De wetenschappelijke roeping onzer Kerk
Bavinck, Herman. "De wetenschappelijke roeping onzer Kerk." De Vrije Kerk 8:2-3 (februari-maart 1882): 88–93; 97–106.
I.

88 In het Novembernummer van den vorigen jaargang hebben wij kortelijk het drietal hoofdrichtingen aangeduid, welke op theologisch gebied in deze eeuw achtereenvolgens zich hebben voorgedaan. Geene van drie bleek ons te kunnen bevredigen. Zelfs de ethisch-irenische richting loopt, in weerwil van de onmiskenbaar goede en edele bedoelingen harer woordvoerders, gevaar, om van het geloof in de kerk schipbreuk te lijden. In zekeren zin hebben wij, leden der Christ. Geref. Kerk, dat niet breedvoerig aan te toonen. Alle drie richtingen bevinden zich buiten onze erve; buiten ons zijn ze ontstaan, en bestaan zij nog. Onder ons moge de een wat meer ethische aspiratiën hebben dan de ander, de beginselen der ethisch-irenische richting worden door niemand onzer gehuldigd. In den waren zin ethisch te wezen is ook geen schande maar een eer; in dien zin mag de tegenstelling van Ethisch en Gereformeerd nooit worden aanvaard. Ten dage, dat Gereformeerd en on- of anti-ethisch woorden van gelijke beteekenis waren, ware het plicht, van den naam Gereformeerd afstand te doen.

De plaats en de houding der Christ. Geref. Kerk tegenover de Groninger, Moderne en Ethische Richting is een andere dan die van de Geref. partij in de Hervormde Kerk. Voordat toch eene dezer drie richtingen ontstond, was de scheiding al een feit. Niet uit reactie, dus tegen 89 eene dezer drie richtingen is onze kerk geboren. De geest, dien zij bestreed, was een gansch andere, was die van het koude, lauwe, onverschillige supranaturalisme, dat, met rationalistische bestanddeelen vermengd, in het begin dezer eeuw buiten en in onze vaderlandsche kerk den boventoon voerde. Zelfs kan men: zeggen, dat èn Groninger èn Moderne èn Ethisch-irenische Richting met de Scheiding ernstige protesten waren, van alle zijden tegen die onbevredigende, oneerlijke „halfheid en onbepaaldheid" van het eerste vierde onzer eeuw ingebracht. De scherpste, oorspronkelijkste en zegenrijkste reactie tegen dat krachtelooze, supranaturalisme was de Scheiding. Ze kwam voort uit den boezem van de kern der gemeente van Christus in deze landen; door haar werd veel eerder nog dan door de theologen van professie en de mannen der wetenschap, het onvoldoende van de toen heerschende Theologie en prediking gevoeld. En de gemeente, die zich toen afscheidde, is in de volgende jaren gebleken veel wetenschappelijker te zijn en veel dieper theologischen blik te hebben dan allen, die toen de naam van Theologen droegen. Immers, de heerschende geest, dien zij bestreed, was spoedig uitgeleefd, en voldeed niemand meer. Het onbevredigende dier theologische denkwijze werd beide in practisch en in wetenschappelijk opzicht door steeds meerderen gevoeld. Op een andere wijze moest geloof en wetenschap, Kerk en Theologie verzoend worden. De edele geesten zochten iets anders en beters, en meenden dat te vinden eerst in de Groninger, toen in de Moderne, straks in de Ethische beginselen.

