Review of De Nederlandsche Hervormde Kerk van de tegenwoordigen tijd
Bavinck, Herman. Review of De Nederlandsche Hervormde Kerk van de tegenwoordigen tijd, by H. G. Kleyn, trans. P. J. Kromsigt. Tijdschrift voor Gereformeerde Theologie 6 (1899): 197–203.

De Nederlandsche Hervormde kerk van den tegenwoordigen tijd door Dr. H.G. Kleyn, in leven Hoogleeraar te Utrecht. Uit het Hoogd. vertaald door Dr. P. J. Kromsigt, Predikant te Wierden. Sneek, J. Campen 1898. Prijs f 0,50.


197 De Nederlandsche vertaling en uitgave van Prof. Kleyn's artikelen over „Die niederländisch-reformirte Kirche in der Gegenwart" kan ook onzerzijds met vreugde begroet en met dankbaarheid aanvaard worden. Prof. Kleyn was een uitnemend historie-kenner, een man, die zich op ernstige wijze rekenschap trachtte te geven van de verschijnselen en gebeurtenissen, die rondom hem heen op kerkelijk gebied plaats grepen, en bovendien iemand, die de Gereformeerde belijdenis van harte liefhad.

Toch sloeg hij reeds als student aan de Leidsche Universiteit de beweging, die er van Gereformeerde zijde in de Ned. Herv. kerk plaats had, met een critisch oog en uit de verte gade. De bescherming, die hem van hare zijde later ten deel viel, stiet hem eer af dan dat zij hem 198 aantrok. In belijdenis had hij wel veel sympathie voor de Gereformeerden, maar hij was over het algemeen toch te verstandelijk aangelegd, van te nuchteren zin en van eene te critische natuur, om onverdeelde instemming met eenig persoon of met eenige richting te betuigen. Handelen was zijne kracht niet; hij was geen man van wil en van daad.

Daarom zou hij zelfs in 1886 waarschijnlijk nog niet tegen de Gereformeerde beweging zijn opgetreden, indien hij niet van andere zijde krachtig daartoe opgewekt en aangespoord ware. Dat wil in het minst niet zeggen, dat hij in zijne beide geschriften: Feiten of verzinsels 1886 en: Algemeene kerk en plaatselijke Gemeente 1888 tegen zijne overtuiging schreef of door eene partij tegen de „Doleerenden" zich gebruiken liet. Integendeel, hij had zelf eene andere opvatting van Gereformeerde kerk en Gereformeerd kerkrecht, dan in de doleantie toegepast werd. Zelfs was het optreden tegen de doleantie hem welkom, inzoover hij elken band met hare leiders openlijk verbreken kon. Maar toch is het bij Dr. Kleyn ook tot dit „handelen" niet gekomen, dan door aansporing van buiten Toen de redactie van het tijdschrift „Theologische Studiën" hem bij de oprichting tot medewerking uitnoodigde, vraagde hij vooraf, of het ook in de bedoeling lag, „strijd te voeren tegen een der hoofdrichtingen der orthodoxie". Maar des te meer werd zijn optreden gewaardeerd door allen, die de doleantie tegenstonden. Van alle kanten werd hij gelukgewenscht. Zijn naam werd in alle kringen bekend. Weldra werd Kleyn, de man van streng-Gereformeerde beginselen, vurig begeerd en met vreugde opgenomen door de Utrechtsche faculteit der Theologie, „welker leden een meer gematigde, de zoogenaamde „ethische" 199 orthodoxie waren toegedaan". (Cf. Dr. Pijper, over Prof. Kleyn in Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatsch. der Ned. Lett. 1897 bl. 173). Dr. Kleyn dankte zijne bekendheid en zijne benoeming tot Hoogleeraar aan het „strijdvoeren tegen een der hoofdrichtingen der orthodoxie".

Dat neemt niet weg, dat deze benoeming van de zijde der Gereformeerden buiten de Ned. Herv. kerk met blijdschap vernomen werd. Indien God hem gezondheid en leven geschonken had, zou er van zijne besliste overtuiging en van zijne degelijke kennis een uitnemende invloed hebben kunnen uitgaan; nog is zijn korte arbeid als Hoogleeraar voor vele studenten te Utrecht ten zegen geweest. Ook het korte overzicht van de Ned. Herv. kerk in deze eeuw, dat hij in 1891 in een Duitsch tijdschrift plaatste, bevat bewijzen te over voor zijne Gereformeerde overtuiging, zijn degelijke kennis, zijn scherpen blik, zijn critisch verstand.

