, en nog meer dan deze het geloof binden en de vrijheid beperken zou. Anderen duchtten, dat zulk een Concilie al spoedig een kerkelijk gezag zich zou aanmatigen, en het recht en de macht der bijzondere kerken te kort doen zou. Nog weer anderen waren bezorgd, dat het Concilie weldra ontaarden zou in een gezelschap van onderlinge bewondering, waar de Gereformeerde leer en kerk, met miskenning van andere, zou verheerlijkt worden. En zeer velen oordeelden, dat zoodanig Concilie geen eigen plaats en arbeid zou kunnen vinden, dat het een parasiet van de kerken zou worden en geen succes zou hebben; zulk een Concilie toch zou alleen bestaan uit afgevaardigden van kerken en toch niet de minste kerkelijke macht bezitten; het leed dus van den beginne af aan eene tegenstrijdigheid en zou welhaast in nutteloosheid en machteloosheid ondergaan.

Aan tegenwerpingen ontbrak het dus niet. Maar de voorstanders lieten zich niet afschrikken. Het eerste Concilie kwam in 1877 te Edinburgh saam. Daar waren beroemde mannen als Donald Fraser, Cairns, A.A. Hodge, Monod, Bersier, Pressensé en anderen tegenwoordig. En dit Concilie slaagde zoo uitnemend, en voldeed zoo goed, dat het verlangen algemeen was om op den ingeslagen weg voort te gaan. Het tweede Concilie kwam samen te Philadelphia 1880, het derde te Belfast 1884, het vierde te Londen 1888, en nu het vijfde te Toronto in Britsch Canada. 911

De Britsche bezittingen in Canada strekken zich uit van den Atlantischen tot den Grooten Oceaan, zijn nog grooter dan de Vereenigde Staten zonder Alaska, en bijna even uitgebreid als geheel Europa. Zij tellen nog maar eene bevolking van ongeveer vijf millioen zielen. Sedert het begin der 16e Eeuw was dit land eene kolonie van Frankrijk; en de Franciskanen en Jezuiten wisten hier eene schier onbeperkte heerschappij te verkrijgen. In het jaar 1763 ging het aan Engeland over. Sedert werd het Protestantsche element er zeer versterkt. Maar nog behooren er van de 5 millioen 2 millioen tot de Roomsche Kerk. Vooral in de provincie Quebec zijn de Roomschen talrijk en machtig. Zij genieten daar zelfs bijzondere voorrechten. Bij het verdrag van Parijs in 1763 schonk Engeland aan de bevolking niet alleen vrijheid van godsdienst, maar stond haar ook toe, om de religie te belijden en uit te oefenen naar den Roomschen ritus. De Roomschen hebben niet nagelaten zich hierop te beroepen en hebben meer verkregen dan letter en geest van dat verdrag hun toekende. Kerk en kerkelijke corporaties zijn er ontzachlijk rijk. Allerlei privileges, in zake huwelijk, eerbewijzen, bezittingen zijn daar aan de Roomschen toegestaan. De stad Quebec is door den Paus niet ten onrechte de moederstad van de Roomsch-Katholieke religie in Amerika genoemd. In de andere provinciën heeft de Roomsche kerk wel geen bijzondere voorrechten; maar zij heeft ook daar toch in zooverre groote macht, als ze sedert 1863 vrije scholen oprichten kan, die gesubsidieerd worden door de overheid, en door de gedienstigheden der practijk ook op de naar de wet zoogenaamd neutrale scholen grooten invloed uitoefent.

Van de Protestanten zijn de Presbyterianen na de Methodisten de sterkste. Zij tellen 755000 zielen met 1058 predikanten, zendelingen en hoogleeraren. Van 912 wege de ontzachlijke afstanden hebben ze niet minder dan zes seminaries, te Halifax, Quebec, Montreal (met 75 studenten), Kingston, Toronto (met 80 studenten) en Winnipeg. Van het Presbyterianisme in Canada is Toronto het middelpunt. Het is nog eene jeugdige stad. In 1794 was er nog niets van te zien. Thans telt ze 200,000 inwoners en breidt zich jaarlijks uit. Schoon gelegen aan een bocht van het Ontariomeer, wordt ze terecht Queencity genoemd. Lange, breede straten; hooge statige gebouwen; prachtige villa's maken Toronto tot eene der schoonste steden van Canada. Vooral onderscheidt zij zich door een groot aantal van inrichtingen voor onderwijs. Er is niet alleen eene Universiteit; maar verschillende kerken, van de Baptisten, de Congregationalisten, de Presbyterianen hebben daar hare theologische scholen. De naam van het Canadasche Athene is daarom niet onverdiend. En van wege de godsdienstige gezindheid harer bevolking is ze niet ten onrechte met Edinburgh vergeleken. Er zijn in Toronto niet minder dan 150 kerken en niet meer dan 75 saloons. De Zondag wordt er nog strenger dan in Engeland gevierd. Zondagsbladen verschijnen er niet. Tram- en postdienst staan stil. De winkels zijn zonder uitzondering gesloten. De straten zijne eenzaam. Het Puriteinsche beginsel heerscht er zichtbaar en duidelijk.


