Huldreich Zwingli
Bavinck, Herman. "Huldreich Zwingli." De Vrije Kerk 9:12; 10:1 (december 1883 - januari 1884): 531–41; 8–29.

I. 1

531 Gelijk met geheel Europa, was het ook met Zwitserland in het begin der zestiende eeuw op burgerlijk, zedelijk en godsdienstig gebied treurig gesteld. In Zwitserland kwamen er nog eigenaardige kwalen bij. De gewoonte bestond bij de hoogere zoowel als de lagere standen, om onder vreemde vorsten te gaan dienen in den oorlog, en het alzoo verworvene geld straks in eigen land in weelde te gaan doorbrengen. Zwitserland werd door gezantschappen en vreemdelingen overstroomd, en de eigen zonen des lands, in den krijg aan eene ruwe levenswijze gewend, zetten die in het vaderland na den terugkeer op dezelfde wijze voort. Dat alles had stad en land, adel en burgerstand gedemoraliseerd.

De kerk, niet beter of slechter dan in andere landen, was onmachtig, om die menigvuldige kwalen te genezen. Toch was dringend hervorming noodig. De man, die tot dit werk der reformatie van land en kerk door God was verkoren, was Huldreich Zwingli. 532

Zwingli werd den 1sten Januari 1484, drie maanden na Luther, in het stille, vreedzame, hooggelegen en door hooge bergen omringde dorpje Wildhaus in Toggenburg in het oostelijk gedeelte van Zwitserland geboren, als de derde van 8 zonen uit het huwelijk van Huldreich Zwingli en Margaretha Meili. Zwingli's ouders behoorden tot den gegoeden burgerstand; zijn vader was Ambtman van Wildhaus, diens broeder was tot 1487 pastoor in Wildhaus, terwijl de broeder zijner moeder later abt werd in het klooster Fischingen. Zwingli werd, naar de gewoonte dier dagen om uit vele zonen één aan den dienst der kerk over te geven, tot den geestelijken stand bestemd. Reeds op negenjarigen leeftijd moest hij daarom de ouderlijke woning verlaten, om eerst in Wesen, en twee jaren later in Bazel zijne opvoeding te ontvangen. Na drie jaren, in 1497, werd hij naar Bern gezonden, waar bij door den geleerden kenner der klassieken, Lupulus, die later ook der reformatie toegedaan was, in de Latijnsche taal en schrijvers ingeleid werd. In 1499 bezocht Zwingli de hoogeschool te Weenen, en beoefende daar de vakken, welke toenmaals onder den naam van philosophie werden samengevat, terwijl hij daar ook kennis maakte met Vadianus uit St. Gallen, met Glareanus, Faber en Eck. Van 1502-1506 treffen wij hem wederom aan in Bazel, maar nu tevens als leeraar aan de school van St. Martin; in 1506 behaalde hij den graad van Magister in de philosophie, een titel waarvan Zwingli echter nooit gebruik heeft gemaakt, wijl hij daarin later niet veel meer dan ijdelheid zag en er dus weinig waarde aan hechtte. Zijn laatste verblijf in Bazel is daarom van zooveel beteekenis, wijl hij er in kennis kwam met Thomas Wyttenbach, die daar van 1505-1507 onderwijs gaf, en naar Zwingli's eigen getuigenis, reeds toen voorspelde, 533 dat de scholastische Theologie zou afgeschaft en de leer der Kerk gezuiverd zou worden. Zelf schijnt hij reeds enkele dogmen der Kerk, zooals den aflaat, bestreden, en zijne leer alleen op den grondslag van Gods Woord gebouwd te hebben. Aan hem dankt Zwingli den lust en de liefde tot het onderzoek der H. Schrift, en de eerste, zuivere theologische vorming.

Toch werd van eene bewuste tegenstelling tusschen Zwingli's overtuiging en de leer der Kerk vooreerst nog niets bespeurd. In 1506 werd hij pastoor te Glarus, en zette daar zijne studie voort van de Klassieken, de Kerkvaders en vooral van het Nieuwe Testament, waarvoor hij de grieksche taal ging aanleeren. Uit deze periode van zijn leven bezitten wij twee gedichten: het Labyrinth en de fabel van een os en sommige dieren. Beide gedichten zijn in inhoud en vorm van weinig beteekenis, maar doen Zwingli kennen als een man, die zijn tijd opmerkzaam gadeslaat, de gebreken duidelijk inziet en ook zonder vreeze aanwijzen en kastijden durft. Toch is het nog volstrekt de Hervormer niet, die hier spreekt, maar de vaderlandlievende humanist, die allereerst op verandering van den zedelijken en staatkundigen toestand des lands bedacht is. Dat Zwingli in dezen tijd nog overwegend door den geest van het Humanisme bezield is, blijkt ook daaruit, dat hij in 1514 in correspondentie trad met Erasmus, dien hij zeer hoog stelde, en met wien hij zich in richting en streven één gevoelde. Van eene andere levensroeping, dan Erasmus vervulde, is Zwingli zich nog volstrekt niet bewust.

Toch mag de tijd, te Glarus doorgebracht, de tijd zijner voorbereiding als Hervormer heeten. Hij leerde den toestand van zijn vaderland kennen, werd door voortgezette studie met de Heilige Schrift en de zuivere waarheid des 534 Evangelies bekend en vertrouwd, en al hechtte hij in dezen tijd nog veel aan den Paus en zijne leeringen, toch begon hij voor zichzelven almeer tot het inzicht te komen van de eenigheid en de algenoegzaamheid van het Middelaarschap van Christus.

