Schepping of Ontwikkeling Schepping of Ontwikkeling (Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie) Creation or Development
Bavinck, Herman. Schepping of ontwikkeling. Kampen: J. H. Kok, 1901. (Lezing, gehouden te Arnhem, Zutphen, Amsterdam en Haarlem, 1901) Bavinck, Herman. "Schepping of ontwikkeling." Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 8 (1901): 217–57. Bavinck, Herman. "Creation or Development." Translated by J. H. de Vries. The Methodist Review 83 (1901): 849–74.

5 Het hier volgend opstel is eene lezing, die met eenige verkortingen in den afloopen winter te Arnhem, Zutphen, Amsterdam en Haarlem werd uitgesproken. Zij ziet thans op veler verzoek het licht.
De Schrijver.

a

7 Indien wij ons niet bedriegen in de teekenen der tijden, zal de 20e eeuw, aan wier ingang we staan, getuige zijn van eene ontzaglijke worsteling der geesten. Geloof en ongeloof is, naar het woord van Goethe, het diepste thema der wereldgeschiedenis. Dat is het geweest in de eeuwen, die achter ons liggen. Dat was het in die, welke wij straks verlaten en aan het verledene hebben prijsgegeven. Maar dat zal het toch bovenal en in geheel bijzonderen zin zijn in de 20e eeuw, die zoo pas zich voor ons ontsloten heeft. Want de strijd der overtuigingen en bedoelingen heeft zich hoe langer hoe verder uitgebreid en een steeds meer principieel karakter aangenomen. Gelijk ieder weet, loopt hij thans niet meer over een of ander artikel van onze Christelijke belijdenis, over het gezag van Schrift of traditie, over rechtvaardigmaking of uitverkiezing, over kerk of sacrament; zelfs niet meer over de Godheid van Christus of de persoonlijkheid des Heiligen Geestes. Maar in de geestelijke worsteling, die over heel de 8 beschaafde wereld aangevangen is, gaat het hoe langer hoe meer over de beginselen van het Christendom zelf, ja over de grondslagen van allen godsdienst en van alle zedelijkheid. Er is een strijd over heel de linie heen. Er is een conflict gekomen, ernstiger en geweldiger dan ooit te voren, tusschen de oude en de nieuwe wereldbeschouwing. Want de menschheid heeft de reusachtige poging ondernomen, om de gansche wereld, om alle dingen, in hun oorsprong, wezen en einde, zuiver en strikt wetenschappelijk, gelijk men het noemt, te verklaren, dat is, zonder God, zonder eenig onzienlijk, bovennatuurlijk, geestelijk element, enkel en alleen uit de eenvoudige gegevens van stof en van kracht.

Indien wij ons niet bedriegen in de teekenen der tijden, zal de 20e eeuw, aan wier ingang we staan, getuige zijn van eene ontzaglijke worsteling der geesten. Geloof en ongeloof is, naar het woord van Goethe, het diepste thema der wereldgeschiedenis. Dat is het geweest in de eeuwen, die achter ons liggen. Dat was het in die, welke wij straks verlaten en aan het verledene hebben prijsgegeven. Maar dat zal het toch bovenal en in geheel bijzonderen zin zijn in de 20e eeuw, die zoo pas zich voor ons ontsloten heeft. Want de strijd der overtuigingen en bedoelingen heeft zich hoe langer hoe verder uitgebreid en een steeds meer principieel karakter aangenomen. Gelijk ieder weet, loopt hij thans niet meer over een of ander artikel van onze Christelijke belijdenis, over het gezag van Schrift of traditie, over rechtvaardigmaking of uitverkiezing, over kerk of sacrament; zelfs niet meer over de Godheid van Christus of de persoonlijkheid des Heiligen Geestes. Maar in de geestelijke worsteling, die over heel de beschaafde wereld aangevangen is, gaat het hoe langer hoe meer over de beginselen van het Christendom zelf, ja over de grondslagen van allen godsdienst en van alle zedelijkheid. Er is een strijd over heel de linie heen. Er is een conflict gekomen, ernstiger en geweldiger dan ooit te voren, tusschen de oude 218 en de nieuwe wereldbeschouwing. Want de menschheid heeft de reusachtige poging ondernomen, om de gansche wereld, om alle dingen, in hun oorsprong, wezen en einde, zuiver en strikt wetenschappelijk, gelijk men het noemt, te verklaren, dat is, zonder God, zonder eenig onzienlijk, bovennatuurlijk, geestelijk element, enkel en alleen uit de eenvoudige gegevens van stof en van kracht.

Unless we are mistaken in our interpretation of the signs of the times, the twentieth century, upon which we have just entered, is to witness a gigantic conflict of spirits. Faith and unbelief, says Goethe, is the deepest theme of the history of the world. This it has been in the centuries that lie behind us. This it was in that one which we have just closed and abandoned to the past. And this it will be above all things else and in an entirely special sense in the twentieth century, which has just disclosed itself to us. For the conflict of convictions and intentions has spread itself across an ever-widening domain, and has assumed an even more radical character. It is well known that at present this conflict is no longer confined to one or another article of our Christian confession, to the authority of Scripture or tradition, to justification or election; and not even any longer to the Deity of Christ or the personality of the Holy Spirit. But in the spiritual conflict which is now waging in every part of the civilized world, the points at issue more and more are the principles of Christianity itself, and the very fundamentals of all religion and of all morality. This conflict extends the whole length of the line. More serious and fiercer than ever before the conflict is between the old and the new world-view. For man has undertaken the gigantic effort of interpreting the whole world, and all things that are therein, in their origin, essence, and end, what is called purely and strictly scientifically, that is, without God, without any invisible, supernatural, spiritual element, and simply and alone from the pure data of matter and force. 850

Het is zoo, ook vroeger is enkele malen wel eens zulk eene poging beproefd. Maar de mannen, die het ondernamen, stonden dan geisoleerd, en oefenden slechts geringen invloed op hunne omgeving uit. Ook brachten zij het gemeenlijk niet verder dan tot eenige ruwe omtrekken van wereldverklaring en misten de gegevens, om ze uit te werken en op alle deelen en onderdeelen van het bestaande toe te passen. De stelsels, die zij boden, sloten niet ineen, en bleken spoedig vele leemten te bevatten; het toeval speelde er te groote rol in. Zelfs een denker als Spinoza wist tusschen de substantie en hare attributen 9 en modi geen ander dan een mathematisch verband te leggen en liet den oorsprong der wereld geheel onverklaard. Maar dat is alles thans, naar men beweert, gansch anders geworden. Het pantheïsme van Hegel heeft het denkbeeld van het absolute, eeuwige worden aan de hand gedaan. Het materialisme van Feuerbach c.s. heeft dit denkbeeld toegepast op de wereld van stof en van kracht als de eenig bestaande. En de ontwikkelingsleer van Darwin verschafte in den strijd om het bestaan, in de natuurlijke en sexueele teeltkeus, in de overerving der verworven eigenschappen en in de aanpassing aan de omgeving, de genoegzame middelen, om dit proces van het eeuwige worden in de stoffelijke wereld begrijpelijk te maken. Zoo kwam er langzamerhand bij de wisseling der eeuw eene wereldbeschouwing op, die alle dingen, niet alleen de levenlooze maar ook de levende, niet alleen de onbewuste maar ook de bewuste, zonder eenige uitzondering, buiten God om, alleen uit immanente zelfontwikkeling verklaren wil.

Het is zoo, ook vroeger is enkele malen wel eens zulk eene poging beproefd. Maar de mannen, die het ondernamen, stonden dan geisoleerd, en oefenden slechts geringen invloed op hunne omgeving uit. Ook brachten zij het gemeenlijk niet verder dan tot eenige ruwe omtrekken van wereldverklaring en misten de gegevens, om ze uit te werken en op alle deelen en onderdeelen van het bestaande toe te passen. De stelsels, die zij boden, sloten niet ineen, en bleken spoedig vele leemten te bevatten; het toeval speelde er te groote rol in. Zelfs een denker als Spinoza wist tusschen de substantie en hare attributen en modi geen ander dan een mathematisch verband te leggen en liet den oorsprong der wereld geheel onverklaard. Maar dat is alles thans, naar men beweert, gansch anders geworden. Het pantheïsme van Hegel heeft het denkbeeld van het absolute, eeuwige worden aan de hand gedaan. Het materialisme van Feuerbach c.s. heeft dit denkbeeld toegepast op de wereld van stof en van kracht als de eenig bestaande. En de ontwikkelingsleer van Darwin verschafte in den strijd om het bestaan, in de natuurlijke en sexueele teeltkeus, in de overerving der verworven eigenschappen en in de 219 aanpassing aan de omgeving, de genoegzame middelen, om dit proces van het eeuwige worden in de stoffelijke wereld begrijpelijk te maken. Zoo kwam er langzamerhand bij de wisseling der eeuw eene wereldbeschouwing op, die alle dingen, niet alleen de levenlooze maar ook de levende, niet alleen de onbewuste maar ook de bewuste, zonder eenige uitzondering, buiten God om, alleen uit immanente zelfontwikkeling verklaren wil.

Such effort, indeed, has been tried before. But then the men who undertook to do it stood isolated, and wielded only a limited influence in their own circles. Ordinarily also they succeeded no further than a few crude outlines of worldinterpretation, but failed of furnishing the data from which to work them out and to apply them to the divisions and subdivisions of what exists. The systems which they offered did not agree; lame parts were soon discovered in them; they allowed too much room for accident. Even such a thinker as Spinoza was not able to establish other than a mathematical relation between the substance and its attributes and modes, and left the origin of the world altogether unexplained. But, it is said, all this is now entirely changed. Hegel's pantheism has furnished the idea of the absolute, eternal process of becoming. The materialism of Feuerbach has applied this idea to the world of matter and force as the only existing one. And in the struggle for existence, in the natural and sexual choice of propagation, in the inheritance of the acquired properties, and in the accommodation to surroundings, Darwin's theory of development has provided the necessary means to make this process of the eternal becoming intelligible in the material world. Thus with the change of the century there has gradually a new world-view arisen which undertakes to interpret not merely the inanimate but also the animate creations, not merely the unconscious but also the conscious, and all this without exception independently of God, and only and alone from an immanent self-development.

Natuurlijk gaan niet alle aanhangers der ontwikkelingsleer daarbij even ver in de toepassing. Daar zijn velen, die voor de gevolgtrekkingen terugschrikken, die bij zeker punt aangekomen halt maken, en in navolging van Kant een kleiner of grooter 10 gebied voor het mysterie overlaten. Dat zijn de agnostici, de dualisten, die het: wij weten niet, en dikwerf ook het: wij zullen niet weten, op de lippen nemen en het voor de wetenschap kenbare gebied door een onbekend land, door het onbegrijpelijk mysterie van het onkenbare omgeven achten. Terwijl zij het eigenlijke, het strikt wetenschappelijke weten beperken tot de wereld der zinlijk-waarneembare, der meet- en der weegbare dingen, trachten zij rondom deze wereld heen een ontoegankelijk terrein vrij te houden, dat naar hartelust door ieder met de voorstellingen van zijn geloof of de scheppingen zijner verbeelding bevolkt worden kan. Wanhopend aan eene allesomvattende en ineensluitende wereldbeschouwing, laten zij gelooven en weten gescheiden en onverzoend naast elkander staan, en houden er een dubbel boek van waarheden op na.

Natuurlijk gaan niet alle aanhangers der ontwikkelingsleer daarbij even ver in de toepassing. Daar zijn velen, die voor de gevolgtrekkingen terugschrikken, die bij zeker punt aangekomen halt maken, en in navolging van Kant een kleiner of grooter gebied voor het mysterie overlaten. Dat zijn de agnostici, de dualisten, die het: wij weten niet, en dikwerf ook het: wij zullen niet weten, op de lippen nemen en het voor de wetenschap kenbare gebied door een onbekend land, door het onbegrijpelijk mysterie van het onkenbare omgeven achten. Terwijl zij het eigenlijke, het strikt wetenschappelijke weten beperken tot de wereld der zinlijk-waarneembare, der meet- en der weegbare dingen, trachten zij rondom deze wereld heen een ontoegankelijk terrein vrij te houden, dat naar hartelust door ieder met de voorstellingen van zijn geloof of de scheppingen zijner verbeelding bevolkt worden kan. Wanhopend aan eene allesomvattende en ineensluitende wereldbeschouwing, laten zij gelooven en weten gescheiden en onverzoend naast elkander staan, en houden er een dubbel boek van waarheden op na.

As a matter of course the followers of this doctrine of development do not all go equally far in the application. There are many who shrink from the inferences, who halt at a given point, and who in imitation of Kant abandon a lesser or greater domain to mystery. These are the agnostics, the dualists, who say, “We do not know," and also “We shall never know," and who take it for granted that the realm which is accessible to science is surrounded by an unknown land of the impenetrable mystery of the unknowable. While they limit the real, the strictly scientific knowing to the world of the sensually observable, and of the measurable and ponderable things, they seek to maintain round about this world an 851 inaccessible domain which can be peopled by each individual with the representations of his faith or the creations of his imagination. Despairing of an all-embracing and all-inclusive world-view they leave faith and knowledge divided and irreconciled, and they keep two sets of books of truths.

Maar, ieder gevoelt terstond, dat dit een onhoudbaar standpunt is. Alle conservatisme staat zwak tegenover het radicalisme, waarmee het in beginsel overeenstemt. Wie de ontwikkelingstheorie ten volle in de zinlijk waarneembare wereld aanvaardt, kan haar, bij de geestelijke verschijnselen aangekomen, niet in eens en zonder reden ter deure verwijzen. Ook al wordt dan aanvankelijk nog een klein terrein voor het geloof afgezonderd, dit gebied krimpt 11 langzamerhand in. Het gaat er mede als met het gebied der Roodhuiden in Amerika, die altijd verder terug moesten wijken voor de indringende en opstuwende blanken. Het eene bolwerk na het andere moet dan prijsgegeven, de eene verdedigingslinie na de andere verlaten, de eene concessie na de andere toegestaan worden. Er zit in deze conservatieve dualigen geen onwrikbare overtuiging, geen kracht des geloofs, geen geestdriftige moed. En daarom moeten zij altijd opnieuw de vlag strijken voor de radicalen, die den moed hunner overtuiging bezitten, die voor geen gevolgtrekking terugdeinzen, en die zonder God beginnende en voortgaande, nu ook zonder God willen eindigen. Dezen zijn daarom de mannen der toekomst. Conservatieven en libekalen sterven uit, maar radicalen en socialen zullen niet alleen in maatschappij en staat, maar ook in wetenschap en kunst, de toongevers zijn in de 20e eeuw. Zij hebben zich voorgenomen, om eene totale en finale opruiming te houden van al wat er bewust of onbewust in onze wetten en zeden, in onze opvoeding en beschaving nog van de oude, Christelijke wereldbeschouwing is overgebleven. Want zij beseffen, dat de mensch, die naar eenheid dorst, op den duur bij de tweeheid en tweeslachtigheid van gelooven en weten niet leven kan. Zij gevoelen, dat er 12 harmonie moet komen tusschen al onze overtuigingen, gezindheden en daden. En zij spannen zich daarom in, om op den grondslag der materialistische natuurwetenschap, door wijsgeerig denken eene afgeronde, ineensluitende wereldbeschouwing te bouwen, die, aan het gebrekkige weten zoowel als aan het dwaze gelooven van vroeger dagen een einde maakt en alle dingen voor ons zielsoog stralen doet in het betooverend licht van een wereldomvattend systeem.

Maar, ieder gevoelt terstond, dat dit een onhoudbaar 220 standpunt is. Alle conservatisme staat zwak tegenover het radicalisme, waarmee het in beginsel overeenstemt. Wie de ontwikkelingstheorie ten volle in de zinlijk waarneembare wereld aanvaardt, kan haar, bij de geestelijke verschijnselen aangekomen, niet in eens en zonder reden ter deure verwijzen. Ook al wordt dan aanvankelijk nog een klein terrein voor het geloof afgezonderd, dit gebied krimpt langzamerhand in. Het gaat er mede als met het gebied der Roodhuiden in Amerika, die altijd verder terug moesten wijken voor de indringende en opstuwende blanken. Het eene bolwerk na het andere moet dan prijsgegeven, de eene verdedigingslinie na de andere verlaten, de eene concessie na de andere toegestaan worden. Er zit in deze conservatieve dualigen geen onwrikbare overtuiging, geen kracht des geloofs, geen geestdriftige moed. En daarom moeten zij altijd opnieuw de vlag strijken voor de radicalen, die den moed hunner overtuiging bezitten, die voor geen gevolgtrekking terugdeinzen, en die zonder God beginnende en voortgaande, nu ook zonder God willen eindigen. Dezen zijn daarom de mannen der toekomst. Conservatieven en libekalen sterven uit, maar radicalen en socialen zullen niet alleen in maatschappij en staat, maar ook in wetenschap en kunst, de toongevers zijn in de 20e eeuw. Zij hebben zich voorgenomen, om eene totale en finale opruiming te houden van al wat er bewust of onbewust in onze wetten en zeden, in onze opvoeding en beschaving nog van de oude, Christelijke wereldbeschouwing is overgebleven. Want zij beseffen, dat de mensch, die naar eenheid dorst, op den duur 221 bij de tweeheid en tweeslachtigheid van gelooven en weten niet leven kan. Zij gevoelen, dat er harmonie moet komen tusschen al onze overtuigingen, gezindheden en daden. En zij spannen zich daarom in, om op den grondslag der materialistische natuurwetenschap, door wijsgeerig denken eene afgeronde, ineensluitende wereldbeschouwing te bouwen, die, aan het gebrekkige weten zoowel als aan het dwaze gelooven van vroeger dagen een einde maakt en alle dingen voor ons zielsoog stralen doet in het betooverend licht van een wereldomvattend systeem.

But it is readily perceived that this standpoint is untenable. All conservatism stands weak over against radicalism, with which it agrees in principle. He who fully accepts the theory of development in the sensual, observable world cannot dismiss it at once and without explanation when spiritual phenomena appear. Even though provisionally a small domain is then set aside for faith, this domain is bound to become ever smaller; even as it was with the domain of the redskins in America, as they were forced to recede from before the invading whites. One fortification after another must then be sacrificed, one line of defense after another be abandoned, and one concession after another be granted. There is no immovable conviction in these conservative dualists, no strength of faith, no enthusiastic courage. And hence they are ever bound to lower the flag before the radicals, who have the courage of their convictions, who shrink from no inferences, and who, beginning and continuing without God, are determined also to end without God. Hence these are the men of the future. Conservatives and liberals die out, but the radicals and socialists are to be the leaders in the twentieth century. They have agreed to hold a total and final clearing out of whatever of the old Christian world-view consciously or unconsciously still remains in our laws and morals, in our education and civilization. For they realize that in the long run man, who thirsts after unity, cannot live by the duality and amphibiousness of believing and knowing. They feel the urgency of the need of harmony between all our convictions, tendencies, and deeds. And therefore they exert themselves all the more strenuously by philosophic thought to erect upon the foundation of the materialistic natural science a well-finished and harmonious world-view which will put an end to the imperfect knowledge as well as to the foolish faith of former days and cause all things to appear before the soul's eye in the magical light of a world-embracing system. 852

Zoo komt dan straks, ten einde toe doorgedacht en consequent op alle terrein des levens toegepast, de nieuwe wereldbeschouwing tegenover de oude te staan, dat is de godsdienstiooze tegenover de Christelijke, de atheïstische tegenover de theïstische, de mechanische tegenover de organische, of gelijk ze ook genoemd is de wereldbeschouwing der ontwikkeling tegenover die der schepping. Beide wereldbeschouwingen willen wij op een drietal punten, bij de vragen naar den oorsprong, het wezen en het doel der dingen, tegenover elkander stellen, opdat de vergelijking ons in het Christelijk geloof bevestige en met kracht moge aangorden voor den strijd, die ons allen, in meerdere of mindere mate, wacht. 13


I.

Zoo komt dan straks, ten einde toe doorgedacht en consequent op alle terrein des levens toegepast, de nieuwe wereldbeschouwing tegenover de oude te staan, dat is de godsdienstiooze tegenover de Christelijke, de atheïstische tegenover de theïstische, de mechanische tegenover de organische, of gelijk ze ook genoemd is de wereldbeschouwing der ontwikkeling tegenover die der schepping. Beide wereldbeschouwingen willen wij op een drietal punten, bij de vragen naar den oorsprong, het wezen en het doel der dingen, tegenover elkander stellen, opdat de vergelijking ons in het Christelijk geloof bevestige en met kracht moge aangorden voor den strijd, die ons allen, in meerdere of mindere mate, wacht.


I.

Thus presently over against the old world-view there will be placed the new world-view thought out to its latest instance and consequently applied to every department of life, namely, the irreligious over against the Christian, the atheistic over against the theistic, the mechanical over against the organic, or as it has been named, the world-view of development over against that of creation. It is our purpose to compare these two world-views at three points, as the questions are put after the origin, essence, and end of all things, in order that the comparison may establish us the more firmly in the Christian faith and may gird us with strength for the conflict which, in lesser or greater measures of fierceness, awaits us all.


I.

Daar zijn vele, vele dingen, wier kennis voor den mensch zonder eenig belang is. Het heeft niet de minste waarde te weten, hoeveel druppels er zijn in den oceaan, hoeveel korrelen zands er liggen op het strand der zee, hoeveel bladeren er zich bevinden aan iederen boom, hoevele haren er te tellen zijn op ons aller hoofd.

Daar zijn wel menschen, die zich ook met deze dingen onledig houden en in curiositeiten behagen scheppen. Zelfs de wetenschap loopt in den tegenwoordigen tijd soms gevaar, om in allerlei détailonderzoek zich te verliezen en vanwege de vele boomen het bosch over het hoofd te zien. De letterkunde is er bijv. tegenwoordig dikwerf op uit, om de nietigste bijzonderheden uit het leven der dichters op te sporen en vooral hunne chronique scandaleuse, op het breedst uit te meten, zonder dat dit ook maar 14 de geringste bijdrage levert tot betere kennis en meerdere waardeering van hunne kunstwerken. Maar de wetenschap wordt door dit alles niet gebaat. Want wetenschap is geen kennis van allerlei nietigheden, maar ze is inzicht in het wezen der dingen, verstand van de idee, van het logische, van het algemeene, dat in de dingen waar te nemen valt.