De keuze van de Alliantie, om de vijfde samenkomst te Toronto te houden, mag daarom in ieder opzicht eene gelukkige heeten. De ontvangst der afgevaardigden was dan ook uitnemend. De vriendschap en gastvrijheid, die hun werd geboden, overtrof alle verwachting. Niet alleen waren alle afgevaardigden bij leden der presbyterische kerken gelogeerd, maar alles werd gedaan, om hun het verblijf in Toronto zoo aangenaam mogelijk te maken 913 en hen een goeden indruk naar het eigen land te doen medenemen. Elken dag werd te één uur een goede lunch voor alle afgevaardigden aangericht in het paviljoen van de schoone Horticultural Gardens. Woensdag den 21en September was er eene aangename receptie bij den Major Mr. Cosby. Ze werd nog overtroffen door de schitterende ontvangst, welke den daarop volgenden Vrijdag door den Luitenant-Gouverneur der provincie, Mr. Kirkpatrick, aan de afgevaardigden werd bereid. Des Zaterdags, 24 Sept., voerde een exprestrein de delegaten naar den waterval van Niagara, waar men ruim vier uur vertoeven kon. Met treinen en booten waren voor de bezoekers van het Concilie voordeelige schikkingen gemaakt. Er was aan het einde der vergadering stof te over, om den burgers van Toronto hartelijk dank te zeggen voor de betoonde gastvrijheid. Toch was het meer dan eene plichtpleging, als Mr. Mortimer Clark namens hen verklaarde, dat zij, burgers van Toronto, waren the parties under obligation for the privilege of having entertained the delegates, not the Council for having accepted our invitation.

Onder al die ontspanningen en genietingen hebben echter de vergaderingen der Alliantie niet geleden. En dat was te danken aan de uitnemende wijze, waarop alles geregeld was. Het Concilie was en bleef hoofdzaak. Het duurde van Woensdag 21 tot Vrijdag 30 September. Elken dag waren er drie vergaderingen, 's morgens van half elf tot één, 's namiddags van drie tot half vijf en 's avonds van acht tot tien uur. Des morgens werd de samenkomst geopend met gebed, het zingen van een Psalm en het lezen van een gedeelte uit de Schrift. Met het oog op sommige kerken, die bezwaar hebben in het zingen van liederen en gezangen, werden alleen psalmen opgegeven. Eens werd dit door den fungeerenden president 914 aan 't einde eener zitting vergeten, en argeloos gaf hij een gezang op. De secretaris waarschuwde hem echter spoedig, en de vergadering werd toen alleen met dankzegging gesloten. Dit maakte natuurlijk een komischen indruk. Maar over het algemeen voldeed het zingen der psalmen zeer goed. Enkele afgevaardigden, die altijd in hunne kerken aan gezangen gewoon waren, vonden het schoon en spraken hun leedwezen uit, dat de liederen de psalmen zoo geheel verdrongen hadden. Overigens werden de vrienden van gezangen 's avonds van half acht tot acht uur vóór de avondvergadering schadeloos gesteld door een koor, dat allerlei schoone liederen ten gehoore bracht.