In 1516 verliet hij Glarus, en ging naar Einsiedeln, zeker ook, om zich nog meer aan de wetenschap te kunnen wijden. Wij vernemen, dat hij daar vele boeken: klassieken, kerkvaders, Erasmus, Reuchlin e.a. aanschaft voor de kloosterbibliotheek. Hoewel nu Zwingli ook in Einsiedeln nog in geen enkel opzicht als Hervormer is opgetreden en ook zulk eene levenstaak zich volstrekt niet voor oogen stelt, toch neemt zijne kennis van de H. Schrift, zijn helderder inzicht in het zuivere Evangelie toe. Zelf zegt hij daarom later, dat hij al in 1516 begonnen was, om geheel op zichzelven, onafhankelijk van Luther, het Evangelie te prediken. Toen reeds droegen hij en Capito de overtuiging bij zich om, dat de Paus vallen moest, want door het omgaan met Erasmus en het lezen van goede schrijvers was hun oordeel hierover gevormd. Maar Zwingli dacht er niet aan, zelf het werk der Reformatie ter hand te nemen. Integendeel drong hij er schriftelijk en mondeling bij kardinaal, bisschop en legaat op aan, om de dwalingen en misbruiken tegen te gaan, en het Evangelie zuiver te laten prediken. Niets dwong hem nog, om openlijk tegen de Kerk op te treden. Zelfs door Samson, den aflaatkramer, werd hij daartoe niet genoodzaakt, want wel verhief Zwingli zijne stem tegen hem, zoodat hij Zwitserland verlaten moest, maar niet slechts Zwingli, de meesten waren zoo tegen dezen aflaatkramer verdeeld, dat de Paus zelf toestond, hem weder terug te zenden. En geene berisping, eer eene belooning ontving Zwiligli na dien tijd nog van den pauselijken legaat. 535

In December van het jaar 1518 werd Zwingli benoemd tot priester aan de Grootmunsterkerk te Zurich. Deze benoeming had niet zonder tegenstand plaats. Enkelen waren tegen hem en strooiden ware en valsche geruchten aangaande hem uit, o.a. dat hij en in Glarus en in Einsiedeln aan een onzedelijk leven zich had schuldig gemaakt. Oswald Myconius, leeraar aan de Stiftsschool in Zurich, die sterk voor Zwingli was, schreef hem dat. Uit het antwoord van Zwingli blijkt, dat hij op dit punt niet geheel onschuldig was en de geruchten dus niet van allen grond waren ontbloot. Toch ging zijne benoeming door, dank zij de voorspraak van Myconius, en op Zaterdag 1 Jan. 1519 deed Zwingli, juist 36 jaren oud, zijne intrede. Hij was naar Zurich gegaan, met het plan, om de geschiedenis van Jezus Christus, wiens leven al te lang aan het volk onbekend was gebleven, te behandelen aan de hand van Mattheus, wiens Evangelie hij verklaren zou, niet naar menschelijke uitleggingen maar naar den Geest Gods.

Dit was een ver reikend en veel zeggend besluit. Zwingli sprak daarin uit, dat hij vrije verkondiging van het zuivere Evangelie wilde, desnoods zonder en tegen den wil der hierarchie; en dat hij godsdienstige, zedelijke en burgerlijke hervorming alleen verwachtte van het geloof in Jezus Christus. Van nu af aan was kerkelijke en staatkundige herstelling voor Zwingli één. Hij kon beide niet scheiden. Het was één doel, dat hem voor oogen stond, de hervorming van zijn vaderland door middel van de prediking des zuiveren Evangelies. Van die prediking verwachtte hij alles: 't Woord Gods behoefde slechts gepredikt te worden, dan zou het zelf wel zich den toegang verschaffen tot de harten der menschen, en van Zurich uit zou spoedig geheel Zwitserland voor het Evangelie 536 gewonnen en daardoor van den zedelijken en staatkundigen ondergang gered worden. Het was een grootsch, machtig ideaal, dat Zwingli najaagde; en zijn vertrouwen op de kracht en den invloed der waarheid was onwankelbaar groot. De vraag, of Zwingli bij voorkeur politiek of kerkelijk hervormer was, komt bij eene juiste en ware beschouwing van den Zurichschen priester volstrekt niet te pas. Dat dilemma bestond voor hem niet. Ook als hij later naar onze gedachte te veel in de politiek zich verliest, dan doet hij dat alleen, om de vrijheid der zuivere Evangelieprediking voor zijn geliefd vaderland te redden, en alzoo de bron geopend te houden, waaruit alleen herstelling van Kerk en Staat, hervorming van godsdienst en zeden, van kunst en wetenschap voortvloeien kan.

En het scheen, toen Zwingli in 1519 begon om in Zurich het zuivere Evangelie te prediken, dat zijn plan in elk opzicht gelukken zou. De opgang, dien de prediker aan de Grootmunsterkerk maakte, was groot. Die nooit ter kerke kwamen, gingen weer heen, om dezen zoo ongewonen prediker te hooren. Aan 't einde van het jaar kou Zwingli aan Myconius, die Zurich verlaten had en naar Luzern was gegaan, schrijven, dat meer dan 2000 zielen reeds zoover met de melk des Evangelies gevoed waren, dat zij spoedig vastere spijze konden verdragen. Dit jaar ging overigens rustig voor Zwingli voorbij. Tegenstand deed er zich nog niet op. Zwingli zelf trad ook nog niet aanvallend tegen de leer der kerk op. Positief ging hij te werk. Dat was geheel Zwingli's karakter. Als de waarheid maar gepredikt werd, dan moest de leugen en de dwaling vanzelf verdwijnen. Want bij het licht der waarheid ontmaskerd en in al haar naaktheid en huichelachtig wezen tentoongesteld, zouden zij niet durven standhouden, maar van schaamte op de vlucht gaan. 537