Hij zegt daarin dingen, die ook van onze zijde op instemming aanspraak hebben. Als hij de verhouding in het licht stelt, die er in de Gereformeerde kerk hier te lande bestond tusschen „plaatselijke gemeente" en „algemeene kerk"; als hij aantoont, dat de goederen naar het vigeerende recht niet kunnen toebehooren aan hen, die de gemeenschap verbreken, als hij de verkeerde meeningen hierover independentistisch noemt, als hij de cesareopapistische kerkregeering van 1816 veeleer een gevolg dan eene oorzaak acht van de abnormale toestanden in de Ned. Herv. kerk enz., dan zijn dit altemaal waarheden, die niet geloochend kunnen worden. En wij hebben den vriend dankbaar te zijn, die ons onze feilen toont.

Maar er staat één ding tegenover: iemand, die thuis blijft zitten, kan heel gemakkelijk aanmerking maken op 200 wie de handen uit den mouw steekt en zee kiest. De beste stuurlui staan aan wal, en wie aan den weg timmert, wordt beoordeeld. De Reformatie der 16e eeuw heeft vele, groote fouten begaan, maar Luther heeft dan toch van het juk der Roomsche kerk ons bevrijd. Niemand wenscht, denk ik, eene regeering in kerk en staat, als die door Calvijn in Genève ingevoerd werd; maar Calvijn is dan toch de redder van het Geref. Protestantisme geweest. De mannen van 1834 en 1886 hebben zich in vele opzichten vergist, maar zij hebben dan toch een groot deel van ons Geref. volk uit de „abnormale toestanden" der Ned.. Herv. kerk verlost en voor verkwijning en wegsterving behoed. Afscheiding en doleantie zijn zelfs voor de Ned. Herv. kerk ten zegen geweest; zij hebben bij velen het christelijk, het gereformeerd, het kerkelijk bewustzijn verlevendigd, den slaap uit de oogen verdreven en nieuwen moed in de aderen uitgestort. Er is eene herleving, eene ontwaking in de Ned. Herv. kerk, die wij dankbaar erkennen en waardeeren. Maar als Dr. Kromsigt in de voorrede vraagt, of deze kerk den indruk maakt van door God verlaten te zijn, of er dus reden is tot moedeloosheid en tot uittreding, dan vergunne hij ons de wedervraag, of de Roomsche kerk na de Reformatie, of zij ook in dezen tijd den indruk maakt van door God verlaten te zijn. Natuurlijk zal hij dan onderscheid maken tusschen de Roomsche, hierarchische kerk, die al meer van de Schrift afwijkt en de vele leden, in wie God nog woont en werkt met zijn Geest. God kan met zijn Geest nog wonen en werken in huizen vol onreinheid en zonde, maar daarom worden deze zelve niet rein. De Geref. geloofsbelijdenis geeft ons dan ook een geheel anderen maatstaf aan de hand, om de zuiverheid eener kerk te beoordeelen, dan de vraag, 201 of God haar verlaten heeft. Wij kunnen niet oordeelen, dan naar het Woord. En daaraan getoetst, zijn dan de „abnormale toestanden" in de Ned. Herv. kerk beter geworden? Kan men als lid der gemeente, als ambtsdrager, in kerkeraad, kerkelijke colleges en vergaderingen thans met meer vrijheid der consciëntie verkeeren dan voor eenige jaren? Is er meer hoop op verbetering van het akademisch onderwijs in Gereformeerden geest? Zijn de verwachtingen gunstiger ten aanzien van de bevoorrechting, die de Overheid schenken zal aan de handhavers tegenover de bestrijders der belijdenis? Is er waarlijk hope, gelijk Dr. Kromsigt zegt, „dat ook van tijdelijke dwaalwegen de kerk in haar geheel straks weer ganschelijk terugkeert en dat ook de gescheidene broeders, die in overhaasting de hun toebetrouwde erve verlieten, weer ijlings, ziende de machtige hand des Heeren, tot haar zullen terug komen"?

