Babels Torenbouw
Bavinck, Herman. "Babels Torenbouw." Review of Babel: Eene bijbellezing over Gen. 11:1–10, by A. Steketee. De Vrije Kerk 9:6 (juni 1883): 283–89.

Babel. Eene Bijbellezing over Gen. 11 : 1-10 door A. Steketee, Kampen, Zalsman, 1882.


Het is een belangrijk gedeelte der Schrift, waarop onze hooggeachte Broeder Steketee in deze Bijbellezing de aandacht vestigt. Van Genesis XI, is er eens naar waarheid gezegd, moet de geheele Algemeene Geschiedenis haar aanvang nemen. In dat hoofdstuk, in verband met de voorafgaande zien, ontvangen wij uitsluitsel over den aanvang en de eerste geschiedenis van het menschelijk geslacht; indien wij die misten, zouden wij aangaande den oorsprong van wereld en menschheid in de grootste onzekerheid verkeeren.

Het elfde hoofdstuk verklaart ons meer bepaald het ontstaan der talen, en daardoor der godsdiensten en der volken. Want deze drie behooren onafscheidelijk bij elkander. „Nationaliteit, godsdienst en taal, deze drie grondbestanddeelen van het historische leven der volken, die eerst door de nieuwere ethnographische, linguistische, godsdienst-historische onderzoekingen over den voortijd der volkeren dieper in haar onderling verband erkend worden, stelt het boek Genesis, op grond der aloude overlevering, reeds in hare inwendige eenheid 284 voor" 1. Het was dus alleszins eene gelukkige keuze, voor eene Bijbellezing de gewichtige gebeurtenis van Babels Torenbouw tot onderwerp te nemen.

De schrijver geeft eerst eene korte verklaring van wat in de eerste tien verzen van Genesis' elfde hoofdstuk toelichting en opheldering behoeft. In die verklaring trekt het de aandacht, dat de woorden in het vierde vers: laat ons eenen Naam maken, opgevat worden in den zin van: laat ons eenen god maken; eene verklaring, die, door vele anderen gehuldigd, niet onaannemelijk mag heeten en misschien beter, dan de letterlijke, in heel het verband en den gedachtengang der Torenbouwers past. Minder aannemelijk schijnt ons de meening, bladz. 11 uitgesproken, dat de spraakverwarring niet aan een beslist ingrijpen Gods op één oogenblik, maar „aan eene gewone inwikkeling der zaken" is toe te schrijven. Wij lezen toch t.a.p. „liever willen wij, indien zulk een ingrijpen niet beslist vermeld staat, aan eene gewone ontwikkeling der zaken denken. De weinige woorden onzer geschiedenis komen ons voor over eene groote tijdruimte te loopen; misschien is er wel honderden jaren over den toren gebouwd, en in dien langen tijd zullen de bouwers bij hun werk verschil gekregen hebben, terwijl zij elkander niet begrepen of wilden begrijpen, waaruit twist en haat en verwijdering ontstond, eene zaak, die allicht kan gebeuren en bij het maken van groote werken zelfs in onze geordende maatschappij meermalen voorkomt; en, naarmate men. minder met elkander verkeerde, drukte men zich meer verschillend uit, zoodat men ten slotte evenmin elkanders woorden 285 verstond, als in bedoelingen tot overeenstemming komen kon."