Wat in dit jaar vooral nog belangrijk is, is de pest, die in Zurich woedde. Zwingli was naar de baden gegaan, maar toen zijn eigen kudde aangegrepen werd door deze ziekte, keerde hij ijlings terug en bewees zich een trouwen herder. Spoedig echter kreeg hijzelf ook de pest. Hoe hij onder die ziekte gesteld was, kan uit een drietal liederen worden opgemaakt, door hemzelven vervaardigd. In 't eerste spreekt hij bij den aanvang der ziekte zijn stille overgegevenheid uit aan den wil des Heeren; in het tweede, wanneer de krankheid op 't hoogst is, wordt hij door wee en angst aangegrepen maar, zoo zegt hij, indien ik den strijd niet strijden en aan 's Duivels list en machtige hand geen wederstand bieden kan, toch blijft mijne ziel steeds de uwe, o Heer! In 't derde, als het gevaar voorbij is, moet zijn mond Gods lof en eer uitspreken, en zal hij de moeiten en rampen vroolijk dragen en zich met alle krachten toewijden aan den dienst des Heeren. Merle d'Aubigné plaatst in deze ziekte de eigenlijke bekeering van Zwingli. Er is daarvoor geen bewijs. Het berust bovendien op eene verkeerde voorstelling van Zwingli's ontwikkeling tot Hervormer. De Zwitsersche Hervormer is geestelijk gansch anders dan Luther geleid. Bij hem geen worstelingen, geen verschrikkingen der wet, geen plotselinge overgangen, geen snelle omkeeringen. Maar een langzaam rijpen en vruchtdragen van het zaad des Evangelies, reeds door Thomas Wyttenbach in zijne ziel gestrooid. De indrukken, allengs door allerlei ervaringen en van allerlei zijden ontvangen, zijn door zijn pastoorsleven te Glarus en Einsiedeln heen steeds verdiept en machtiger geworden. Langzamerhand is hij toegenomen in de kennis der waarheid, en daarmee ging gepaard toeneming van de liefde zijns harten, versterking in 't geloof in zijn Heiland, en ook verbetering zijns levens, en veredeling 538 van zijn karakter. Zwingli's ontwikkeling was dus normaal, in zoover bij zulk een overgang als van de verbastering des Evangelies in de R. kath. kerk tot de belijdenis der zuivere waarheid van normaal gesproken kan en mag worden. Zwingli bleef dan ook in dezen tijd nog humanist en met de humanisten in correspondentie en verkeer. Ja, beide, humanisme en hervorming gingen bij hem hand aan hand; tot eene tegenstelling werden deze beide voor zijn bewustzijn nooit.

Positief werd dus de Hervorming door Zwingli begonnen en voortgezet. Hij ging daarbij uit van een practisch en goed doordacht plan. Nadat hij aan de hand van Mattheus het leven van den Heiland gepredikt had, schetste hij daarop zijnen hoorders de wording en ontwikkeling der eerste gemeenten uit de Handelingen der Apostelen; ontwikkelde daarna uit 1 Timoth. den wandel des christens, trachtte vervolgens uit den brief aan de Galaten den aard van het geloof te doen kennen, schilderde daarop het beeld van den Apostel Paulus, naar aanleiding van den tweeden brief van Timotheus, tegenover de dwaalleeraars en besloot dit alles met de prediking van Christus, den eenigen Hoogepriester, uit den brief aan de Hebreen.

Zoo gingen de eerste jaren voor Zwingli in Zurich betrekkelijk stil en rustig voorbij. Het werk der Hervorming werd gaandeweg bevestigd; ook het zedelijk leven der Zurichsche burgerij werd beter. Toch kwam er wel eenige tegenstand. Het ontkennen, dat de tienden, die opgebracht moesten worden, in de H. Schrift gegrond waren; het bestrijden van vreemden krijgsdienst en van allerlei onzedelijkheid, ook in de kleederdracht, wat door Zwingli ook op den kansel geschiedde, lokte vooral van den kant der monniken en der geestelijken veel tegenstand uit. Maar — en dit is opmerkelijk in de hervorming van Zurich — de 539 Raad der stad kwam steeds dichter te staan aan de zijde van Zwingli. In Zurich weigerde men in 1521 al beslist, om een bondgenootschap met Frankrijk aan te gaan; alleen werd een oud verbond met den Paus nog gehandhaafd. Ja, reeds in 1520 besloot de Raad bij meerderheid, dat de Evangelien en de brieven der Apostelen overal vrij naar den Geest Gods gepredikt mochten worden, en dat men van menschelijke instellingen en leeringen zwijgen zou. Zwingli werd dan ook door velen reeds voor een ketter gehouden en voor een volgeling van Luther. Anderen wilden, dat hij zich in elk geval tot het kerkelijke beperken zou. Maar om de bezonnen, positieve wijze, waarop Zwingli te werk ging, durfde en kon men hem niet openlijk aanvallen, en zelfs in Rome trachtte men de in Zurich veldwinnende zuivere Evangelieprediking te ignoreeren om alzoo Zwingli en Zurich voor zich te blijven behouden.

Dit kon echter op den duur zoo niet voortgaan.

De tegenstelling, die allengs in Zurich in het leven zithtbaar werd tusschen de leer der kerk en het Evangelie, kon niet verborgen blijven. Heeft Zwingli anders gehoopt en verwacht, dan heeft hij zich vergist. In het jaar 1522 kwamen de partijen tegenover elkander te staan. De aanleiding was deze: Zwingli had betoogd, dat de vastentijd niet in Gods woord was gegrond (1 Tim. 4 : 1-5). Velen hadden daarom in den vastentijd van het jaar 1522 zich om de geboden der kerk niet bekommerd. Dat gaf opschudding, vooral onder de monniken. De Raad der stad ried, om de gebruiken der Kerk te handhaven. De bisschop van Constanz zond een gezantschap, om Zwingli en den Raad over deze ongehoorzaamheid aan de Kerk te onderhouden. Zwingli echter verdedigde zich en zeide: nu het gaat om zoo nietige zaak als het 540 overtreden der vastengeboden, zendt de Kerk terstond een gezantschap, maar of soms het Evangelie niet zuiver gepredikt wordt, daarover bekommert zij zich niet. Den 16den April verscheen nu Zwingli's eerste reformatorisch geschrift: Von erkiesen und freiheit der speisen. De practische behoefte deed Zwingli naar de pen grijpen. Het droeg, evenals de meeste latere geschriften, tot motto: Komt tot mij allen die vermoeid en beladen zijt, Ik zal u rust geven. Daarmede was de strijd uitgebroken. Den 2den Mei zond de bisschop van Constanz een brief rond, waarin hij geestelijken en leeken tegen alle nieuwigheden waarschuwde, en den 24sten Mei een brief bepaald aan het kapittel te Zurich, om de bestrijders der kerkelijke gebruiken te weerstaan. Maar Zwingli werd steeds koener. Rustig en kalm overzag hij den toestand en beheerschte dien. Met 10 pastoors uit de omstreken van Zurich richt hij een verzoekschrift aan den bisschop, om het huwelijk der geestelijken toe te staan. En in de maand Aug. antwoordt hij hem in zijn geschrift Archeteles en stelt daarin de autoriteit der H. Schrift tegenover die der Kerk. Den 15den Aug. bepaalt dienovereenkomstig de Zurichsche Landdag, dat alleen Gods Woord gepredikt mag worden. Dit Schriftbeginsel werd door Zwingli in zijn werk over de klaarheid van Gods Woord op schoone en diepzinnige wijze gehandhaafd en ontwikkeld. Daarmede was in dit jaar de grondslag der Hervorming gelegd, haar beginsel duidelijk uitgesproken; de partijen stonden van nu aan scherp tegenover elkaar.