De vergaderingen werden alle geregeld gehouden, door verschillende presidenten uitstekend geleid en in drukke werkzaamheden doorgebracht. In elke vergadering waren er gewoonlijk drie referaten, elk van hoogstens 20 minuten, dus negen per dag, en 56 in het geheel, behalve de openingsrede, de rapporten enz. Dat was zeker van het goede veel te veel. De wensch werd dan ook uitgesproken, om een volgend maal minder referaten te laten houden en meer tijd te geven voor vrije discussie, die nu natuurlijk zeer kort was en dikwerf niet veel te beteekenen had. Het aantal afgevaardigden, die als leden van het Concilie zitting namen, bedroeg 290. De beroemdste mannen, die tegenwoordig in de Gereformeerde kerken van Engeland en Amerika den toon aangeven, ontbraken. De professoren Henry Drummond, Bruce, Dods van Glasgow; Principal Rainy, Dr. Flint, Dr. Caird van de Established Church in Schotland; Prof. Mc. Cosh, Paton, Warfield van Princeton enz. werden alle gemist. Maar aanwezig waren toch Dr. W.G. Blaikie, de voorzitter, Dr. Mathews de secretaris van het Concilie, Prof. Lindsay van Glasgow, Prof. Thomas Smith van 915 Edinburgh, Prof. Iverach van Aberdeen, Dr. Hall en Dr. Chambers van New-York en anderen. De meeste afgevaardigden waren uit Canada, de Vereenigde Staten en Engeland. Maar toch waren de Gereformeerde kerken uit alle deelen der wereld vertegenwoordigd. Er waren, behalve mijn ambtgenoot Wielenga en ik uit Nederland, de afgevaardigden Schmidt en Goebel uit Duitschland, Brocher uit Brussel, Choisy uit Geneve, Grilli uit Italie, de Beer uit Z. Afrika, Rentoul, Megaw, en Whittier uit Australie, en voorts verschillende zendelingen, Mateer uit China, J.G. Paton van de Hebriden, Dr. Laws uit Afrika. Het was eene rijke genieting, al deze personen te zien en te ontmoeten, en zich één met hen te weten in geloof en in hope.


Het is ondoenlijk, om van alle vergaderingen en referaten een uitvoerig verslag uit te brengen. Wie zich van alles nauwkeurig op de hoogte wil stellen, leze het uitgebreide werk, dat op last van het Concilie door den ijverigen secretaris Dr. Mathews is uitgegeven: Alliance of the Reformed Churches holding the presbyterian system. Proceedings of the fifth General Council. London, Publication Committee of the Presbyt. Church of England, 14 Paternoster square, 1892. Wegens gebrek aan tijd konden wij de vergadering ook niet ten einde toe bijwonen, en hebben dus vele referaten niet gehoord. De onderwerpen, die behandeld werden, liepen voornamelijk over 1 het beginsel en het karakter der hervorming, 2 de kracht en zwakheid der Geref. kerken, 3 de zending, 4 den toestand der Geref. kerken in de verschillende landen, 5 het geestelijk leven, 6 de vereenigingen, 7 de opleiding tot het predikambt 8 den arbeid der liefde, 9 de sociale kwestiën, landnationalisatie, loonkwestie enz., en 10 het Romanisme. Aan rijkdom en verscheidenheid van stof 916 ontbrak het dus niet. Vele referaten waren met zorg bewerkt, maar er waren er ook bij, waaraan weinig arbeid en moeite was besteed. Liever dan alle onderwerpen te bespreken, doe ik hier en daar een greep, en vestig ik alleen op het belangrijkste de aandacht. Het karakter van het Concilie zal daardoor nog het duidelijkst aan het licht treden.


Allereerst een woord over den grondslag waarop de Alliantie rust. In vroegere samenkomsten was vastgesteld, dat de consensus der verschillende Geref. geloofsbelijdenissen den grondslag der Alliantie zou uitmaken. Meer dan eenmaal werd er echter reeds op aangedrongen, dat deze grondslag nader zou worden omschreven. Vooral op de derde samenkomst te Belfast werd er eene geanimeerde discussie over gevoerd, of men den grondslag van het Concilie nader zou formuleeren en deze nieuwe belijdenis dan aan de kerken der Alliantie ter goedkeuring en aanneming zou toezenden. Maar op verschillende gronden werd dit toen bestreden. Het Concilie had tot het invoeren van eene nieuwe geloofsbelijdenis geen macht; zulk eene confessie zou toch weinig of geen gezag erlangen; verschillende kerken hielden zelve reeds met het opstellen van een „common creed" zich bezig; in den tegenwoordigen toestand zou zulk eene handeling van het Concilie misschien meer scheiding dan eenheid brengen; en er was toch eene verblijdende overeenstemming in de „essential doctrines in the Bible."