De Christ. Geref. Kerk was intusschen afgescheiden. Zij had de Geref. belijdenis medegenomen en zat nu „in een hoekje met een boekje." Of het daarbuiten in het Hervormd Kerkgenootschap al stormde, het deerde haar 90 weinig; zij trok zich geen van deze dingen aan. Van kloosterachtige afzondering, van een al te groot obscurantisme is ze niet gansch en al vrij te pleiten. Maar zij heeft dan toch in een tijd, toen men uit was op nivelleering van alle verscheidenheid, en eene innerlijk vijandschap verbergende verdraagzaamheid heerschende was, het eigen karakter der Kerk in dit land weer te voorschijn doen treden, de Geref. belijdenis gehandhaafd en als een heilig pand verdedigd. Elk beschouwde haar toen wel als een partij van repristinatie, zelfs de mannen van den Reveil zagen haar verdacht aan. — Maar zij is in den korten loop van haar bestaan schitterend gerechtvaardigd. Terwijl in de Hervormde Kerk richting na richting elkander verdrong, omdat geene ook maar eenige jaren de geesten boeien kon, is de Christ. Geref. Kerk dezelfde gebleven, en heeft met hetzelfde beginsel veler hart en verstand bevredigd. Dat bewijst in ieder geval, dat in haar beginsel duurzamer levenskracht zit dan in al die andere samen.

Het moet nu volstrekt geen verwondering baren, dat de Geref. beginselen ook thans weer in de Herv. Kerk beginnen te herleven. Na de vele en verschillende richtingen, die in haar nu reeds zoo lang heerschen en zoo weinigen bevredigen kunnen, moest wel deze of gene op de gedachte komen, om toch eens tot de verworpene Geref. belijdenis terug te gaan. Het voorbeeld der Christ. Geref. Kerk, die nu al bijna eene halve eeuw bestond en bloeide, kon tot zulk een vraagstuk vertrouwen en hoop op goede uitkomst schenken.

Nu blijft er tusschen die Gereformeerde beweging in het Hervormd Kerkgenootschap en onze Christ. Geref. Kerk toch een aanmerkelijk verschil, dat ten voordeele der laatste uitvalt. Doordat het Gereformeerde, dat bij velen ook na de scheiding in het Herv. Kerkgenootschap 91 terugbleef, zoolang leefde in een kerkverband, dat zoo ongereformeerd mogelijk is, van tucht en theologische leiding verstoken bleef en toevertrouwd was aan de zorge van dezulken, die met hoe goede bedoeling ook, toch daarvoor volstrekt niet berekend waren, heeft het bijna overal een ziekelijk karakter aangenomen. Eene richting nu, die aan dat Gereformeerde zich aansluit, moet allereerst op de moeilijke taak van loutering en zuivering bedacht wezen. Of deze reiniging nu door vele hedendaagsche Gereformeerde leiders genoeg beoogd en beoefend wordt, kan met grond betwijfeld worden. Integendeel zijn er vele verschijnselen, die toonen, hoe dat ziekelijke in de gemeente door sommigen bepaald gekoesterd en gestreeld wordt. Het bestendigen van het ongereformeerde kerkverband en het koesteren van wat bepaald krank is, wekt daarom bij velen ernstige bezorgdheid. Het gebrek aan tucht, niet alleen aan de kerkelijke censuur, maar ook aan al datgene, wat in eene kerk het kranke terugdringt of geneest, het heterogene bant, het ziekelijke uitzweert, het verkeerde in beslag neemt en ten onderhoudt, het gemis i.e.w. aan den echt-gereformeerden levenstoon moet allereerst hersteld en vergoed worden. Daarvan moet eene gereformeerde beweging uitgaan. Niet Reveil alleen, maar „Ordre et Reveil" is de leus van het Gereformeerde Protestantisme, zooals ook Antoine Court, de Hersteller van het Protestantisme in Frankrijk in de vorige eeuw, zoo goed begreep. Om die „Ordre" is dan ook in onze Kerk een zoo lange en — wanneer men het belang daarvan over het hoofd ziet — een zoo weinig verkwikkelijke strijd gevoerd.