Opdat beide partijen zich met elkander zouden kunnen meten, werd op Zwingli's aanraden door den Raad van Zurich eene openlijke Disputatie vastgesteld op den 29 Jan. 1523. Zwingli stelde voor die gelegenheid 67 theses of stellingen op, die alle krachtig en duidelijk uitspraken 541 het gezag van Gods Woord alleen en de volkomen genoegzaamheid der offerande van Christus, en vandaar uit de Kerk omschreven als de gemeenschap der heiligen met Christus, heel de Roomsche Kerk met al haar leeringen en geboden omverwierpen, het recht der gemeente handhaafden en aan de Christelijke overheid de jurisdictie over en in de gemeente opdroegen. Deze stellingen, door Zwingli in de maand Juli in een belangrijk geschrift nader verklaard, omvatten bijna alle punten der leer, en toonen, hoe Zwingli door de studie der H. Schrift, reeds op alle punten tot klaarheid voor zichzelf was gekomen, en het program der reformatie geheel voor hem gereed lag. De disputatie zelve, op welke alleen de H. Schrift bewijskracht had, liep voor Zwingli en de zijnen zeer gunstig af. Van nu voortaan was Zwingli's zaak die van Zurich.


II.

Terwijl buiten het Zurichsch gebied de tegenstand steeds feller werd, werd in Zurich na het eerste dispuut in Jan. 1523, eene reeks van hervormingen op allerlei gebied ter hand genomen en zonder groote storenis tot stand gebracht. Aan de nonnen in de verschillende kloosters werd vrijheid gegeven, ze te verlaten. Het stift bij het Groot-minister, waar 24 Kanunniken aan verbonden waren, werd geheel gereformeerd en veranderd in een instituut tot opleiding van toekomstige predikers. Vele geestelijken traden in het huwelijk, sommigen zelfs met nonnen, wat vooral veel aanstoot gaf; Zwingli zelf was reeds in 1522 in het huwelijk getreden met de weduwe van Johannes Meyer, Anna Reinhart geheeten, maar hij hield dit nog, om geen ergernis te geven, tot April 1524 verborgen. Zeker is dit niet in elk opzicht te verdedigen, maar men bedenke, dat Zwingli niemand anders dan den duivel hield voor den uitvinder van het coelibaat en dat hij met de andere hervormers onomwonden de rechten der natuur uitsprak en handhaafde tegenover hunne verkrachting door de Katholieke Kerk. Den 10en Augustus 1523 werd voor het eerst de doop bediend naar het nieuwe door Leo Judae opgestelde formulier. Met de afschaffing der mis werd, hoewel Zwingli haar afgodisch karakter reeds ten volle doorzag, toch nog ter wille der zwakken een tijd gewacht.

Niettemin ging dit bezonnen ondernomen en gestadig 9 voortschrijdend werk der hervorming velen veel te langzaam toe. Sommigen verlangden terstond afschaffing der mis en gingen tot daden over, tot omverwerping der crucifixen, uitstorting van het wijwater enz. Deze drijvers, wien Zwingli wel in het beginsel maar niet in de wijze hunner hervorming gelijk gaf, maakten eene tweede openbare Disputatie noodzakelijk, die den 26 Oct. 1523 plaats had. Zij liep over den beeldendienst en het misoffer, en had tot uitkomst, dat beide, als strijdig met de H. Schrift, werden verworpen, maar toch in dien weg en door die middelen, als de Heere aanwees, zouden afgeschaft worden. Zwingli trachtte in eene Korte Christelijke Inleiding, in Nov. 1523, uiteen te zetten, hoe het werk der Hervorming ook in betrekking tot beelden en misoffer moest voortgezet worden, waarschuwde tegen overijling en drong op hervorming door onderwijzing uit de H. Schrift, zonder oproer en met eenstemmigheid, aan. Op die wijze werd dan ook de Reformatie in Zurich voortgezet.

Wel werd op den Zwitserschen Landdag te Luzern 26 Jan. 1524 besloten, om den Katholieken godsdienst te handhaven, en eene deputatie naar Zurich te zenden ter afrading van alle nieuwigheden, maar Zurich bleef aan zijn beginsel getrouw, en verklaarde, dat het het verbond met de andere staten volstrekt niet breken wilde, maar in datgene, wat het Woord Gods en het heil der zielen eischte, niet wijken of toegeven kon. Van dat oogenblik af stonden in Zwitserland de Katholieke en de hervormingsgezinde kantons tegenover elkaar. Zurich echter ging voort met de hervorming. Allerlei losbandigheden, dansen, nachtelijk rumoer enz. werden verboden. De mis bleef nog wel toegelaten, maar toch werd het avondmaal al ingevoerd. De beelden werden afgeschaft, het geld, dat 10 zij opbrachten, voor de armen besteed; de reliquien werden begraven (Juni 1524).

De drie bedelorden der monniken werden in een klooster vereenigd; de sterken werden tot den arbeid, de ijverigen tot de studie verplicht (Dec. 1524). In Januari van het volgende jaar werd er eene „Ordnung" door den Raad opgesteld, die het armenwezen regelde; ook voor de verpleging der kranken werd zorg gedragen. In de lente van 1524 werd een „Chor- und Ehegericht" aangesteld, dat de huwelijkssluiting en de daarbij voorkomende en noodige zaken regelen en eene „censura morum" uitoefenen moest. De beslissendste stap werd echter gedaan, toen den 12den April 1525 de mis voorgoed afgeschaft en door de bediening des H. Avondmaals vier malen in het jaar, vervangen werd.

Aan het einde van het jaar 1525 kon Zwingli met vreugde op zijn arbeid terugzien. De voornaamste hervormingen waren tot stand gebracht. Leer en leven, Kerk en Staat, godsdienst en zeden waren in Zurich geheel veranderd en omgekeerd. Door het beleid, de rustige bezonnenheid, de kalme, gewetens sparende en langzaam maar zeker voortschrijdende werkzaamheid van den Zwitserschen Hervormer was het godsdienstig en zedelijk verbasterde Zurich hervormd tot eene Christelijke stad, waar het Woord van God als de eenige richtsnoer gold van geloof en leven.


