Gereformeerde Theologie
Bavinck, Herman. "Gereformeerde Theologie." De Vrije Kerk 7:11 (november 1881): 497–509.

497 De wetenschap der Godgeleerdheid levert den beoefenaar tegenwoordig al een bont en verward tafereel. De figuur, die zij in den kring der wetenschappen maakt, is in vele opzichten bedroevend; de indruk, dien zij anderen oningewijden geeft, neemt niet zeer voor haar in. Zij is de oudste der wetenschappen; maar zij schijnt de jongste en de minst beoefende te zijn. Zoo weinig weet men, wie zij is en wat zij is. Over haar wezen en object, beginsel en methode heerschen nog de verst uiteenloopende meeningen. En indien men uit haar kring een enkel vak beschouwt, treft ons diezelfde verwarring. 't Sterkst is die wel te zien bij de Dogmatiek. Nog tot op den huidigen dag is men niet tot overeenstemming gekomen omtrent den naam, haar te geven; de stof, die zij te behandelen heeft; de bron, waaruit zij heeft te putten; den maatstaf, waaraan zij alles te toetsen heeft, en de methode, naar welke zij haar stof behandelen zal. En het ziet er nog niet naar uit, dat hierin spoedig gewenschte eenstemmigheid zal komen.

Behalve hen toch, die nog aan het bestaansrecht der Theologie gelooven, zijn er thans velen, die een diepgewortelden afkeer van haar blijven koesteren, niettegenstaande zij haar toch al lang dood hebben verklaard en ter aarde besteld. Indien naar hun oordeel de wetenschap iets uitgemaakt heeft, dan is het wel dit, dat de Theologie en dus bovenal de Dogmatiek geen wetenschap is. Wil de Kerk haar nog aan de hand houden en onderwijzen, dat staat haar vrij; Kerk en Theologie staan 498 toch beiden in miscrediet en zijn aan elkaâr gewaagd. Maar in den kring der universitaire wetenschappen is voor de Theologie als zoodanig geen plaats meer. Het gebied der dingen, dat zij onderzoeken wil, is eene "terra incognita"; wat men er tot dusverre van meende te weten, was niets dan dwaze en hoogmoedige inbeelding, een ijdele waan.

Ja, het is al veel, als men nog toegeeft, dat dat gebied der onzichtbare dingen bestaat en bestaan kan, en alleen de kenbaarheid er van loochent en bestrijdt. Liefst ontkent men ook het bestaan en de mogelijkheid zelfs van dat bestaan. Die wereld der onzichtbare, der eeuwige dingen, waarvan gij spreekt en meent iets te weten — zóó voert men ons tegen — is niets dan eene schepping van uwe verbeelding, een product uwer rijke phantasie, een spiegelbeeld door uwe hersens geworpen in uw bewustzijn. En vrede en zaligheid belooft men ons eerst, als wij dien ganschen waan hebben uitgeschud, en tot de ontdekking komen van de groote waarheid, dat er niets is dan stof. En als men dan daartegenover meenen zou, dat ieder mensch toch door zijn geweten met die onzichtbare wereld in verbinding staat, en daarin met zijne persoonlijkheid zelve wortelt, dan moet ook dat geweten op andere, op "natuurlijke" wijze worden verklaard uit een mengsel en samenstelling van aandoeningen, die producten zijn van de stof en ook bij dieren aanwijsbaar. Inderdaad, het is ontzettend te zien, hoe men alzoo in koelen bloede, met voorbedachten rade het fundament weggraaft, waarop de edelste goederen van den mensch, godsdienst en moraal, kunst en wetenschap rusten, en alleen rusten kunnen.

Het mag echter niet worden ontkend, bij anderen begint de belangstelling in de Theologie te herleven. De vroeger heerschende oppervlakkige onverschilligheid maakt plaats voor meer waardeering en hartelijker ingenomenheid. Buiten 499 Theologie kan de Kerk, kan geen enkel mensch op den duur leven. Eene kritische periode kan nooit anders dan eene voorbijgaande zijn. Velen beginnen het twijfelen, het critiseeren moede te worden. Het vage, het zwevende voldoet niet meer. Men heeft al zoo lang op eigen en anderer onvaste en telkens wisselende meeningen gedreven, dat men smachtend uitziet naar iets, dat weer een vast anker wezen kan voor ons gelooven, denken en handelen.