Daartegenover heeft onze Kerk het niet gering te schatten voordeel, dat zij door haar kerkelijk verband het kranke en ongezonde al meer geneest. De Afscheiding 92 was vooral in haar ontstaan en eerste ontwikkeling met zeer onzuivere bestanddeelen vermengd. Er is geen enkele reden, waarom we de gebreken, die haar in den beginne aankleefden, niet open en ridderlijk zouden willen erkennen. Dat onze Kerk die gebreken overwon, is immers juist een onweerlegbaar bewijs, dat ze, verre van krank in den wortel, integendeel een gezond beginsel had, zoo krachtig en sterk zelfs, dat het al dat kranke allengs genezen heeft, en voortgaat te genezen. Door middel der tucht, in den ruimsten zin des woords is in onze Kerk over 't algemeen die gezonde, echt-gereformeerde levenstoon geboren geworden, welke blijvend bewijs is van het goed recht der Scheiding en op geen kunstmatige wijze ooit verkregen kan worden.

Het Gereformeerde behoeft dus in haar niet te herleven. Het leeft in haar van den aanvang af en openbaart zich al rijker en vrijer. Wij hebben zelfs zorge te dragen, dat de zuivere ontwikkeling en ontplooiing der Geref. beginselen op onze erve niet door verkeerde invloeden van buiten worde belemmerd of tegengehouden.

Daaruit vloeit dit groote voordeel voort, dat wij, in het bezit van eigen, historische beginselen, positief kunnen te werk gaan. Wij behoeven tegen geene enkele richting ons goed recht te handhaven, of polemisch ons over te stellen. Opbouwend, thetisch kunnen wij voortwerken. Noch offensieve, noch direct defensieve strijd behoeft door ons gevoerd te worden. Het goede overnemend, dat wij in elke richting buiten ons vinden, trachten wij het te enten op onzen eigen levenswortel. Voorts hebben wij te ontwikkelen wat wij hebben, het eigen leven tot steeds meerdere en helderder bewustheid te brengen, onze beginselen altijd dieper te kennen en breeder toe te passen en van alle zijden toe te lichten. Polemisch tewerkgaande, 93 hangen wij altijd af van den stand der tegenover ons staande partijen. Thetisch arbeidende, bewaren wij onze zelfstandigheid en onze vrijheid, en verdedigen wij ten slotte ons goed recht nog het best. Onder de voortgaande kritiek onzer eigen beginselen ons stellende, hebben wij de leuze in beoefening te brengen: Ecclesia Reformata et Reformanda, gezuiverd en altijd meer te zuiveren.


II.

97 Het bleek ons dus, dat de Christ. Geref. Kerk boven de Gereformeerde partij in het Hervormd kerkgenootschap deze belangrijke winst vooruit heeft, dat zij in haar kerkelijk verband een waarborg bezit voor steeds zuiverder belijden, en in het gestadig reformeeren thetisch, zonder heftige polemiek, kan te werk gaan. Wij hebben eene Kerk, en dat zegt veel, meer dan menigeen denkt. Volmaakt is zij niet, dat weet ieder en een lid dier Kerk nog het beste; maar zelfs in den tijd voor en na Dordt — om van later niet te spreken — was het ook alles waarlijk geen goud, wat er blonk. Dus daarover geen woord meer.

Maar nu komt dan ook de tweede onafwijsbare vraag: hebben wij eene Theologie, eene Godgeleerdheid, die eenigermate beantwoordt aan de behoeften en staat op de hoogte van dezen tijd? Het komt volstrekt niet in ons op, te miskennen, wat op wetenschappelijk gebied door onze Kerk is opgeleverd. Het was naar ons hart gesproken, als Dr. Kuyper onlangs in de Heraut verklaarde, dat Prof. Noordtzij door zijne rectorale oratie zich in zedelijken zin den titel van Doctor Ecclesiae had verworven. Menige schoone pennevrucht zag het licht. Menig gezond en krachtig woord werd in ruimer kring door de pers verbreid. Onze Kerk verdient dank, reeds 98 daarvoor, dat zij trouw bewaard heeft, wat zij had, en zoo spoedig de gevoelde behoefte aan opleiding harer dienaren door het stichten eener Theologische School heeft trachten te bevredigen. Dat de Christ. Geref. Kerk op theologisch terrein niet meer gesproken en tot stand gebracht heeft, kan ook uit de omstandigheden, waaronder ze optrad en eerst leefde, verklaard en grootendeels verontschuldigd worden.

