Review of Egyptologie en Assyriologie in betrekking tot de geloofwaardigheid des Ouden Testaments
Bavinck, Herman. Review of Egyptologie en assyriologie in betrekking tot de geloofwaardigheid des Ouden Testaments: Rede bij het overdragen van het rectoraat, by M. Noordtzij. De Vrije Kerk 8:3 (maart 1882): 138–43.

138 Egyptologie en Assyriologie in betrekking tot de geloofwaardigheid des Ouden Testaments. Rede bij het overdragen van het Rectoraat door M. Noordtzij, Leeraar aan de Theol. School te Kampen. Utrecht, C. van Bentum, 1882. Prijs É 0.60.


Naar een oud en eerwaardig gebruik heeft Prof. Noordtzij de overdracht van het Rectoraat met het uitspreken van eene wetenschappelijke rede begeleid. Het onderwerp, door hem bij die gelegenheid behandeld, is bijzonder aantrekkelijk en uiterst belangrijk. De opgravingen en ontdekkingen in het Nijl- en Eufraatdal zijn van zoo grooten omvang en van zoo hooge waarde, dat een zaakkundige ons in al die bonte en verwarde opschriften wel eens orienteeren mag. Het is dubbel noodig in een land als het onze, waar — gelijk Prof. Noordtzij terecht opmerkt blz. 6 — de schat, door Egyptische en Assyrische inscripties geboden, bijna gansch en al onopgemerkt blijft. De keuze van het onderwerp was dus eene ongewoon gelukkige, en wij voegen er aanstonds bij, de behandeling is het onderwerp waardig. De rede getuigt op iedere bladzijde van strenge en ernstige studie, van langdurigen en veelomvattenden arbeid, van meesterlijke bekendheid met het wijduitgestrekte terrein.

In het eerste deel zijner rede schetst de schrijver ons den treffenden indruk, reeds bij het optreden door beide, Egyptologie en Assyriologie, gemaakt. Met uit den aard der zaak korte en vluchtige trekken wordt ons de 139 ontdekking en ontcijfering van de Egyptische (bladz. 8, 9) en van de Assyrische (bl. 11-14) opschriften geteekend; en verder meegedeeld, hoe de ontcijfering, eerst door velen gewantrouwd, langzamerhand aller vertrouwen wint en door al die schuddingen van twijfel en vooroordeel slechts te vaster geworteld is. De vruchten, die deze beide takken der historische wetenschap afwerpen, zijn nu al vele en kostelijk. Wat van de inscripties is vertaald en gepubliceerd, overtreft in omvang reeds het Oude Testament.

Belangrijk is vooral het tweede deel (bladz. 17-29), waarin de schrijver ons iets, maar — het spreekt vanzelf — ook maar iets zien laat van de versterking, reeds door beide wetenschappen aan het felbestreden Oude Testament geboden. De Egyptische en Assyrische inscripties leveren toch een onschatbaren, sporadischen commentaar op de boeken des O. Verbonds. De eerste meer van Israels verkeer in Egypte tot op den tijd van Salomo. De tweede meer van den daaraan voorafgaanden en den daarop volgenden tijd tot Ezra en Nehemia. Die versterking komt zoowel de oudheidkunde als de geschiedenis des Bijbels ten goede (bl. 17.)

Archaeologisch (bladz. 17-21) — de karakterschilderingen, door de profeten van de Assyriers en Babyloniers gegeven; de aardrijkskundige bepalingen; de aanduidingen van aard en toestand der landen, de beschrijvingen van de zeden en gewoonten, bij de Egyptenaren en Babyloniërs en Assyriers heerschende, dat alles wat in het O.T. verspreid te vinden is, wordt door de opschriften nu treffend bevestigd. Maar ook historisch (bl. 21 v.) leveren zij menige bijdrage en opheldering.