Nu is het de vraag maar, waar dat vaste te zoeken. Sedert het in het begin dezer Eeuw uitgesproken werd, dat de oude Gereformeerde belijdenis verouderd was en de verdwijning nabij, zijn er in een kort tijdsverloop een drietal theologische richtingen ontstaan, welke op die vraag het antwoord beweerden te kunnen geven.

Eerst de Groninger School. Zij had veel goeds. Onder haar veelvuldige dwalingen lag een kern van waarheid verborgen. Zij vestigde de aandacht weer op den persoon van Jezus Christus, beschouwde Hem niet in de eerste plaats als leeraar, maar als den "Openbaarder" Gods, die in leer en leven ons God deed zien en God deed kennen, en vatte dus het geloof ook weer inniger op, als een vertrouwen op Christus. Maar dieper drong zij ook niet door. Zij bleef als het ware aan den ingang staan. Het heiligdom der waarheid bleef voor haar gesloten. Ze leed aan oppervlakkigheid, achtte openbaren gelijk opvoeden, en beschouwde Jezus als voorbeeld. Zij verviel in dezelfde fouten, die zij had willen vermijden. Zij miste allen historischen zin, verwarde Bijbelsche Theologie en kerkelijke Dogmatiek, had geen principe, geen methode, geen systeem. De verwachting, dat zij het "woord van onzen tijd" zou spreken, bleek spoedig eene illusie te zijn. Doch dat zij haar tijd niet geheel verkeerd begrepen had, blijkt daaruit, dat zij als theologische richting nog bestaat, nog vele 500 aanhangers telt en in het Hervormde kerkgenootschap eene aanzienlijke macht oefent. Toen kwam na eenige jaren de Moderne Theologie, vol moed en kracht. Zij schitterde als een meteoor, maar verdween. Zij kwam, zag en ging heen. Haar ontwikkeling was zelfontbinding; haar leven was begin van haar sterven. In roerende taal is dit dikwerf door haar woordvoerders zelf erkend. Zij heeft de pretentie, als gave zij de oplossing der raadselen, al lang prijsgegeven, daarin de Groninger richting vooruit, die nog altijd met die bewering weer optreedt.

Naast en tegenover beiden verhief zich allengs de dusgenaamde Ethisch-Irenische Richting. Zij is van de drie de minst begrepene. Men ontsloeg zich van de moeite om haar te leeren kennen, door zich te verschuilen achter de onbegrijpelijkheid en onduidelijkheid harer woordvoerders, die echter ver overtroffen wordt door de onduidelijkheid, waarmeê de tegenstanders over haar schrijven en oordeelen. Men neme tot proeve slechts de "Proeve eener Pragmatische Geschiedenis der Theologie in Nederland van 1787 tot 1858 door Christiaan Sepp" in handen, en leze wat daar, bladzijde 375 — 384 van den derden druk over de Ethisch-Irenische richting gezegd wordt. Het zal moeielijk zijn, uit die beschrijving zich een zuiver beeld te vormen van het beginsel en de bedoeling der Ethische Theologie. Hoe meer men over de Ethische richting leest, hoe onduidelijker en nevelachtiger gestalte men van haar krijgt.

Ik wil trachten, haar wezen en beginsel eenigermate in 't licht te stellen. Natuurlijk is mijne bedoeling hier niet, om dat beginsel in zijn oorsprong, in zijne verwantschap aan dat van Schleiermacher en Rothe, na te gaan. Evenmin om het in zijne toepassing op de verschillende deelen der Theologie te vervolgen. Daarmee zou ik de lezers al te zeer vermoeien en het doel en de grens van dit tijdschrift ook te buiten gaan. Alleen wil ik met eenige woorden de gedachtenlijn aanwijzen, waarin de 501 Ethische richtinq zich beweegt, en anderen opwekken tot bestudeering van de diepgaande kwestie, welke zij heeft willen oplossen.

Want de Ethisch-Irenische richting is eene van de vele pogingen, om het probleem van verstand en hart, geloof en wetenschap, Kerk en Theologie zijne oplossing nader te brengen.