Toch neemt dit het feit niet weg, dat op bovengestelde vraag, meer dan ons lief is, door ons het stilzwijgen moet bewaard worden. Het moet erkend worden, dat geen enkele wetenschap uit den theologischen cyclus met een werk uit onze Kerk nog werd verrijkt. Aan goede, betrouwbare handboeken ontbreekt het onzen studenten en predikanten maar al te veel. Wij leven op theologisch gebied meest van anderen, die van ons vreemde beginselen uitgaan. Zoo huldigen en beoefenen wij, een eclecticisme, dat op den duur niet dan nadeelig voor onze Kerk en haar beginsel werken kan. Zelfs aan bestudeering en doordenking van de Gereformeerde Theologie heeft het bij ons al te veel ontbroken. Indien in den lateren tijd onze oogen meer open gingen voor de schatten daarin verborgen, dan is dit toch voornamelijk en allermeest te danken aan den machtigen invloed van Dr. A. Kuyper.

Nu is eene Kerk zonder Theologie een lichaam zonder hoofd. Eene Theologie zonder eene Kerk sterft. Eene Kerk zonder Theologie kwijnt. De Christelijke Kerk heeft dat van den aanvang af gevoeld. Vandaar reeds in den ouden Christelijken tijd de Catechetenscholen. Vandaar in de Middeleeuwen de Scholastiek. En de Protestantsche Kerken waren zich daar even goed en nog veel beter bewust van. Protestantisme en wetenschap hooren bij 99 elkander. Eene Universiteit was Calvijns ideaal. En zijn voorbeeld werd in de Geref. Kerken allerwege gevolgd. Ons vaderland kende een tijd, dat het vijf Academiën en zeven Athenaea bezat. Onze Kerk stichtte reeds eenige jaren na haar ontstaan eene eigen opleidingsschool.

Dat bewijst reeds voldoende den innerlijken drang, die van eene Kerk naar eene eigen Theologie uitgaat. Bovenal de Gereformeerde Kerken hebben niet slechts een teer godsdienstig en streng zedelijk, maar ook een bloeiend wetenschappelijk leven ontwikkeld. De „schatkamer" der Gereformeerde Theologie is onuitputtelijk.

Die traditie zij ons heilig! In hun voetspoor tredend, moeten wij ook hierin hen navolgen. Vrees voor de wetenschap en voor den hoogmoed van het verstand, mag, schoon tot op zekere hoogte rechtmatig en gegrond, ons daarvan niet terughouden. Onder die vreeze schuilt dikwerf veel ongeloof en veel onverstand. Zeker; bron, wortel, „principium" onzer kennis mag het verstand nooit wezen; maar wel instrument om de van elders verkregen waarheden te onderscheiden, te ontwikkelen, te vergelijken en toe te lichten. Als zoodanig hebben de Gereformeerden het altijd ten hoogste gewaardeerd.

Naarmate eene Kerk gezonder is, is haar Theologie krachtiger. Wie waant, dat eene Kerk de Theologie kan missen, heeft van beider verband nog niets begrepen. Dat verband wordt ook dikwerf verkeerd aangegeven. Men heeft gezegd, de Kerk is het object der Theologie. Dat is onjuist; dan staat toch de theoloog altijd min of meer buiten en tegenover de Kerk, ook al zegt men nog zoo dikwijls, dat hij aan het voorwerp van zijn onderzoek verwant, door een zedelijken band verbonden moet wezen.

Neen, Kerk en Theologie staan niet tegenover elkaar, 100 evenmin als lichaam en hoofd, maar vormen één geheel, een organisme; zij hooren ten nauwste bij elkander. Beide zijn vruchten van de werkzaamheid des H. Geestes. Of liever nog, de Kerk geheel en al met alwat tot haar behoort is eene schepping van dien Geest. Dus ook in haar de Theologie. De Kerk openbaart zich in belijdenis, regeer, inrichting, leven. Maar het rijkst, het heerlijkst, wijl het meest bewust, in de Theologie. Deze is haar fijnste, edelste bloesem.