Tot op zekere hoogte mag dit besluit van het Concilie te Belfast verstandig en voorzichtig heeten. De Alliantie wil toch wel een kerkelijk karakter dragen en erkent op hare vergaderingen geen afgevaardigden dan van kerken; maar ze is daardoor toch nog geen kerkelijke vergadering; ze heeft geen kerkelijke autoriteit, en tot het 917 samenstellen eener confessie ontbreekt haar de bevoegdheid. Het beste en voorzichtigste was dus, om zich te plaatsen op den grondslag van de verschillende, algemeen als gereformeerd erkende, belijdenissen. Toch schijnt het Concilie den consensus der gereformeerde confessies eenigszins anders op te vatten. Het verstaat daaronder blijkbaar niet de samenvatting en bijeenvoeging der verschillende Geref. confessies, maar de wezenlijke leerstukken die daarin vervat zijn, of nog ruimer the essential doctrines in the Bible. Deze onderscheiding tusschen letter en geest, hoofd- en bijzaak zal misschien later tot niet gering verschil aanleiding geven. De Alliantie is althans zeer ruim in de erkenning en toelating van Geref. kerken. Zoo accepteerde zij bv. ook de Cumberland Presbyterian Church, die de Westminstersche confessie in arminiaanschen zin gewijzigd heeft en ook op andere punten lang niet streng-gereformeerd wil wezen. Dr. Chambers, pred. van de (Dutch) Reformed Church in NewYork, die thans in de plaats van Dr. Blaikie tot voorzitter van de Alliantie werd benoemd noemde in zijn referaat over The doctrinal agreement of the Reformed and Presbyterian Churches ook nog op: het volstrekt gezag der Schrift, en de zaligheid uit loutere genade; maar het is niet onmogelijk, dat eerlang in den boezem van het Concilie juist over deze beide punten een ernstige strijd ontbranden zal.


Althans, in betrekking tot het eerste punt bleek er nu reeds op dit Concilie verschil van gevoelen te bestaan. Er was, naar mij voorkwam, duidelijk eene drieërlei richting aanwezig. Er was ten eerste eene strenge partij, die zich houdt aan de geref. belijdenis, de volstrekte ingeving van de H. Schrift van harte gelooft en tegen de Bijbelkritiek vijandig overstaat; ze was vooral vertegenwoordigd door Rev. Dr. Mc. Kibbin van Cincinnati, 918 Rev. Dr. James Kerr van Glasgow, Rev. Principal Mac Vicar van Montreal, Rev. John Mac Ewan van Edinburgh en anderen. Daartegenover stond eene vrijere richting, die de Bijbelkritiek min of meer genegen is en ze in beginsel, ofschoon niet in al hare resultaten, aanvaardt, en vertegenwoordigd werd door Rev. Principal Grant van Kingston (Canada), Prof. Rentoul van Melbourne (Australie), Rev. Dr. Gibson van Londen, Rev. Dr. Ross Taylor van Glasgow e.a. Tusschen die beide bevond zich nog eene bemiddelende en verzoenende partij, waarvan Prof. W.G. Blaikie van Edinburgh, Dr. Chambers van New York, Prof. Dr. W. Caven van Toronto de voornaamste waren.

Op het Concilie was er geen referaat over de nieuwere Bijbelkritiek. Dit was wel wat te verwonderen, wijl er tegenwoordig in Engeland en Amerika haast geen kerkelijke vergadering zonder de bespreking van dit onderwerp denkbaar is. Maar het Concilie bleef toch niet geheel buiten de kwestie. Prof. Moore van Hampden Sidney in den staat Virginie had te spreken over The drifts of theological thought in Apologetics and Criticism en drong er op aan, dat de apologetiek zich vooral tegenover de aanvallen van de leer der evolutie en van die der kritiek wapenen moest. Hij wilde, dat conservatieve mannen zich daaraan meer dan tot dusver wijden zouden. Men moest de kritiek der Schrift niet met hartstochtelijke beschuldigingen afmaken, maar ernstig te woord staan en den persoon van Christus daarbij maken tot centrum en basis der apologctiek. Christus is het Gibraltar van den apologeet. En deze moest verdedigen de betrouwbaarheid van het geschreven woord, maar vooral de geestelijke souvereiniteit van het vleeschgeworden woord. Bij de discussie kwam het verschil in beschouwing van de nieuwere kritiek duidelijk uit. De 919 professoren Rentoul en Grant namen het voor de kritiek op; ze kwamen er rond voor uit, dat er eene goede, hoogere kritiek was, dat ze bij vele mannen, zooals Delitzsch e.a. samenging met een vast geloof aan de openbaring, dat ze zelfs een middel was om ons Israëls historie en godsdienst beter te doen verstaan, en dat er niets te vreezen was, als maar de persoon van Christus gemaakt werd tot het middelpunt van alle apologetiek. Maar de predikanten Mac Ewan en Mc Kibbin spraken in geheel anderen geest. De kerk moest zich niet van het spoor laten brengen door de onvaste en telkens wisselende kritiek; nauwkeurige kennis van taal enz. is nog niet genoeg tot het vormen van een degelijk criticus; een man als Gladstone die zelf historie maakt is beter beoordeelaar van geschiedenis dan wie ze alleen uit boeken kent. Bovendien, de hoogere kritiek is geen kwestie van betere exegese, maar het gaat bij haar om de waarheid of onwaarheid der H. Schrift, om den persoon en het profetisch ambt van Christus. Het is niet waar, zei de laatstgenoemde, dat Christus nog het centrum der apologetiek kan zijn, als de Schrift blijkt onbetrouwbaar te wezen. Want buiten de Schrift weten wij van den Persoon van Christus niets. Maar zooals vroeger op het priesterlijk en koninklijk ambt, zoo kwam het in deze dagen aan op het profetisch ambt van Christus. Schotland had eenmaal in de verdediging van die beide eerstgenoemde ambten vooraan gestaan. Maar hij vreesde, dat het nu bij de handhaving van het profetisch ambt van Christus niet even pal bleef staan. Dit warme, krachtige woord lokte een protest uit van Prof. Lindsay van Glasgow. Hij wierp de beschuldiging verre van zich, dat de Schotsche kerken verzwakten in het geloof; hoogleeraren en studenten, predikanten en leden hielden met hart en ziel vast aan de godheid van Christus en aan 920 zijn profetisch ambt. Daarmede liep de discussie af maar was de kwestie zelve zeker niet beslist.