Wat mij betreft, ik wenschte, dat Dr. Kromsigt gelijk had en dat zijne hope zoo spoedig mogelijk werd vervuld. Maar al ware dit zoo, is daarmede het lijdelijk dragen en dulden van een toestand, als waarin. de Ned. Herv. kerk verkeert, tot dien tijd toe gerechtvaardigd? Naar Geref. belijdenis niet. Wat Dr. Kleyn te dien aanzien opmerkt, is niet Gereformeerd maar antinomiaansch. Hij beweert, dat de bevrijding der kerk Gods zaak is, en dat de toestand, waarin de Ned. Herv. kerk zich bevindt, als een oordeel Gods gedragen moet worden, bl. 33, 34. Indien Luther en Calvijn zoo hadden geredeneerd, indien de Presbyterianen in Engeland en Schotland naar dien regel hadden gehandeld, ware er nooit eene Reformatie tot stand gekomen. Het is eene door en door ongezonde redeneering, dat stilzitten meer dan handelen Gods werk is; dat 202 passieve tegenstand meer met zijn wil overeenstemt dan actieve; dat actief optreden revolutie is. Revolutie en revolutie zijn twee. De Reformatie der 16e Eeuw was eene geweldige revolutie; zij begon met daden, met het aanplakken der 95 stellingen, met het verbranden van de bul, met het afschaffen der mis enz. Er is een „glorious Revolution", die door geen Gereformeerde veroordeeld wordt.

Mislukt is dan ook de poging van Prof. Kleyn, om de Theologie en het kerkrecht van Dr. Kuyper c.s., uit eene onnederlandsche en ongereformeerde gedachte af teleiden, en daarin dan ook de doleantie te veroordeelen. Het is hem zelf niet helder geworden, waarin dat ongereformeerde en onnederlandsche dan schuilt en waaruit het te verklaren is. Hij spreekt beurtelings van Engelschen invloed, van een volgen van Voetius en Comrie, van independentisme, van een formeel Calvinisme, van eene Roomsche en Anglicaansche kerkidee enz. Ik geloof niet, dat het iemand gelukken zal, om te weten te komen wat Prof. Kleyn nu eigenlijk bedoelde, of ook om zelf te zeggen, wat de principieele, ongereformeerde fout in theologie en kerkrecht der Gereformeerden buiten de Ned. Herv. kerk is. Dr. Kromsigt in de voorrede zoekt de fout daarin, dat de „neo-Gereformeerdheid" van den Engelschen (Amerikaanschen) independentistischen zuurdeesem doortrokken is, en zegt daarom, dat de Gereformeerden in het algemeen moeten terugkeeren tot de oude, zuivere Nederlandsche Gereformeerde bronnen, wat de kwestie der kerk betreft bijv. tot een man als à Brakel. Nu komt het niet in mij op, om aan Brakel te kort te willen doen. Maar het is toch bevreemdend, onder de Nederl. Geref. bronnen een man als Brakel te hooren noemen, die reeds leefde in den tijd 203 van verval, onder pietistischen invloed stond en ook te Rotterdam krachtiger in woorden dan in daden bleek te zijn. Liever ga men dan toch tot den bloeitijd der Gereformeerde kerk en theologie hier te lande terug, d.i. tot de mannen der Dordsche Synode, die niet maar de Gereformeerde belijdenis geloofden, doch het Gereformeerd geloof beleden. Bij hen vindt men niets van dien aard, dat de Gereformeerden in de Ned. Herv. kerk in hun stilzitten sterken of de Gereformeerden buiten haar in hun afscheiding en doleantie veroordeelen kan. Voorshands wachten wij gaarne nader bewijs af voor de stelling van Dr. Kleyn, dat afscheiding en doleantie met de Gereformeerde beginselen in strijd zijn en dat de toestand, waarin de Ned. Herv. kerk zich bevindt, als een oordeel Gods gedragen moet worden. Intusschen zij zijn geschrift ook aan de Gereformeerden buiten de Ned. Herv. kerk van harte aanbevolen; zij kunnen er veel uit leeren, o.a. de zwakheid der zaak, welke Dr. Kleyn voorstaat, als zelfs een man van zijne bekwaamheid geen sterkere argumenten ter verdediging weet bij te brengen.


x
This website is using cookies. Accept