Toch zou het werk der Hervorming niet op dezelfde rustige wijze kunnen voltooid worden, als het begonnen was. Ja, reeds in de jaren 1524 en 1525 was Zwingli in een bangen strijd gewikkeld met de Wederdoopers. Deze partij, welke onafhankelijk van en vóór die in Duitschland ontstond, stak het eerst het hoofd op in 1523. De 11 Hervorming van Zwingli was niet radikaal genoeg. Eerst misnoegd op den Hervormer, spannen zij weldra tegen hem samen, en stellen den wederdoop tot het allen verbindend teeken hunner heilige gemeente. De aanvoerder, Conrad Grebel, leerde spoedig de geschriften kennen van Thomas Munzer en trad met hem en Carlstadt in verbinding. Weldra werd een groot aantal menschen in Zurich en daarbuiten door deze bezielde en enthusiaste woordvoerders gewonnen en medegesleept. Zwingli verzette zich tegen hen in woord en daad, en trachtte hen door gesprekken en geschriften tot betere gedachten te brengen. Niets mocht baten. De Raad besloot tot eene disputatie op den 17den Jan. 1525 en daarna tot eene andere op den 20sten Maart. Maar ook hier werden zij niet overtuigd. Enkelen van de heftigste aanvoerders werden daarop gevangengenomen, anderen verbannen. Maar de partij nam steeds toe. Door hetgeen zij vernamen van den Boerenopstand in Duitschland, werden zij in hun verzet geprikkeld. Het volk verbond zich met hen en eischte vele sociale vrijheden, die met de idealen der Wederdoopers overeenstemden, zooals vrijheid van tienden, heirdiensten enz. Eene volksvergadering werd er zelfs te Töss gehouden, die, eerst stormachtig, toch vreedzaam afliep. Vele hunner eischen werden ingewilligd. Sommigen werden met geldboeten gestraft. En een enkele, Hans Susstrunk, werd onthoofd. Ook al liep deze Boerenopstand bevredigend af, de Wederdooperij won in aanhang. In Aug. 1525 werd wederom eene disputatie gehouden, en toen naar het oordeel aller onbevooroordeelden Zwingli de gronden der Wederdoopers volkomen had weerlegd, werd hun partij als eene sekte beschouwd, de herdoop verboden, de hoofden ervan gevangengenomen, maar toch spoedig daarna onder sterke bedreiging weder losgelaten. 12 Maar de zachte maatregelen vermochten deze fanatische partij niet te teugelen. Zij sloeg in allerlei uitersten over; schrikkelijke ongebondenheid en vleeschelijke lusten begonnen onder haar te heerschen, zoodat de Raad den 7 Mei 1526 het besluit nam, om de straf der verdrinking op den wederdooper toe te passen. Een der aanvoerders, Manz, werd den 5den Jan. 1527 op die wijze gedood en later nog twee anderen.

Door dergelijke maatregelen, die ook in Bern en St. Gallen genomen werden (Aug. 1527), werd de partij onderdrukt. Zwingli heeft zeker deze harde strafbepalingen niet afgekeurd, evenmin als Bullinger, Luther, Calvijn, Melanchton. Maar toch heeft hij een prijzenswaardig geduld aan den dag gelegd, en althans in den beginne hen voorgesproken. De buitensporigheden echter, waarin de wederdoopers spoedig vervielen, hun radikaal, revolutionair optreden, hun verkeeren en misbruiken van de Evangelische vrijheid tot eene oorzaak voor het vleesch, maakten al deze harde maatregelen noodzakelijk. Zwingli's houding in dezen steekt bij die van andere Hervormers volstrekt niet ongunstig af.

Behalve met de Wederdoopers had in dezen zelfden tijd Zwingli nog een strijd te voeren met Luther over het Avondmaal. Zwingli hield het avondmaal, van den aanvang af dat bij optrad tegen de Roomsche mis, niet voor eene herhaling, maar voor eene herdenking van het lijden en sterven van Christus. In den eersten tijd liet hij zich nog niet duidelijk over het avondmaal uit, maar de aanneming van eene substantieele tegenwoordigheid van het vleesch en bloed van Christus in brood en wijn lag nooit op de lijn zijner reformatorische gedachten. Eerst in 1524, toen Carlstadt's geschriften door de Wederdoopers ook in Zurich bekend werden, ontwikkelde Zwingli zijne leer 13 over het Avondmaal breeder, en droeg toen ook de verklaring voor van „is" (in de woorden: dit is mijn lichaam) door „beteekent". Deze verklaring had Zwingli te danken aan onzen landgenoot Cornelis Hoen, advokaat bij het Hof van Holland. Hoen was zeer ingenomen met de werken van Wessel Gansfort en werd door een opstel van dezen geleerde over het avondmaal opgewekt, over de beteekenis van dit Sacrament na te denken. Hij kreeg eene geheel nieuwe opvatting, ontwikkelde die in een breedvoerigen brief (1520 of 1521), en liet dien door zijn vriend Hinne Rode, Rector der Hieronymusschool te Utrecht, overgeven aan Luther, om zijn oordeel over deze leer te vernemen. Luther was natuurlijk met deze opvatting niet ingenomen. Maar Cornelis Hoen deed daarom van zijne zienswijze geen afstand en liet er in 1523 Oecolampadius in Bazel, den vriend van Zwingli, mede in kennis stellen. Zoo kwam zij ook ter kennis van Zwingli, en deze gaf den brief van Honius met eene voorrede in 't licht (1525). Zwingli's leer van het Avondmaal in haar latere ontwikkeling was nu eenvoudig deze: dat het Avondmaal was een maaltijd ter gedachtenis van het lijden en sterven van Christus, op bevel haars Heeren door de gemeente gehouden als eene daad van gemeenschappelijk geloof en belijden. Het Sacrament als een genademiddel, als een zinnebeeld der vernieuwde levensvereeniging met Christus, vroeger door Zwingli beleden en verdedigd, kwam dus meer en meer op den achtergrond te staan.