Daar zijn vele, vele dingen, wier kennis voor den mensch zonder eenig belang is. Het heeft niet de minste waarde te weten, hoeveel druppels er zijn in den oceaan, hoeveel korrelen zands er liggen op 222 het strand der zee, hoeveel bladeren er zich bevinden aan iederen boom, hoevele haren er te tellen zijn op ons aller hoofd.

Daar zijn wel menschen, die zich ook met deze dingen onledig houden en in curiositeiten behagen scheppen. Zelfs de wetenschap loopt in den tegenwoordigen tijd soms gevaar, om in allerlei détailonderzoek zich te verliezen en vanwege de vele boomen het bosch over het hoofd te zien. De letterkunde is er bijv. tegenwoordig dikwerf op uit, om de nietigste bijzonderheden uit het leven der dichters op te sporen en vooral hunne chronique scandaleuse, op het breedst uit te meten, zonder dat dit ook maar de geringste bijdrage levert tot betere kennis en meerdere waardeering van hunne kunstwerken. Maar de wetenschap wordt door dit alles niet gebaat. Want wetenschap is geen kennis van allerlei nietigheden, maar ze is inzicht in het wezen der dingen, verstand van de idee, van het logische, van het algemeene, dat in de dingen waar te nemen valt.

There are many, many things whose knowledge is of little consequence to man. No slightest value attaches to the knowledge of how many drops of water there are in the ocean, how many grains of sand lie on the shore of the sea, how many leaves there are on every tree, or how many hairs there are on our heads. There are those who busy themselves with these things and seek pleasure in curiosities. Even science is sometimes in danger in our times of losing itself in all sorts of detail-investigation, and by reason of the numerous trees to lose sight of the forest. Literature, for instance, is often bent upon tracing out the smallest particulars from the lives of the poets and especially to exhibit their chronique scandaleuse in broadest folds, without adding thereby the least help to a better knowledge and a broader appreciation of their art products. But science is not aided by all this. For science is no knowledge of all sorts of insignificant minutiae, but an insight into the essence of things, and an understanding of the idea, the logic, and the universal which is to be observed in things.

Maar ook dan zelfs, op wetenschappelijk terrein, is er groot verschil in de waarde der kennis. Er is kennis, die van het hoogste belang is voor de school, die strekt tot ontwikkeling van het hoofd, maar die geheel en al buiten het hart omgaat en zonder beteekenis is voor het leven. Daar ligt groote waarheid in hetgeen Schopenhauer eens zeide: gij houdt niet op, om de betrouwbaarheid en zekerheid der mathesis te roemen; maar wat baat het mij, nog zoo zeker en betrouwbaar datgene te weten, waaraan mij niets gelegen is? Het geringste, dat van de hoogste zaken geweten kan worden, — zoo heeft Thomas van Aquino naar waarheid gezegd, — is begeerlijker en van grooter waarde, dan de volledigste en zekerste kennis van nietige en onverschillige dingen.

Maar ook dan zelfs, op wetenschappelijk terrein, is er groot verschil in de waarde der kennis. Er is kennis, die van het hoogste belang is voor de school, die strekt tot ontwikkeling van het hoofd, maar die geheel en al buiten het hart omgaat en zonder beteekenis is voor het leven. Daar ligt groote waarheid in hetgeen Schopenhauer eens zeide: gij houdt niet op, om de betrouwbaarheid en zekerheid der mathesis te roemen; maar wat baat het mij, nog zoo zeker en betrouwbaar datgene te weten, waaraan mij niets gelegen is? Het geringste, dat van de hoogste zaken geweten kan worden, — zoo heeft Thomas van Aquino 223 naar waarheid gezegd, — is begeerlijker en van grooter waarde, dan de volledigste en zekerste kennis van nietige en onverschillige dingen.

But even then, on scientific ground there is a great difference in the value of knowledge. There is knowledge which is of highest importance to the school which tends to the development of the head, but which is altogether apart from the interests of the heart, and has therefore no significance for life. The saying of Schopenhauer contains a 853 great truth; namely, You do not cease from praising the reliability and accuracy of mathematics; but what does it avail me to know with utmost certainty the thing which does not concern me? Thomas Aquino has truly said that the least that can be known of highest interests is more desirable and of greater value than the completest and most accurate knowledge of futile and indifferent things.

Want er is eene kennis, die voor ieder mensch, zonder onderscheid, van het hoogste belang en dringend noodzakelijk is. Er zijn levensvragen waarop elk een antwoord behoeft, wijl zijn tijdelijk en eeuwig 15 welzijn er mede in het nauwste verband staat. Wat men ook zegge, elk gevoelt het op zijn beurt: het leven van een mensch is geen spel, geen tooneelrol, maar het is ontzaglijke werkelijkheid, huiveringwekkende ernst; er hangt niets minder dan de eeuwigheid aan. Ieder is daarvan in 't diepst der ziel overtuigd en bewijst dit, door, zij het ook op verkeerde wijze en langs verkeerden weg, te zoeken naar een hoogste, duurzaam, eeuwig goed. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het rust gevonden heeft aan zijn vaderhart. Daarom dienen wij te weten, vanwaar wij komen, wat de oorzaak en de oorsprong aller dingen is, of de laatste grond van al het bestaande stof is of geest, kracht of persoon, onbewuste drang dan wel de almachtige wil van God, den Schepper van hemel en aarde.

De hedendaagsche ontwikkelingstheorie geeft op deze eerste vraag ten antwoord, dat er eigenlijk geen oorsprong en geen aanvang der dingen is. Al wat is, was er altijd, zij het ook in andere vormen, en zal er altijd zijn. De substantiewet n.l., dat is de leer van de steeds gelijke hoeveelheid, van de onvernietigbaarheid van stof en kracht, is, vooral sedert de beroemde verhandeling van Helmholtz over Die Erhaltung der Kraft, welke ten jare 1847 verscheen, volgens de natuurkundigen onweerlegbaar bewezen en 16 boven allen twijfel vastgesteld. Zij is de groote ontdekking der 19e eeuw. Een waterdeeltje, zoo zeide Prof. Haga te Groningen ten vorige jare in zijne rectorale oratie over de ontwikkeling der natuurkunde, kan men volgen van het oogenblik af, dat het op de toppen der bergen als sneeuwvlok nedervalt, als gletscherijs jaren noodig heeft voortgeschoven te worden, totdat het smelt en in de beek medegevoerd wordt naar de rivier en naar de zee; om daar dan weer te verdampen en in de atmosfeer als deel eener wolk vloeibaar te worden.

Want er is eene kennis, die voor ieder mensch, zonder onderscheid, van het hoogste belang en dringend noodzakelijk is. Er zijn levensvragen waarop elk een antwoord behoeft, wijl zijn tijdelijk en eeuwig welzijn er mede in het nauwste verband staat. Wat men ook zegge, elk gevoelt het op zijn beurt: het leven van een mensch is geen spel, geen tooneelrol, maar het is ontzaglijke werkelijkheid, huiveringwekkende ernst; er hangt niets minder dan de eeuwigheid aan. Ieder is daarvan in 't diepst der ziel overtuigd en bewijst dit, door, zij het ook op verkeerde wijze en langs verkeerden weg, te zoeken naar een hoogste, duurzaam, eeuwig goed. Ons hart is tot God geschapen, en het rust niet, voordat het rust gevonden heeft aan zijn vaderhart. Daarom dienen wij te weten, vanwaar wij komen, wat de oorzaak en de oorsprong aller dingen is, of de laatste grond van al het bestaande stof is of geest, kracht of persoon, onbewuste drang dan wel de almachtige wil van God, den Schepper van hemel en aarde.

De hedendaagsche ontwikkelingstheorie geeft op deze eerste vraag ten antwoord, dat er eigenlijk geen oorsprong en geen aanvang der dingen is. Al wat is, was er altijd, zij het ook in andere vormen, en zal er altijd zijn. De substantiewet n.l., dat is de leer van de steeds gelijke hoeveelheid, van de onvernietigbaarheid van stof en kracht, is, vooral sedert de beroemde verhandeling van Helmholtz over Die Erhaltung der Kraft, welke ten jare 1847 verscheen, 224 volgens de natuurkundigen onweerlegbaar bewezen en boven allen twijfel vastgesteld. Zij is de groote ontdekking der 19e eeuw. Een waterdeeltje, zoo zeide Prof. Haga te Groningen ten vorige jare in zijne rectorale oratie over de ontwikkeling der natuurkunde, kan men volgen van het oogenblik af, dat het op de toppen der bergen als sneeuwvlok nedervalt, als gletscherijs jaren noodig heeft voortgeschoven te worden, totdat het smelt en in de beek medegevoerd wordt naar de rivier en naar de zee; om daar dan weer te verdampen en in de atmosfeer als deel eener wolk vloeibaar te worden.

There is a knowledge which is of highest interest and urgent necessity to every man, without distinction. These are questions of life, whose answer each man requires because it stands in closest connection with the temporal and eternal well-being. Whatever is said, all people are conscious of it in turn that the life of a man is no play, but an awful reality, whose seriousness creates concern, since nothing less than an eternity hangs on it. Each man is convinced of this in the deepest parts of his soul, and shows it by seeking, even though in wrong ways, after a highest, enduring, and eternal good. Our heart is created for God, and it does not rest until it finds this at his Father heart. Hence we should know whence we come, what the source and origin of all things is, whether the last ground of all existing things is matter or spirit, force or person, unconscious impulse, or the almighty will of God, the Creator of heaven and earth.

The development theory of our times meets this question with the answer that in reality there is no origin and no beginning of things. All what is always was, though it be in other forms, and always shall be. The law of substance, that is, the theory of ever equal quantity, of the indestructibility of matter and force, especially since the famous treatise by Helmholtz on Die Erhaltung der Kraft, published in 1847, is according to naturalists irrefutably demonstrated and established beyond all doubt. This is the great discovery of the nineteenth century. Said Professor Haga at Groningen last year, in his rectoral oration on the development of natural science, “A particle of water can be traced from the moment it falls on the tops of the mountains as a snowflake, and as glacier-ice requires years to be pushed ahead, until it melts and in the brook is carried along to river and sea, where once more it evaporates and becomes fluid in the atmosphere as part of a cloud." 854

Zoo wordt geleerd van de stof. Maar dezelfde wet geldt ten aanzien der kracht, die verplaatst en omgezet kan worden, maar nooit in hoeveelheid vermeerdert of vermindert. De spoortrein, zeide dezelfde Hoogleeraar, die plotseling geremd wordt, verliest zijn arbeidsvermogen van beweging, maar de in de remschoen, wielen en rails ontwikkelde warmte, stelt eene juist even groote hoeveelheid arbeidsvermogen voor.

Zoo wordt geleerd van de stof. Maar dezelfde wet geldt ten aanzien der kracht, die verplaatst en omgezet kan worden, maar nooit in hoeveelheid vermeerdert of vermindert. De spoortrein, zeide dezelfde Hoogleeraar, die plotseling geremd wordt, verliest zijn arbeidsvermogen van beweging, maar de in de remschoen, wielen en rails ontwikkelde warmte, stelt eene juist even groote hoeveelheid arbeidsvermogen voor.

This is taught of matter. But this same law is valid with reference to the power which can be moved and changed but never reduced or increased in quantity. The railway train, said the same professor, which has suddenly the brakes put on loses its capacity of motion, but the heat developed in the skid, wheels, and rails represents an equally great quantity of capacity of work.

Uit deze belangrijke wet leiden nu vele natuurkundigen heden ten dage af, dat de substantie eeuwig is. Er is geen ontstaan en geen vergaan in eigenlijken zin, geen geboren worden en geen sterven. Wat er is, was er van alle eeuwigheid en zal er tot in eeuwigheid zijn. Er is verandering van vorm, 17 wisseling van gedaante, eindelooze transformatie; er is een eeuwig proces, een nooit begonnen en nimmer eindigende cirkelgang van stof en van kracht. Maar de substantie is onvernietigbaar; zij is het eenige, eeuwige, absolute zijn, dat den eeuwigen tijd en de oneindige ruimte doordringt en vervult. Zij is, indien gij wilt, de Godheid der nieuwere wereldbeschouwing. Een andere God is er niet. Zij heeft geen andere eigenschappen, geen hoogere deugden en volmaaktheden, geen verhevener namen dan stof en kracht, materie en energie. En zij is geen zalig, volheerlijk, algenoegzaam zijn, maar een rusteloos worden, een eeuwige drang, aan een altijd voortgaand proces van beweging onderworpen.

Uit deze belangrijke wet leiden nu vele natuurkundigen heden ten dage af, dat de substantie eeuwig is. Er is geen ontstaan en geen vergaan in eigenlijken zin, geen geboren worden en geen sterven. Wat er is, was er van alle eeuwigheid en zal er tot in eeuwigheid zijn. Er is verandering van vorm, wisseling van gedaante, eindelooze transformatie; er is een eeuwig proces, een nooit begonnen en nimmer eindigende cirkelgang van stof en van kracht. Maar de substantie is onvernietigbaar; zij is het eenige, eeuwige, absolute zijn, dat den eeuwigen tijd en de 225 oneindige ruimte doordringt en vervult. Zij is, indien gij wilt, de Godheid der nieuwere wereldbeschouwing. Een andere God is er niet. Zij heeft geen andere eigenschappen, geen hoogere deugden en volmaaktheden, geen verhevener namen dan stof en kracht, materie en energie. En zij is geen zalig, volheerlijk, algenoegzaam zijn, maar een rusteloos worden, een eeuwige drang, aan een altijd voortgaand proces van beweging onderworpen.

From this important law many present-day naturalists infer that substance is eternal. There is no origination and no passing away in any actual sense, no being born and no dying. What is was from all eternity and shall be to all eternity. There is change of form, of appearance, and endless transformation; there is an eternal process, an unbegun and a never-ending circular movement of matter and of force. But the substance is indestructible; it is the only, absolute, eternal being, which penetrates and fills eternal time and infinite space. It is, if you please, the Deity of the newer worldview. There is no other god. It has no other properties, no higher virtues and perfections, no more exalted names than matter and force. And it is no blessed, glorious, and all-sufficient being, but a restless becoming, an eternal urgency subject to an ever-continuing process of motion.

Uit deze beweging, die gedacht wordt als eeuwig eigen aan stof en aan kracht, is het ontstaan aller dingen te verklaren. Ontwikkeling, evolutie is de eeuwige wet, die al het bestaande beheerscht en regeert; zij neemt met haar blinde noodlot en onberekenbaar toeval de plaats der Goddelijke Voorzienigheid in. Naar die wet wordt eerst de oorsprong van ons planetenstelsel verklaard. Aan de wereld in hare tegenwoordige gedaante gingen duizenden anderen [voor]af, die ook beurtelings naar dezelfde wet opgekomen zijn en vergaan. Toen de laatst voorafgaande zich in eene gasvormige nevelmassa opgelost had, is daaruit, 18 naar eene waarschijnlijk geachte hypothese van Kant en Laplace, de tegenwoordige wereld met haar zon en maan en sterren, ook met deze onze aarde, langzamerhand door verdichting, draaiïng, en bolvorming te voorschijn gekomen. Maar gelijk elders, zet dan ook op deze aarde de ontwikkeling door de voortgaande beweging van stof en kracht zich voort. Langs lange, onafzienbaar lange lijnen van geleidelijkheid ontwikkelt zich uit het lagere het hoogere. De aarde vormt zich door allerlei evolutiën heen tot eene geschikte verblijfplaats voor levende wezens. Eerst is er het levenlooze, de formatie van zeeën en landen, van bergen en stroomen, van delfstoffen en aardlagen. Maar dan gaat de stof allengs zich altijd fijner organiseeren en de werking der kracht wordt hoe langer hoe ingewikkelder, tot dat eindelijk onder bijzonder gunstige omstandigheden uit de anorganische stof de cel ontstaat, die de draagster des levens is.

En als deze er maar eenmaal is, dan ontwikkelen zich door een verloop van eeuwen heen de rijken van planten en dieren, in steeds hooger formatie, rijker verscheidenheid en grooter getale. Tusschen het levenlooze en het levende is geen diepe, breede klove maar een geleidelijke overgang, een lijn van geleidelijkheid. Er is alleen ingewikkelder constructie, fijner organisatie, hoogere ontwikkeling. Langs dienzelfden 19 weg komt dan eindelijk ook de mensch op het tooneel. Ook hij is niet voortgebracht door de hand van den Schepper, dragende zijn beeld; maar hij is de hoogere ontwikkeling van die dierensoort, wier naaste verwanten thans nog voortleven in orang-oetan, gorilla en chimpansé. In den bangen strijd om het bestaan hebben sommige dieren door het verwerven en overerven van altijd uitnemender eigenschappen zich allengs in een of ander deel der aarde tot menschen ontwikkeld. Een eerste mensch is er niet geweest. Niemand kan aanwijzen, waar het dier ophoudt en de mensch begint. Er is langzame, geleidelijke, over eeuwen zich uitbreidende ontwikkeling; door de kleinst mogelijke veranderingen in de grootst mogelijke tijdruimten is uit het lagere al het hoogere voortgekomen; en de mensch zelf is het resultaat van een millioenen-jarig proces.


Uit deze beweging, die gedacht wordt als eeuwig eigen aan stof en aan kracht, is het ontstaan aller dingen te verklaren. Ontwikkeling, evolutie is de eeuwige wet, die al het bestaande beheerscht en regeert; zij neemt met haar blinde noodlot en onberekenbaar toeval de plaats der Goddelijke Voorzienigheid in. Naar die wet wordt eerst de oorsprong van ons planetenstelsel verklaard. Aan de wereld in hare tegenwoordige gedaante gingen duizenden anderen [voor]af, die ook beurtelings naar dezelfde wet opgekomen zijn en vergaan. Toen de laatst voorafgaande zich in eene gasvormige nevelmassa opgelost had, is daaruit, naar eene waarschijnlijk geachte hypothese van Kant en Laplace, de tegenwoordige wereld met haar zon en maan en sterren, ook met deze onze aarde, langzamerhand door verdichting, draaiïng, en bolvorming te voorschijn gekomen. Maar gelijk elders, zet dan ook op deze aarde de ontwikkeling door de voortgaande beweging van stof en kracht zich voort. Langs lange, onafzienbaar lange lijnen van geleidelijkheid ontwikkelt zich uit het lagere het hoogere. De aarde vormt zich door allerlei evolutiën heen tot eene geschikte verblijfplaats voor levende wezens. 226 Eerst is er het levenlooze, de formatie van zeeën en landen, van bergen en stroomen, van delfstoffen en aardlagen. Maar dan gaat de stof allengs zich altijd fijner organiseeren en de werking der kracht wordt hoe langer hoe ingewikkelder, tot dat eindelijk onder bijzonder gunstige omstandigheden uit de anorganische stof de cel ontstaat, die de draagster des levens is.

En als deze er maar eenmaal is, dan ontwikkelen zich door een verloop van eeuwen heen de rijken van planten en dieren, in steeds hooger formatie, rijker verscheidenheid en grooter getale. Tusschen het levenlooze en het levende is geen diepe, breede klove maar een geleidelijke overgang, een lijn van geleidelijkheid. Er is alleen ingewikkelder constructie, fijner organisatie, hoogere ontwikkeling. Langs dienzelfden weg komt dan eindelijk ook de mensch op het tooneel. Ook hij is niet voortgebracht door de hand van den Schepper, dragende zijn beeld; maar hij is de hoogere ontwikkeling van die dierensoort, wier naaste verwanten thans nog voortleven in orang-oetan, gorilla en chimpansé. In den bangen strijd om het bestaan hebben sommige dieren door het verwerven en overerven van altijd uitnemender eigenschappen zich allengs in een of ander deel der aarde tot menschen ontwikkeld. Een eerste mensch is er niet geweest. Niemand kan aanwijzen, waar het dier ophoudt en de mensch begint. Er is langzame, geleidelijke, over eeuwen zich uitbreidende ontwikkeling; door de kleinst mogelijke veranderingen in de grootst mogelijke tijdruimten is uit het lagere al het hoogere voortgekomen; en de mensch zelf is het resultaat van een millioenen-jarig proces. 227


From this motion, which is taken as eternally belonging to matter and force, the origin of all things is to be interpreted. Development, evolution is the eternal law, which governs and directs everything that exists; with its blind fate and incalculable accident it displaces Divine Providence. The origin of our planetary system is explained according to this law. Our world in its present form was preceded by thousand others, which in turn came into being after this same law and have passed away. When the last preceding one had dissolved itself into a gaseous mass of mists, from which, according to a probable esteemed hypothesis of Kant and Laplace, the present world has appeared with its sun, moon, and stars, and also our earth, gradually by consolidation, rotation, and forming of the globe. But as everywhere else, upon this earth also development continues itself by the ceaseless motion of matter and force. Along long, immeasurably long lines of regularity the higher develops itself from the lower. By all 855 sorts of evolutions the earth forms itself into a fit dwelling place for living beings. First there is the inanimate, the formation of seas and lands, of mountains and streams, of minerals and lavers of earth. Then matter organizes itself ever along finer lines and the operations of force become ever more intricate, until at length under favorable circumstances from inorganic matter the cell originates, which is the bearer of life. And when it is once come, then in the course of centuries there develop themselves the kingdoms of plants and animals, in ever higher formation, richer variety, and greater numbers. There is no deep, broad chasm between the animate and the inanimate, but a gradual transition. There is only a more intricate construction, finer organization, a higher development. Along the same way at length man arrives upon the scene. He also is not brought forth by the hand of the Creator, bearing his image; but he is the higher development of that species of animals, whose next of kin still continue to live on in the oran-outang, gorilla, and chimpanzee. In the fierce struggle for existence some animals, by acquiring and inheriting ever more excellent properties, have gradually developed themselves in one or other part of the earth into men. There has not been a first man. No one is able to indicate where the animal ceases and man begins. There is a slow, gradual development spreading itself across many centuries; by the smallest possible changes in the largest possible spaces of time from the lower all the higher has come forth; and man himself is the result of a process covering many millions of years.

