Review of Two Studies in the History of Doctrine
Bavinck, Herman. Review of Two Studies in the History of Doctrine: Augustine and the Pelagian Controversy; The Development of the Doctrine of Infant Salvation, by B. B. Warfield. Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 5 (1898): 287–90.

Two Studies in the History of Doctrine. Augustine and the Pelagian controversy. The development of the doctrine of infant salvation. By Benjamin B. Warfield. New York, The Christian Litterature Company 1897 p. 239.


De bekende Hoogleeraar Warfield te Princeton in Noord-Amerika, heeft onder dezen titel twee belangrijke studiën in het licht gegeven, die ook in Nederland de aandacht verdienen, inzonderheid van Gereformeerde Theologen. De eerste studie handelt over den strijd tusschen Augustinus en Pelagius. Veel nieuws wordt hierover uit den aard der zaak niet aan het licht gebracht, want de Pelagiaansche strijd is in vroeger en later tijd zoo herhaaldelijk en breedvoerig behandeld, dat het moeilijk vallen zou, daarover nog eenig nieuw licht te ontsteken. Maar toch is de studie van Prof. Warfield om vele redenen uitnemend te achten. Hij geeft ons n.l. geen beschrijving van dien belangrijken strijd uit de tweede hand, maar heeft zelf de bronnen geraadpleegd en Augustinus' geschriften, die daarop betrekking hebben, alle nauwkeurig en met zorg gelezen en bestudeerd. De beschrijving is daardoor frisch, levendig, duidelijk; de leer van Pelagius en van Augustinus wordt in helder licht tegenover elkander geplaatst. Maar voorts heeft Prof. Warfield niet zoozeer zich ten doel gesteld, om 288 het uitwendig verloop van den strijd te schetsen, als wel, om het aandeel, dat Augustinus daarin had, breedvoerig te beschrijven. Eerst wordt daarom het eigenlijke geschil tusschen Pelagius en Augustinus op korte, zakelijke, heldere wijze aangegeven, bl. 3-12. Dan wordt kortelijk de uitwendige historie van den strijd medegedeeld, bl. 13-22. En al wat dan volgt, van bl. 23 tot 126 toe, is eene uiteenzetting van wat Augustinus in dezen strijd geweest is en geleverd heeft. Dit geschiedt aan de hand van de talrijke geschriften, die de groote kerkvader in zijn strijd met het Pelagianisme het licht heeft doen zien. Een voor een worden zij geraadpleegd en geëxcerpeerd. Dit deel van Prof. Warfields studie is het voornaamste en belangrijkste. Het is eene inleiding en voorbereiding tot de studie van Augustinus, die elk ter lezing kan aanbevolen worden. En te meer, omdat de studie van Augustinus en van de kerkvaders in het algemeen in onze kringen nog zoo goed als geheel verwaarloosd wordt. Dat moest zoo niet zijn, althans zoo niet blijven. Augustinus is de grootste Christelijke theoloog geweest, de man met het eenvoudigst gemoed en de diepste gedachte, met het rijkste hart en den breedsten blik. Er is geen schrijver, wiens studie meer loont, meer voedsel geeft voor het verstand en meer versterking voor het geloof. Gelijk hij zelf de voorafgaande ontwikkeling van het Christelijk dogma geheel in zich heeft opgenomen, zoo hebben alle volgende groote mannen in Christus' kerk aan zijne voeten gezeten en van zijne lippen woorden der Christeijjke wijsheid geleerd. Prof. Warfield doet dezen Augustinus ons kennen, voorzoover hij in den Pelagiaanschen strijd betrokken was. Hij haalt hem altijd aan in de Engelsche vertaling zijner werken. Daardoor gaat wel iets van de oorspronkelijke 289 schoonheid van Augustinus' taal en gedachte te loor. Maar het maakt deze studie van Prof. Warfleld in wijderen kring leesbaar en genietbaar. Aan het slot bl. 127-139 geeft de Hoogleeraar eene korte samenvatting van „the theology of grace". Deze is het, de theologie der genade, d.i. het evangelie van Christus zelf, hetwelk Augustinus tegen Pelagius verdedigd heeft.

De tweede studie van Prof. Warfield handelt over de zaligheid van kinderen, die, hetzij gedoopt of ongedoopt, in hunne vroege jeugd sterven. De geschiedenis van de verschillende meeningen daarover wordt van het begin af tot dezen tijd toe nagegaan. Er wordt breedvoerig uiteengezet, wat de kerkvaders, de middeleeuwsche theologen, de kerk van Rome, de Lutherschen, de Anglikanen, de Gereformeerden daarover hebben gezegd. Dit is eene leerrijke, dogmenhistorische studie, welke aan onze Nederlandsche Gereformeerde theologie ontbreekt, en daarom ten onzent in eene behoefte voorziet en op onzen dank aanspraak heeft. Aan het slot, bl. 236, herleidt Prof. Wartield alle gevoelens tot drie groepen. Daar zijn er, die de zaligheid van vroegstervende kinderen volstrekt verbinden aan de zichtbare kerk en den doop; gedoopte kinderen worden allen behouden, ongedoopte gaan allen verloren, al is de mate hunner straf ook gering. Anderen zijn van oordeel, dat de zaligheid van alle menschen, ook van kinderen, die in hun jeugd sterven, alleen bepaald wordt door de vrije verkiezing Gods en de genade, die hun wordt geschonken; de gemeenschap aan de zichtbare kerk en den doop zijn dan geen onfeilbaar noch ook een onmisbaar bewijs van de zaligheid dier kinderen, die vroeg in hun jeugd door God uit dit leven worden weggenomen. En eindelijk zijn er, die de zaligheid van alle menschen, 290 ook die van vroegstervende kinderen, laten afhangen van den vrijen wil en van de vrije keuze, welke verschillende meeningen zij dan ook hebben over den oorsprong dier wilsvrijheid en over de wijze, waarop kinderen voor die keuze worden gesteld. De eerste meening, zegt Prof. Warfield daar bl. 237, is die van kerkvaders, middeleeuwsche theologen en van de Roomsche kerk. De tweede is die van de Gereformeerde kerken. De derde is telkens door verschillende personen en richtingen voorgestaan maar in geen kerkelijke belijdenis neergelegd. Prof. Warfield zegt dan aan het einde, dat voorop moet staan, dat ook kinderen leden zijn van een verloren geslacht en dus alleen door Christus kunnen worden behouden. Maar voorts wijst hij er op, dat de leer der verkiezing en der genade bij dit moeilijke vraagpunt het ruimste uitzicht opent en de gegrondste hope biedt. Alleen in de Gereformeerde theologie is de mogelijkheid geopend, zonder schade voor de belijdenis van Christus als den eenigen Naam ter zaligheid aan menschen gegeven, dat ook kinderen, die gedoopt of ongedoopt vroeg sterven, ingaan in de hemelsche vreugde. En dit is volkomen juist. De Schrift biedt geen genoegzame gegevens om de vraag te beslissen; of alle jongstervende kinderen, gedoopt of ongedoopt, verkoren zijn. Maar het is eene heerlijke gedachte, dat de Gereformeerde theologie ook op dit punt de Katholieke theologie bij uitnemendheid is. 291


x
This website is using cookies. Accept