Luther had van deze avondmaalsleer van Zwingli reeds in 1524 kennis bekomen, maar liet ze weerleggen door Bugenhagen, die beweerde dat Zwingli geen theoloog was en daarom in October door Zwingli beter ingelicht en op korte maar krachtige wijze bestreden werd. Zwingli kreeg echter vele aanhangers, ook in het zuiden van Duitschland. 14 Dat prikkelde Luther, en in Oct. 1525 mengt hij zich in den twist, en zegt toen reeds: een van beide, wij of zij (de Zwinglianen) moeten dwalen en Satans dienaren zijn. Dat standpunt is Luther blijven innemen. Hij kon Zwingli's avondmaalsleer niet objectief beschouwen, zij was hem eene Satanische dwaling, dienend om het door hem begonnen werk der Hervorming te verstoren. Zelf zich het uitverkoren werktuig achtend, waardoor God de zuivere prediking van het Evangelie weer te voorschijn had gebracht, was het hem onmogelijk, Zwingli als een zelfstandig hervormer naast zich te erkennen. Afwijking van zijn gevoelen was dwaling, was zonde.

Een reeks van schriften en tegenschriften werd nu tusschen Luther en Zwingli gewisseld. Elk onpartijdige zal moeten erkennen dat Zwingli zich tegenover de harde redenen en sophismen van Luther waardig heeft gedragen, al valt niet te ontkennen, dat in de latere geschriften van Zwingli de toon en de zelfbewustheld wat al te hoog en de humor wat al te sarkastisch is. Zoo meende Zwingli ook in volle oprechtheid, dat binnen drie jaren zijne Avondmaalsleer overal instemming vinden zou. De strijd was behalve om andere redenen ook hierom belangrijk, dat Zwingli daarin het recht en de zelfstandigheid der Zwitsersche Hervorming naast en tegenover de Saksische voldingend heeft bewezen.

Eene groote aanwinst voor Zwingli was de overgang van Philip, den Landgraaf van Hessen. Reeds 1527 was deze den hervormer van Zurich genegen. En op den rijksdag te Spiers, 1529, was hij het, die voor de Zwinglianen sprak en bestreed, dat zij en de Wederdoopers in den ban zouden worden gedaan. Philip van Hessen wilde niets liever dan eene verzoening en vereeniging tusschen Wittenberg en Zurich, en stelde daarom eene disputatie voor. 15 Zwingli was daartoe aanstonds bereid. Luther was er niet bijzonder toe genegen, maar durfde het toch den Landgraaf niet weigeren. De disputatie had van den 2den tot den 4den Oct. 1529 te Marburg plaats. Gelijk te voorzien was, kwam men tot geen overeenstemming; door de pogingen van Philip echter onderteekende men van beide zijden een in de avondmaalsleer dubbelzinnig opgesteld formulier, waaruit in elk geval bleek, dat in andere leerstukken Zwingli niet van Luther en de Wittenbergers afweek. Hoe bedroevend deze twist tusschen de beide Hervormers ook was, Zwingli heeft, gelijk reeds boven gezegd werd, in dezen strijd op uitstekende wijze het recht der Zwitsersche Hervorming tegenover en haar onafhankelijkheid van de Saksische bepleit. Luther werd door Zwingli zeer hoog geacht; dankbaar werden door hem de vele gaven en talenten erkend, door God aan den Duitschen Hervormer ten goede zijner gemeente geschonken; Zwingli wilde tot den einde toe niets liever, dan met de Wittenbergers vereenigd te zijn. Maar — en dat kon Luther zeker nooit goed verdragen — Zwingli handhaafde ook tegenover hem zijne volle zelfstandigheid; niet door Luther maar door eigen onderzoek der Schrift had hij zuiverder kennis van het Evangelie verkregen; op eene eigene wijze was hij in bescheidener kring en zonder buitengewone gebeurtenissen tot het werk der Hervorming gekomen; en zoo wilde Zwingli dan ook niet naar Luther genoemd worden, omdat hij zijne leer alleen te danken had aan Jezus Christus zijn Heer. Geen creatuurvergoding — dit beginsel zijner reformatie heeft Zwingli ook op Luther toegepast. Ja, het is zeker niet te veel beweerd, als ondersteld wordt, dat het onstuimig en hartstochtelijk karakter van den Saksischen Hervormer en van zijne Reformatie niet in elk opzicht de goedkeuring en de sympathie wegdroeg van 16 den klaren, zelfbewusten, planmatig te werk gaanden Reformator van Zwitserland.

Ernstiger nog dan deze strijd met de Wederdoopers en met Luther, was de kamp met de Roomsch gebleven kantons in Zwitserland, die dan ook tot een zeer tragisch uiteinde heeft geleid. Zwingli's verwachting, dat het Evangelie, indien het maar zuiver gepredikt werd, weldra door allen zou aangenomen worden, werd bij den dag teleurgesteld. Zijn vertrouwen op de macht der waarheid werd diep beschaamd, en toch bij hem zelven geen oogenblik geschokt. Tot aan zijn dood toe leefde hij in de overtuiging, dat het volk in de Roomsche kantons in den grond de prediking van het zuivere Evangelie wel wilde, dat men dat Evangelie alleen bestreed omdat men het niet kende, en dat die prediking van het zuivere Evangelie alleen geweerd en verhinderd werd door enkele warhoofden en aanvoerders, die door Satan tot zijn instrumenten in zijn strijd tegen de waarheid van Christus waren uitverkoren. Dit alles moet onder het oog gehouden worden, om Zwingli billijk te beoordeelen. Daaruit laat zich verklaren, dat hij tegen die enkelen, die naar zijne gedachte den vrijen loop des Evangelies verhinderden, zeer hard kon zijn. Maar dit is ook de sleutel ter verklaring, waarom Zwingli zich, zooals men dan zegt, later in de politiek heeft verloren. Dit is niet geheel juist voorgesteld. Zwingli is niet van richting veranderd; zijn hervormingsplan is niet gewijzigd; hij is niet van Reformator politicus, Staatsman geworden. Maar van den aanvang af stond dit voor hem onomstootelijk vast: redding is er voor Kerk en Staat, voor land en volk, alleen te verwachten van de ongehinderde prediking der waarheid, des Evangelies van Christus. Voor die vrije prediking heeft Zwingli gestreden; die moest toegelaten worden in alle 17 kantons, ja allerwege, door gansch Europa. De waarheid moest vrij zijn; niets meer, maar ook niets minder lag in de bedoeling van Zwingli. Van dien eisch mocht hij geen afstand doen; dat ware naar zijne beschouwing ontrouw geweest aan de waarheid zelve. Zoo te handelen, was hij aan de waarheid verplicht. Zwingli heeft volstrekt niet de Katholieke kantons door geweld tot de Hervorming willen overhalen; hij heeft ook niet in de eerste plaats de hegemonie van Zurich verlangd. Maar toen de Katholieke kantons juist dat bestreden, wat Zwingli niet toegeven kon, toen moest de strijd ontbranden, toen heeft Zwingli tot den oorlog aangemaand en het zichzelven tot eene eere gerekend, voor de vrije prediking des Evangelies, voor de waarheid van Christus het leven te laten op het slagveld.