Ziedaar de nieuwe en nieuwste verklaring van den oorsprong der dingen. Daar is iets imposants, iets machtig aangrijpends in deze beschouwing. Daar is eenheid van gedachte, stoutheid van conceptie, consequentie van principe in. Het is te begrijpen, dat zij velen bekoort. Ja, als men aan geen openbaring gelooft, die een andere verklaring der schepselen aan de hand doet, kan men niet anders dan 20 op soortgelijke wijze den oorsprong der dingen zich eenigermate begrijpelijk waken. Zij moeten toch ergens vandaan komen en op eenigerlei wijze ontstaan zijn. De theorie moge nog zoo onvolledig zijn en nog zoovele verschijnselen in de physische en psychische wereld onverklaard laten, Darwin is daarom vooral, naar het woord van Strauss, als de grootste weldoener van het menschelijk geslacht begroet, wijl hij de deur geopend heeft, waardoor een gelukkiger nakomelingschap voor altijd het wonder uitwerpen kan. Voor een geslacht, dat al het bovennatuurlijke loochent en zelfs allen godsdienst uitschudt, blijft er, wat er zich ook tegen verzetten moge, niets anders over, dan om van de rede, het eigen denken, alle heil te verwachten en in de ontwikkeling de oplossing van alle raadselen der wereld te zien.

Ziedaar de nieuwe en nieuwste verklaring van den oorsprong der dingen. Daar is iets imposants, iets machtig aangrijpends in deze beschouwing. Daar is eenheid van gedachte, stoutheid van conceptie, consequentie van principe in. Het is te begrijpen, dat zij velen bekoort. Ja, als men aan geen openbaring gelooft, die een andere verklaring der schepselen aan de hand doet, kan men niet anders dan op soortgelijke wijze den oorsprong der dingen zich eenigermate begrijpelijk waken. Zij moeten toch ergens vandaan komen en op eenigerlei wijze ontstaan zijn. De theorie moge nog zoo onvolledig zijn en nog zoovele verschijnselen in de physische en psychische wereld onverklaard laten, Darwin is daarom vooral, naar het woord van Strauss, als de grootste weldoener van het menschelijk geslacht begroet, wijl hij de deur geopend heeft, waardoor een gelukkiger nakomelingschap voor altijd het wonder uitwerpen kan. Voor een geslacht, dat al het bovennatuurlijke loochent en zelfs allen godsdienst uitschudt, blijft er, wat er zich ook tegen verzetten moge, niets anders over, dan om van de rede, het eigen denken, alle heil te verwachten en in de ontwikkeling de oplossing van alle raadselen der wereld te zien.

This is the new and newest interpretation of the origin of things. There is something imposing, something which takes hold of one mightily in this view. There is contained in it unity of thought, boldness of conception, and sequence of principle. It is readily understood that it charms many. Yes, when one does not believe in revelation which furnishes another interpretation of all creatures, one is bound in a similar way to render the origin of things in some measure intelligible to himself. They must have come from somewhere and have originated in some way. The theory may still be incomplete and leave many phenomena in the physical and psychical world 856 unexplained, nevertheless, according to Straus, Darwin is hailed as the greatest benefactor of the human race, because he has opened the door through which a more fortunate posterity will be able to cast out the miracle for good. An age which denies the supernatural and even shakes off all religion, cannot do other, all opposition notwithstanding, than expect all salvation from the reason, its own thinking, and to see the solution of all the riddles of the world in development.

En toch, hoe innerlijk één dit stelsel ook schijne. en hoe begrijpelijk zijn invloed en opgang ook zij; het is geen product der wetenschap, maar een vrucht der verbeelding, een begrippenspel van het naar eenheid dorstend verstand. Het heet opgebouwd op den grondslag der empirische natuurwetenschap met behulp van het logische denken; maar het is een gebouw in de lucht, zonder hecht fundament en zonder strengheid van stijl, een luchtkasteel in den waren zin van het woord. Het verlaat de empirie, de 21 betrouwbare resultaten der natuurwetenschap, reeds bij den eersten steen, die gelegd, en bij den eersten paal, die geheid wordt. Geen wetenschap is het in strengen zin, geen science exacte, gelijk men ons zoo gaarne diets maken wil, maar eene wereldbeschouwing waarbij het subject zijn parten speelt, eene philosophie, die onzeker is als alle stelsels der wijsgeeren, eene individneele meening, die evenveel waarde heeft als die van elk ander mensch.

En toch, hoe innerlijk één dit stelsel ook schijne. en hoe begrijpelijk zijn invloed en opgang ook zij; het is geen product der wetenschap, maar een vrucht der verbeelding, een begrippenspel van het naar eenheid dorstend verstand. Het heet opgebouwd op den grondslag der empirische natuurwetenschap met behulp van het logische denken; maar het is een gebouw in de lucht, zonder hecht fundament en zonder 228 strengheid van stijl, een luchtkasteel in den waren zin van het woord. Het verlaat de empirie, de betrouwbare resultaten der natuurwetenschap, reeds bij den eersten steen, die gelegd, en bij den eersten paal, die geheid wordt. Geen wetenschap is het in strengen zin, geen science exacte, gelijk men ons zoo gaarne diets maken wil, maar eene wereldbeschouwing waarbij het subject zijn parten speelt, eene philosophie, die onzeker is als alle stelsels der wijsgeeren, eene individneele meening, die evenveel waarde heeft als die van elk ander mensch.

But however much this system may seem to be inwardly united and however readily we may account for its influence and popularity, it is not a product of science, but of the imagination; it is a play of conceptions on the part of the understanding which thirsts after unity. It is said to be built upon the foundation of empirical physics, aided by logical thinking; but it is a castle in the air, without any solid foundation, and without any severity of style, an air castle in the true sense of the word. With the laying of the very first stone it abandons empirics, the reliable results of physics. It is no science in any serious sense, no science exacte, as it is claimed to be, but a world-view with which the subject plays his parts, a philosophy as uncertain as any system of the philosophers, an individual opinion of as much significance as that of every other man.

De juistheid dezer bewering wordt reeds daardoor bewezen, dat dit stelsel, ofschoon in deze eeuw breeder uitgewerkt en met natuurwetenschappelijke gegevens gestoffeerd, toch in beginsel reeds lang vóór deze eeuw door wijsgeeren uitgedacht en aangeprezen is. Het materialisme is noch in vorige, noch in deze eeuw het resultaat van streng wetenschappelijk onderzoek, maar de vrucht van wijsgeerig denken geweest. Trouwens, de natuurwetenschap kan uit den aard der zaak nooit achter de natuur teruggaan. Zij staat op den bodem der natuur, onderstelt haar bestaan en kan dus op de vraag naar haar oorsprong nooit eenig antwoord geven. Zoodra zij dat beproeft, verlaat zij haar terrein, houdt zij op natuurwetenschap te zijn en wordt philosophie, gelijk staande met andere stelsels van wijsbegeerte, die als het gras en de bloem des velds heden wel bloeien maar morgen 22 verwelken. De natuurwetenschap moge in deze eeuw de wet van het behoud van arbeidsvermogen hebben ontdekt, met geen logische mogelijkheid kan daaruit de gevolgtrekking worden afgeleid, dat stof en kracht eeuwig zijn. Wat thans bestaat, heeft daarom nog niet altijd bestaan. En wat menschelijke kracht niet vernietigen kan, is daarom nog niet onvernietigbaar. Het woord „eeuwig" behoort ook in het woordenboek der natuurwetenschap ganschelijk niet te huis, want zij heeft alleen met het eindige en zienlijke te doen en is tot het relatieve beperkt. Zij gaat haar grenzen te buiten, als ze van eeuwige stof, eeuwige kracht, oneindige ruimte en eindeloozen tijd spreekt. Ze speelt dan met woorden, wier beteekenis ze niet verstaat, en wier verbinding eene tegenstrijdigheid als die van een houten ijzer en een vierkanten cirkel is.

De juistheid dezer bewering wordt reeds daardoor bewezen, dat dit stelsel, ofschoon in deze eeuw breeder uitgewerkt en met natuurwetenschappelijke gegevens gestoffeerd, toch in beginsel reeds lang vóór deze eeuw door wijsgeeren uitgedacht en aangeprezen is. Het materialisme is noch in vorige, noch in deze eeuw het resultaat van streng wetenschappelijk onderzoek, maar de vrucht van wijsgeerig denken geweest. Trouwens, de natuurwetenschap kan uit den aard der zaak nooit achter de natuur teruggaan. Zij staat op den bodem der natuur, onderstelt haar bestaan en kan dus op de vraag naar haar oorsprong nooit eenig antwoord geven. Zoodra zij dat beproeft, verlaat zij haar terrein, houdt zij op natuurwetenschap te zijn en wordt philosophie, gelijk staande met andere stelsels van wijsbegeerte, die als het gras en de bloem des velds heden wel bloeien maar morgen verwelken. De natuurwetenschap moge in deze eeuw de wet van het behoud van arbeidsvermogen hebben ontdekt, met geen logische mogelijkheid kan daaruit de gevolgtrekking worden afgeleid, dat stof en kracht 229 eeuwig zijn. Wat thans bestaat, heeft daarom nog niet altijd bestaan. En wat menschelijke kracht niet vernietigen kan, is daarom nog niet onvernietigbaar. Het woord „eeuwig" behoort ook in het woordenboek der natuurwetenschap ganschelijk niet te huis, want zij heeft alleen met het eindige en zienlijke te doen en is tot het relatieve beperkt. Zij gaat haar grenzen te buiten, als ze van eeuwige stof, eeuwige kracht, oneindige ruimte en eindeloozen tijd spreekt. Ze speelt dan met woorden, wier beteekenis ze niet verstaat, en wier verbinding eene tegenstrijdigheid als die van een houten ijzer en een vierkanten cirkel is.

That this assertion is correct is shown by the fact that though this system has been more broadly worked out in this century just closed and furnished with data from physics, in principle it has been thought out and recommended by philosophers long ago. Neither in former centuries nor in this has materialism been the result of severe scientific investigation, but the fruit of philosophic thought. Indeed, from the nature of the case physics can never go back of nature. It stands on the ground of nature, assumes its existence, and hence cannot answer the question after its origin. As soon as it undertakes to do this it leaves its lines, ceases to be physics and becomes philosophy, on an equal standing with the other philosophical systems which as grass and the flower of the field may bloom to-day but wither to-morrow. Physics may have discovered in this century the law of the conservation of work-capacity, but with no logical possibility can the inference be drawn from this that matter and force are eternal. What exists now has for this 857 reason not existed always. And what human power is not able to destroy is therefore not indestructible. The word “eternal" has no place in the vocabulary of physics, for it has only to do with the finite and the seen things and is limited to the relative. It steps across its own boundaries when it speaks of eternal matter, eternal force, infinite space, and time without end. Whenever it does this it plays with words whose meaning it does not understand and whose copulation is as contradictory as that of a wooden iron and a square circle.

Nog dwazer handelt ze, als zij van eeuwige beweging gewaagt. Eene eeuwige beweging zou ook reeds eeuwig afgeloopen en dus stilstand zijn. Want wat in den tijd valt, is vergankelijk, en wat eeuwig is, valt niet in den tijd. Beweging onderstelt eene bewegende kracht, die den stoot geeft, die haar voortbrengt en onderhoudt. Grieksche wijsgeeren waren daarvan reeds zoo overtuigd, dat zij uit de beweging der wereld tot een eersten beweger besloten. Men kan daartegenover wel zeggen, dat het wereldgeheel 23 zich zelf beweegt, dat het een perpetuum mobile is; maar behalve dat dit een even groot wonder als de schepping ware, is dit feitelijk evenmin van de wereld in haar geheel, als van een harer deelen te denken. Het is immers altijd dezelfde substantie, dezelfde stof en kracht, die in 't gansch heelal en in elk zijner deelen woont. En beweging is nog niet alles. Beweging is er niet zonder richting. Wat is de kracht, die niet alleen beweegt maar ook de beweging in eene bepaalde richting leidt? Waaraan is het te danken, dat de beweging zulk eene richting neemt, dat zij uitloopt op de formatie van zon en planeten, van hemel en aarde, van delfstoffen en planten, van dieren en menschen in eene stijgende reeks? Een beroep op de blinde kracht der substantie is tot verklaring even ongerijmd, als wanneer iemand, naar het beeld van Cicero, een boek als de Ilias uit een toevalligen worp van duizenden letters verklaart.

Nog dwazer handelt ze, als zij van eeuwige beweging gewaagt. Eene eeuwige beweging zou ook reeds eeuwig afgeloopen en dus stilstand zijn. Want wat in den tijd valt, is vergankelijk, en wat eeuwig is, valt niet in den tijd. Beweging onderstelt eene bewegende kracht, die den stoot geeft, die haar voortbrengt en onderhoudt. Grieksche wijsgeeren waren daarvan reeds zoo overtuigd, dat zij uit de beweging der wereld tot een eersten beweger besloten. Men kan daartegenover wel zeggen, dat het wereldgeheel zich zelf beweegt, dat het een perpetuum mobile is; maar behalve dat dit een even groot wonder als de schepping ware, is dit feitelijk evenmin van de wereld in haar geheel, als van een harer deelen te denken. Het is immers altijd dezelfde substantie, dezelfde stof en kracht, die in 't gansch heelal en in elk zijner deelen woont. En beweging is nog niet alles. Beweging is er niet zonder richting. Wat is de kracht, die niet alleen beweegt maar ook de beweging in eene bepaalde richting leidt? Waaraan is het te 230 danken, dat de beweging zulk eene richting neemt, dat zij uitloopt op de formatie van zon en planeten, van hemel en aarde, van delfstoffen en planten, van dieren en menschen in eene stijgende reeks? Een beroep op de blinde kracht der substantie is tot verklaring even ongerijmd, als wanneer iemand, naar het beeld van Cicero, een boek als de Ilias uit een toevalligen worp van duizenden letters verklaart.

It is more foolish still when it speaks of eternal motion. An eternal motion would also have been run down eternally and this be a standstill. For what falls in time is transitory, and what is eternal does not fall in time. Motion assumes a moving force, which gives the impetus, which produces and maintains it. Greek philosophers were so convinced of this, that from the motion of the world they concluded to a first mover. It may, indeed, be said that the universe moves itself, that it is a perpetuum mobile; but aside from this being a miracle equally great as the creation, it is as little possible to think this of the world as a whole as of one of its parts. For it is always the same substance, the same matter and force which dwells in the whole universe and in each of its parts. And motion is not everything. There is no motion without direction. What is the force, which not only moves but also leads the motion in a given direction? What is it owing to that motion takes such a direction, that it results in the formation of sun and planets, of heaven and earth, of minerals and plants, of animals and man in an ascending series? An appeal to the blind force of substance by way of explanation is equally absurd, as when, after the example of Cicero, one accounts for a book such as the Iliad from an accidental cast of thousands of letters.

Maar afgedacht van dit alles, wat weet de natuurwetenschap van de substantie der dingen af? Omdat zij voortdurend zich beweegt in de wereld der zienlijke dingen, verkondigt zij, dat er niet anders is dan stof en daarin gebondene kracht. Altijd starende op de materie, miskent en loochent zij den geest. De theologie wordt, en niet ten onrechte, beschuldigd, in vroeger tijd al de wetenschappen te hebben 24 opgeslokt. Maar nooit heeft eenige wetenschap dit sterker gedaan, dan de natuurwetenschap in den tegenwoordigen tijd. Zij wil de eenige wetenschap zijn en gaat in annexatiezucht zelfs het Engelsche en Russische Imperialisme te boven. Zij verklaart achtereenvolgens biologie en psychologie, geschiedenis en rechtswetenschap, theologie en philosophie bij haar ingelijfd, zij dringt hare methode aan alle wetenschappen op en acht de mechanische verklaring de eenige, welke op den naam van wetenschappelijke aanspraak heeft!

Maar afgedacht van dit alles, wat weet de natuurwetenschap van de substantie der dingen af? Omdat zij voortdurend zich beweegt in de wereld der zienlijke dingen, verkondigt zij, dat er niet anders is dan stof en daarin gebondene kracht. Altijd starende op de materie, miskent en loochent zij den geest. De theologie wordt, en niet ten onrechte, beschuldigd, in vroeger tijd al de wetenschappen te hebben opgeslokt. Maar nooit heeft eenige wetenschap dit sterker gedaan, dan de natuurwetenschap in den tegenwoordigen tijd. Zij wil de eenige wetenschap zijn en gaat in annexatiezucht zelfs het Engelsche en Russische Imperialisme te boven. Zij verklaart achtereenvolgens biologie en psychologie, geschiedenis en rechtswetenschap, theologie en philosophie bij haar ingelijfd, zij dringt hare methode aan alle wetenschappen op en acht de mechanische verklaring de eenige, welke op den naam van wetenschappelijke aanspraak heeft!

But, apart from all this, what does physics know of the substance of things? Because it moves continually in the world of things that are seen it asserts that there is nothing else than matter and force contained therein. Always dealing with matter it disregards and denies spirit. Theology is accused, and justly so, of having usurped, in early times, all the 858 sciences. But no science has ever done this more entirely than physical science of the present day. It claims to be the only science and even outstrips English and Russian imperialism in its ambition for annexation. It declares consecutively biology and psychology, theology and philosophy as incorporated with itself, it forces its method upon all the sciences, and considers the mechanical interpretation the only one that is warranted to the claim of being scientific.

En toch weet zij met al de verschijnselen, die het object van deze verschillende wetenschappen uitmaken, geen weg en geen raad. Zij weet niet, wat substantie is, en als zij beweert dat deze slechts stof en kracht is, weet zij niet, wat elk van deze beide is, noch hoe zij verbonden zijn. Ook een man als Haeckel, die voor geen raadsel terugdeinst, moet erkennen, dat het innerlijk wezen der dingen onbekend is. En nog veel minder dan in 't wezen van stof en van kracht, dringt zij tot het binnenste zijn van het leven door. Leven, alle leven, is een geheimenis, dat te eerbiedigen is, maar niet te verklaren. Wie het ontleden wil, doodt het. Alle nasporingen en onderzoekingen hebben nog geen enkelen tip van den sluier opgelicht, die over dit mysterie der 25 schepping hangt. Door de navorschingen, inzonderheid van Pasteur te Parijs, is in 't licht gesteld, dat het leven ook bij de laagste organische wezens, nl. bij de infusoriën niet vanzelf, door mechanische stofwisseling ontstaat; eene generatio aequivoca is er niet. Wanhopend aan eene mechanische verklaring, namen daarom anderen zooals bijv. de Engelsche natuurkundige Thomson (Lord Kelvin) tot de onderstelling de toevlucht, dat levenskiemen door meteoorsteenen van andere planeten op deze aarde gevallen waren en alzoo aan de organische wezens het aanzijn geschonken hadden — waarmede, gelijk terstond duidelijk is, het probleem slechts verschoven en bovendien het ontstaan van de levende schepselen op aarde aan een zuiver toeval toegeschreven wordt. Of ook liet men zich met Haeckel verleiden tot de uitspraak, dat het leven geen verklaring behoeft, wijl het even eeuwig is als stof en kracht en beweging — wat niet meer dan een spelen met woorden verdient te heeten en met eene betuiging van onmacht gelijk staat. Of men keerde met vele jongere natuurvorschers, zooals Bunge, Rindfleisch, Driesch, Ostwald, Reinke, Pictet e.a. tot de eerst smadelijk verworpen levenskracht terug en nam naast een mechanisch ook een organisch, energetisch principe in de wereldbeschouwing op. Omne vivum ex vivo, al het levende 26 komt uit het levende voort, is nog het laatste woord der wetenschap.

En toch weet zij met al de verschijnselen, die het object van deze verschillende wetenschappen uitmaken, geen weg en geen raad. Zij weet niet, wat substantie is, en als zij beweert dat deze slechts stof en kracht is, weet zij niet, wat elk van deze beide 231 is, noch hoe zij verbonden zijn. Ook een man als Haeckel, die voor geen raadsel terugdeinst, moet erkennen, dat het innerlijk wezen der dingen onbekend is. En nog veel minder dan in 't wezen van stof en van kracht, dringt zij tot het binnenste zijn van het leven door. Leven, alle leven, is een geheimenis, dat te eerbiedigen is, maar niet te verklaren. Wie het ontleden wil, doodt het. Alle nasporingen en onderzoekingen hebben nog geen enkelen tip van den sluier opgelicht, die over dit mysterie der schepping hangt. Door de navorschingen, inzonderheid van Pasteur te Parijs, is in 't licht gesteld, dat het leven ook bij de laagste organische wezens, nl. bij de infusoriën niet vanzelf, door mechanische stofwisseling ontstaat; eene generatio aequivoca is er niet. Wanhopend aan eene mechanische verklaring, namen daarom anderen zooals bijv. de Engelsche natuurkundige Thomson (Lord Kelvin) tot de onderstelling de toevlucht, dat levenskiemen door meteoorsteenen van andere planeten op deze aarde gevallen waren en alzoo aan de organische wezens het aanzijn geschonken hadden — waarmede, gelijk terstond duidelijk is, het probleem slechts verschoven en bovendien het ontstaan van de levende schepselen op aarde aan een zuiver toeval toegeschreven wordt. Of ook liet men zich met Haeckel verleiden tot de uitspraak, dat het leven geen verklaring behoeft, wijl het even eeuwig is als stof en kracht en beweging — wat niet meer dan een spelen met woorden verdient te heeten en met eene betuiging van onmacht gelijk staat. Of men keerde met vele jongere natuurvorschers, zooals Bunge, Rindfleisch, Driesch, Ostwald, Reinke, 232 Pictet e.a. tot de eerst smadelijk verworpen levenskracht terug en nam naast een mechanisch ook een organisch, energetisch principe in de wereldbeschouwing op. Omne vivum ex vivo, al het levende komt uit het levende voort, is nog het laatste woord der wetenschap.