Daniel Chantepie de la Saussaye 1, in 't jaar 1818 te 's Gravenhage geboren, afstammend uit het geslacht der refugiés, studeerde tot predikant te Leiden. Door Prof. van Oordt werd bij aldaar bekend met de theologie der Groninger school, met wier dogmatische opvattingen en historische beschouwingen hij zich echter nooit kon vereenigen. In 1842 werd hij predikant bij de Waalsche gemeente te Leeuwarden tot 1848, toen hij naar Leiden ging. In 1849 trad hij het eerst als schrijver op, en nam sedert een levendig aandeel in den theologischen strijd hier te lande. Het Tijdschrift Ernst en Vrede (1853-1858), Bijbelstudiën, een twaalftal Voorlezingen, verscheidene Leerredenen, en de Protestantsche Bijdragen (1870-1873) werden allengs door hem in 't licht gezonden. Al wat hij schreef, getuigt van diepgaande en tegelijk veel omvattende studie. In 1862 werd de la Saussaye predikant te Rotterdam. De theologische faculteit te Bonn benoemde hem tot Doctor honoris causa. In 1872 werd hem een theologische catheder te Groningen aangeboden, dien hij echter slechts kort bekleedde; hij stierf reeds in Febr. 1874, door velen diep betreurd.

Deze man was hier te lande de vader der Ethische richting, en is tot dusver ook na zijn dood nog de eerste en voornaamste woordvoerder en verdediger gebleven. Om te begrijpen, hoe de la Saussaye tot de ethische opvatting kwam van het bovengenoemde probleem van Geloof en Wetenschap, komt drieërlei in aanmerking. Ik refereer hier slechts, zonder kritiek. 502

Allereerst het oude Supranaturalisme. Dit beschouwde de openbaring als leer, alleen op uitwendig gezag aan te nemen. Er was in den mensch geen orgaan, om de waarheid te onderkennen. Onbegrepen, moest zij alleen op uitwendig gezag worden geloofd, en in het verstand worden opgenomen.

Ten tweede, het opkomend Naturalisme of Empirisme, dat op theologisch gebied toegepast, de theologie vernietigt. De kritiek reinigt niet maar doodt haar object en komt enkel tot negatieve resultaten.

Met geen van beiden kon de la Saussaye zich vereenigen. Het supranaturalisme miskende de rechten der wetenschap, der theologie; het empirisme die des geloofs, der Kerk. Het supranaturalisme loochende de verwantschap des menschen aan het geopenbaarde; het empirisme loochende de verwantschap van het geopenbaarde aan den mensch. Het supranaturalisme doodt het menschelijke; het empirisme bant het goddelijke. Het supranaturalisme laat de menschelijke natuur van Christus, het empirisme laat zijn goddelijke natuur niet tot haar recht komen. Beiden doen aan Christus te kort.

Afgestooten door deze beide eenzijdige richtingen, werd de la Saussaye nu in sterke mate aangetrokken door die denkwijze, welke in Duitschland door Schleiermacher ingevoerd, door de zoogenaamde "Vermittlungstheologen" in meer conservatieve richting toegepast werd, en ook in Zwitserland geheel zelfstandig en oorspronkelijk gehuldigd werd door Vinet. In hoever de la Saussaye van deze richting den invloed ondervond en daartegenover zijne zelfstandigheid bewaarde en aan het Gereformeerde karakter zijner kerk en belijdenis getrouw bleef, ga ik hier niet breeder aanwijzen. Genoeg, dat de la Saussaye dien invloed ondervond en dit zelf gaarne erkende.

In beiden, Supranaturalisme en Naturalisme ontdekte hij waarheid, maar ook eenzijdigheid. De waarheidselementen uit beiden 503 wilde hij vereenigen; geloof en wetenschap, Kerk en Theologie verzoenen. Die vereeniging, die verzoening vond hij in het ethische. Het ethische is bovennatuurlijk en natuurlijk tegelijk, goddelijk en tevens menschelijk, de eenheid van beiden; het is het eene wijl het het andere is.

Die gedachte bepaalde nu het wezen en de richting der Theologie. De Ethische richting stelde zich ten doel, om op het voetspoor van Rothe het Christendom en de Kerk uit de uitsluitend godsdienstige sfeer over te brengen in de zekelijke, om de metaphysische waarheden te transformeeren in de zedelijke, om m.a.w. den steun van het dogma te zoeken in het geweten. Het metaphysische, goddelijke, bovennatuurlijke, geopenbaarde moet van zijne zedelijke zijde worden opgevat; het transcendente als immanent erkend en gekend worden.