De oppositie der Katholiek blijvende kantons openbaarde zich reeds in 1523. Enkele grootere steden, zooals Schaffhausen, Bazel, Bern, St. Gallen lieten de prediking van het zuivere Evangelie wel toe, en werden gedeeltelijk voor de Hervorming gewonnen; maar de meerderheid der kantons, vooral adel en regeering, bleef Katholiek en nam in vijandschap tegen Zurich toe, naarmate daar het werk der Reformatie voortgezet werd. Zwingli vooral was het voorwerp van aller haat; hij werd beschouwd als de groote ketter, de vredestoorder, de scheurmaker tusschen de Zwitsersche Eedgenooten. In Januari 1524 besloten zij op den Landdag te Luzern reeds, den Katholieken godsdienst te handhaven en Zurich van alle nieuwigheden af te manen. De kantons Luzern, Uri, Schwijz, Unterwalden, Zug en Freiburg sloten zich nauwer aaneen, en wilden reeds in Juli van datzelfde jaar Zurich van het Zwitsersche Bondgenootschap uitsluiten, wat echter door het voorzichtige en eene afwachtende houding aannemende Bern werd 18 tegengehouden. Vooral in den zoogenaamden „Ittinger Handel", ontstaan ten gevolge van het afbranden van het Karthuizer klooster te Ittingen, bij gelegenheid dat de hervormingsgezinden den gevangen genomen predikant Oechslin wilden bevrijden, nam de vijandige stemming onrustbarend toe. Zwingli, op alles bedacht, maakte ongeveer in dezen tijd reeds een uitvoerig oorlogsplan. Toch was dat vooreerst nog niet noodig.

De Katholieke kantons hadden eerst nog een ander plan, en wilden op eene algemeene Disputatie Zwingli's naam en kracht breken. De bekende Dr. Joh. Eck, professor in Ingolstadt, zou daarbij als bestrijder van Zwingli optreden. Dit was zeker op zichzelf geheel naar den zin van Zwingli, en hij noodde daarom Dr. Eck uit, om naar Zurich te komen. Deze uitnoodiging werd echter niet aangenomen, en zoo verliep er een geheele tijd, eer er iets van zulk een twistgesprek kwam. Toen echter de Paus in 1526 de voor krijgdienst aan Zurich verschuldigde gelden niet wilde betalen, tenzij men weder tot de Roomsche Kerk terugkeerde, en dus meer beslist dan voorheen tegen Zurich was opgetreden, toen begonnen de Katholieke kantons weer op eene Disputatie aan te dringen. Den 13den Maart wordt, vooral door den invloed van Dr. Faber, een heftigen vijand van Zwingli, besloten, dat de disputatie te Baden gehouden zal worden. Alles was er op aangelegd, om op die disputatie Zwingli te vernederen en tot zwijgen te brengen en de overwinning te verschaffen aan de Roomsche leer. Maar, waarop men niet gerekend had, Zwingli weigerde, om op de disputatie te komen en zich in Baden te laten „baden". Alle pogingen werden aangewend, om hem toch over te halen, den 12den Mei wordt hem een vrijgeleide geboden. Maar Zwingli blijft weigeren, en de Raad van Zurich verbood hem te gaan. 19 Natuurlijk maakte dit een slechten indruk; Zwingli werd van vrees en lafheid beschuldigd; zelfs zijne vrienden verwonderden zich over zijn besluit.

En ook wij zijn geneigd, om te zeggen: Zwingli had maar moeten gaan, en zich moeten overgeven, er kwame wat er komen mocht; 't was toch de zaak van zijn Heiland, die hier aangevallen werd. Maar Zwingli zag het anders in. Dat hij uit vrees wegbleef, geloofden zelfs vele zijner vijanden niet, en is ook bij een man als Zwingli niet te onderstellen; hij had het vroeger en hij heeft het later anders bewezen. Maar Zwingli vertrouwde de zaak niet; hij wist, het was niet om de waarheid te doen, maar om hem te vernederen; bij had er gronden voor om te gelooven, dat bij, zooals Oecolampadius later zeide, in Baden op den brandstapel gebracht zoude worden. In Zurich, Bern, St. Gallen had hij gaarne willen disputeeren, maar niet in Baden, dat geheel stond onder de macht der Katholieke kantons. En nu was Zwingli er de man niet naar, om zoo maar een hartstochtelijk besluit te nemen en zich ten genoegen van anderen te laten verbranden en alzoo zijn geliefd Zurich aan eigen lot over te laten. Als hij moest sterven voor de zaak des Heeren, dan was hij bereid. Men behoeft zijn geschrift over den „Herder" slechts te lezen, om terstond den indruk te ontvangen: ja, zulk een Herder was Zwingli, die zijn leven veil heeft voor zijne schapen. Maar dit is iets anders, dan om zich over te geven ten genoegen van Dr. Eck en Dr. Faber. Alles bijeengenomen, geloof ik, dat het Zwingli meer zelfverloochening en strijd kostte, te blijven, dan te gaan, en te verdragen, dat hij van alle zijden als een lafaard werd voorgesteld.