And, after all, it does not know what to do with all the phenomena which constitute the object of these several sciences. She does not know what substance is, and when she claims that it is nothing but matter and force, she cannot tell what each of these is, nor how they are related. Such a man as Haeckel, who shrinks from no riddle, was bound to confess that the inner essence of things is unknown. And little as she is able to penetrate the essence of matter and force, she is still less able to analyze the innermost being of life. Life, all life, is a secret which is to be reverenced but not explained. He who analyzes it kills it. All tracings and investigations have not lifted a corner of the veil which hangs across this mystery of creation. By the studies, especially by those of Pasteur at Paris, it has been shown that even with the lowest organic beings, namely, the infusorien, life does not originate of itself by mechanical changes of matter; there is no generatio aequivoca. Despairing of a mechanical interpretation, others, such as the English naturalist Thomson (Lord Kelvin), sought refuge in the supposition that life-germs had fallen in meteor stones from other planets upon this earth and thus had imparted existence to organic creatures; and this, as is seen at once, merely puts the problem off, while, moreover, it ascribes the origin of living creatures in the earth to a pure accident. With Haeckel it was held that life needs no interpretation, since it is equally eternal as matter and force and motion — which is no better than a mere play of words and is equivalent to a confession of weakness. With younger investigators, such as Bunge, Rindfleisch, Driesch, Ostwald, Reinke, Pictet, etc., returns were made to the at first disdainfully rejected life-power and alongside of a mechanical, an organic, energetical principle was also adopted in the world-view. Omne vivum ex vivo, all 859 the living comes forth from the living, is still the latest word of science.

Nog meer wikkelt de nieuwe wereldbeschouwing zich in een net van tegenstrijdigheden, als zij toekomt aan den oorsprong van den mensch. Er wordt wel gezegd en het wordt door de consequentie van het uitgangspunt geëischt, dat de mensch afstamt van het dier. Maar het is nog door geen enkel verschijnsel bewezen. Dat er allerlei verwantschap bestaat tusschen dier en mensch, was ook vroeger bekend, wordt in de Schrift reeds geleerd, en is hoogstens in deze eeuw in vele bijzonderheden aangetoond. Met de dieren werd de mensch op den zesden dag geschapen. Ook zijn lichaam werd gevormd uit het stof; hij is aardsch uit de aarde. Maar al de trekken van verwantschap geven geen recht tot de conclusie, dat mensch en dier tot ééne familie behooren en dat zij elkander in den bloede bestaan. Want grooter dan de onmiskenbare overeenstemming is het diepgaand verschil, dat reeds door verticalen stand, door vorming van hand, schedel en hersenen, en veel meer nog door rede en zelfbewustzijn, door gedachte en taal, door godsdienst en zedelijkheid, door wetenschap en kunst tusschen mensch en dier getrokken wordt. En daarbij is er van de overgangsvormen, die bij gemeenschappelijke afstamming 27 in grooten getale bestaan moesten hebben,nog nooit één enkel exemplaar te voorschijn gekomen. Sommige vondsten van menschenbeenderen en menschenschedels zijn wel aanstonds als overblijfsels van zulke met smachtend verlangen gezochte overgangsvormen vreugdevol begroet. Maar nauwkeuriger onderzoek bracht altijd weer aan het licht, dat al die overblijfselen afkomstig waren van gewone menschen, van menschen met gelijke bewegingen als wij. Trots al de ijverige nasporingen blijft het tot op dezen dag toe bij het woord van Rudolph Virchow, dat elke fossiele type van eene lagere menschelijke ontwikkeling ontbreekt. Door niemand is tot dusver aangetoond, waar en wanneer en hoe de dieren zich tot menschen hebben ontwikkeld. Zoover wij in het verledene terug kunnen gaan, zijn dieren dieren en menschen menschen geweest. De afstammingshypothese van Darwin moge een onmisbare schakel zijn in de keten der ontwikkelingsleer, zij vindt in de feiten geen steun. De mensch heeft altijd gevormd en vormt nog steeds een eigen soort in de wereld der schepselen.

Nog meer wikkelt de nieuwe wereldbeschouwing zich in een net van tegenstrijdigheden, als zij toekomt aan den oorsprong van den mensch. Er wordt wel gezegd en het wordt door de consequentie van het uitgangspunt geëischt, dat de mensch afstamt van het dier. Maar het is nog door geen enkel verschijnsel bewezen. Dat er allerlei verwantschap bestaat tusschen dier en mensch, was ook vroeger bekend, wordt in de Schrift reeds geleerd, en is hoogstens in deze eeuw in vele bijzonderheden aangetoond. Met de dieren werd de mensch op den zesden dag geschapen. Ook zijn lichaam werd gevormd uit het stof; hij is aardsch uit de aarde. Maar al de trekken van verwantschap geven geen recht tot de conclusie, dat mensch en dier tot ééne familie behooren en dat zij elkander in den bloede bestaan. Want grooter dan de onmiskenbare overeenstemming is het diepgaand verschil, dat reeds door verticalen stand, door vorming van hand, schedel en hersenen, en veel meer nog door rede en zelfbewustzijn, door gedachte en taal, door godsdienst en zedelijkheid, door wetenschap en kunst tusschen mensch en dier getrokken wordt. En daarbij is er van de overgangsvormen, die bij gemeenschappelijke afstamming in grooten getale bestaan moesten hebben,nog nooit één enkel exemplaar te voorschijn gekomen. 233 Sommige vondsten van menschenbeenderen en menschenschedels zijn wel aanstonds als overblijfsels van zulke met smachtend verlangen gezochte overgangsvormen vreugdevol begroet. Maar nauwkeuriger onderzoek bracht altijd weer aan het licht, dat al die overblijfselen afkomstig waren van gewone menschen, van menschen met gelijke bewegingen als wij. Trots al de ijverige nasporingen blijft het tot op dezen dag toe bij het woord van Rudolph Virchow, dat elke fossiele type van eene lagere menschelijke ontwikkeling ontbreekt. Door niemand is tot dusver aangetoond, waar en wanneer en hoe de dieren zich tot menschen hebben ontwikkeld. Zoover wij in het verledene terug kunnen gaan, zijn dieren dieren en menschen menschen geweest. De afstammingshypothese van Darwin moge een onmisbare schakel zijn in de keten der ontwikkelingsleer, zij vindt in de feiten geen steun. De mensch heeft altijd gevormd en vormt nog steeds een eigen soort in de wereld der schepselen.

This new world-view involves itself still more in a net of contradictions when it handles the question of the origin of man. It is indeed stated, as the consistency of the starting point claims, that man descended from the animal. But it has not been demonstrated by a single phenomena. It was known in earlier times that all sorts of relationships exist between animal and man, it is taught in the Scriptures, and at most has been indicated in our age in several particulars. With the animals man was created on the sixth day. His body also was formed from the dust; of the earth he is earthy. But all the features of relationship give no right to the conclusion that man and animal belong to one family and that they are blood relations. For greater far than the undeniable points of similarity is the far-reaching difference between man and animal indicated by the vertical position, formation of hand, skull, and brains, and still more by the reason and self-consciousness, by thought and language, by religion and morality, by science and art. Moreover, no single sample has been produced of the transition forms which with a common descent must have existed in great numbers. Some finds of human bones and skulls have been hailed enthusiastically as remnants of the so ardently longed-for transition forms. But a more accurate investigation brought ever again the fact to light that all these remnants were original with common people, men of like movements with ourselves. In spite of all diligent and zealous investigations there is nothing in advance this day of the word of Rudolf Virchow, that every fossial type of a lower human development is wanting. No one has thus far demonstrated where and when and how the animals have developed themselves into men. As far as we can go back into the past, animals have been animals and men men. The descendance theory of Darwin may be an indispensable link in the doctrine of development; it finds no support in facts. Man always has and still does form a distinct species in the world of creatures.

Daarom blijft er ook in de wetenschap nog plaats voor dat wonderschoone verhaal, dat in het eerste hoofdstuk des Bijbels van den oorsprong der dingen ons staat opgeteekend. Ook wij erkennen eene eenheid, die al het geschapene saamhoudt en verbindt. 28 Maar die eenheid ligt voor ons niet in eene koude, doode substantie, doch in den levenden God, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Zij ligt in zijn bewustzijn, in zijn wil, in zijn raad. In den beginne was niet de chaotische stof, de onbewuste kracht, de redelooze drang, maar het bewuste, gesprokene en tevens sprekende Woord, dat alle dingen in het aanzijn riep. Aan geen emanatie uit, aan geen evolutie van het Absolute, dat is van God, hebben de schepselen hun ontstaan te danken. Want beide zijn met het begrip van het Absolute, dat in zichzelf het onveranderlijke, eeuwige, volmaakte zijn is en dus geen uitvloeiing of ontwikkeling toelaat, ten eenenmale in strijd. Alleen creatie, die zoowel met het wezen Gods als met dat der schepselen overeenstemt, verklaart den oorsprong der dingen. En zoo verhaalt het de Schrift. In eene stijgende reeks, over zes dagen verdeeld, brengt de Almachtige door het woord zijner kracht, alle dingen uit de ongeziene wereld der gedachte te voorschijn. Hij spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat. Hij roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren. Hemel en aarde, uitspansel en wolken, bergen en stroomen, zon en maan en sterren, gras en kruid, kruipend en viervoetig gedierte, Hij formeert het alles door den adem zijns Geestes uit den bajert des zijns. En Hij kroont zijn 29 werk met de schepping van den mensch naar zijn gelijkenis en beeld! Alles dus van Goddelijke afkomst, aan den Zoon verwant, door den adem des Geestes bezield; alles berustend op gedachte en wil, op verstand en raad; en daarom ook alles onderling verwant, een wereld, een kosmos, die haar kroon en sieraad, haar heer en gebieder ontvangt in den mensch van Gods geslacht!

Daarom blijft er ook in de wetenschap nog plaats voor dat wonderschoone verhaal, dat in het eerste hoofdstuk des Bijbels van den oorsprong der dingen ons staat opgeteekend. Ook wij erkennen eene eenheid, die al het geschapene saamhoudt en verbindt. Maar die eenheid ligt voor ons niet in eene koude, doode substantie, doch in den levenden God, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Zij ligt in zijn bewustzijn, in zijn wil, in zijn raad. In den beginne was niet de chaotische stof, de onbewuste kracht, de redelooze drang, maar het bewuste, gesprokene en tevens sprekende Woord, dat alle dingen in het aanzijn riep. Aan geen emanatie uit, aan 234 geen evolutie van het Absolute, dat is van God, hebben de schepselen hun ontstaan te danken. Want beide zijn met het begrip van het Absolute, dat in zichzelf het onveranderlijke, eeuwige, volmaakte zijn is en dus geen uitvloeiing of ontwikkeling toelaat, ten eenenmale in strijd. Alleen creatie, die zoowel met het wezen Gods als met dat der schepselen overeenstemt, verklaart den oorsprong der dingen. En zoo verhaalt het de Schrift. In eene stijgende reeks, over zes dagen verdeeld, brengt de Almachtige door het woord zijner kracht, alle dingen uit de ongeziene wereld der gedachte te voorschijn. Hij spreekt en het is, Hij gebiedt en het staat. Hij roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren. Hemel en aarde, uitspansel en wolken, bergen en stroomen, zon en maan en sterren, gras en kruid, kruipend en viervoetig gedierte, Hij formeert het alles door den adem zijns Geestes uit den bajert des zijns. En Hij kroont zijn werk met de schepping van den mensch naar zijn gelijkenis en beeld! Alles dus van Goddelijke afkomst, aan den Zoon verwant, door den adem des Geestes bezield; alles berustend op gedachte en wil, op verstand en raad; en daarom ook alles onderling verwant, een wereld, een kosmos, die haar kroon en sieraad, haar heer en gebieder ontvangt in den mensch van Gods geslacht!

For this reason there is still room in science for the wondrously beautiful narrative which the opening chapters of the 860 Bible contain concerning the origin of things. We, too, acknowledge a unity which holds and binds together all created things. But we do not take this unity to lie in a cold, dead substance, but in the living God, the Almighty, Creator of heaven and earth. It lies in his consciousness, in his will, in his counsel. In the beginning it was not chaotic matter, the unconscious force, the impulse devoid of reason, but the conscious, spoken and at the same time speaking Word, which called all things into being. The creatures do not owe their origin to an emanation from, or to an evolution of the Absolute, that is, God. For both are contradictory to the conception of the Absolute, which is in itself unchangeable, eternal, and perfect being, and admits of no emanation or development. Creation alone, which harmonizes with the being of God as well as with that of the creatures, interprets the origin of things. And thus the Scripture states it. In an ascending series, covering a period of six days, by the word of his power the Almighty brings all things to appear from the unseen world of thought. He spake, and it was done; he commanded, and it stood fast. He calleth those things which be not as though they were. Heaven and earth, firmament and clouds, mountains and streams, sun, moon, and stars, grass and herbs, creeping and fourfooted animals. He forms them all by the breath of his Spirit from the chaos of being. And he crowns his work with the creation of man after his image and likeness. Hence everything is of divine descent, allied to the Son, animated by the breath of the Spirit; everything is resting upon thought and will, upon understanding and counsel; and therefore everything mutually allied is one world, one cosmos, which receives its crown and glory, its lord and master, in Man of God's own family.

Welk een inzicht in den oorsprong der dingen! Wat verheven eenvoud! Hier is poëzie en waarheid en godsdienst één. Dit is natuurwetenschap en wijsbegeerte te zamen. Ervaring en denken, hoofd en hart zijn hier verzoend! Hier is eene beschouwing der wereld, die bewustzijn en geweten beide bevredigt en aan al de aspiratiën des menschen beantwoordt. Van de overzijde moge men ons toevoegen: beter een veredelde aap dan een ontaarde Adam, of: beter het hoogste der dieren dan de laagste der goden; juist dit zeggen verraadt ons den hoogmoed des menschen, die zijn eigen schepper wil zijn en ook in de wetenschap voor de verleiding van de Godegelijkheid bezwijkt. Zij verwerpen niet alleen het Woord Gods en kunnen daarom geen wijsheid hebben. Maar zij dooven ook het licht der rede, zeggende in hun hart: daar is geen God; en zijn verduisterd in hun verstand en verijdeld in de overleggingen van hun hart. 30


II.

Welk een inzicht in den oorsprong der dingen! Wat verheven eenvoud! Hier is poëzie en waarheid en godsdienst één. Dit is natuurwetenschap en wijsbegeerte te zamen. Ervaring en denken, hoofd en hart zijn hier verzoend! Hier is eene beschouwing der wereld, die bewustzijn en geweten beide bevredigt 235 en aan al de aspiratiën des menschen beantwoordt. Van de overzijde moge men ons toevoegen: beter een veredelde aap dan een ontaarde Adam, of: beter het hoogste der dieren dan de laagste der goden; juist dit zeggen verraadt ons den hoogmoed des menschen, die zijn eigen schepper wil zijn en ook in de wetenschap voor de verleiding van de Godegelijkheid bezwijkt. Zij verwerpen niet alleen het Woord Gods en kunnen daarom geen wijsheid hebben. Maar zij dooven ook het licht der rede, zeggende in hun hart: daar is geen God; en zijn verduisterd in hun verstand en verijdeld in de overleggingen van hun hart.


II.

What an insight into the origin of things! What an exalted simplicity! Here is poetry and truth and religion all in one. This is both natural science and philosophy. Experience and thought, head and heart are here reconciled. Here is a view of the world which satisfies both consciousness and conscience and responds to all the aspirations of man. From the other side, it may be said, better be an ennobled ape than a degenerate Adam, or, better be the highest of animals than the 861 lowest of gods; but these very sayings betray the pride of man, who will be his own creator and in science also fails in the temptation of equality with God. They not only reject the Word of God, and are therefore devoid of wisdom, but they also extinguish the light of reason, saying in their heart “There is no God," and are darkened in their understanding and vain in the thoughts of their heart.


II.

Even belangrijk als de eerste vraag naar den oorsprong, is de tweede, die naar het wezen der dingen onderzoek doet. Wat is de wereld, wat is de menschbeid en de enkele mensch, wat ben ik? Ook op die vraag is een antwoord voor de eenheid van ons denken, voor den vrede van ons hart onmisbaar noodzakelijk.

Even belangrijk als de eerste vraag naar den oorsprong, is de tweede, die naar het wezen der dingen onderzoek doet. Wat is de wereld, wat is de menschbeid en de enkele mensch, wat ben ik? Ook op die vraag is een antwoord voor de eenheid van ons denken, voor den vrede van ons hart onmisbaar noodzakelijk.

Equally important as the first inquiry into the origin is the second, which investigates the essence of things. What is the world? What is humanity and the individual? What am I? An answer to these questions is also indispensable to the unity of our thought and the peace of our heart.

De nieuwere wereldbeschouwing is aanstonds met haar antwoord gereed. Zij zegt natuurlijk, dat wezenlijk alle schepselen één en hetzelfde zijn. Er is immers niets dan stof en kracht, die de substantie aller dingen uitmaken en alleen in vormen eindeloos wisselen. Er is geen God, er zijn geen geesten, er is geen hemel, er is geen wereld van onzienlijke dingen, geen rijk van eeuwige goederen, geen zedelijke wereldorde. Daar bestaat niets anders dan deze zienlijke wereld van meet-, en weegbare dingen, die door 31 louter mechanische en chemische krachten voortbewogen wordt. De wereld is in één woord eene machine en loopt als een uurwerk af. Alleen is zij daarin van eene machine, door menschen vervaardigd onderscheiden, dat deze laatste door een redelijken wil in elkaar gezet is en nog voortdurend beheerscht wordt. Maar de wereld is — verwonderlijk om te zeggen! — eene machine, die zichzelve heeft geconstrueerd, die voortdurend zich zelve in beweging houdt, en die volkomen blind en rede- en doelloos eeuwig door- en nimmer afloopt. De wereld is dus geen levende, bezielde organische eenheid, maar een eeuwig eenerlei, een doellooze kringloop, een eindelooze, nuttelooze cirkelgang, eentonig, vermoeiend als het golfgeklots van den oceaan, als het draaiend raderwerk eener fabriek.

De nieuwere wereldbeschouwing is aanstonds met haar antwoord gereed. Zij zegt natuurlijk, dat wezenlijk alle schepselen één en hetzelfde zijn. Er is immers niets dan stof en kracht, die de substantie aller dingen uitmaken en alleen in vormen eindeloos wisselen. Er is geen God, er zijn geen geesten, er is geen hemel, er is geen wereld van onzienlijke dingen, geen rijk van eeuwige goederen, geen zedelijke wereldorde. Daar bestaat niets anders dan deze zienlijke wereld van meet-, en weegbare dingen, die door 236 louter mechanische en chemische krachten voortbewogen wordt. De wereld is in één woord eene machine en loopt als een uurwerk af. Alleen is zij daarin van eene machine, door menschen vervaardigd onderscheiden, dat deze laatste door een redelijken wil in elkaar gezet is en nog voortdurend beheerscht wordt. Maar de wereld is — verwonderlijk om te zeggen! — eene machine, die zichzelve heeft geconstrueerd, die voortdurend zich zelve in beweging houdt, en die volkomen blind en rede- en doelloos eeuwig door- en nimmer afloopt. De wereld is dus geen levende, bezielde organische eenheid, maar een eeuwig eenerlei, een doellooze kringloop, een eindelooze, nuttelooze cirkelgang, eentonig, vermoeiend als het golfgeklots van den oceaan, als het draaiend raderwerk eener fabriek.

The newer world-view is at once ready with its answer. It asserts, of course, that in reality all creatures are one and the same. There is nothing but matter and force, which constitute the substance of all things and only changes in endless series of forms. There is no God, there are no spirits, there is no heaven, there is no world of invisible things, no kingdom of eternal goods, no moral world-order. Nothing exists save this visible world of measurable and ponderable things, which is moved by purely mechanical and chemical forces. In a word, the world is a machine, and, as a clock, runs down. It is distinguished, however, from a machine made by man, in that the latter has been put together by a reasonable will and is still governed by it. But the world — wonderful saying — is a machine which has construed itself, which continuously holds itself in motion, and which, completely blind, without reason and purpose, eternally runs on and never down. Hence the world is no living, animated organic unity, but an eternal existence of one and the same sort, a circular motion devoid of purpose, an endless, useless round upon round, monotonous and wearisome as the wave-beat of the ocean and the flying wheels of a factory.

In dat mechanisme neemt ook het organisme, het levend wezen, neemt ook de mensch zijne plaats in. Want er zijn geen schepselen, die in wezen van elkander verschillen; er zijn geen soorten, die, schoon verwant, van elkander in afkomst gescheiden zijn. Alle levende wezens zijn automaten, machines, evenals de anorganische schepselen, alleen fijner geconstrueerd, kunstmatiger in elkander gezet. Ook de mensch vormt daarop geen uitzondering. Van eene ziel is er bij hem geen sprake, evenmin van vrijheid 32 of verantwoordelijkheid, van zelfstandigheid of persoonlijkheid. Hij leeft eigenlijk niet, hij wordt geleefd. Wel treffen wij bij hem verschijnselen aan, die we met den naam van psychische of zielkundige aanduiden. Maar men moet daarom niet denken, dat deze eigensoortig zijn. Wij zonderen ze slechts tijdelijk om practische redenen, van andere, physische, zinlijk waarneembare verschijnselen af. Doch in aard en natuur komen ze daarmede geheel overeen. Zij zijn slechts de fijnste producten van de rijkst ontwikkelde stofwisseling.

In dat mechanisme neemt ook het organisme, het levend wezen, neemt ook de mensch zijne plaats in. Want er zijn geen schepselen, die in wezen van elkander verschillen; er zijn geen soorten, die, schoon verwant, van elkander in afkomst gescheiden zijn. Alle levende wezens zijn automaten, machines, evenals de anorganische schepselen, alleen fijner geconstrueerd, kunstmatiger in elkander gezet. Ook de mensch vormt daarop geen uitzondering. Van eene ziel is er bij hem geen sprake, evenmin van vrijheid of verantwoordelijkheid, van zelfstandigheid of persoonlijkheid. Hij leeft eigenlijk niet, hij wordt geleefd. Wel treffen wij bij hem verschijnselen aan, die we met den naam van psychische of zielkundige aanduiden. Maar men moet daarom niet denken, dat deze eigensoortig zijn. Wij zonderen ze slechts 237 tijdelijk om practische redenen, van andere, physische, zinlijk waarneembare verschijnselen af. Doch in aard en natuur komen ze daarmede geheel overeen. Zij zijn slechts de fijnste producten van de rijkst ontwikkelde stofwisseling.