Tot even weinig resultaat leidde eene resolutie, die door Rev. Dr. Pitzer van Washington werd ingediend in zake de autoriteit der H. Schrift. Deze resolutie werd verwezen naar het Business Committee. Bij monde van Dr. Caven verklaarde deze Commissie, dat het niet wijs en voorzichtig was, bepalingen der leer te maken. De Alliantie stond op den grondslag van den consensus der geref. belijdenissen en kon zelve geen confessie opstellen. Dat moest aan de kerken overgelaten worden. En daarom stelde het eene andere resolutie voor, om, wijl de leer der Schrift in de Geref. confessies is vastgesteld en de Alliantie geen macht heeft tot het nader bepalen der leer, in deze zaak geen verder besluit te nemen. Dr. Pitzer was hier niet geheel door voldaan, omdat de Alliantie toch zijns inziens wel uitspreken kon wat de Geref. kerken in hare belijdenissen op dit punt leerden, maar hij legde er zich toch bij neer.


De beteekenis van het Concilie in wetenschappelijk-theologisch opzicht kan niet hoog worden aangeslagen. Onderwerpen, die streng-wetenschappelijke studie vereischten, waren er zeer weinige opgegeven. De exegetische en dogmatische Theologie was in geen enkel referaat vertegenwoordigd; uit de historische waren er slechts een viertal, handelend over het geestelijk, zedelijk, intellectueel en sociaal karakter van de Reformatie. Het eerste werd behandeld door Prof. Lindsay van Glasgow. Hij stelde het geestelijk beginsel der Hervorming op uitncmende wijze in het licht, maar toonde, daarbij steunende op het bekende werk van Dr. Ludwig Keller, Die Reformation und die älteren Reformparteien, sterke sympathie voor de verachte en belasterde Anabaptisten. Hij 921 sprak er zijn leedwezen over uit, dat de Hervormers hun vriendschap hadden geweigerd, en gaf hun de eer van het eerst eene vrije kerk in een vrijen staat te hebben begeerd, staatssteun te hebben verworpen en de vrijheid der conscientie te hebben uitgesproken. Dit was Dr. John Hall van New York wat al te kras, en bij de discussie merkte hij op, dat Calvijn al te zeer was vergeten; niet aan de Anabaptisten maar aan den Zwitserschen Hervormer dankten Engeland en Amerika hunne vrijheid. En hij sprak den wensch uit, dat men in beide landen meer dan tot dusverre historie bestudeeren zou, opdat men met 't licht der geschiedenis zijne winste kon ook in de brandende kwesties van den tegenwoordigen tijd.

Die wensch was zeker ter plaatse. Want in kennis der historie ligt de kracht der Geref. kerken in Engeland en Amerika niet. Zij zijn zoo in beslag genomen door de dingen van het heden, dat er voor ernstige studie van het verleden geen tijd overblijft. Geheel andere dingen houden de geesten bezig en maken hun belangstelling gaande. Het zijn vooral de apologetiek en het practische leven. Ook op het Concilie kwam dit duidelijk uit. Niet alleen in een afzonderlijk referaat van Prof. Moore over The drifts of theological thought in Apologetics and Criticism maar ook bij andere gelegenheden werd het uitgesproken, dat niets zoozeer noodig was als eene goede, degelijke apologetiek. Met het oog op de bestrijdingen, waaraan het Christendom van den kant der evolutie, der godsdienstgeschiedenis en der historische kritiek blootstond, moesten de studenten vooral in de apologetiek onderwezen worden. Dat was de eisch des tijds, behoefte van het oogenblik. Blijkbaar verkeeren allen in Engeland en Amerika nog in de gedachte, dat de apologetiek het heil zal aanbrengen. Men leeft er nog in dezelfde hoop en 922 verwachting, als die, welke van Oosterzee hier te lande koesterde. Des noods moeten de bolwerken maar worden prijs gegeven, als het hart der vesting, de Christus der Schrift, maar behouden kan worden. Het resolute, aggressieve karakter der Engelschen en Amerikanen wil er niets van hooren, om in rustige studie en thetischen arbeid hun sterkte te spreken. Ze nemen van alle resultaten der wetenschap kennis, ze sluiten de ooren niet voor wat van moderne zijde tegen belijdenis en Schrift wordt ingebracht, en rusten niet voordat er eene oplossing verkregen is. Dat dit een ernstig gevaar medebrengt, bewijst de crisis, die thans door alle kerken van Engeland en Amerika gaat; maar het is de vraag, of in beide landen eene andere methode bruikbaar en mogelijk is.