Ja, nog sterker wordt dat ethische karakter van de geopenbaarde waarheden uitgesproken. Het metaphysische heeft niet maar eene ethische zijde, openbaart niet maar eene ethische kracht, neen het is zelf ethisch in zijn wezen; zonder dat ware het metaphysische eenvoudig ledig, zonder inhoud, een bloote vorm; het wezen van het geopenbaarde, van het dogma, van de Kerk, van de theologie is zelf door en door ethisch. Vandaar is het, dat de Ethische richting zoo dikwerf bij monde van hare woordvoerders verklaart, dat zij niet eene richting, eene partij naast andere is, maar de eigenlijk Christelijke, in allen en alles aanwezig, voorzoover dat Christelijk is. 2

Het beginsel, het wezen van Kerk en Theologie beiden, van geheel het Christendom, is dus ethisch. Maar wat is dat 504 nu, wat is de maatstaf, de toetssteen van wat ethisch is? De Ethische richting antwoordt: Zulk een maatstaf is er, en is in het bezit van den mensch. De mensch heeft een orgaan, om de waarheid te erkennen, om te onderscheiden, wat al of niet geopenbaard is.

Indien men dat zou willen ontkennen, vervalt men of tot scepticisme of tot Roomsch-katholicisme (blind autoriteitsgeloof.) Maar dat orgaan is niet, gelijk het Rationalisme beweert, het verstand, dat alleen ordent, schift, constateert en classificeert. Dat is ook niet het gevoel, gelijk het Mysticisme meent. Maar dat orgaan is de mensch zelf in zijn wezen, is het geweten. Dat geweten is de wortel van 's menschen persoonlijkheid, het zelfbewustzijn in zijn onafscheidelijk verband met het Godsbewustzijn, de mensch zelf, zooals hij behoort tot eene andere dan deze vergankelijke wereld, het vermogen dus der eeuwige, metaphysische waarheden, met de ingeschapen categoriën van goed en kwaad, eeuwig en tijdelijk; waar en onwaar, werkelijkheid en schijn. Het geweten is het bovennatuurlijke, natuurlijk geworden. Daardoor is de mensch aan het bovennatuurlijke verwant. Al het geopenbaarde moet dus getoetst worden, niet aan iets, waaraan het vreemd is, (verstand, gevoel) maar aan iets, waarmee het verwant is. Het bovennatuurlijke in den mensch is toetssteen van het bovennatuurlijke buiten den mensch. Het geweten is kort en bondig "le critère de la vérité" 3. Ethisch is dus, wat overeenstemt met, beantwoordt aan de eischen, behoeften, aspiratiën van het geweten.

Maar nu rijst eene nog moeielijker vraag. Het geweten is criterium, maar welk geweten en van wien? Het geweten van ieder mensch hoofd voor hoofd? Maar het geweten verschilt hemelsbreed bij den een en den ander. De inhoud van het geweten wordt toch, althans grootendeels, van buiten af 505 opgenomen uit opvoeding, omgang enz. De behoeften en eischen van het geweten bij den Roomsch-katholieke zijn gansch andere dan bij den Protestant, bij den Luthersche weer andere dan bij den Gereformeerde, en bij den Heiden weer gansch andere dan bij den Christen. Moge nu al bij alle menschen het geweten een gemeenschappelijk grondkarakter dragen, en bijvoorbeeld het plichtgevoel gemeen hebben, in zijn openbaring en empirischen toestand wijzigt zich dit duizendvoud en loopen de eischen en behoeften verre uiteen.

De Ethische Theologen ontkennen dit niet en zeggen dan ook niet, dat ieders geweten in elk oogenblik criterium der waarheid is, maar het geweten in zijn ware wezen, het Christelijk geweten dus; waarvan Christus de inhoud is. Of, gelijk de la Saussaye het uitdrukt in het boven aangehaalde werk, bladzijde 110: "l'Esprit de la vérité, residant dans l'Eglise et se traduisant dans la conscience de l'Eglise, forme le tribunal suprème. Dat komt dus hierop neer, dat het geopenbaarde zijn maatstaf vindt niet in elk geweten, maar in dat geweten alleen, dat door dat geopenbaarde zelf gevormd is, en de geloofswaarheid in zich heeft opgenomen 4. De Theologie heeft dus de Kerk in den ruimsten zin tot object en tot criterium tevens. De Wetenschap toch schept niet, maar beschrijft alleen haar object en is aan niets buiten dat object, maar daaraan dan ook ten strengste gebonden. In het voorwerp zelf der kritiek ligt haar criterium, niet daarbuiten. Het geloof der Kerk is voorwerp dat, maar orgaan tevens, waarmede het beschreven wordt. Alleen wie zelf in dat geloof staat, kan het beschrijven. Voorwerp en maatstaf der Theologie is dus de Kerk in de uitgebreidste beteekenis, en van de Dogmatiek vormt de inhoud van het Christelijk bewustzijn, van het Christelijk geweten de stof. 506