The organism, the living being, and man also have their place in this mechanism. For there are no creatures who differ from each other in being; there are no species which, though allied, are separated from each other in 862 origin. All living beings are automatons, machines, even as inorganic creatures, only more finely construed and more artistically constructed. Man also forms no exception. He has neither a soul nor liberty, neither responsibility, independence, nor personality. In fact, he does not live, he is being lived. There are phenomena peculiar to him which we call psychical. But this gives us no warrant to conclude that these are altogether his own. For practical reasons they are only provisionally distinguished from physical, sensually observable phenomena. For in kind and nature they are really the same. They are but the finest products of the richest developed change of matter.

Alleen omdat de mensch fijner is geconstrueerd dan de dieren en dan wederom zijn hoogste, fijnste constructie in de hersens bezit, alleen daarom levert hij fijner en edeler producten dan andere schepselen af. Daarom hebben ook al de psychische verschijnselen, die wij bij de menschen aantreffen, hunne voorbereiding en analogie bij planten en dieren. Verstand, rede, bewustzijn, wil, gevoel, hartstochten, genegenheden, het komt alles in onontwikkelden vorm ook bij de lagere organismen voor. Er is alleen in graad verschil, niet in soort. En bij den mensch worden al deze verschijnselen op dezelfde, mechanische, chemische wijze voortgebracht. Dat en wat een mensch denkt en wil en doet, dat moet hij denken, willen en doen. Zooals de gal zich afscheidt 33 van de lever, zoo scheidt de gedachte zich af van de hersens. Hoe beter, fijner, grooter hersens, hoe beter, dieper, rijker denken. Ohne Phosphor kein Gedanke! In één woord: wat de mensch eet, dat is hij!

Alleen omdat de mensch fijner is geconstrueerd dan de dieren en dan wederom zijn hoogste, fijnste constructie in de hersens bezit, alleen daarom levert hij fijner en edeler producten dan andere schepselen af. Daarom hebben ook al de psychische verschijnselen, die wij bij de menschen aantreffen, hunne voorbereiding en analogie bij planten en dieren. Verstand, rede, bewustzijn, wil, gevoel, hartstochten, genegenheden, het komt alles in onontwikkelden vorm ook bij de lagere organismen voor. Er is alleen in graad verschil, niet in soort. En bij den mensch worden al deze verschijnselen op dezelfde, mechanische, chemische wijze voortgebracht. Dat en wat een mensch denkt en wil en doet, dat moet hij denken, willen en doen. Zooals de gal zich afscheidt van de lever, zoo scheidt de gedachte zich af van de hersens. Hoe beter, fijner, grooter hersens, hoe beter, dieper, rijker denken. Ohne Phosphor kein Gedanke! In één woord: wat de mensch eet, dat is hij!

Simply because man is more finely construed than animals, and again because his highest and noblest construction is the brain, he produces finer and nobler products than other creatures. Hence all the psychical phenomena which we find with man find their preparation and analogy with plants and animals. Understanding, reason, consciousness, will, feeling, passions, tendencies, all occur in an undeveloped form with the lower organisms. The difference is in degree, not in kind. With man all these phenomena are produced in the same mechanical, chemical way. What a man thinks and wills and does, he must think, will, and do. Even as bile separates itself from the liver, so thought separates itself from the brain. The better, the finer, the greater the brain, the better, the deeper, the richer the thought. Ohne Phosphor kein Gedanke (without phosphorus no thought). In a word, as a man eats, so is he.

Deze zelfde verklaring wordt toegepast op alle geestelijke en zedelijke goederen, die der menschheid eigen zijn. Taal, godsdienst, zedelijkheid, kunst, wetenschap, recht, geschiedenis, enz., het is alles in laatster instantie product van stofwisseling, vrucht van omstandigheden. Indien de dieren, zegt Darwin, als menschen waren opgevoed, zouden zij ook menschen zijn. Alleen het toeval of het noodlot, al naar gij het verkiest te noemen, heeft het anders gewild. Eerst levende als beesten, klauterend op de takken der boomen, in gemeenschap van vrouwen, zonder eenig besef van recht of wet, van goed en kwaad, hebben zij toch langzamerhand, door de omstandig heden gedwongen, op de wijze der bijen en mieren en kevers kolonies gevormd. En in die kolonies zijn langzamerhand naast en tegenover de aan den mensch oorspronkelijk eigene dierlijke en zelfzuchtige neigingen ook sociale instincten tot ontwikkeling gekomen, die tegen gene opwogen, ze in balans hielden, en de menschen niet uitsluitend voor zichzelven maar tot op zekere hoogte voor anderen deden 34 leven. Deze sociale instincten, beschermd en aangemoedigd door de maatschappij, hebben dan allengs het besef van recht en onrecht, van goed en kwaad, van waar en onwaar, gekweekt en de behoefte aan kunsten en wetenschappen gewekt. Er is daarom geen zedelijke wereldorde, geen objectief recht, geen onveranderlijke zedewet, geen absoluut onderscheid van goed en kwaad. Dit alles is product van de omstandigheden. Onder andere verhoudingen zou de zedewet eene gansch andere zijn, zou goed kwaad en recht onrecht en waarheid leugen zijn. Zelfs de godsdienst heeft geen objectieve waarde. Hij is alleen geboren uit het conflict van zelfgevoel en noodgevoel. Afhankelijk van en menigmaal machteloos tegenover de natuur, grijpt de mensch, om zichzelf in physischen of in ethischen zin te handhaven, onzichtbare machten aan, die hij in analogie met zijn eigen zieleleven in en straks boven de natuur vermoedt te bestaan en tracht door offer en gebed hunne hulp te verwerven in den strijd. Maar een godsdienst, een dienst van God, is er niet, want er bestaat geen God. Religie bezit hoogstens subjectieve waarde. Alleen de mensch is de maatstaf der dingen.


Deze zelfde verklaring wordt toegepast op alle geestelijke en zedelijke goederen, die der menschheid eigen zijn. Taal, godsdienst, zedelijkheid, kunst, wetenschap, recht, geschiedenis, enz., het is alles in laatster instantie product van stofwisseling, vrucht van omstandigheden. Indien de dieren, zegt Darwin, als menschen waren opgevoed, zouden zij ook menschen 238 zijn. Alleen het toeval of het noodlot, al naar gij het verkiest te noemen, heeft het anders gewild. Eerst levende als beesten, klauterend op de takken der boomen, in gemeenschap van vrouwen, zonder eenig besef van recht of wet, van goed en kwaad, hebben zij toch langzamerhand, door de omstandig heden gedwongen, op de wijze der bijen en mieren en kevers kolonies gevormd. En in die kolonies zijn langzamerhand naast en tegenover de aan den mensch oorspronkelijk eigene dierlijke en zelfzuchtige neigingen ook sociale instincten tot ontwikkeling gekomen, die tegen gene opwogen, ze in balans hielden, en de menschen niet uitsluitend voor zichzelven maar tot op zekere hoogte voor anderen deden leven. Deze sociale instincten, beschermd en aangemoedigd door de maatschappij, hebben dan allengs het besef van recht en onrecht, van goed en kwaad, van waar en onwaar, gekweekt en de behoefte aan kunsten en wetenschappen gewekt. Er is daarom geen zedelijke wereldorde, geen objectief recht, geen onveranderlijke zedewet, geen absoluut onderscheid van goed en kwaad. Dit alles is product van de omstandigheden. Onder andere verhoudingen zou de zedewet eene gansch andere zijn, zou goed kwaad en recht onrecht en waarheid leugen zijn. Zelfs de godsdienst heeft geen objectieve waarde. Hij is alleen geboren uit het conflict van zelfgevoel en noodgevoel. Afhankelijk van en menigmaal machteloos tegenover de natuur, grijpt de mensch, om zichzelf in physischen of in ethischen zin te handhaven, onzichtbare machten aan, die hij in analogie met zijn eigen zieleleven in en straks boven de natuur vermoedt te 239 bestaan en tracht door offer en gebed hunne hulp te verwerven in den strijd. Maar een godsdienst, een dienst van God, is er niet, want er bestaat geen God. Religie bezit hoogstens subjectieve waarde. Alleen de mensch is de maatstaf der dingen.


This same interpretation is applied to all spiritual and moral goods which are common to man. Language, religion, morality, art, science, law, history, etc., at its latest instance, is all product of change of matter, results of circumstances. If animals, says Darwin, were educated as men, they too would be men. Fate or accident alone, whichever you please to call it, has determined it otherwise. First living as beasts, climbing the branches of trees, in communion with women, without any sense of right or law, of good and evil, compelled by circumstances, in the manner of bees and ants and beetles, they have gradually formed colonies. And 863 in those colonies, alongside and over against the animal and selfish inclinations which are originally common to man social instincts have slowly developed, which weighed up against the others, and held them in balance, and caused men to live not exclusively for themselves but to some extent for others. Protected and encouraged by society these social instincts have gradually fostered the sense of right and wrong, of good and evil, of true and false, and quickened the need of arts and sciences. Hence there is no moral world-order, no objective right, no unchangeable law of morals, no absolute distinction of good and bad. It is all the product of circumstances. Under other relations the moral law would be entirely different, good would be evil, right wrong, and truth falsehood. Even religion bas no objective value. It is born from the conflict of the feeling of self and the feeling of need. Dependent upon and oftentimes helpless over against nature, and bound to maintain himself in a physical or ethical sense, man reaches out after invisible powers which he takes to exist analogous to his own spiritual life, first in and afterward above nature, and by sacrifice and prayer he tries to engage their help in the conflict. But there is no religion in the sense of a service of God, for there is no God. At most, religion has a subjective value. Man alone is the standard of things.


*

Zoo denkt zich de nieuwere wereldbeschouwing het wezen der stoffelijke en geestelijke verschijnselen. 35 Bijna zou men vragen: hoe het mogelijk is. En in elk geval: hoe kan men voor zulk eene beschouwing geloof eischen in naam der wetenschap? Want dit is al aanstonds duidelijk, dat er op dit standpunt geen objectief onderscheid bestaat van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waarheid en leugen. Alles is goed en schoon en waar, in zijn tijd, op zijn plaats, naar ieders believen en keus. En toch beweren de aanhangers der nieuwere wereldbeschouwing de waarheid te hebben, de zuivere, de volle waarheid, die de nevelen wegvaagt, de dwaling verdrijft en den gelukstaat opent. Zij meenen eene wereld te hebben, zonder raadsel, zonder mysterie en dringen deze met ongekende stoutmoedigheid aan anderen op. Aan de eene zijde, naar hun beginsel sceptisch, zijn ze in de practijk verstokte dogmatisten, dweepers dikwerf in veel erger mate dan de aanhanoers van eenig godsdienstig geloof. Geen objectieve waarheid erkennend, zijn ze van de waarheid hunner eigen leer toch zekerder dan menig rechtzinnige overtuigd. Reeds door dit enkele feit huldigen zij op een principieel, beslissend punt het recht en de waarde der oude wereldbeschouwing. De zonde is altijd gedoemd, om ondanks zichzelve hulde te brengen aan de deugd, en de leugen is gedwongen, in het gewaad, waarin zij zich hult, eerbied te betuigen aan de waarheid, 36 die zij bestrijdt. Als de voorstanders der nieuwe wereldbeschouwing, in naam van de wetenschap, dat is in naam van de waarheid, geloof voor hun stelsel eischen, dan kunnen zij dat niet anders doen dan met erkenning van het objectieve, van menschelijke opinie onafhankelijke onderscheid van waarheid en leugen en dus ook van goed en kwaad, van recht en onrecht, van schoon en onschoon.

Zoo denkt zich de nieuwere wereldbeschouwing het wezen der stoffelijke en geestelijke verschijnselen. Bijna zou men vragen: hoe het mogelijk is. En in elk geval: hoe kan men voor zulk eene beschouwing geloof eischen in naam der wetenschap? Want dit is al aanstonds duidelijk, dat er op dit standpunt geen objectief onderscheid bestaat van goed en kwaad, van recht en onrecht, van waarheid en leugen. Alles is goed en schoon en waar, in zijn tijd, op zijn plaats, naar ieders believen en keus. En toch beweren de aanhangers der nieuwere wereldbeschouwing de waarheid te hebben, de zuivere, de volle waarheid, die de nevelen wegvaagt, de dwaling verdrijft en den gelukstaat opent. Zij meenen eene wereld te hebben, zonder raadsel, zonder mysterie en dringen deze met ongekende stoutmoedigheid aan anderen op. Aan de eene zijde, naar hun beginsel sceptisch, zijn ze in de practijk verstokte dogmatisten, dweepers dikwerf in veel erger mate dan de aanhanoers van eenig godsdienstig geloof. Geen objectieve waarheid erkennend, zijn ze van de waarheid hunner eigen leer toch zekerder dan menig rechtzinnige overtuigd. Reeds door dit enkele feit huldigen zij op een principieel, beslissend punt het recht en de waarde der oude wereldbeschouwing. De zonde is altijd gedoemd, om ondanks zichzelve hulde te brengen aan de deugd, 240 en de leugen is gedwongen, in het gewaad, waarin zij zich hult, eerbied te betuigen aan de waarheid, die zij bestrijdt. Als de voorstanders der nieuwe wereldbeschouwing, in naam van de wetenschap, dat is in naam van de waarheid, geloof voor hun stelsel eischen, dan kunnen zij dat niet anders doen dan met erkenning van het objectieve, van menschelijke opinie onafhankelijke onderscheid van waarheid en leugen en dus ook van goed en kwaad, van recht en onrecht, van schoon en onschoon.

Such is the thought of the newer world-view concerning the essence of material and spiritual phenomena. One might almost ask, How is it possible? And in any case, How can faith in such a view be claimed in the name of science? For it is at once clear that from this view-point there is no difference of good and evil, of right and wrong, of truth and falsehood. Everything is good and beautiful and true in its time and place, according to the individual faith and choice. And yet the adherents of the newer world-view claim to have the truth — the pure, full truth, which chases away the mists, expels error, and opens the state of happiness. They think they have a world without riddle, without mystery, and with unknown boldness they force it upon others. Skeptical according to their principle, they are on the one side hardened dogmatists in practice, and oftentimes worse fanatics than the 864 adherents of a religious belief. While they do not acknowledge objective truth, they are more certain of the truth of their own teaching than many an orthodox believer. By which single fact they pay homage to the validity and the value of the old world-view at a radical and decisive point. Sin is always doomed in spite of itself to pay homage to virtue, and falsehood in whatever garment it hides itself is compelled to confess respect for the truth which it antagonizes. When in the name of science, that is, in the name of truth, the defenders of the new world-view demand faith in their system, they cannot do otherwise than acknowledge the objective, of human opinion, independent difference of truth and falsehood, and thus also of good and bad, of right and wrong, of the beautiful and the unsightly.

Ja meer nog, als zij met gloed van overtuiging, met kracht van, taal, met sterkte van bewijzen hun waarheid tot het gemeengoed der menschheid willen maken en daardoor willen arbeiden aan den gelukstaat der toekomst, aan het rijk van het ware, goede en schoone, deze „triniteit van het monisme"; dan erkennen zij daarmede eene wereld van onzienlijke goederen, die in waarde de wereld der zichtbare dingen verre te boven gaat en ze beheerscht en regeert. Met hun ernstig denken en hun krachtig willen den natuurdwang trachtende te breken, toonen zij daarmede, zelven burgers van eene hoogere, redelijke en zedelijke wereld te zijn, die boven de mechanische natuurorde verheven is en van haar in wezen verschilt. Zelven berusten zij niet in de physische noodzakelijkheid, maar eeren de zelfstandigheid en vrijheid der menschelijke persoonlijkheid. Zij leveren zelf het krachtigst bewijs, dat zij geen 37 machines, geen dieren zijn, maar menschen, menschen van Gods geslacht en naar zijn beeld geschapen.

Ja meer nog, als zij met gloed van overtuiging, met kracht van, taal, met sterkte van bewijzen hun waarheid tot het gemeengoed der menschheid willen maken en daardoor willen arbeiden aan den gelukstaat der toekomst, aan het rijk van het ware, goede en schoone, deze „triniteit van het monisme"; dan erkennen zij daarmede eene wereld van onzienlijke goederen, die in waarde de wereld der zichtbare dingen verre te boven gaat en ze beheerscht en regeert. Met hun ernstig denken en hun krachtig willen den natuurdwang trachtende te breken, toonen zij daarmede, zelven burgers van eene hoogere, redelijke en zedelijke wereld te zijn, die boven de mechanische natuurorde verheven is en van haar in wezen verschilt. Zelven berusten zij niet in de physische noodzakelijkheid, maar eeren de zelfstandigheid en vrijheid der menschelijke persoonlijkheid. Zij leveren zelf het krachtigst bewijs, dat zij geen machines, geen dieren zijn, maar menschen, menschen van Gods geslacht en naar zijn beeld geschapen.

Yea, more, when with the warmth of conviction, with eloquence of speech, and force of argument they seek to make their truth the common good of humanity and thereby contribute to the state of future happiness, which is the realm of the true, good, and beautiful, the “trinity of monism," they mean a world of unseen goods which far excels the world of visible things and rules and dominates it. By their trying to break the compulsion of nature by their serious thinking and strong will they show that they themselves are citizens of a higher, reasonable, and moral world which is exalted far above the mechanical order of nature and differs from it in essence. They themselves do not rest content with the physical necessity, but they honor the independence and the liberty of human personality. They furnish the strongest proof that they are no machines, no animals, but men — men of God's own generation, created after his image.

Trouwens, dat beeld laat zich nooit ganschelijk uitwisschen. Het werkt na ook in den diepst gezonken en verst afgedwaalden mensch. Het draagt een onverdelgbaar karakter en wreekt zich, tot in de ontroering en de beschuldiging der conscientie toe. De mensch kan de leugen aanhangen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo dat hij ze voor waarheid houdt en alzoo aan de waarheid hulde brengt. Hij kan de zonde dienen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo, dat hij het kwaad voor goed rekent en alzoo aan het goede zijn eerbied betuigt. Hij kan voor een afgod nederknielen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo dat hij in den afgod den waarachtigen levenden God meent te zien en alzoo voor het Eeuwige Wezen nog zijn ontzag en vreeze belijdt. God laat zich aan geen mensch onbetuigd. In ieders bewustzijn en geweten, in aller rede en hart openbaart zich een rijk van eeuwige en onzienlijke goederen, dat voor geen twijfel uit den weg gaat en voor geen stoute ontkenning terugwijkt. De materialist moge zich blind turen op de stoffelijke wereld; geestelijke, ideale goederen zijn ook goederen, al zijn ze niet te meten noch te wegen, en niet om te 38 zetten in een bankbiljet. Zonde, schuld, berouw, angst, wroeging, genade, vrede, liefde, troost, schuldvergiffenis enz., zijn ook verschijnselen, die verklaard moeten worden, even goed als de wereld van ponderabele stof en mechanische kracht.

Trouwens, dat beeld laat zich nooit ganschelijk uitwisschen. Het werkt na ook in den diepst 241 gezonken en verst afgedwaalden mensch. Het draagt een onverdelgbaar karakter en wreekt zich, tot in de ontroering en de beschuldiging der conscientie toe. De mensch kan de leugen aanhangen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo dat hij ze voor waarheid houdt en alzoo aan de waarheid hulde brengt. Hij kan de zonde dienen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo, dat hij het kwaad voor goed rekent en alzoo aan het goede zijn eerbied betuigt. Hij kan voor een afgod nederknielen, maar hij doet het nooit en kan het nooit doen, dan zoo dat hij in den afgod den waarachtigen levenden God meent te zien en alzoo voor het Eeuwige Wezen nog zijn ontzag en vreeze belijdt. God laat zich aan geen mensch onbetuigd. In ieders bewustzijn en geweten, in aller rede en hart openbaart zich een rijk van eeuwige en onzienlijke goederen, dat voor geen twijfel uit den weg gaat en voor geen stoute ontkenning terugwijkt. De materialist moge zich blind turen op de stoffelijke wereld; geestelijke, ideale goederen zijn ook goederen, al zijn ze niet te meten noch te wegen, en niet om te zetten in een bankbiljet. Zonde, schuld, berouw, angst, wroeging, genade, vrede, liefde, troost, schuldvergiffenis enz., zijn ook verschijnselen, die verklaard moeten worden, even goed als de wereld van ponderabele stof en mechanische kracht.

Indeed, this image never allows itself to be entirely wiped out. It operates also in the most deeply sunken and most widely errant man. It bears an indelible character, and asserts itself even in the unrest and in the accusation of the conscience. Man can adhere to falsehood, but he never does it and never can do it save as he holds it to be truth, and thereby pays homage to the truth. He can be the servant of sin, but he never is nor ever can be, except as he reckons evil to be good and so pays his respect to the good. He can kneel down 865 to an idol, but be never does it and he never can do it except as he thinks that in the idol he sees the only true and living God and confesses awe and fear of the Eternal Being. God leaves himself without witness to no man. In each man's consciousness and conscience, reason and heart there reveals itself a kingdom of eternal and unseen goods, which steps not out of the way of any doubt and shrinks from no bold denial. The materialist may gaze himself blind upon the material world; spiritual, ideal goods are also goods, though they cannot be weighed or measured, or converted into bank notes. Sin, guilt, remorse, repentance, grace, love, comfort, forgiveness, etc., are also phenomena which must be interpreted, as well as the world of ponderable material and mechanical force.

Wat de nieuwere wereldbeschouwing ons nu ter verklaring van deze geestelijke, zedelijke verschijnselen biedt, is werkelijk den naam van verklaring niet waard. Of wat dunkt u, mag dat eene verklaring heeten, als de persoonlijkheid van haar vrijheid en zelfstandigheid beroofd; als het objectief bestaan van waar en valsch, van goed en kwaad, van recht en onrecht geloochend; als godsdienst en zedelijkheid in een waan worden opgelost? Wij betwisten het recht niet, om het onmiskenbaar verband, de wederkeerige betrekking der geestelijkcen der stoffelijke verschijnselen zoo ver en zoo diep mogelijk op te sporen. Maar evenmin als wie anatomisch en physiologisch de hersenen onderzoekt, de gedachte; of wie anatomisch en physiologisch het hart onderzoekt, de liefde verklaart; evenmin heeft hij het geheim van godsdienst en zedelijkheid, van kunst en wetenschap ontdekt, die hun verband in het licht stelt met de sociale toestanden van iederen onderscheidenen tijd. Wie dat meent, spot inderdaad met de nooden van het menschelijk hart. Zij doen 39 als de onbarmhartige vriend in Jezus' gelijkenis: als wij hen bidden om brood, zoo geven zij ons een steen; en als wij hen vragen om een visch, zoo bieden ze ons een slang, ten bewijze dat de barmhartigheden der goddeloozen nog wreed zijn. En wie zich voeden wil met deze spijze der wetenschap gaat het, naar Jesaja's woord, gelijk wanneer een hongerige droomt dat hij eet, en als hij ontwaakt, is zijne ziel ledig; of gelijk wanneer een dorstige droomt dat hij drinkt, maar als hij ontwaakt, zoo is hij nog mat en zijne ziel is begeerig.