En naast die apologetische wordt dan tevens eene door en door practische opleiding voor de studenten vereischt. Heel de vorming tot het leeraarsambt is op deze leest geschoeid. De theologische scholen zijn er alle op ingericht, om geschikte, practische mannen voor de kerken te kweeken. Inrichting, leefwijze, studie, examen — alles wordt aan dit ééne doel dienstbaar gemaakt. Ook op het Concilie kwam deze strekking van de opleiding tot den dienst des woords duidelijk uit. Vooral Principal Hutton besprak dit onderwerp in een afzonderlijk referaat. Het moge goed zijn, zoo zei hij, bekend te wezen met de geschiedenis van Griekenland en Rome, maar meest van al moet de dienaar des woords thuis zijn in zijn eigen tijd en zijn eigen eeuw verstaan. Wat baat het, of bij al gewapend is met pijl en boog uit vroeger dagen, indien hij niet te hanteeren weet de wapenen van deze eeuw. Onze eeuw nu is antidogmatisch, maar door en door ethisch. Door de veelvuldige nooden en ellenden is er een geest van philanthropie en activiteit ontwaakt, waaraan de kerken en hare dienaren niet vreemd mogen zijn. 923 Wat we noodig hebben, zijn mannen, die niet zichzelven zoeken maar zich geheel en al geven willen aan den dienst van kerk en volk, die met een open oog en een warm hart voor de behoeften en nooden dezer eeuw, met alle kracht willen arbeiden, om tot alle menschen zonder onderscheid te brengen het Evangelie des kruises. Wat we behoeven, is een „applied Christianity."


Nog naar eene andere zijde openbaarde zich deze practische richting op het Concilie. Verschillende referaten waren gewijd aan de roeping der kerken in den tegenwoordigen tijd. En daarin werd de gedachte uitgewerkt, dat de kerk niet maar is een inrichting tot redding der zielen of een instituut voor devotie, maar dat ze is een instrument in Gods hand, om zijn plan met en in de wereld uit te voeren. En daartoe moest ze in al hare kringen georganiseerd zijn en aggressief in de wereld optreden. De predikant moest daarom niet alleen een goed leeraar en onderwijzer, maar ook een „organiser," een organiseerend talent wezen. Zijne roeping was het, om de krachten in de gemeente op te wekken, te leiden, aan het werk te zetten. Ieder lid der kerk, ook het geringste, heeft eenig werk te doen. Het was een gansch verkeerde toestand, als vele, zelfs de meeste leden eenvoudig niets doen, of ook, indien ze iets doen, het doen naar eigen goedvinden zonder en buiten de kerk. De leeraar der gemeente had tot taak, om al die krachten te organiseeren, om arbeiders voor de verschillende werkkringen te zoeken, en werkkringen op te sporen voor ge verschillende arbeiders. En als de ervaring meermalen leerde, dat vele arbeiders tot dit werk, waartoe ze geroepen werden, onbekwaam waren, dan vloeide daaruit alleen de eisch voort, dat ook voor dezen arbeid der gemeenteleden in het Koninkrijk Gods eenige opleiding 924 mogelijk zou worden gemaakt. Het denkbeeld werd geopperd; om aan de seminaria eenige cursussen te verbinden voor ouderlingen, diakenen, zondagschoolonderwijzers, bezoekbroeders, mannen, vrouwen, schrijvers, uitgevers enz. Als de kerken alzoo aggressief optraden, elke kracht en gave gebruikten, niet elkander bestreden maar de massa's uitzonden om de massa's te winnen, dan zou de zegen niet uitblijven, maar de arbeid naarbuiten ook bet geestelijk leven naar binnen krachtig bevorderen. Met ingenomenheid werd daarom gesproken over de verschillende vereenigingen, die in den boezem der gemeente zich vormen tot christelijken arbeid. Men moet er zich over verwonderen, zei een der sprekers, dat deze vereenigingen een tijd lang nog zoo heftige oppositie hebben kunnen vinden. Ze zijn eenvoudig een eisch destijds, een zegen voor de kerken. Hier te lande is de antipathie tegen die vereenigingen in tal van kringen nog lang niet overwonnen. Ze worden door vele Christenen geduld, maar lang niet geliefd. In Engeland en Amerika zijn ze een bijna onmisbaar element geworden in het Christelijk leven. De kerken rekenen er mede tot op hare hoogste vergaderingen toe. Zij steunen, leiden, bevorderen haar, en achten ze een niet te versmaden kracht in den strijd tegen de wereld.