Maar dan dringt vanzelf de vraag zich aan ons op: Wat is nu het bewijs voor de objectieve waarheid van de ervaringen der geloovigen, van de Kerk in één woord. Het geloof aan de openbaring, aan de Heilige Schrift berust volgens de la Saussaye toch niet op historisch-critische bewijzen, maar op de volkomen samenstemming van de behoeften en eischen der conscientie met de openbaring. Uit deze stelling laat zich het streven der Ethische richting verklaren, om alle dogma's, (val, verzoening, opstanding enz..) te constateeren en te bewijzen buiten de Heilige Schrift om, door philosophische en psychologische redeneeringen. Het is niet toevallig, dat de Ethische Theologen zich zoo bijzonder toeleggen op wijsbegeerte. De Ethische richting kan den steun der philosophie niet missen. Maar daardoor wordt evenzeer verklaarbaar, dat men tot op zekere hoogte onverschillig is om de resultaten der Bijbelkritiek, en de negatieve kritiek zoo ver volgt; men is immers van meening, dat alles toch vaststaat in zichzelf en des noods het Schriftbewijs kan missen.

Het bewijs voorde objectieve waarheid van het geloof der Kerk is dus niet een: "Er staat geschreven," maar — de la Saussaye zegt het zelf — de gemeente, de Kerk is het empirisch bewijs voor de objectieve waarheid van Christus. Dat wil dus, als ik het goed begrijp, zeggen: de Kerk is niet alleen object en criterium, maar ook bewijs van de Theologie. De theoloog ontvangt zijn object van de Kerk, en moet de waarachtigheid ervan bewijzen door een beroep op die Kerk. De Kerk bewijst zichzelve, draagt het bewijs in zich zelve — hetgeen de Gereformeerden juist beweerden van de Heilige Schrift.

Dat zijn naar mijne meening de hoofdgedachten der Ethische richting. Kan zij daarmede aanspraak maken, het "Losungswort" van dezen tijd te zijn? Het wil ons toeschijnen van neen. En wel om de volgende redenen, die wij kortelijk aangeven en anderen ter toelichting en uitbreiding overlaten: 507

a. Door het onjuiste begrip, dat de Ethische Theologie op voorgang van Schleiermacher en Rothe, van het Ethische zich vormen, worden Kerk en Theologie in haar diepste wezen miskend. Beiden zijn wel ethisch, hebben een ethische zijde, openbaren een ethische kracht maar gaan in het ethische niet op. Het Christendom, de Kerk uit de uitsluitend godsdienstige sfeer in de zedelijke over te brengen, kan niet dan met miskenning van beider diepste wezen, en loopt consequent op beider vernietiging uit.

Immers in naam van het Ethische moet het bovennatuurlijke dan van alles, wat niet bepaald ethisch is, gereinigd worden. Men vergeet dan dat, ofschoon waarlijk immanent alleen kan wezen wat transcendent is, toch al het transcendente daarom niet of nog niet immanent is, en in den volsten zin ook nooit immanent kan worden. Finitum non capax infiniti.

b. Door het geweten te verheffen tot "critère de la vérité" en het geloof aan de openbaring te doen rusten op de samenstemming van de eischen en behoeften der conscientie met de openbaring, wordt de verhouding der "loci" in de Dogmatiek gansch en al omgekeerd. Het zwaartepunt wordt geheel verlegd. De Theologie komt te rusten op de anthropologie, de Schrift op het geloovig bewustzijn, het voorwerp op het karakter des geloofs, de objectieve daden Gods (openbaring, historie) op de subjectieve ervaringen, de leer op het leven, de dogmatiek op de ethiek. Een rotsgebouw wordt dan opgetrokken op schuivend oeverzand. De Christus blijft dan niet de Christus naar de Schriften, maar wordt een ideaal, gevormd door onze phantasie. 5 508

Diezelfde methode leidt dan verder tot subjectivisme en individualisme. Ieder kan toch alleen voor zichzelf bepalen, wat overeenstemt met de eischen en behoeften van zijn geweten. Het zou niet moeielijk zijn, met voorbeelden te illustreeren, hoe onder de aanhangers der Ethische richting die eischen des gewetens verschillen. Volgens de la Saussaye zelf b.v. is volstrekte ingeving der Heilige Schrift geen eisch des gewetens, volgens anderen wel, enz. Wat zal de Ethische richting zeggen tot hem, die beweert dat de goddelijke natuur van Christus geen eisch is van zijn geweten?