De verhalen van schepping en val, van zondvloed en torenbouw in Genesis worden in vele, zelfs ondergeschikte, punten door de daaromtrent in Chaldaea verspreide sagen 140 geillustreerd. 1 (Noordtzij, bladz. 14). De volkerentafel in Gen. 10, waaraan dikwijls alle historische waarde is ontzegd, is in veel opzichten gebleken zeer nauwkeurig te zijn. De Egyptenaren zijn uit het Noorden, uit Mesopotamie, in Egypte gedrongen (Gen. 10 : 6). Nimrod's leven, zijne heerschappij over Babel, Erech, Accad, Kalne, — het vindt alles in de opschriften zijne bevestiging (bladz. 21, 22). Het verhaal van den strijd der verbonden koningen van het oosten tegen die van het westen (Gen. 14) is door de ontcijfering der Assyrische gedenkteekenen geheel zeker gebleken (bladz. 22, 23).

Het verblijf en de onderdrukking van Israel in Egypte, de bouw der steden Pithum en Ramses, de hongersnood, de voorraadschuren, de in Genesis gegeven schildering van Egyptische toestanden, zeden en gewoonten (b.v. Gen. 47 : 19, 20, 22-24) — het wordt alles door de jongste onderzoekingen der Egyptologen bekrachtigd 2 (bl. 24, 25). Verderop in de geschiedenis van Israel, wordt de vreedzame verhouding tusschen Salomo en den Pharao, zoodat Salomo zijne dochter tot vrouw nam; de handelsverbindingen tusschen Israel en Egypte in dien tijd, en later ten jare 949 de inval van Sisak, met wien eene nieuwe dynastie in Egypte aan de regeering kwam, die Jerobeam genegen was en de scheuring van Israel en Juda gaarne 141 zag, ook deze voorvallen vinden in de jongste ontdekkingen steun en opheldering 3.

Van den tijd na Salomo tot op Ezra en Nehemia komen de Assyrische ontdekkingen de berichten des O. Test. bevestigen en verklaren. Zoo al aanstonds de verbinding van Achab en Josaphat (1 Kon. 22) tegen Benhadad van Syrie, die door Salmanassar, den Koning van Assyrie verslagen was. Ook Hazael, Benhadads moordenaar en opvolger, leed tegen den krijgshaftigen Salmanassar de nederlaag. Tyrus en Sidon, en ook Jehu van Israel, brachten hem tribuut en geschenken 4 (Noordtzij bl. 26). Van de zwakheid van den vorst Asurnirari (753-745) maakten Jerobeam II (2 Kon. 14 : 25) en Menahem (2 Kon. 15 : 16) gebruik, om hun gebied uit te breiden. De wijze, waarop Uzzia en Achaz van Juda, en Hosea van Israel met den krachtigen Tiglath-pilezer II in aanraking kwamen, is door de opschriften verduidelijkt.

Van wat waarde de opschriften zijn, blijkt het best in de geschiedenis van Sargon. Vroeger alleen bekend uit Jes. 20 : 1 en door velen voor eene mythe gehouden, is hij thans door Botta's opgravingen in Khorsabad een der ons bekendste vorsten van Assyrie (Noordtzij, bl. 34). Regeerend van 722 tot 705, was hij het, die Samaria innam, duizenden inwoners meevoerde naar Assyrie en in Samaria Arabieren wonen deed (Nehem. 2 : 19 en 4 : 7). Al verder wordt de tocht van Sanherib (705-681) naar Jeruzalem, de schatting, welke hij van Hiskia ontving, worden de 2 Kon. 18 : 17 voorkomende namen van Tartan, Rabsaris, Rabsak door de opschriften op waarlijk verrassende 142 wijze geillustreerd (Noordtzij, bl. 18, 19). Zelfs wordt de lange tijd voor ten hoogste onwaarschijnlijk en dus onhistorisch gehouden vrijlating van Manasse door den Koning van Assyrie voldoende bewezen door eene dergelijke handelwijze van Asurbanipal omtrent Necho van Egypte (bladz. 18, 19). In het jaar 606 wordt door den stadhouder Nabopolassar in bond met Cyaxares van Medie Nineve ingenomen en het Nieuw-Babylonisch rijk gesticht.