Dat er vele jaren over den toren is gebouwd, willen wij niet ontkennen; evenmin, dat er tusschen de bouwers misschien verschil gerezen is. Maar dit alles verklaart nog niet het ontstaan van verschillende talen. De opvatting, dat de verschillende talen een gevolg zijn van de scheiding en het uit elkaâr gaan, dunkt ons weerlegd te worden, door het zevende en achtste vers, waar omgekeerd juist de verstrooiing duidelijk voorgesteld wordt als een gevolg van de spraakverwarring. Indien dit alzoo is, laat zich het ontstaan der verschillende talen niet anders verklaren dan door eene inwendige gebeurtenis, een geweldigen schok in het bewustzijn, d.i. door een ingrijpen Gods. Natuurlijk is daardoor verdere ontwikkeling der talen niet buitengesloten; er ligt hierin niet dat die talen in eens tegenover elkander volkomen afgesloten zouden zijn, maar wel dat er eene plotselinge interruptie plaats had, een schok in het bewustzijn, en wel bepaaldelijk in datgene, wat tot dusver de menschheid bijeen hield: „de geestelijke macht moest wankelend worden, die tot hiertoe elke naar scheiding strevende ontwikkeling verhinderd had. Deze macht kon slechts God zijn, die het bewustzijn geheel vervulde, die der geheele menschheid gemeenschappelijk toebehoorde" 2. Talen, godsdiensten en nationaliteiten werden in beginsel op datzelfde oogenblik geboren.

De bedoeling Gods met die verwarring der spraak en verstrooiing der menschheid is niet onduidelijk en verklaart een ingrijpen Gods ten volle, ja maakt het noodzakelijk. De vereeniging toch, die de menschheid in den 286 toren als middelpunt zocht, zou er zeker toe geleid hebben, om haar als één man tegen God te doen opstaan; „samenbinding wordt steeds samenrotting" 3. Dat mocht niet, want alzoo zou een tweede zondvloed noodzakelijk en het plan Gods met de menschheid verijdeld zijn geworden. En daarom verwarde God de spraak, en richtte in de verschillende talen zoovele scheidsmuren op, die der menschheid gemeenschap en vereeniging onmogelijk maakten. En natuurlijk, toen eenmaal de vereeniging onmogelijk was, ontwikkelde zich de verscheidenheid van taal en volk en godsdienst steeds scherper en werd de menschheid in een tal van volkeren gesplitst, zoo uiteenloopend in karakter, aanleg, zeden, godsdiensten, zielsvermogens, lichaamsbouw, dat in onzen tijd velen op grond daarvan aan de eenheid van het menschelijk geslacht twijfelen. En inderdaad, indien de H. Schriften het ons niet leerden, zou de gedachte van de eenheid der menschheid misschien nog te groot en te ver verwijderd geweest zijn, dan dat wij ze hadden kunnen grijpen. Want tot die eenheid van het menschelijk geslacht is geen Heidensch volk met zijne gedachten opgeklommen. Iedere Heidensche natie houdt zich alleen met zichzelve bezig en beschouwt de andere volken als van lagere orde en van anderen oorsprong.

Daartegenover leert ons diezelfde H. Schrift, welke ons de scheiding en verstrooiing der volkeren verhaalt en als Gods wil en werk doet kennen, ook tevens duidelijk de eenheid van het menschelijk geslacht. Die scheiding is toch door God slechts gewild „als doorgangspunt op den weg der vervulling van Zijnen beilsraad" (van Andel), juist om de menschheid te redden. En Israel, het volk dat 287 zoo dikwerf van enghartig particularisme beschuldigd wordt, Israel is het, dat in zijne geschiedboeken ons niet slechts zijn eigen oorsprong verhaalt maar den oorsprong der menschheid en aldus het eerst het begrip van eene Universalhistorie, van eene wereldgeschiedenis verwezenlijkt heeft. Die eenheid des menschelijken geslachts is van belangrijke, dogmatische zoowel als ethische, beteekenis. Met die eenheid staan in onverbrekelijk verband al die dogmatische waarheden, welke zich concentreeren in die twee hoofden der menschheid: Adam en Christus. Die eenheid ligt feitelijk aan heel de dogmatiek ten grondslag. En tevens is zij van uitnemend ethisch gewicht, want met haar is de, in christelijken zin opgevat, schoone en heerlijke gedachte der humaniteit zeer innig vereenigd. Geen wonder dat de H. Schrift op die eenheid des menschelijken geslachts dan ook telkens den nadruk weer legt, ons op den Pinksterdag de aanvankelijke, herstelling laat zien van wat bij Babels Torenbouw plaats had, als eene gebeurtenis, die in deze bedeeling, waarin alles bijeenvergaderd wordt onder Christus als het Hoofd, voortgaat zich te voltooien en eens haar einde bereikt hebben zal, als uit alle talen en volken en natien en tongen de schare der verkorenen verzameld zal wezen tot ééne kudde onder éénen Herder.