Naar haar wezen is de Theologie niet eene beschouwing over de Kerk, den godsdienst enz., maar de edelste vrucht van den godsdienst, de kerk zelve in haar rijkste, hoogste openbaring. In de Theologie komt de Kerk zelve tot klaar, helder bewustzijn van hare schatten. Zij is een, zij is de voornaamste exponent der Kerk. De Theoloog is dus niet iemand, die eene of andere beschouwing heeft, maar — zooals het woord ook uitdrukt — de door den H. Geest het fijnst en rijkst geinstrumenteerde, om de Kerk, haar leven en schatten, naar buiten, in de wereld, te doen schitteren.

De Godgeleerde staat dus niet tegenover, maar geheel en al in de gemeente. Wat de H. Geest in de Kerk gewerkt en geleerd heeft, wordt door hem, als het daartoe door dien H. Geest meest geschikt gemaakte instrument, weergegeven, afgespiegeld, uitgestraald, naar buiten in volkomen helderheid geopenbaard. De Theoloog is dus naar zijne idee de beste Christen, de innigst geloovige, de door den H. Geest zuiverst en krachtigst geïnspireerde. Indien zoo het verband van Kerk en Theologie opgevat wordt, dan gevoelt men dat de laatste voor eene Kerk onmisbaar is. Zonder haar kan dan eene Kerk op den duur niet bestaan. Door geene Theologie te scheppen, zou de Kerk haar onzuiverheid, haar onwaarheid bewijzen. 101 De Theologie is maatstaf ter bevordering van de kracht, het leven en het welzijn der Kerk. En evenals de Kerk eerst in de Theologie tot openbaring komt van liet heerlijkste van haar leven, zoo wordt omgekeerd de Theologie weer eene leidsvrouw der Kerk. Het is niet genoeg, dat eene Kerk practische mannen heeft; zij heeft behoefte aan vaste gidsen en veilige leidslieden. Er is zeer zeker een „dienst der Doctoren" niet van menschen, die dien titel dragen, maar van zulken, die beter dan anderen de levensbeginselen der gemeente kennende, deze nu dien overeenkomstig weten te leiden en te regeeren. Daarom wordt door denzelfden Geest den een gegeven kennis der talen, en een ander uitlegging, en een ander profetie en een ander wijsheid enz., alles dienende tot volmaking der heiligen, tot opbouwing des lichaams van Christus.

Op die roeping nu, ook van onze Kerk, meer bijzonder te wijzen, tot het behartigen daarvan ons allen op te wekken en aan te sporen, wordt zeker door niemand ondienstig geacht of onnut gerekend. Bovendien, wij zijn het allen aan de eer onzer Kerk verplicht, om de beginselen, waarvan zij uitgaat, steeds dieper te kennen, en breeder toe te passen. Deze toch worden door velen als gansch en al verouderd beschouwd, en der weerlegging niet meer waardig geacht. Welnu, toone onze opvatting en toepassing der Geref. belijdenis de onwaarheid dier beschouwing aan. Wijze de geschiedenis onzer Kerk en Theologie uit, of in haar nog levenskracht, en vatbaarheid voor verdere ontwikkeling en breeder toepassing schuilt. Daardoor kunnen wij dan tevens aan vele hedendaagsche Theologen de verklaarbare illusie ontnemen, alsof op theologisch gebied telkens iets nieuws ware te vinden. De schitterende resultaten der almeer zich 102 uitbreidende Natuurwetenschap, hebben velen verleid, om ook op het terrein der Theologie naar „nieuwe vonden" te zoeken. Eene Atheensche nieuwsgierigheid hoort echter in de Godgeleerdheid volstrekt niet te huis. Wij hebben daar met onveranderlijke grootheden te doen. Nieuwe bronnen van kennis openen zich niet. Voor nieuwe ontdekkingen is daar geen plaats. Alleen kan en moet ons inzicht in het geopenbaarde verhelderd worden.