Ook daarna blijven de opschriften hun licht werpen op Israels geschiedenis. De in Daniels boek verhaalde droomgezichten van Nebucadrezar dragen eene echte Babylonische tint (bl. 18, 27). Het bestaan van Belsazar, den eerstgeborene en straks den mede-regent van Nabonedus, is door de annalen van Babylon afdoende bewezen (bladz. 28). En de lang ontkende en voor ten eenenmale onhistorisch geachte tocht van Nebucadrezar naar Egypte in 589 (Jerem. 37 : 7), is volkomen waarheid gebleken (bl. 39).

Men ziet, de Egyptologie en de Assyriologie leveren kostelijke bijdragen tot opheldering en bevestiging van de geschiedenis van Israel. Prof. Noordtzij had, ook al schijnt hier en daar zijn triumftoon ons wat te hoog gestemd, recht, om beide als getuigen te laten optreden voor de geloofwaardigheid des O. Testaments.

In het derde deel (bl. 29-41) geeft de geleerde schrijver ons een indruk van de verwachting, door beide wetenschappen voor de toekomst gewekt. Er blijft nog veel te doen over. Egyptologen en Assyriologen zijn nog maar aan het begin van den arbeid. Er is nog heel wat op te graven en te ontcijferen. Bovendien, de harmonie tusschen het O.T. en de opschriften is nog volstrekt niet overal gevonden. Er bestaan — Prof. Noordtzij erkent het zelf bl. 30 — hier en daar nog chronologische en andere zwarigheden. 143

Het eerste en tweede deel van de rede deed niet verwachten, dat er in het derde nog „zwarigheden" zouden komen; zij vallen nu wel wat hard en koud in op het gewekte enthousiasme. Maar men behoeft Schrader's bekend werk: Die Keilinschriften und das alte Testament 5 slechts in te zien, om nog op menige „zwarigheid" te stuiten. Toch, het door beide wetenschappen geleverde geeft gegronde verwachting op meerder licht en verrassender opheldering.

Vooral daarom — Prof. Noordtzij heeft het goed gezien en betoogd bl. 33 volg. — zijn de verkregen resultaten zoo van belang, wijl zij de methode der hedendaagsche Schriftcritiek veroordeelen. Zij hebben geleerd en leeren nog, dat de ware critiek alleen maar dan ook ten strengste gebonden is aan haar eigen voorwerp, en dat niet te vernietigen maar te eerbiedigen heeft. Zij leeren, dat de in een geschrift voorkomende wonderverhalen geen invloed mogen hebben op de beoordeeling der echtheid; en zij hebben vooral het vaak misbruikte bewijs e silentio van zijn gewaande kracht beroofd.

Wij zeggen Prof. Noordtzij voor de studie, in deze rede neergelegd, ten zeerste dank; en verzoeken hem, dit korte overzicht, dat wij van zijne doorwrochte oratie gaven, te houden voor een bewijs van de nauwkeurigheid en het genot, waarmede wij haar gelezen, en herlezen hebben, en laat mij er bij voegen, herlezen zullen. Want deze rede kan en mag niet, zooals zoovele andere, na de lezing weggelegd en voor goed weggeborgen worden.


1 G. Smith. Die Chaldäische Genesis, übersetzt von H. Delitzsch. Leipzig 1876.

2 Verg. Max Duncker, Geschichte des Alterthums, I, S. 147. (4te Aufl.) De door Prof. Noordtzij (bladz. 25 en noot 34) als waar en juist bevonden ontdekking van Prof. Lauth van Mozes, Aaron, beider vrouwen en Mirjam, op een serapeum-beeldinschrift, acht ik door te veel bezwaren gedrukt, dan dat ze alleen op gezag van Prof. Lauth mag aangenomen worden. Prof. Lauth is de veiligste gids op Egyptologisch gebied zeker niet.

3 Max Duncker, Gesch. des Alterthums, II, S. 154.

4 Verg. Mürdter, Kurzgefasste Geschichte Babyloniens und Assyriens. Stuttgart, 1882. S. 165, 166.

5 Van dit werk verschijnt binnenkort, naar ik meen, eene nieuwe uitgave.


x
This website is using cookies. Accept