Voor ons moge in deze mobilisatie van heel het leger der kerk, in deze exploitatie van alle Christelijke gaven en krachten, eenige overspanning niet te miskennen zijn — de gezonde, krachtige geest van het Angelsaksische ras behoedt bij dit streven toch voor vele eenzijdigheden, die wij waarschijnlijk niet zouden kunnen vermijden. In dit opzicht was een referaat belangrijk dat handelde over The Recreation Question. De spreker, Rev. Park van Belfast, betoogde het nut en de noodzakelijkheid van goede ontspanning. Vele menschen zouden 925 er lichamelijk en geestelijk heel wat beter aan toe zijn, en ook heel wat meer uitvoeren, als ze op hun tijd ontspanning en rust namen. Bij onze kinderen en jongelingen vooral hebben wij niet alleen „the cornfields but the pleasure-grounds of their mind" te cultiveeren. De kerk heeft echter al te veel dit terrein aan den duivel overgelaten. De kerk heeft wel niet direct die ontspanningen aan te wijzen, maar zij heeft er toch invloed op en belang bij. Zij kan in betrekking tot dit onderwerp eene betere publieke opinie trachten te vormen, gelijk ze daardoor ook in de eerste eeuwen allengs de heidensche spelen ondermijnd heeft. Zij kan op meer reinheid in litteratuur en pers aandringen, in zondagschool, vereeniging, godsdienstoefening wijzen op de gevaren van vele ontspanningen in dezen tijd, en positief de beginselen aangeven, waaraan elke ontspanning beantwoorden moet. En daartoe behooren vooral deze: God schiep ons tot geluk, het is Hem aangenaam dat wij ons verblijden. Ontspanning en rust zijn op haar tijd even goed als arbeid en inspanning, en dan even geschikt als deze om de gezondheid en heiligheid des levens te bevorderen en den naam Gods te verheerlijken. Spel, drank, theater behooren niet onder die ontspanningen gerekend te worden, maar wel gymnastische spelen, muziek, litteratuur enz., tgrwijl voorts veel in deze zaak aan de christelijke conscientie moet overgelaten worden.

Het Concilie hield zich echter niet alleen met deze meer inwendige belangen der kerken bezig, maar wijdde zijne aandacht ook aan wat buiten eigen kring voorviel. Natuurlijk behoorde daartoe ook de sociale kwestie, bepaaldelijk de land- en loonkwestie. Het voornaamste, dat in het midden gebracht werd, kwam hierop neer: de rechten van het individu en van de maatschappij moeten beide erkend, de vrijheid der industrie en de 926 tusschenkomst van den Staat moeten in overeenstemming gebracht worden. Daartoe behoort het vrij contract als recht van het individu te worden gehandhaafd, behooren de werklieden niet langer alleen als „honden" maar als deelnemers beschouwd te worden, zoodat het loon wordt aangevuld door „profit-sharing", en behoort eindelijk ook de Staat meer nog dan tot dusverre tusschen beide te treden, om vrouwen en kinderen te beschermen, de werkuren te beperken, scholen te openen enz.