Wat de nieuwere wereldbeschouwing ons nu ter verklaring van deze geestelijke, zedelijke verschijnselen biedt, is werkelijk den naam van verklaring niet waard. Of wat dunkt u, mag dat eene verklaring heeten, als de persoonlijkheid van haar 242 vrijheid en zelfstandigheid beroofd; als het objectief bestaan van waar en valsch, van goed en kwaad, van recht en onrecht geloochend; als godsdienst en zedelijkheid in een waan worden opgelost? Wij betwisten het recht niet, om het onmiskenbaar verband, de wederkeerige betrekking der geestelijkcen der stoffelijke verschijnselen zoo ver en zoo diep mogelijk op te sporen. Maar evenmin als wie anatomisch en physiologisch de hersenen onderzoekt, de gedachte; of wie anatomisch en physiologisch het hart onderzoekt, de liefde verklaart; evenmin heeft hij het geheim van godsdienst en zedelijkheid, van kunst en wetenschap ontdekt, die hun verband in het licht stelt met de sociale toestanden van iederen onderscheidenen tijd. Wie dat meent, spot inderdaad met de nooden van het menschelijk hart. Zij doen als de onbarmhartige vriend in Jezus' gelijkenis: als wij hen bidden om brood, zoo geven zij ons een steen; en als wij hen vragen om een visch, zoo bieden ze ons een slang, ten bewijze dat de barmhartigheden der goddeloozen nog wreed zijn. En wie zich voeden wil met deze spijze der wetenschap gaat het, naar Jesaja's woord, gelijk wanneer een hongerige droomt dat hij eet, en als hij ontwaakt, is zijne ziel ledig; of gelijk wanneer een dorstige droomt dat hij drinkt, maar als hij ontwaakt, zoo is hij nog mat en zijne ziel is begeerig.

The interpretation which the newer world-view offers of these spiritual and moral phenomena is really not worthy of the name. Confess, can it be called an interpretation when personality is robbed of its liberty; when the objective existence of true and false, of good and evil, of right and wrong is denied; when religion and morality is dissolved in a fancy? We do not dispute the warrant of tracing out as far and deep as possible the unmistakable connection and mutual relation of the spiritual and material phenomena. But as little as he who anatomically and physiologically investigates the brains, interprets the thought, or he who anatomically or physiologically investigates the heart, interprets love, just so little has he discovered the secret of religion and morality, of art and science, who exposes to the light their conjection with the social conditions of any given period of time. Whoever thinks this mocks, indeed, at the needs of the human heart. They do as the unmerciful friends in Jesus's parable: when we ask them for bread they give us a stone; when we ask them for fish they give us a scorpion, as a proof that the mercies of the wicked are still cruel, and he who will feed on this bread of science will, according to Isaiah (xxix, 8), be as a hungry man who dreameth, and, behold, he eateth; but when he awaketh his soul is empty; or as when a thirsty man dreams that he drinks, but when he awakes, behold, he is faint, and his soul hath appetite.

De ontwikkelingstheorie is daarom tot verklaring van den rijkdom en de verscheidenheid der schepping ten eenenmale onbekwaam. Trouwens, zelfs het woord ontwikkeling komt op het standpunt der mechanische wereldverklaring niet te pas. De evolutionisten hebben het zich wel wederrechtelijk toegeëigend en gebruiken het als eene leuze, die hun armoede verbergt, als een vlag, die de lading niet dekt. Maar ontwikkeling staat niet tegenover schepping, doch is alleen op haar grondslag mogelijk, en hoort alleen bij hare belijdenis thuis. Ontwikkeling toch brengt zelve niets voort, zij is geen moeder des zijns of des levens; zij is niets dan een vorm van beweging, die slechts tot openbaring brengen kan, wat innerlijk in de kiem verborgen is. Maar de 40 zoogenaamde ontwikkelingstheorie kent geen kiemen; zij weet van geen aanleg of vermogen, van geen geschikthedén en vatbaarheden. In haar stelsel is er alleen plaats voor atomen en complexen van atomen, die in zichzelve geheel passief zijn en alleen door omstandigheden van buiten op mechanische of chemische wijze saam worden gevoegd. En hierbij is er van ontwikkeling in eigenlijken zin geen sprake. Niemand denkt er aan, om bij eene machine, wier deelen in eene fabriek stuksgewijze vervaardigd en daarna in elkaar zijn gezet, van ontwikkeling te spreken. Voor ontwikkeling wordt dan eerst de gelegenheid geopend, als door almachtige schepping aan wezens het aanzijn wordt geschonken, die in den weg van organischen groei worden moeten, wat zij in kiem en beginsel reeds zijn. Wie ontwikkeling zegt, zegt gedachte, plan, wet, doel; wie ontwikkeling noemt, noemt God, die in de „hyle" den „eidos", in de kiem het volwassen organisme, in het heden de toekomst legde en bij de schepping alle tijden en gelegenheden overzag. Zoo weinig staat dus ontwikkeling tegen schepping over, dat er veeleer geen keuze overblijft dan tusschen schepping met de rijkste ontwikkeling eenerzijds en mechanische verbinding door het toeval van een heirleger van gelijke atomen aan den anderen kant. Ontwikkeling staat tusschen 41 oorsprong en einddoel in; zij leidt onder Gods voorzieniaheid van het eerste tot het laatste heen en brengt tot ontvouwing al den rijkdom des zijns en des levens, waaraan God bij de schepping het aanzijn gaf.

De ontwikkelingstheorie is daarom tot verklaring van den rijkdom en de verscheidenheid der schepping ten eenenmale onbekwaam. Trouwens, zelfs het woord ontwikkeling komt op het standpunt der mechanische wereldverklaring niet te pas. De 243 evolutionisten hebben het zich wel wederrechtelijk toegeëigend en gebruiken het als eene leuze, die hun armoede verbergt, als een vlag, die de lading niet dekt. Maar ontwikkeling staat niet tegenover schepping, doch is alleen op haar grondslag mogelijk, en hoort alleen bij hare belijdenis thuis. Ontwikkeling toch brengt zelve niets voort, zij is geen moeder des zijns of des levens; zij is niets dan een vorm van beweging, die slechts tot openbaring brengen kan, wat innerlijk in de kiem verborgen is. Maar de zoogenaamde ontwikkelingstheorie kent geen kiemen; zij weet van geen aanleg of vermogen, van geen geschikthedén en vatbaarheden. In haar stelsel is er alleen plaats voor atomen en complexen van atomen, die in zichzelve geheel passief zijn en alleen door omstandigheden van buiten op mechanische of chemische wijze saam worden gevoegd. En hierbij is er van ontwikkeling in eigenlijken zin geen sprake. Niemand denkt er aan, om bij eene machine, wier deelen in eene fabriek stuksgewijze vervaardigd en daarna in elkaar zijn gezet, van ontwikkeling te spreken. Voor ontwikkeling wordt dan eerst de gelegenheid geopend, als door almachtige schepping aan wezens het aanzijn wordt geschonken, die in den weg van organischen groei worden moeten, wat zij in kiem en beginsel reeds zijn. Wie ontwikkeling zegt, zegt gedachte, plan, wet, doel; wie ontwikkeling noemt, noemt God, die in de „hyle" den „eidos", in de kiem het volwassen organisme, in het heden de toekomst legde en bij de schepping alle tijden en gelegenheden overzag. Zoo weinig staat dus ontwikkeling tegen schepping over, dat er veeleer geen 244 keuze overblijft dan tusschen schepping met de rijkste ontwikkeling eenerzijds en mechanische verbinding door het toeval van een heirleger van gelijke atomen aan den anderen kant. Ontwikkeling staat tusschen oorsprong en einddoel in; zij leidt onder Gods voorzieniaheid van het eerste tot het laatste heen en brengt tot ontvouwing al den rijkdom des zijns en des levens, waaraan God bij de schepping het aanzijn gaf.

The development theory, therefore, is unable to interpret 866 the richness and variety of creation, Indeed, the word development is not in place at the view-point of the mechanical world-interpretation. Evolutionists have unlawfully appropriated it and use it as a device to hide their poverty, and as a flag which does not cover their cargo. But development does not stand over against creation, but is only possible upon its foundation and belongs to its confession. Development produces nothing of itself, it is not the mother of being or of life; it is only a form of motion, which can only reveal what lies hidden inwardly in the germ. But the so-called development theory has no knowledge of germs; it knows nothing of disposition or capacity, of fitness and susceptibility. In its system there is no room for anything save atoms and complexes of atoms, which are altogether passive in themselves and are collocated only and alone in a mechanical or chemical manner by circumstances from without. This makes no mention of development in its real sense. No one thinks of development with reference to a machine whose parts are prepared in a factory piece by piece and afterward put together. Development is given an opportunity only when by almighty creation existence is given to beings who by way of organic growth must become what in germ and principle they already are. He who speaks of development refers to thought, plan, law, end; he who names development names God, who laid the “eidos" in the “hyle," the completed organism in the germ, the future in the present, and who in the creation had an eye to all times and opportunities. So little does development stand over against creation that there is scarcely any choice left between creation with the richest development on one side and mechanical combination by the accident of a host of similar atoms on the other. Development stands between origin and end; under God's providence it leads from the first to the last and unfolds all the riches of being and of life to which in creation God gave existence.

Als wij daarom tegenover de materialistische eenzijdigheid niet sommige maar alle verschijnselen in ons wereldbeeld opnemen, hoe verandert en verruimt zich dan onze blik op het heelal! Dan is de wereld geen eentonig eenerlei, geen mechanisch proces, geen redelooze machine, maar een organisch, levend geheel. Er is daarin niet alleen stof en kracht, maar ook geest en bewustzijn, rede en wil. Er werken daarin niet alleen mechanische en chemische, maar ook geestelijke en zedelijke krachten. Er heerschen daarin niet alleen wetten voor de stoffelijke natuur, maar ook wetten voor planten en dieren, voor engelen en menschen, voor het maatschappelijk en het staatkundig leven, voor godsdienst en zedelijkheid, voor wetenschap en kunst, voor al de rijken van het ware en goede en schoone. De wereld is eene eenheid; maar die eenheid openbaart zich in de rijkste, schoonste verscheidenheid. Hemel en aarde zijn van den beginne af onderscheiden; zon en maan en sterren ontvingen hun eigene taak; plant en dier en mensch hebben hun eigen natuur. Alles wordt door God geschapen met een eigen aard en bestaat en leeft 42 naar eene eigene wet. En toch, onderscheiden, zijn de schepselen niet gescheiden. Zij vormen samen één geheel, een organisme, een kunstwerk, waarvan God zelf de kunstenaar en de bouwmeester is. In Hem, in zijn raad, in zijn wil vinden alle schepselen hun oorsprong en houden zij alle hun bestand. Alles komt uit Hem voort en alles is en beweegt zich en leeft in Hem. Hij is geen Deus ex machina, geen noodhulp, dien de mensch ten slotte, als hij ten einde raad is, tegen de machtige natuur ten bijstand roept. Maar Hij is de Sprinkader van alle zijn, de Oorsprong van alle leven en licht, de overvloedige Fontein aller goeden, die in de wereld zijne deugden tentoonspreidt en haar met zijne heerlijkheid vervult.

Als wij daarom tegenover de materialistische eenzijdigheid niet sommige maar alle verschijnselen in ons wereldbeeld opnemen, hoe verandert en verruimt zich dan onze blik op het heelal! Dan is de wereld geen eentonig eenerlei, geen mechanisch proces, geen redelooze machine, maar een organisch, levend geheel. Er is daarin niet alleen stof en kracht, maar ook geest en bewustzijn, rede en wil. Er werken daarin niet alleen mechanische en chemische, maar ook geestelijke en zedelijke krachten. Er heerschen daarin niet alleen wetten voor de stoffelijke natuur, maar ook wetten voor planten en dieren, voor engelen en menschen, voor het maatschappelijk en het staatkundig leven, voor godsdienst en zedelijkheid, voor wetenschap en kunst, voor al de rijken van het ware en goede en schoone. De wereld is eene eenheid; maar die eenheid openbaart zich in de rijkste, schoonste verscheidenheid. Hemel en aarde zijn van den beginne af onderscheiden; zon en maan en sterren ontvingen hun eigene taak; plant en dier en mensch hebben hun eigen natuur. Alles wordt door God geschapen met een eigen aard en bestaat en leeft naar eene eigene wet. En toch, onderscheiden, zijn de schepselen niet gescheiden. Zij vormen samen één 245 geheel, een organisme, een kunstwerk, waarvan God zelf de kunstenaar en de bouwmeester is. In Hem, in zijn raad, in zijn wil vinden alle schepselen hun oorsprong en houden zij alle hun bestand. Alles komt uit Hem voort en alles is en beweegt zich en leeft in Hem. Hij is geen Deus ex machina, geen noodhulp, dien de mensch ten slotte, als hij ten einde raad is, tegen de machtige natuur ten bijstand roept. Maar Hij is de Sprinkader van alle zijn, de Oorsprong van alle leven en licht, de overvloedige Fontein aller goeden, die in de wereld zijne deugden tentoonspreidt en haar met zijne heerlijkheid vervult.

When, therefore, in distinction from materialistic onesidedness we embrace not merely a few but all phenomena in our world-view, how greatly does our outlook upon the universe change and enlarge itself. For then the world is no 867 monotonous monism, no mechanical process, no irrational machine, but an organic, living whole. It contains not only matter and force, but also spirit and consciousness, reason and will. No merely mechanical and chemical, but also spiritual and moral powers operate therein, and not only are there dominant in it laws for material nature, but also laws for plants and animals, for angels and men, for social and political life, for religion and morality, for science and art, and for all the realms of the true and good and beautiful. The world is a unity, but that unity reveals itself in the richest and most beautiful variety. From the beginning heaven and earth have been distinguished from each other; sun, moon, and stars were given a task of their own; plant and animal and man have each their proper nature. Everything is created by God with a nature of its own and exists and lives after its own law. And although the creatures are thus distinguished, they are not separated from each other. Together they form one whole, one organism, one art product, of which God himself is the artist and the master builder. In him, in his counsel, in his will all created things find their origin and maintain their existence. Everything comes forth from him and in him everything is and moves and has being. He is no Deus ex machina, no help in extreme need, whom man invokes as a last resort to assist in his conflict with the mighty forces of nature. But he is the source of all being, the origin of all life and light, and the overflowing fountain of all good, who exhibits his virtues in the world and fills it with his glories.

En dan, de nieuwere wereldbeschouwing heeft geen behoefte aan God; zij heeft nog minder behoefte aan Christus. Zij kent geen zonde en zij weet van geen schuld. Zij heeft geen Redder van noode maar zaligt zich zelve. Zij spreekt wel van ontwikkeling en veredeling en beschaving, die het hart onveranderd laten en hoogstens het „wilde dier" in den mensch een tijdlang aan banden leggen. Maar zij weet van geen wedergeboorte en vernieuwing door den H. Geest, van geen geloof, dat rechtvaardigt en de wereld verwint. Zij is de wereldbeschouwing van het Heidendom, dat God kennende, Hem als God niet verheerlijkt 43 en dankt, dat de waarheid Gods in de leugen verandert en het schepsel eert en dient boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. Zij versmaadt de redding van boven en wil van beneden zich zelf opheffen naar omhoog; van eene menschwording Gods wil zij niet weten en stelt er ijdellijk eene Godwording van den mensch voor in de plaats.

En dan, de nieuwere wereldbeschouwing heeft geen behoefte aan God; zij heeft nog minder behoefte aan Christus. Zij kent geen zonde en zij weet van geen schuld. Zij heeft geen Redder van noode maar zaligt zich zelve. Zij spreekt wel van ontwikkeling en veredeling en beschaving, die het hart onveranderd laten en hoogstens het „wilde dier" in den mensch een tijdlang aan banden leggen. Maar zij weet van geen wedergeboorte en vernieuwing door den H. Geest, van geen geloof, dat rechtvaardigt en de wereld verwint. Zij is de wereldbeschouwing van het Heidendom, dat God kennende, Hem als God niet verheerlijkt en dankt, dat de waarheid Gods in de leugen verandert en het schepsel eert en dient boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. Zij versmaadt de redding van boven en wil van beneden zich zelf opheffen naar omhoog; van eene menschwording Gods wil zij niet weten en stelt er ijdellijk eene Godwording van den mensch voor in de plaats.

Again, the newer world-view has no need of God; still less is its need of Christ. It has no knowledge either of sin or of guilt. lt needs no Saviour and saves itself. It makes mention of a development and of a civilization which leaves the heart unchanged and at most puts a check for a time upon the “wild animal" in man. But it knows nothing of a regeneration and renewal by the Holy Ghost, or of a faith that justifies the ungodly and that overcomes the world. It is the worldview of the heathen who, knowing God, does not glorify him as God, and gives thanks that the truth of God changes into falsehood, and honors and serves the creature above the 868 Creator, to whom be glory forever and ever. It disdains the salvation from above and undertakes from the depths to lift up self on high; it will have nothing to do with the incarnation, the becoming of man on the part of God, but replaces it by the reaching forth unto deity on the part of man.

Doch zie, voor ons staat te midden eener wereld van zonden en jammeren, van raadselen en mysteriën op de hoogte van Golgotha het kruis van Christus opgericht. En over dat kruis heen geven God en wereld, geven engelen en menschen, geven volken en natiën, geven alle schepselen elkander de hand, de hand der verzoening en des vredes. In het kruis lossen alle raadselen des zijns en des levens in beginsel zich op. Want daardoor heeft God de wereld met zichzelven verzoend en over alle overheden en machten volkomen getriumfeerd. Alle dingen zijn uit God, maar ze zijn en blijven ook in God en door God, en keeren daarom ook eenmaal uit hunne verstrooiing tot Hem weder. Wat dunkt u, is zulk eene wereldbeschouwing niet waarachtiger, niet schooner, niet rijker dan die, welke in het gansche heelal niets anders dan een toevallig spel van levenlooze atomen aanschouwt? 44


III.

Doch zie, voor ons staat te midden eener wereld 246 van zonden en jammeren, van raadselen en mysteriën op de hoogte van Golgotha het kruis van Christus opgericht. En over dat kruis heen geven God en wereld, geven engelen en menschen, geven volken en natiën, geven alle schepselen elkander de hand, de hand der verzoening en des vredes. In het kruis lossen alle raadselen des zijns en des levens in beginsel zich op. Want daardoor heeft God de wereld met zichzelven verzoend en over alle overheden en machten volkomen getriumfeerd. Alle dingen zijn uit God, maar ze zijn en blijven ook in God en door God, en keeren daarom ook eenmaal uit hunne verstrooiing tot Hem weder. Wat dunkt u, is zulk eene wereldbeschouwing niet waarachtiger, niet schooner, niet rijker dan die, welke in het gansche heelal niets anders dan een toevallig spel van levenlooze atomen aanschouwt?


III.

But behold, amid this world of sin and sorrow, of riddles and mysteries, there stands before us on the heights of Golgotha, the cross of Christ. And at that cross God and the world, angels and men, peoples and nations, yea, all creatures take each other by the hand and exchange the token of reconciliation and of peace. In the cross all the riddles of being and of life solve themselves in principle. For thereby has God reconciled himself to the world, and triumphed gloriously over all principalities and powers. All things are of God, they are and remain in God and by God, and from their scattering they shall once return unto God. Is not this worldview more real, more beautiful and richer than that which views the whole universe as an accidental play of lifeless atoms?


III.

Nog eene derde vraag, niet minder belangrijk dan de beide vorige, blijft ten slotte ter beantwoording over, die naar het doel en de bestemming der dingen. Wat is het einde dezer wereld? Waar loopt de geschiedenis der menschheid op uit? Waar ga ik zelf heen?

Nog eene derde vraag, niet minder belangrijk dan de beide vorige, blijft ten slotte ter beantwoording over, die naar het doel en de bestemming der dingen. Wat is het einde dezer wereld? Waar loopt de geschiedenis der menschheid op uit? Waar ga ik zelf heen?

The third question about the end and aim of things is no less important than the other two. What is the end of the world? What is the issue of the world's history? Whither am I going?

Op dit punt bovenal komt de ongenoegzaamheid en het onbevredigende van de theorie der ontwikkeling uit. Want om terstond en in één woord alles te zeggen: zij kent geen doel; er is bij haar geen sprake van een plan, van een bestemming der dingen; zelfs voor eene geschiedenis van wereld en menschheid is er in haar stelsel geen plaats. 't Is waar, het leven blijkt dikwerf sterker dan de leer en de practijk wint het menigmaal van de theorie. Herhaaldelijk vinden wij in evolutionistische werken toch weer van een doel gesproken. Zoo zegt bijv. Haeckel: 45 de inrichting van oor en oog en hand is zoo wonderbaar doelmatig, dat zij ons tot de dwalende hypothese van een „schepping naar een voorbedacht plan" kon leiden! Maar dit spreken van een doel geschiedt dan òf onbewust, òf zonder grond. Want het stelsel der ontwikkelingsleer biedt geen ruimte voor een plan of een doel. Er heerscht daar niets dan de dwang van het noodlot of de grilligheid van het toeval. Alles is zooals het is, zonder reden, zonder doel. Op de vraag, waartoe dan toch alles gediend heeft, heeft de evolutie-theorie hoegenaamd geen autwoord. Bij die vraag blijft zij verlegen en zwijgende staan.