De richting nu, waarin onze Theologie zich heeft voort te bewegen, is geen andere dan die onzer Kerk zelve, dat is, ze moet wezen Christelijk Gereformeerd. Uitgangspunt, methode, dus ook resultaat van het onderzoek moeten allen dat karakter dragen.

Christelijk en Gereformeerd zijn beide eernamen, en staan met elkander in nauw verband. Het laatste is geen aanvulling van het eerste, geen „cognomen." Het Gereformeerde is niets dan het Christelijke zelf, zooals het, in de Roomsche Kerk verontreinigd, weer in de dagen der Reformatie gezuiverd werd. Het Gereformeerde is dus geen „nova religio," maar alleen „repurgatio errorum et corruptelarum" (de Moor). Toch ligt in het woord Gereformeerd nog iets meer. Het heeft niet alleen eene etymologische, maar ook eene historische beteekenis. Het is het Christelijke, zooals het door bepaalde personen, in bepaalde tijden, in deze en die volken en kerken, van die en die dwalingen gezuiverd werd. Het is dus het prisma, waarin voor ons het licht der christelijke waarheid zich breekt, de bedding, waarin deze ons toevloeit. De etymologische beteekenis van het woord laat zich van de historische niet scheiden.

De ook op Gereformeerd standpunt belangrijke vraag: wat is Christelijk, wat is daarvan de maatstaf? laten wij voor ditmaal ter zijde. Alleen willen wij op de vraag: 103 wat is Gereformeerd? een wat duidelijker antwoord geven. In onzen tijd, waarin zooveel onder den naam van Gereformeerd doorgaat, wat het volstrekt niet is, is die vraag alleszins gepast. Het was dus eene goede gedachte van Prof. de Cock, die vraag onlangs in de Bazuin aan de orde te stellen.

Met hem zijn wij van gevoelen, dat over wat Gereformeerd is ter laatste instantie alleen onze belijdenisschriften hebben te beslissen. Toch is daarmede niet genoeg gezegd. Die belijdenisschriften mogen zoo maar niet op zich zelve gesteld, van alles geïsoleerd worden, en kunnen dat ook niet. De vraag: wat is Gereformeerd? kan niet altijd volledig, en kan soms in het geheel niet beantwoord worden met eene eenvoudige verwijzing naar de formulieren van eenheid. Dit is ongetwijfeld waar, dat over de vraag, of iemand lid mag wezen van eene Kerk, alleen de belijdenisschriften dier Kerk hebben te oordeelen.

Maar als beoefenaren der Gereformeerde Theologie, hebben wij waarlijk nog wat meer te doen, dan de belijdenis te raadplegen. Dan moeten wij deze zelve plaatsen in het raam van haar tijd, haar verklaren, toelichten, commentariëeren door de historische omstandigheden, waarin zij ontstaan is. Dan hebben wij haar in verband te beschouwen en te vergelijken met de belijdenisschriften van andere Gereformeerde Kerken, haar eigenaardigheid op te sporen en te verklaren, en in te dringen in den geest, die haar bezielt.

Dat is nog maar een begin van den arbeid. De belijdenisschriften zijn symbolen, dienen om te vereenigen. Het karakteristieke wordt er daarom soms in gemist; de theologisch-wetenschappelijke bepaaldheid en scherpte ontbreekt dikwerf. Meer nog: de symbolen bevatten niet het 104 gansche leerbegrip. Het is eene onjuiste gedachte, dat de belijdenis het gansche leven kan en moet dekken. Dat is eenvoudig onmogelijk; het leven is veel te rijk en te vol, om geheel in een reeks artikelen te worden neergelegd. De belijdenissen omvatten slechts een klein gedeelte, het voornaamste zeer zeker, maar toch slechts een stuk van het leven. Zij geven alleen groote, machtige beginselen, wier ontwikkeling en toepassing op al de bijzondere levensomstandigheden overgelaten wordt aan de tijden en door de belijdenissen niet kan bepaald worden, wijl zij wisselen met de tijden. Wilde men daarnaar streven, dan maakte men Kerk en belijdenis tot een petrefact, sneed men alle verdere ontwikkeling af en delfde men eigen graf.