De ruimste plaats werd op het Concilie ingenomen door de in- en uitwendige zending. Verschillende referaten waren daaraan gewijd. De toestand en uitbreiding van het Romanisme in Zwitserland, Groot-Brittanje, Noord- en Zuid-Amerika, Canada, en op het veld der zending werd door een vijftal sprekers uitvoerig geschetst. Een andere reeks van referenten handelde over den evangelisatie-arbeid onder de Negers, Indianen, en verschillende emigranten uit Europa en Azie in Amerika. Maar verreweg de grootste belangstelling genoot de zending onder de Heidenen. Wij kunnen het ons hier niet voorstellen, hoe de zending leeft in het hart der Engelsche en Amerikaansche kerken, en de sympathie, het gebed, den steun geniet van ieder lid der gemeente. Toen de zendelingen, die uit Afrika, Australie enz. op het Concilie waren, in eene avond-vergadering verslag van hun zendingsarbeid moesten uitbrengen, was ééne kerk, die toch zeker een 2500 toehoorders bevatten kon, lang niet groot genoeg, en moest eene tweede kerk worden geopend; de genoemde broeders waren dus verplicht, hun verslag tweemaal voor te dragen. Behalve deze rechtstreeksche berichten uit het zendingsgebied zelf, werden ook verschillende onderwerpen uit de zending besproken, o.a. de opleiding van zendeling-inboorlingen, de zelfstandigheid der onder de Heidenen gestichte kerken, hare 927 verhouding tot de moederkerken, de bevordering van den zendingsgeest enz. Een gansche dag met drie vergaderingen was voor de buitenlandsche zending afgezonderd; en zonder twijfel kwam op dien dag het grootste aantal belangstellenden de vergaderingen van het Concilie bij wonen. Op alle manieren wordt ook de liefde voor de zending onder de Christenen opgewekt en bevorderd. De zending wordt besproken op den kansel, gedacht in de gebeden, onderwezen aan de scholen, behartigd in allerlei vereenigingen. Terwijl wij jaar en dag zitten te redeneeren over beginselen en methoden, slaat men ginds de hand aan den ploeg, en breidt met de Engelsche taal den Engelschen invloed ook het Evangelie over de aarde uit. Als zendeling onder de Heidenen te mogen arbeiden, wordt een voorrecht en een eere geacht. Vele studenten bieden zich na afloop hunner studiën vrijwillig voor de zending aan. Eene aanzienlijke en rijke dame in Toronto gaf ons haar leedwezen te kennen, dat haar eenige zoon, in plaats van de theologische school te bezoeken en daarna als zendeling uit te gaan, nu pas besloten had om in de rechten te gaan studeeren. Zoo iets zegt meer dan vele bewijzen, hoe de zending de achting en de liefde der Engelsche Christenheid bezit.


Nu is het zeker volstrekt niet noodig, om het oog te sluiten voor de altijd min of meer methodistische eenzijdigheden, die al dezen arbeid en heel dit streven der Engelsche Christenheid, ook in de Gereformeerde Kerken aankleven. Maar toch, als men op reis gaat met de gedachte dat het nergens zoo goed is als in eigen kring en in eigen kerk en dezen maatstaf aanlegt aan alwat men elders ziet en hoort, dan doet men beter thuis te blijven en lid te worden van de „society of mutual admiration." Reizen is daarom zoo nuttig, wijl het onzen 928 gezichtskring niet alleen verruimt, maar ook de genegenheden van ons hart zoo uitbreidt en zooveel ons kennen, waardeeren en liefhebben doet. Dan wordt deze overtuiging de onze, dat God meer dan eenen zegen heeft en dat Hij ook elders werkt op eigene wijze en in verschillende vormen. En indien we waarlijk gelooven aan de Katholiciteit van Christendom en Kerk, erkennen wij ten volle het recht, dat beide elders in eene gedaante optreden die afwijkt van die in ons eigen land. Zoo toch wordt in den rijkdom der verscheidenheid het echte universalisme van het Koninkrijk der hemelen openbaar. De Gereformeerden hebben dit in beginsel steeds aanvaard. In ruimte van hart hebben zij bij Roomsche en Lutheraan en Anabaptist niet achtergestaan. Binnen eigen kring hebben ze de verschillende nationale vormen van belijdenis en kerkinrichting geëerbiedigd. En meer dan eenige tijd roept onze eeuw ons op, om op deze lijn voort te gaan en de gemeenschap te onderhouden met alle heiligen, opdat wij met hen iets verstaan van de diepte en hoogte, de lengte en breedte van de liefde van Christus, welke de kennis te boven gaat. Op bescheiden wijze, en in den kring der Geref. kerken tracht de Alliantie die gedachte te verwezenlijken. Of het dat ideaal bereiken zal? Zonder twijfel zal het vroeger of later met ernstige bezwaren, met diepgaande vraagstukken in eigen boezem te worstelen hebben. Misschien is ook het ideaal zelf te hoog en te grootsch, om thans reeds voor verwezenlijking vatbaar te zijn. Maar de gedachte van een band en gemeenschap van alle Gereformeerde kerken blijft schoon en heerlijk. En reeds daarom heeft deze Alliantie aanspraak op onze belangstelling en sympathie.


Kampen, Sept. 1893.

H. Bavinck.




x
This website is using cookies. Accept