Op dit punt bovenal komt de ongenoegzaamheid en het onbevredigende van de theorie der ontwikkeling uit. Want om terstond en in één woord alles te zeggen: zij kent geen doel; er is bij haar geen sprake van een plan, van een bestemming der dingen; zelfs voor eene geschiedenis van wereld en menschheid 247 is er in haar stelsel geen plaats. 't Is waar, het leven blijkt dikwerf sterker dan de leer en de practijk wint het menigmaal van de theorie. Herhaaldelijk vinden wij in evolutionistische werken toch weer van een doel gesproken. Zoo zegt bijv. Haeckel: de inrichting van oor en oog en hand is zoo wonderbaar doelmatig, dat zij ons tot de dwalende hypothese van een „schepping naar een voorbedacht plan" kon leiden! Maar dit spreken van een doel geschiedt dan òf onbewust, òf zonder grond. Want het stelsel der ontwikkelingsleer biedt geen ruimte voor een plan of een doel. Er heerscht daar niets dan de dwang van het noodlot of de grilligheid van het toeval. Alles is zooals het is, zonder reden, zonder doel. Op de vraag, waartoe dan toch alles gediend heeft, heeft de evolutie-theorie hoegenaamd geen autwoord. Bij die vraag blijft zij verlegen en zwijgende staan.

At this point the insufficiency and unsatisfactory character of the theory of development is especially evident. In a word, it knows nothing of an end; it has no mention of a plan and of any destiny of things; there is no room in its system for any history of the world and of man. It is true that oftentimes life appears more potent than doctrine and practice frequently gains the day over theory. In the writings of evolutionists we meet repeatedly with the mention of a purpose. Haeckel, for instance, declares that “the construction of ear, eye, and hand answers the purpose so wonderfully as to induce us to accept the errant hypothesis of a “creation after a preconceived plan." But the mention of a purpose occurs in these instances either unconsciously or without ground. The system of the development theory offers no room for a plan or a purpose. Nothing is dominant, then, save 869 the compulsion of fate or the capriciousness of accident. Everything is as it is, without reason and without purpose. The theory of evolution furnishes no answer whatever to the inquiry to what purpose everything serves. On this question it remains silent.

Er is geen doel voor den enkelen mensch. Hij is er, maar waarom en waartoe hij er is, valt niet te zeggen. Hij is er, blijft een tijd en gaat henen. Dan is het uit, la farce est jouée, de dood is het einde van een erbarmelijk leven. Wijl er geen ziel is en geen geest, is onsterfelijkheid dwaasheid, en het geloof daaraan niets dan egoïsme. Het graf, of nog beter de lijkoven, is 's menschen allerlaatste verblijf.

Er is geen doel voor den enkelen mensch. Hij is er, maar waarom en waartoe hij er is, valt niet te zeggen. Hij is er, blijft een tijd en gaat henen. Dan is het uit, la farce est jouée, de dood is het einde van een erbarmelijk leven. Wijl er geen ziel is en geen geest, is onsterfelijkheid dwaasheid, en het geloof daaraan niets dan egoïsme. Het graf, of nog beter de lijkoven, is 's menschen allerlaatste verblijf.

There is no purpose which the individual man serves. He exists, but why and to what end cannot be told. He is, remains here for a time, and departs. Then it is done, la farce est jouée, death is the end of a pitiful life. Since there is neither soul nor spirit, immortality is folly and faith in it nothing but egoism, the grave, or better yet, the cremation oven, is man's latest dwelling place.

Er is ook geen doel voor de menschheid. De geschiedenis toch is geen tooneel der vrijheid, maar zij is even noodzakelijk en evenzeer door mechanische krachten en wetten beheerscht als de physische 46 wereld. Gansch verkeerd is die beoefening der historie, welke met den wil, met de individuen, met de personen rekent en van dezen den gang der geschiedenis afhankelijk acht. En in eere moet komen de natuurwetenschappelijke methode, welke in de maatschappij, in de massa, in de oeconomische verhoudingen, in de sociale toestanden, den eenigen, alles beheerschenden factor der geschiedenis ziet en daaruit de menschen met hun gedachten en wenschen, met hun godsdienst en zedelijkheid, met hun kunst en wetenschap verklaart. Redeloos, planloos, doelloos gaat de menschheid haar ondergang tegemoet.

Er is ook geen doel voor de menschheid. De geschiedenis toch is geen tooneel der vrijheid, maar zij is even noodzakelijk en evenzeer door mechanische krachten en wetten beheerscht als de physische wereld. Gansch verkeerd is die beoefening der 248 historie, welke met den wil, met de individuen, met de personen rekent en van dezen den gang der geschiedenis afhankelijk acht. En in eere moet komen de natuurwetenschappelijke methode, welke in de maatschappij, in de massa, in de oeconomische verhoudingen, in de sociale toestanden, den eenigen, alles beheerschenden factor der geschiedenis ziet en daaruit de menschen met hun gedachten en wenschen, met hun godsdienst en zedelijkheid, met hun kunst en wetenschap verklaart. Redeloos, planloos, doelloos gaat de menschheid haar ondergang tegemoet.

There is no purpose for humanity. History is no theatre of liberty, but is dominated just like the physical world, and with equal necessity, by mechanical forces and laws. The study of history which reckons with the will, with individuals and persons, and deems the course of history dependent upon these is entirely wrong. And homage is due to the method of physics, which views the only and all dominating factor of history in society, in the masses, in economical relations, and in social conditions, and from this interprets men with their thoughts and wishes, their religion and morality, their art and science. Irrational, planless, purposeless humanity goes forward to meet its ruin.

Er is geen doel voor de aarde, voor de tegenwoordige wereld in haar geheel. De wetenschap leert, dat er eens zeker een einde komt aan heel het planetenstelsel, waarvan de aarde een deel uitmaakt. Zooals het eens uit een nevelmassa opkwam, zal het daarin ook weder eenmaal ondergaan. Wel zijn er enkelen, die beweren, dat de tegenwoordige toestand eeuwig zal duren. Maar de natuurkundige wetenschap [weer]spreekt deze bewering ten stelligste en acht ze onhoudbaar. Een oneindige tijd met een oneindigen vooruitgang is ook zoowel voor de aarde als voor het menschelijk geslacht eenvoudig ondenkbaar. Er moet een einde aan komen. Te rekenen met millioenen van jaren, in het verleden of in de 47 toekomst, is kinderspel, ernstige mannen onwaardig, in den grond van dezelfde waarde als de reusachtige getallen der indische mythologie. Alle natuurkundigen leeren dan ook, dat er eenmaal na millioenen van jaren een einde aan deze aarde zal komen. Hoe rijk ook, zij is niet onuitputtelijk: steenkolen, hout, turf, delfstoffen, enz. nemen gaandeweg af en te meer naarmate het menschelijk geslacht toeneemt en de gansche aarde overdekt. Reeds om deze reden kan de ontwikkeling der menschheid niet als eindeloos voortgaande gedacht worden. Maar daar komt bij, dat er langzamerhand eene geweldige storing komen moet in heel ons planetenstelsel. De omdraaiïngssnelheid der aarde neemt, volgens berekening, minstens ééne seconde in de 600.000 jaren af. Dit moge nog zoo weinig zijn; na biljoenen van jaren brengt dit een omkeer in de verhouding van dag en nacht teweeg, die alle leven op aarde onmogelijk maakt. Er is in de natuurwetenschap alleen verschil over, wie van beide het het langst uithouden zal: de zon of de aarde. Indien de zon het eerst haar voorraad van warmte verteert, dan gaat de aarde den dood der verstijving tegemoet. Indien de aarde het eerst is uitgeput, komt ze in de zon terecht en vindt daar haar ondergang. Maar, hetzij door bevriezing, hetzij door verbranding, de dood is voor 48 de wereld evengoed het einde als voor den enkelen mensch en voor heel het menschelijk geslacht.

Er is geen doel voor de aarde, voor de tegenwoordige wereld in haar geheel. De wetenschap leert, dat er eens zeker een einde komt aan heel het planetenstelsel, waarvan de aarde een deel uitmaakt. Zooals het eens uit een nevelmassa opkwam, zal het daarin ook weder eenmaal ondergaan. Wel zijn er enkelen, die beweren, dat de tegenwoordige toestand eeuwig zal duren. Maar de natuurkundige wetenschap [weer]spreekt deze bewering ten stelligste en acht ze onhoudbaar. Een oneindige tijd met een oneindigen vooruitgang is ook zoowel voor de aarde als voor het menschelijk geslacht eenvoudig ondenkbaar. Er moet een einde aan komen. Te rekenen met millioenen van jaren, in het verleden of in de toekomst, is kinderspel, ernstige mannen onwaardig, in den grond van dezelfde waarde als de reusachtige getallen der indische mythologie. Alle natuurkundigen leeren dan ook, dat er eenmaal na millioenen van jaren een einde aan deze aarde zal komen. Hoe rijk ook, zij is niet onuitputtelijk: steenkolen, hout, turf, delfstoffen, enz. nemen gaandeweg af en te 249 meer naarmate het menschelijk geslacht toeneemt en de gansche aarde overdekt. Reeds om deze reden kan de ontwikkeling der menschheid niet als eindeloos voortgaande gedacht worden. Maar daar komt bij, dat er langzamerhand eene geweldige storing komen moet in heel ons planetenstelsel. De omdraaiïngssnelheid der aarde neemt, volgens berekening, minstens ééne seconde in de 600.000 jaren af. Dit moge nog zoo weinig zijn; na biljoenen van jaren brengt dit een omkeer in de verhouding van dag en nacht teweeg, die alle leven op aarde onmogelijk maakt. Er is in de natuurwetenschap alleen verschil over, wie van beide het het langst uithouden zal: de zon of de aarde. Indien de zon het eerst haar voorraad van warmte verteert, dan gaat de aarde den dood der verstijving tegemoet. Indien de aarde het eerst is uitgeput, komt ze in de zon terecht en vindt daar haar ondergang. Maar, hetzij door bevriezing, hetzij door verbranding, de dood is voor de wereld evengoed het einde als voor den enkelen mensch en voor heel het menschelijk geslacht.

There is no purpose for the earth, the present world as a whole. Science teaches that a certain end awaits the whole planetary system of which the earth forms a part. Even as it once proceeded out of the mass of vapors so it shall once return into the same. There are a few who assert that present conditions will continue eternally. But physics disputes this point and deems it untenable. Endless duration together with an endless progress is inconceivable for the earth as well as for man. An end must come. To reckon with millions of years, in the past or in the present, is child's play and unworthy of mature minds, and is at best of no greater value than the gigantic numbers of Indian mythology. All physicists teach that after some millions of years the earth shall come to an end. However rich in provisions, the earth is not inexhaustible, Coal, wood, peat, minerals, etc., decrease gradually in 870 quantity as the human race increases and covers the whole earth. For this reason alone the development of humanity cannot be taken as endlessly progressing. To this is added that gradually a violent disturbance must occur in our whole planetary system. The velocity in the earth's revolution is diminished according to computation by at least one second every six hundred thousand years. This may be ever so little; after billions of years it is bound to bring about a change in the relation of day and night which renders life on earth simply impossible. The only point of difference among physicists is, which of the two will last longest, the sun or the earth. If the sun will be first to consume his provision of warmth, the earth is bound to face death by congealing. If the earth will be the first to be exhausted, it will land in the sun, and finds there its ruin. But whether by freezing or by burning, death is the end of the world as well as of the individual man and of the entire human race.

En als dan aan de voorstanders van de ontwikkelingsleer met het oog op deze toekomst gevraagd wordt: waartoe alles dan toch bestaan en geleefd heeft, hebben zij niets te antwoorden en laten ons verlegen staan. Als het eenmaal, zegt Von Hellwald, zoover gekomen zal zijn, dan zal de eeuwige rust des doods over de aarde heerschen. De aarde zal dan, van haar dampkring en haar levende wezens beroofd, in eeuwige maangelijke verwoesting om de zon wentelen, als te voren; maar het menschelijk geslacht, zijn cultuur, zijn worstelen en streven, zijne scheppingen en idealen zullen geweest zijn. En met de onbeantwoorde vraag: waartoe? eindigt hij zijne geschiedenis der cultuur.

Dat is de eschatologie, de leer der laatste dingen in de dogmatiek der ontwikkelings-theorie. Het spreekt echter wel vanzelf, dat niemand bij zoo droeve verwachting leven kan. De voorstanders der evolutie zeggen wel telkens tot ons, dat het in de wetenschap niet de vraag is: wat troost, maar wat waar is. En zij spotten met de eerste vraag van den Heidelberger: wat is uw eenige troost in leven en sterven? Maar ten slotte kunnen ook zij den troost in het leven niet missen. En omdat in de verre toekomst alles 49 donker en doodsch voor hen is, troosten zij er zich mee, dat het nog lang, nog van jaren duurt, eer het zoover komt. Actueel zijn de boeken en geschriften niet, zeide Prof. Haga in zijne boven reeds aangehaalde rede, waarin de aarde beschreven wordt als alle zonnewarmte missende, en het laatste menschenpaar wordt afgebeeld in koude omarming te sterven. Kinderachtig ware het, zegt Henne am Rhyn, om er over te treuren, dat eens alles geweest zal zijn en dat niemand dan van ons en van ons streven en werken kennis zal nemen. Want wij hebben nog tallooze eeuwen voor ons en het is de moeite wel waard, om voor onze kinderen en kindskinderen nog iets degelijks tot stand te brengen.

En als dan aan de voorstanders van de ontwikkelingsleer met het oog op deze toekomst gevraagd wordt: waartoe alles dan toch bestaan en geleefd heeft, hebben zij niets te antwoorden en laten ons verlegen staan. Als het eenmaal, zegt Von Hellwald, zoover gekomen zal zijn, dan zal de eeuwige rust des doods over de aarde heerschen. De aarde zal dan, van haar dampkring en haar levende wezens beroofd, in eeuwige maangelijke verwoesting om de zon wentelen, als te voren; maar het menschelijk geslacht, zijn cultuur, zijn worstelen en streven, zijne 250 scheppingen en idealen zullen geweest zijn. En met de onbeantwoorde vraag: waartoe? eindigt hij zijne geschiedenis der cultuur.

Dat is de eschatologie, de leer der laatste dingen in de dogmatiek der ontwikkelings-theorie. Het spreekt echter wel vanzelf, dat niemand bij zoo droeve verwachting leven kan. De voorstanders der evolutie zeggen wel telkens tot ons, dat het in de wetenschap niet de vraag is: wat troost, maar wat waar is. En zij spotten met de eerste vraag van den Heidelberger: wat is uw eenige troost in leven en sterven? Maar ten slotte kunnen ook zij den troost in het leven niet missen. En omdat in de verre toekomst alles donker en doodsch voor hen is, troosten zij er zich mee, dat het nog lang, nog van jaren duurt, eer het zoover komt. Actueel zijn de boeken en geschriften niet, zeide Prof. Haga in zijne boven reeds aangehaalde rede, waarin de aarde beschreven wordt als alle zonnewarmte missende, en het laatste menschenpaar wordt afgebeeld in koude omarming te sterven. Kinderachtig ware het, zegt Henne am Rhyn, om er over te treuren, dat eens alles geweest zal zijn en dat niemand dan van ons en van ons streven en werken kennis zal nemen. Want wij hebben nog tallooze eeuwen voor ons en het is de moeite wel waard, om voor onze kinderen en kindskinderen nog iets degelijks tot stand te brengen.

And when in view of this future the defenders of the development theory are asked to what purpose all things here have existed and lived, they have nothing to say and leave us without answer. When once it shall have come thus far, says Von Hellwald, then the eternal rest of death shall dominate over the earth. Robbed of its atmosphere and of its living creatures, in eternal moonlike ruin the earth will revolve about the sun, as before; but the human race, its culture, its struggles and efforts, its creations and ideals shall have been. And with the question “to what purpose " unanswered, he closes his history of culture. This is the eschatology, the doctrine of last things in the dogmatics of the theory of development. It is evident that no one can live by so sad an expectation. The defenders of evolution often say that in science the question is not, What brings comfort? but What is true? And they mock at the first question of the Heidelberger, What is thine only comfort in life and death? But in the end even they cannot afford to go without comfort in life. And since in the far future everything appears deathlike and dark to them, they comfort themselves with the thought that it will take millions of years still before it comes about. The books and writings are not actual, said Professor 871 Haga in his oration referred to above, in which the earth is described as missing all warmth of the sun, and the last human pair is pictured as dying in a cold embrace. It were childish indeed, says Henne am Rhyn, to bemoan the fact that once everything shall have been, and that no one shall then take notice of us and of our efforts and labors. For there are still innumerable centuries before us, and it is worth the pains to establish something substantial for our children and our children's children.

Naarmate de laatste toekomst donkerder en treuriger is, koesteren de evolutionisten te hooger verwachting van de naaste, voor de hand liggende toekomst. Zonder hoop kan de mensch nu eenmaal niet leven. De individu moge te gronde gaan; het menschelijk geslacht eens na millioenen van jaren verbranden of verstijven; in de eerstvolgende eeuwen breekt voor de menschheid eene heerlijke, zalige toekomst aan. Het paradijs in het verleden was een vrucht der verbeelding, in de toekomst zal het volgens de profeten der ontwikkelingsleer eerlang tot tastbare werkelijkheid worden. Een hemel boven de aarde 50 is een vrome doch ijdele droom, maar een hemel op deze aarde is spoedig aanstaande. De ontwikkelings-theorie wordt aan deze verwachting dienstbaar gemaakt. Zie, hoe ver de mensch het reeds gebracht heeft. Hij was een dier, hij werd een mensch, waarom zou hij niet langzamerhand een engel worden! Zijne heerschappij over de aarde breidt zich gaandeweg uit. Alle krachten der natuur worden hem onderworpen. De raadselen der schepping verdwijnen voor zijn onderzoekenden blik. Het leven wordt door zijn uitvindingen en ontdekkingen verrijkt en verheerlijkt. Nog een kleinen tijd, en het paradijs is op aarde gesticht. Uit de nevelen zal de dag eenmaal rijzen.

Naarmate de laatste toekomst donkerder en treuriger is, koesteren de evolutionisten te hooger verwachting van de naaste, voor de hand liggende toekomst. Zonder hoop kan de mensch nu eenmaal niet leven. De individu moge te gronde gaan; het 251 menschelijk geslacht eens na millioenen van jaren verbranden of verstijven; in de eerstvolgende eeuwen breekt voor de menschheid eene heerlijke, zalige toekomst aan. Het paradijs in het verleden was een vrucht der verbeelding, in de toekomst zal het volgens de profeten der ontwikkelingsleer eerlang tot tastbare werkelijkheid worden. Een hemel boven de aarde is een vrome doch ijdele droom, maar een hemel op deze aarde is spoedig aanstaande. De ontwikkelings-theorie wordt aan deze verwachting dienstbaar gemaakt. Zie, hoe ver de mensch het reeds gebracht heeft. Hij was een dier, hij werd een mensch, waarom zou hij niet langzamerhand een engel worden! Zijne heerschappij over de aarde breidt zich gaandeweg uit. Alle krachten der natuur worden hem onderworpen. De raadselen der schepping verdwijnen voor zijn onderzoekenden blik. Het leven wordt door zijn uitvindingen en ontdekkingen verrijkt en verheerlijkt. Nog een kleinen tijd, en het paradijs is op aarde gesticht. Uit de nevelen zal de dag eenmaal rijzen.

As the latest future becomes darker and sadder, the evolutionists foster a proportionately higher expectation of the future near at hand. Man cannot live without hope. The individual may perish; after millions of years the human race may burn up or be frozen; in the near centuries a blessed and glorious future awaits us all. The paradise of the past was a piece of the imagination, according to the prophets of the development theory, in the near future it will be a tangible reality. A heaven above the earth is a pious but idle dream, but a heaven upon earth is near at hand. The development theory is made serviceable to this expectation. Behold, how far man has already advanced. He was an animal; he became a man; why should he not also become an angel? His dominion over the earth is extended ever more broadly. All the forces of nature are becoming subject to him. The riddles of creation disappear before his searching gaze. Life is enriched and glorified by his inventions and discoveries. Still a little while and paradise is instituted in the earth. From the mist the day shall break.

Met schitterende kleuren wordt deze toekomststaat door vele evolutionisten geteekend. Als die dag gekomen zal zijn, dan zal, zegt Haeckel, de dienst van het ware, goede en schoone algemeen zijn, en den ouden godsdienst vervangen. De moderne mensch zal geen kerkgebouw meer van noode hebben. Maar overal, in de vrije natuur, waar hij zijn blik laat weiden in het eindelooze heelal, vindt hij zijne kerk in de natuur zelve. Dan zal, profeteert Nordau, de menschheid geen abstract begrip meer zijn, maar eene werkelijkheid. Gelukkig de later geboren geslachten, wien het bescheiden zal zijn, van de zuivere lucht 51 der toekomst en van haar helderen zonneschijn omspeeld, in dit broederverbond der menschheid te leven, waar, wijs, vrij en goed. En Allard Pierson roept uit: in die toekomst zal de man, die op hoogere beschaving prijs stelt, de vrouw liefhebben als zijne zuster, en de vrouw, die zichzelve eerbiedigt, den man beminnen als haren broeder; en de edelste menschen zullen in waarheid kinderen zijn van een en hetzelfde gezin. De jonge man zal met de jonge vrouw verkeeren, en niets hun geest afleiden van de overpeinzing en behartiging der hoogste aangelegenheden; de onschuld zal weergekeerd zijn!

Met schitterende kleuren wordt deze toekomststaat door vele evolutionisten geteekend. Als die dag gekomen zal zijn, dan zal, zegt Haeckel, de dienst van het ware, goede en schoone algemeen zijn, en den ouden godsdienst vervangen. De moderne mensch zal geen kerkgebouw meer van noode hebben. Maar overal, in de vrije natuur, waar hij zijn blik laat weiden in het eindelooze heelal, vindt hij zijne kerk in de natuur zelve. Dan zal, profeteert Nordau, de menschheid geen abstract begrip meer zijn, maar eene werkelijkheid. Gelukkig de later geboren geslachten, wien het bescheiden zal zijn, van de zuivere lucht 252 der toekomst en van haar helderen zonneschijn omspeeld, in dit broederverbond der menschheid te leven, waar, wijs, vrij en goed. En Allard Pierson roept uit: in die toekomst zal de man, die op hoogere beschaving prijs stelt, de vrouw liefhebben als zijne zuster, en de vrouw, die zichzelve eerbiedigt, den man beminnen als haren broeder; en de edelste menschen zullen in waarheid kinderen zijn van een en hetzelfde gezin. De jonge man zal met de jonge vrouw verkeeren, en niets hun geest afleiden van de overpeinzing en behartiging der hoogste aangelegenheden; de onschuld zal weergekeerd zijn!