Maar Babel en zijn toren zijn niet alleen van historisch belang, strekkende om ons het ontstaan van de talen, volken en godsdiensten te verklaren; in wat daar bij Babel geschied is, hebben zich beginselen belichaamd, die nog heerschen en telkens hun macht openbaren op elk terrein des levens. Babel is in de boeken des Ouden en Nieuwen Verbonds tot in het laatste boek, de Openbaring van Johannes toe, het symbool gebleven van al het Heidensche en ongoddelijke. En het is vooral daarop, dat 288 Ds. Steketee in zijne bijbellezing de aandacht vestigt. Bovenal dit gedeelte zijner lezing is rijk aan schoone en diepe gedachten. Kortelijk willen wij die gedachten aangeven om velen tot lezing en overdenking dezer Bijbelstudie aan te sporen.

Allereerst gaf in die daad van Babels torenbouw zich gestalte de zonde van samenrotting, van partijvorming tegenover God, van volkssouvereiniteit tegenover Zijn gezag. Het is de geest der revolutie, die alle ordeningen omkeert en in stede van op de autoriteit Gods, rusten doet op het gezag en de macht en den wil van den mensch. In die eerste zonde wordt ook reeds terstond eene tweede openbaar, die van hoogmoed, van ijdele machts- en praalvertooning. Zij bestond daarin, dat de menschheid toen en nu gezien, in hare werken geëerd wil worden, zich een wijdklinkenden naam wil maken, door eigen kracht de wereld overzien en overheerschen, en alzoo, al hooger stijgend, zelfs ten hemel opstijgen wil. Maar daarmede gaat dan ook terstond eene derde zonde gepaard, die van afgoderij, van zelfvergoding. De god, dien zij zich formeeren, is immers het beeld en de gelijkenis van hunne eigene trotsche gedachten. Het is het „Ik," het „Wij," dat in de goden der menschen zichzelf aanbidt. En eindelijk valt in die Babylonische gebeurtenis op te merken de zonde van centralisatie, van samentrekking van alle macht en gezag. Het is datzelfde beginsel, dat ook in onze eeuw zijne kracht weer gelden doet, dat, anticipeerend op de toekomst, de eenheid als een roof wil grijpen, en daartoe de persoonlijkheid terneerwerpt, de vrijheid verstikt, het geweten aanrandt, alles gelijk en eenvormig maakt en aan tirannie en despotisme, aan papisme en staatsalmacht het aanzijn geeft; want alles toch, wat gezag hebben wil buiten last en gezag van God, kan 289 uitteraard niet anders dan dwingen. Al deze gedachten worden door den schrijver breedvoerig ontwikkeld en in haar beteekenis ook voor de geschiedenis van onzen tijd aangewezen. Hij eindigt met eene schets van het einde, dat Babel en alle Babylonische zonden wacht. Babel is een rijk der wereld en de wereld gaat voorbij. Babel heeft geen eeuwigheid.

Wij danken den schrijver voor deze Bijbellezing en wenschen haar een ruim getal van lezers toe.


Kampen.

H. Bavinck.




1 Auberlen, De Goddelijke Openbaring. Rotterdam, 1862. Eerste stuk, bl. 187.

2 Auberlen, bl. 189.

3 J. van Andel, Van Adam tot Abraham, bl. 111.


x
This website is using cookies. Accept