Op de vraag: wat is Gereformeerd, in den ruimsten zin, kunnen dus de belijdenisschriften niet altijd het antwoord geven. Zeker, wat door de symbolen veroordeeld wordt, is beslist ongereformeerd. Maar er is nog veel meer gereformeerd, dan in de symbolen uitgesproken is. Het Gereformeerde is eene gansche wereld- en levensbeschouwing. Het stelt den mensch in eene bijzondere verhouding tot God, en dus ook in eene eigenaardige verhouding tot alle dingen, tot huisgezin, staat, maatschappij, kunst, wetenschap enz. Behalve dogmatische, zijn er dus ook zedelijke, staatkundige, maatschappelijke, wetenschappelijke en kunstbeschouwende beginselen. Niets is er, waarop de Geref. beginselen niet hun eigenaardigen stempel drukken. Om nu te weten te komen, wat in dien zin gereformeerd is, hebben wij, behalve de symbolen, de schrijvers te raadplegen, die de Gereformeerde beginselen beleven, ontwikkeld en toegepast hebben. Ja, dan hebben wij nauwkeurig te onderzoeken het wezen, den aard, de inrichting der Gereformeerde Kerken en zelfs in te dringen 105 in het leven, de zeden, de gewoonten van de Gereformeerde natiën.

Breed en wijd is dus het veld van onderzoek. Men zou echter kunnen vragen, of op die wijze wel ooit uitgemaakt kan worden, wat Gereformeerd is. De verscheidenheld zal toch zoo groot blijken, dat de eenheid geheel en al zoek raakt. Ieder schrijver, elke gemeente, elke kerk, ieder volk heeft weer zijn eigenaardigheid. Daartegenover moet opgemerkt worden, dat die allen, hoe verscheiden ook, toch bij dieper studie zullen blijken een gemeenschappelijk grondkarakter te dragen. En dan is de verscheidenheid, die men bespeurt, niet een vloek maar een zegen; een bewijs, dat de Gereformeerde beginselen waarlijk universeel zijn, op alle levensomstandigheden zich laten toepassen, en voor rechtmatige individualiteit ruimte en speling overlaten. Moge dan soms deze of gene de privaatopinie van een Gereformeerd schrijver als de eeniggereformeerde ijken, de verscheidenheid die wij allerwege bespeuren, zal de verscheidenheid ook bij ons in onzen tijd waarborgen en ons hoeden voor het streven, om aller verschil uit te wisschen, en allen gelijk te maken. Geen gelijkheid, maar rijke, bonte verscheidenheid is het kenmerk juist van de eenheid des Geestes.

Christelijk Gereformeerd blijve dies onze leuze. Het eerste wijst op ons uitgangspunt, op de bron onzer kennis. Het tweede wijst op de historie, op de bedding, waardoor de Christelijke waarheid ons toevloeit. Geroepen zijn wij derhalve allereerst tot studie der Schrift en der geschiedenis. Maar niet om dan stil te staan en het gebouw onzer kennis te bewonderen. Maar om, nadat we ons gevoed hebben met de rijke lessen van Schrift (litterarische Theologie) en Geschiedenis (historische Theologie) zelf aan het bouwen te gaan, en het verkregene, vrij 106 en zelfstandig, naar de eischen van onzen tijd te organiseeren en te systematiseeren (systematische Theologie) en dan ten slotte al die vruchten weer ten bate te doen komen van de Kerk, waarin wij geboren zijn en getogen (Practische Theologie).


Franeker.

Bavinck


x
This website is using cookies. Accept