With glowing colors this future state is drawn by many evolutionists. When that day shall have come, says Haeckel, the service of the true, good, and beautiful shall be universal, and displace the old religion. Modern man shall have no more need of a church building. In free nature, wherever he looks out upon the boundless universe, he will find his church in nature itself. Nordau prophecies that in that day humanity shall no longer be an abstraction but a reality. Happy shall be the later born generations to whom it is apportioned to be bathed in the pure air and clear sunshine of this future, to live in this fraternity of humanity, 872 and to be true, wise, free, and good. And Allard Pierson proclaims that, in that future the man who prizes the higher civilization shall love woman as his sister, and the woman who respects herself shall love man as her brother, and the noblest of men shall indeed be children of one and the same family. The young man shall company with the young woman, and nothing shall divert their mind from the study and practice of highest interests; innocence shall have been restored.

Zoo droomen en dweepen, nu niet de rechtzinnig geloovigen, maar de voorstanders van de zoogenaamd streng-wetenschappelijke ontwikkelingstheorie. Aan grooter illusiën geven zij zich nog over dan de chiliasten onder de Christenen, die in deze bedeeling een Christusrijk op aarde verwachten. Want wat weet de wetenschap van de toekomst af? Wie verzekert ons, dat de hooge cultuur, door de volken bereikt, zal blijven bestaan en niet in dreigende revolutiën te gronde zal gaan? Waar is de cultuur van Babyloniërs en Assyriërs, van Egyptenaren en Perzen, zelfs van Grieken en Romeinen gebleven? Heeft men niets gehoord van het zwarte, het gele en het roode gevaar, van de sociale omwentelingen, die 52 heel onze beschaving met nivelleering en ondergang dreigen? En wat kan men bouwen op eene ontwikkeling, die in dagen als deze dienstbaar gemaakt wordt aan het recht van den sterkste, aan den triumf van het geweld, aan de verheerlijking van den „Wille zur Macht"?

Doch van deze droombeelden weerlegging genoeg! De Leekedichter heeft met deze dwaze verwachtingen reeds geestig den spot gedreven als hij zong:

Gij weet het groote nieuws, en hoe door 't nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Oekonomen, En andere Oomen,
Na eerlang hier op aard de hemel wordt gesticht!
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
't Duurt nog een groote veertien dagen.

Zoo droomen en dweepen, nu niet de rechtzinnig geloovigen, maar de voorstanders van de zoogenaamd streng-wetenschappelijke ontwikkelingstheorie. Aan grooter illusiën geven zij zich nog over dan de chiliasten onder de Christenen, die in deze bedeeling een Christusrijk op aarde verwachten. Want wat weet de wetenschap van de toekomst af? Wie verzekert ons, dat de hooge cultuur, door de volken bereikt, zal blijven bestaan en niet in dreigende revolutiën te gronde zal gaan? Waar is de cultuur van Babyloniërs en Assyriërs, van Egyptenaren en Perzen, zelfs van Grieken en Romeinen gebleven? Heeft men niets gehoord van het zwarte, het gele en het roode gevaar, van de sociale omwentelingen, die heel onze beschaving met nivelleering en ondergang dreigen? En wat kan men bouwen op eene ontwikkeling, die in dagen als deze dienstbaar gemaakt wordt aan het recht van den sterkste, aan den triumf van het geweld, aan de verheerlijking van den „Wille zur Macht"? 253

Doch van deze droombeelden weerlegging genoeg! De Leekedichter heeft met deze dwaze verwachtingen reeds geestig den spot gedreven als hij zong:

Gij weet het groote nieuws, en hoe door 't nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Oekonomen, En andere Oomen,
Na eerlang hier op aard de hemel wordt gesticht!
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
't Duurt nog een groote veertien dagen.

Thus do the defenders of the so-called strictly scientific development theory dream dreams and picture pictures. They abandon themselves to greater illusions than the Chiliasts among Christians, who look for a kingdom of Christ in this present dispensation. For what can science know of the future? Who assures us that the high culture which the nations have attained unto shall endure and not become trodden down underneath threatening revolutions? Where is the culture of the Babylonians and Assyrians, of the Egyptians and Persians, even the Greeks and Romans? Has nothing been heard of the black, yellow, and red danger, of social revolutions, which threaten our whole civilization with overthrow and ruin? And what can one build upon a development which in days like the present is made serviceable to the strongest, to the triumph of violence, and to the glorification of the “Wille zur Macht"?

En het anarchisme weigert nog langer geduld te hebben en is met de ijdele voorspiegeling eener heerlijke toekomst in de verte niet langer tevreden. De mannen der ongeloovige wetenschap hebben het den Christenen voortdurend verweten, dat zij de armen troosten met de belofte van een zalig leven hiernamaals. De aanklacht daalt thans neer op hun eigen hoofd; zij wordt hun door hun eigen geesteskinderen voor de voeten geworpen. Wat baat het ons, zoo roepen dezen uit, dat onze nakomelingen over duizenden jaren welvaart en voorspoed en vrede zullen smaken, indien wij thans met onze gezinnen omkomen van, honger en gebrek. De orthodoxen 53 trekken een wissel op den hemel, de liberalen op eene nevelachtige toekomst. Beide is even onzeker. Verschaft ons heden ten dage de middelen, om te leven, te eten en vroolijk te zijn! En de bedreigingen nemen toe, dat, indien men dit alles niet goedwillig wil schenken, men het met geweld, met behulp van petroleum en dynamiet, van revolutie en moord, zich zal weten te verwerven. Neen, waarlijk, de gouden eeuw, door zoo velen verwacht en beloofd, is nog niet gekomen. Haar dageraad is zelfs nog niet aan de kimmen te zien. Wachter, wat is er van den nacht?

En het anarchisme weigert nog langer geduld te hebben en is met de ijdele voorspiegeling eener heerlijke toekomst in de verte niet langer tevreden. De mannen der ongeloovige wetenschap hebben het den Christenen voortdurend verweten, dat zij de armen troosten met de belofte van een zalig leven hiernamaals. De aanklacht daalt thans neer op hun eigen hoofd; zij wordt hun door hun eigen geesteskinderen voor de voeten geworpen. Wat baat het ons, zoo roepen dezen uit, dat onze nakomelingen over duizenden jaren welvaart en voorspoed en vrede zullen smaken, indien wij thans met onze gezinnen omkomen van, honger en gebrek. De orthodoxen trekken een wissel op den hemel, de liberalen op eene nevelachtige toekomst. Beide is even onzeker. Verschaft ons heden ten dage de middelen, om te leven, te eten en vroolijk te zijn! En de bedreigingen nemen toe, dat, indien men dit alles niet goedwillig wil schenken, men het met geweld, met behulp van petroleum en dynamiet, van revolutie en moord, zich zal weten te verwerven. Neen, waarlijk, de gouden eeuw, door zoo velen verwacht en beloofd, is nog niet gekomen. Haar dageraad is zelfs nog niet aan de kimmen te zien. Wachter, wat is er van den nacht? 254

Anarchism refuses to practice patience any longer and is no more satisfied with the idle promises of a glorious but distant future. The men of a faithless science have continually reproached the Christians for confronting the comfortless with the promise of a blessed life in the hereafter. Now the complaint comes back upon their own heads; it is cast at their feet by their own spiritual children. What will it benefit us, they say, that thousands of years from now our posterity will taste of peace and plenty and gladness, while in the meantime we and our families must perish of hunger and need? The orthodox take out a draft on heaven, the liberals on a misty future. Both are equally uncertain. Provide us with means this day to live, to eat, and to be merry! And threats are on the increase, that unless this be willingly 873 granted they will obtain the same by violence, with the aid of petroleum and dynamite, of revolution and slaughter. No, truly, the golden age, so eagerly expected by many, has not yet come. Its dawn is not yet seen on the horizon. Watchman, what of the night?

Geen wonder, dat daarom steeds meerderen aan alle verwachting voor de toekomst zich spenen en in doffe wanhoop het pessimisme prediken. Het is louter illusie, zoo zeggen zij, om op betere tijden te hopen. Socialistische gelijkheid is dwaasheid. De menschen zijn altijd een kudde dieren geweest en zullen dat blijven. Slechts enkelen is het gegeven, om ten koste van het leven en het geluk van duizenden aan het schoone zich te wijden, te leven in weelde en pracht en gebruik te maken van het recht van den sterkste. Dat zijn de Uebermenschen, de uitverkorenen, de eenige zaligen, de goden der aarde. Maar de menschen zijn dieren geweest en zullen dat blijven. Daarom, gelijk het met den mensch gaat, 54 zoo gaat het ook met de menschheid. Het kind leeft voor het oogenblik, de jongeling dweept met zijn idealen, de man streeft naar kennis en rijkdom en eer, en dan komt de grijsaard, ziet de ijdelheid van alle streven in en legt levenszat het moede hoofd ter ruste. Zoo doorleeft ook de menschheid haar kindsche, haar jongelings-, haar mannelijke jaren. Daarna wordt zij oud en verliest hare kracht. Aan het einde ziet zij de ijdelheid in van al haar streven en worstelen en jagen. Dan laat zij alle hoop varen, komt tot de ontdekking, dat deze wereld de slechtst mogelijke is en beter nimmer hadde bestaan, en begeert dan niets dan rust en stilte, de rust van den dood, de stilte van het graf, de eeuwige smarteloogheid van het niet!


Geen wonder, dat daarom steeds meerderen aan alle verwachting voor de toekomst zich spenen en in doffe wanhoop het pessimisme prediken. Het is louter illusie, zoo zeggen zij, om op betere tijden te hopen. Socialistische gelijkheid is dwaasheid. De menschen zijn altijd een kudde dieren geweest en zullen dat blijven. Slechts enkelen is het gegeven, om ten koste van het leven en het geluk van duizenden aan het schoone zich te wijden, te leven in weelde en pracht en gebruik te maken van het recht van den sterkste. Dat zijn de Uebermenschen, de uitverkorenen, de eenige zaligen, de goden der aarde. Maar de menschen zijn dieren geweest en zullen dat blijven. Daarom, gelijk het met den mensch gaat, zoo gaat het ook met de menschheid. Het kind leeft voor het oogenblik, de jongeling dweept met zijn idealen, de man streeft naar kennis en rijkdom en eer, en dan komt de grijsaard, ziet de ijdelheid van alle streven in en legt levenszat het moede hoofd ter ruste. Zoo doorleeft ook de menschheid haar kindsche, haar jongelings-, haar mannelijke jaren. Daarna wordt zij oud en verliest hare kracht. Aan het einde ziet zij de ijdelheid in van al haar streven en worstelen en jagen. Dan laat zij alle hoop varen, komt tot de ontdekking, dat deze wereld de slechtst mogelijke is en beter nimmer hadde bestaan, en begeert dan niets dan rust en stilte, de rust van den dood, de stilte van het graf, de eeuwige smarteloogheid van het niet!


No wonder that the increase is ever larger of such as wean themselves of expectation of the future and in gloomy despair preach pessimism. It is simple illusion, they say, to hope for better times. Socialistic equality is folly. To a few only it is given, at the price of the life and happiness of thousands, to devote themselves to the beautiful, to live in wealth and luxury, and to make use of the right of the strongest. They are the Uebermenschen (the overmen), the elect, the only blessed, the gods of the earth. But men have been animals and will remain such. Hence what befalls one man befalls humanity. It passes through its periods of infancy, youth, and years of maturity. After that it be comes aged, loses its strength, and desires nothing save rest and quiet, the rest of death, the silence of the grave, the eternal sorrowlessness of the nothing.


*

Een volslagen bankroet, zedelijk en geestelijk, is het einde der moderne wereldbeschouwing. Het diepzinnig woord van Paulus wordt er in bevestigd, dat wie zonder God en zonder Christus is, ook zonder hope is in de wereld. Wij Christenen hebben echter, Gode zij dank, eene andere hope en eene gegronder verwachting. Wij weten van heerlijker dingen te spreken, wijl God ze ons geopenbaard heeft in zijn Woord. De H. Schrift is een wonder boek; geen ander boek is haar gelijk. Zij begint met den oorsprong aller 55 dingen, met de schepping van hemel en aarde. Zij verhaalt ons van 's menschen geschapen zijn naar Gods beeld, maar ook van zijn ontzettenden val in zonde en dood. Maar dan vangt ze ook aanstonds aan met de beschrijving, hoe God in zijn genade voor een verlorene menschheid bij den Held, uit eene vrouw geboren, hulp en heil heeft besteld. Terwijl zij de Heidenen wandelen laat op hunne eigene wegen, verhaalt zij dan in historie en profetie, in psalm en sprenke de verlossingen, die Hij wrocht voor zijn volk, en al de wondere daden, waarmede Hij heeft voorbereid de komst van zijn Zoon in het vleesch. En als de tijden vervuld zijn, leidt zij ons naar de kribbe heen, plaatst ons aan den voet van het kruis, waar de Christus sterft, dragende onze zonden en verzoenende de wereld met God. Door de Apostelen worden ons daarna de schatten ontsloten van genâ en ontferming, die in dat kruis zijn verborgen. En eindelijk wijst ze ons heen naar een heerlijk verschiet, naar den nieuwen hemel en aarde, waar God bij zijn volk wonen en alles in allen zal zijn.

Een volslagen bankroet, zedelijk en geestelijk, is het einde der moderne wereldbeschouwing. Het 255 diepzinnig woord van Paulus wordt er in bevestigd, dat wie zonder God en zonder Christus is, ook zonder hope is in de wereld. Wij Christenen hebben echter, Gode zij dank, eene andere hope en eene gegronder verwachting. Wij weten van heerlijker dingen te spreken, wijl God ze ons geopenbaard heeft in zijn Woord. De H. Schrift is een wonder boek; geen ander boek is haar gelijk. Zij begint met den oorsprong aller dingen, met de schepping van hemel en aarde. Zij verhaalt ons van 's menschen geschapen zijn naar Gods beeld, maar ook van zijn ontzettenden val in zonde en dood. Maar dan vangt ze ook aanstonds aan met de beschrijving, hoe God in zijn genade voor een verlorene menschheid bij den Held, uit eene vrouw geboren, hulp en heil heeft besteld. Terwijl zij de Heidenen wandelen laat op hunne eigene wegen, verhaalt zij dan in historie en profetie, in psalm en sprenke de verlossingen, die Hij wrocht voor zijn volk, en al de wondere daden, waarmede Hij heeft voorbereid de komst van zijn Zoon in het vleesch. En als de tijden vervuld zijn, leidt zij ons naar de kribbe heen, plaatst ons aan den voet van het kruis, waar de Christus sterft, dragende onze zonden en verzoenende de wereld met God. Door de Apostelen worden ons daarna de schatten ontsloten van genâ en ontferming, die in dat kruis zijn verborgen. En eindelijk wijst ze ons heen naar een heerlijk verschiet, naar den nieuwen hemel en aarde, waar God bij zijn volk wonen en alles in allen zal zijn.

Complete bankruptcy, moral and spiritual, is the end of the modern world-view. It confirms the significant word of Paul, that he who is without God and without Christ is also without hope in the world. We Christians, however, thank God, have another hope, and a better founded expectation. We can talk of more glorious things since God has revealed them unto us in his word. The Holy Bible is a wonderful book. It narrates the creation of man after the divine image, and his terrible fall in sin and death. But at once the description follows of how God in infinite grace has appointed salvation for a lost humanity with the Hero, born of a virgin. While it leaves the heathen to pursue their own ways it relates in history and prophecy, in psalm and proverb the deliverances which he wrought for his people. And finally it leads us to the manger, places us at the foot of the cross, where the Christ dies, bearing our sin and reconciling the world unto God, and in the end point us to a glorious prospect of a new heaven and earth, in which God will dwell with his people and be all in all. 874

Dat is de „ontwikkelingstheorie", dat is de gang der geschiedenis volgens de H. Schrift; dat is haar verwachting voor de toekomst; en dat dus ook de hope en het verlangen der kinderen Gods. Zij koesteren deze hope, zonder eenige vreeze dat de wetenschap 56 haar deze zou kunnen ontnemen, want wat weet de wetenschap van den dag van morgen, en welke dwáze verwachtingen stelt zij voor de hope der Christenen in de plaats! Er is inderdaad geen andere keuze, dan tusschen den ondergang van het bestaande, gelijk de hedendaagsche wetenschap dien leert, en de hope der heerlijkheid der kinderen Gods, gelijk de H. Schrift ons die predikt. En kan dan de keuze een oogenblik twijfelachtig en onzeker zijn? 't Is waar, die toekomst van Christus nadert niet dan door eene geweldige crisis en worsteling heen. Jezus is op aarde gekomen, niet om den vrede, maar om het zwaard te brengen, om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen hare moeder en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. Zij zullen des menschen vijanden zijn, die zijne huisgenooten zijn. Christus is gekomen tot eene opstanding maar ook tot een val voor velen. Zijn woord is een oordeelaar van de gedachten en overleggingen des harten. Dwars door de menschheid heen gaat de scheiding van belijders en bestrijders van Christus.

Maar desniettemin, de toekomst is heerlijk en de hope gewis. In de bedeeling van de volheid der tijden wordt alles bijeenvergaderd in Christus, beide dat in de hemel en dat op aarde is. Het koninkrijk der hemelen, door Jezus op aarde gesticht, het is en 57 het blijft en wordt nimmermeer van de aarde gebannen. Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen die zijne zijn. De poorten der hel zullen zijne gemeente niet overweldigen. Voor de wereld en Satan moge de naaste toekomst zijn, de laatste is zeker voor Christus.

O zeker, indien we van niets wisten dan van immanente zelfontwikkeling, wij hadden voor deze hope geen grond. Langs lijnen van geleidelijkheid is het koninkrijk der hemelen niet eenmaal gekomen en komt het ook in de toekomst niet. Niet van beneden maar van boven verwachten wij de gerechtigheid en het leven, de zaligheid en de heerlijkheid Gods. Maar Christus, die op aarde is nedergedaald, is dezelfde ook, die opgevaren is boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En Hij is daartoe verhoogd, opdat eens alle knie voor Hem zich buigen zou en alle tong belijden, dat Hij de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.


Dat is de „ontwikkelingstheorie", dat is de gang der geschiedenis volgens de H. Schrift; dat is haar verwachting voor de toekomst; en dat dus ook de 256hope en het verlangen der kinderen Gods. Zij koesteren deze hope, zonder eenige vreeze dat de wetenschap haar deze zou kunnen ontnemen, want wat weet de wetenschap van den dag van morgen, en welke dwáze verwachtingen stelt zij voor de hope der Christenen in de plaats! Er is inderdaad geen andere keuze, dan tusschen den ondergang van het bestaande, gelijk de hedendaagsche wetenschap dien leert, en de hope der heerlijkheid der kinderen Gods, gelijk de H. Schrift ons die predikt. En kan dan de keuze een oogenblik twijfelachtig en onzeker zijn? 't Is waar, die toekomst van Christus nadert niet dan door eene geweldige crisis en worsteling heen. Jezus is op aarde gekomen, niet om den vrede, maar om het zwaard te brengen, om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen hare moeder en de schoondochter tegen hare schoonmoeder. Zij zullen des menschen vijanden zijn, die zijne huisgenooten zijn. Christus is gekomen tot eene opstanding maar ook tot een val voor velen. Zijn woord is een oordeelaar van de gedachten en overleggingen des harten. Dwars door de menschheid heen gaat de scheiding van belijders en bestrijders van Christus.

Maar desniettemin, de toekomst is heerlijk en de hope gewis. In de bedeeling van de volheid der tijden wordt alles bijeenvergaderd in Christus, beide dat in de hemel en dat op aarde is. Het koninkrijk der hemelen, door Jezus op aarde gesticht, het is en het blijft en wordt nimmermeer van de aarde gebannen. Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen die zijne zijn. De poorten der hel zullen zijne gemeente niet 257 overweldigen. Voor de wereld en Satan moge de naaste toekomst zijn, de laatste is zeker voor Christus.

O zeker, indien we van niets wisten dan van immanente zelfontwikkeling, wij hadden voor deze hope geen grond. Langs lijnen van geleidelijkheid is het koninkrijk der hemelen niet eenmaal gekomen en komt het ook in de toekomst niet. Niet van beneden maar van boven verwachten wij de gerechtigheid en het leven, de zaligheid en de heerlijkheid Gods. Maar Christus, die op aarde is nedergedaald, is dezelfde ook, die opgevaren is boven alle hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. En Hij is daartoe verhoogd, opdat eens alle knie voor Hem zich buigen zou en alle tong belijden, dat Hij de Heer is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.


This is the development theory, and this the course of history according to the Scriptures; this is its expectation of the future; and this also the hope and desire of the children of God; they foster this hope without any fear that science can deprive them of it, for what can science know of to-morrow? Foolish are the expectations by which science seeks to displace the hope of Christians. There is indeed no other choice save between the ruin of all existing things as taught by present-day science, and the hope of the glory of the children of God, as preached by the Holy Scripture. And can the choice be doubtful? lt is true that this future of the Christ will not be accomplished except by a violent crisis and conflict. Jesus came to the earth, not to bring peace but the sword, and to set a man at variance against his father, and the daughter against her mother, and the daughter-in-law against her mother-in-law. They of a man's own household will be his foes. Nevertheless the future is glorious and the hope certain. The kingdom of heaven, founded by Jesus in the earth, is and abides, and shall nevermore be banished from the earth. The foundation of God stands sure, having this seal: the Lord knoweth them that are his. The gates of hell shall not prevail against his Church. The near future may be the portion of the world and Satan, the later future belongs certainly to Christ. If we had no knowledge except that of an immanent self-development, we would have no ground for this hope. The kingdom of heaven has not once come along the lines of gradual ascent, neither will it come along these lines in the future. Not from beneath but from above do we expect the righteousness and life, the blessedness and glory of God. But Christ who has come down to earth is he who has also ascended above all heavens, that he might fulfill all things. And he is exalted that once every knee to him should bow and every tongue confess that he is Lord, to the glory of God the Father.




a Translated from the Dutch by the Rev. J.Hendrik de Vries, M.A., Pastor of the Second Presbyterian Church, Princeton, N.J., and translator of Dr. Kuyper's Encyclopedia of Sacred Theology, and several other writings.

x
This website is using cookies. Accept