Het is eene opmerking, die al door de ervaring is bevestigd, juist wijl men wat men gelooft alleen aanneemt als een eisch des gewetens, wordt wie het niet aanneemt inconscientieus. Het ethisch beginsel leidt tot eene niet zeer ethische beoordeeling van anderen.

c. Langs den ethischen weg en naar bovengenoemde methode is de objectieve waarheid van het Christendom onbewijsbaar. Immers volgens de la Saussaye is de Kerk het empirisch bewijs voor de objectieve waarheid van Christus. Maar de Christus zelf wordt door de Theologie uit de Kerk geconcipieerd. De Kerk zegt: dat is de Christus volgens mijne ervaring, en de theoloog bewijst de waarheid van dien Christus met te verwijzen naar en zich te beroepen op de Kerk. Dat is redeneeren in een cirkel.

De heroieke poging van de Ethische Theologie om het probleem van het verband van Geloof en Wetenschap zijne oplossing nader te brengen, blijkt daardoor niet gelukt te zijn.

Daarmede is echter volstrekt niet gezegd, dat de Ethische richting geen recht van bestaan en geene roeping heeft ook voor dezen tijd. Zij heeft zeer veel goeds en op veel den nadruk gevestigd, dat dreigde verloren te gaan. Als zij gewezen heeft op het menschelijke van het Christendom, op de 509 waarachtig menschelijke natuur van Christus, op de beteekenis en de waarde der gemeente, op de aspiratiën der ziel naar het Christelijke, op het natuurlijke van het bovennatuurlijke, dan moet dat tot op zekere hoogte dankbaar erkend worden. Zij heeft ons herinnerd aan de waarde van wat onze Gereformeerden noemden de "Theologia Naturalis", en gaf ons vele heerlijke en schoone gedachten.

Maar als het de "Prinzipienlehre" geldt, kunnen wij met haar niet medegaan. Schleiermacher is voor ons niet als voor haar de Kerkvader bij uitnemendheid. Al zal elk de groote beteekenis van dien Theoloog gaarne erkennen en er dankbaar voor zijn, dat hij door terug te gaan tot den persoon van Jezus Christus, voor velen den weg heeft gebaand tot het geloof, meer mag door ons van dezen "Kerkvader der 19de Eeuw" niet worden verwacht. Het oordeel van Vilmar moge, als naar gewoonte, scherp zijn en hard, geheel onwaar en onbillijk is het niet: Mehr zu sein, kann Schleiermacher niemals ansprechen; er ist ein nothwendiges aber auch nothwendig sich selbst überflüssig machendes Uebergangsglied, und jetzt noch auf Schleiermacher zurückzukommen oder von ihm Förderung erwarten zu wollen, ist entweder Blödsichtigkeit oder böser Wille. 6 In elk geval verdient dit woord ernstig overdacht te worden.

Zoo is het dan geen wonder, dat velen zich met het beginsel en de methode der Ethische Theologie, hoewel het vele goede dat zij heeft dankbaar erkennend en trachtende over te nemen, niet konden vereenigen en iets anders zochten, dat meer vastheid bood. Daarover een volgend maal.


Franeker.

Bavinck




1 Levensbericht van Dr. Ch. d.l. S. door J.J. van Toorenenbergen. Leiden, Brill, 1874.

2 Met bewijsplaatsen uit de werken van de la Saussaye en Gunning het bovengenoemde te staven, is onnoodig. Het zijn gedachten, die op iedere bladzijde schier van hunne werken terugkeeren. Wie eenigermate met die geschriften bekend is, kan terstond aanhalingen genoeg bijbrengen, ter staving van wat hier boven van het beginsel der Ethische richting werd gezegd.

3 de la Saussaye. La Crise religieuse. page 108.

4 Zijn wij daarmede nu veel verder gekomen?

5 Als ob nicht in gleicher Weise das Katholisch Christliche Gefühl mit gleichem Rechte die sündlose Himmelskönigin aus Maria bilden könnte — brengt Schweizer terecht tegen de Christologie van Schleiermacher in, Glaubenslehre I, 94.

6 Dogmatiek, I, S. 86.


x
This website is using cookies. Accept