De disputatie liep natuurlijk ongunstig voor de Hervormingsgezinden af. Zwingli was er niet — dat zeide al 20 genoeg. Het geloof in de Katholieke Kerk en haar kracht herleefde. Zwingli werd als een ketter tentoongesteld en in den ban gedaan. De Evangelischen sloten zich te nauwer aan Zurich aan, maar de andere kantons namen van nu af eene vijandige houding aan: de oorlog was eene kwestie van tijd. Bern, welks ontevredenheid opgewekt werd door den toon, dien de Roomsche kantons tegen Zurich aannamen, en door de wijze waarop door hen van de disputatie te Baden gebruik gemaakt werd, liet de vrije prediking van het Evangelie toe. Daardoor werd eene disputatie noodzakelijk, die, in Januari 1528 gehouden, met weinig moeite ten voordeele der Hervorming afliep. Bern ging daarop tot de Reformatie van Zwingli over, en Zwingli sprak, verblijd over deze aanwinst, de hoop uit, dat ook de overige Eedgenooten nog voor het Evangelie zouden gewonnen worden. Er werd een verbond tusschen Zurich en Bern gesloten, en in 't laatst van 1528 en in 1529 traden daartoe ook St. Gallen, Bazel, Schaffhausen, Mühlhausen, Biel enz. toe. De hervorming maakte dus goeden voortgang. En Zwingli, die de ziel was van heel de beweging, en zonder wiens raad ook in de politiek niets geschiedde, stond in dezen tijd op het hoogste punt zijner macht, maar zag zich ook gedrongen, om juist ter handhaving van de waarheid, die hij voorstond, in de politiek zich te mengen en straks naar de wapenen te grijpen. De Heere Christus moest tot heerschappij gebracht worden in Zwitserland, zoo sprak hij, en van zijn theocratisch standpunt uit eischte bij, dat elk daartoe desnoods met oorlog en geweld zou medewerken.

De oorlog brak uit in de lente van 1529, naar aanleiding van de terdoodbrenging van den predikant Jakab Kaiser in Schwijz, 29 Mei 1529. De legers trokken naar Kappel op, maar het kwam tot geen slag. Er werden 21 onderhandelingen geopend en den 25 Juni 1529 werd de eerste Kappeler vrede gesloten, die den Hervormingsgezinden wel geen overwinning bezorgde gelijk Zwingli die verlangde, maar toch niet onvoordeelig was.

In dezen tijd van vrede zocht Zwingli eene verbintenis aan te gaan met Philip van Hessen. Ja, nog veel verder reikten zijn plannen. Hij wilde een verbond tot stand brengen tusschen geheel het Evangelisch Europa, onder leiding van Frans I van Frankrijk, om alzoo krachtig tegen Keizer Karel en alle Katholieke Bondgenooten op te treden. Een grootsch en veelomvattend plan, dat zeer zeker geheel buiten de roeping van, den Hervormer en den burger van Zurich lag en spoedig ook in duigen viel, maar toch getuigt van den helderen blik, dien hij op de toestanden ook buiten zijn vaderland had, van de kalmte, die ook in de ingewikkeldste aangelegenheden hem bijbleef, van het vaste vertrouwen en het onwankelbaar geloof aan zijn ideaal: de waarheid allerwege te doen zegevieren ten nutte van Kerk en van Staat.

De vrede in Zwitserland kon echter niet van langen duur zijn. Van beide zijden was er ontevredenheid; er rees verschil over de uitlegging der vredesartikelen; in Sept. 1530 verklaarde Zwingli, dat er geen vrede kon komen, tenzij de Katholieken in hunne kantons de prediking van het zuivere Evangelie vrijlieten. Hij was dan ook reeds lang tot den oorlog geneigd. Vooral toen de Kath. kantons in Januari 1531 hunne ontevredenheid aan Zurich te kennen gaven, de Evangelieprediking niet wilden vrijlaten, de Hervormden vervolgden, begon Zwingli op oorlog aan te dringen. Maar Bern hield het voortvarende Zurich tegen. In dezen tijd ontwierp Zwingli het plan, om heel Zwitserland politisch te hervormen en aan Zurich en Bern de hegemonie te verschaffen. Maar de uitvoering van dit 22 plan leed schipbreuk, wijl noch Bern noch de overige verbondenen zich daartoe wilden leenen. Te sterker drong Zwingli daarom op den oorlog aan.

Men volgde echter dezen raad niet, maar besloot, juist tegen den wil van Zurich in, om de 5 Kath. kantons den invoer van koren, wijn, zout, staal en ijzer te weigeren. Dat was, gelijk Zwingli goed inzag, een halve maatregel die niets gaf, die de sympathie voor de alzoo onderdrukte kantons opwekte en in de kantons juist de armen, de onschuldigen trof, en slechts den moed der vertwijfeling geboren deed worden.

Zoo keerde alles zich tegen Zurich. De dreigingen van den Keizer, de verbittering der Katholieken, de weinige sympathie bij Bern en de andere bondgenooten — allen en alles was tegen Zwingli gericht; zelfs in Zurich werd oppositie tegen hem openbaar; van alle onheil droeg hij de schuld. Toen, in dat kritisch oogenblik verscheen Zwingli (26 Juni) in den raad en vraagde zijn ontslag. Hij kon niet anders; wilde Zurich niet meer met hem gaan, dan moest hij Zurich verlaten. De Raad verschrikte; de oppositie zweeg. En op een eervol verzoek trok Zwingli drie dagen daarna zijn ontslag weder in. Zeker had Zwingli toen reeds een duister voorgevoel van het lot, dat hem en Zurich wachtte.

In October 1531 brak de oorlog uit. Zwingli stelde zich niet aan 't hoofd van 't leger. Veeleer trok hij zich terug. Het was hem nooit om eigen eer en macht te doen. Waar hij voor streed, het was alleen de waarheid des Evangelies. Den 11den October werd de slag geleverd bij Kappel. Ook Zwingli was er bij tegenwoordig, maar hij gebruikte zijne wapenen niet. De slecht aangevoerde Zurichers werden geslagen; de edelste voorstanders der Hervorming vielen, 98 burgers uit de stad zelve vonden hun dood op 23 het slagveld. En onder die alle was Zwingli. Door een speer getroffen, viel hij en sprak hij deze woorden: het lichaam kunnen zij dooden, maar de ziel niet. Nog aangemaand, om de heiligen en de moeder Gods aan te roepen, weigerde hij, schuddende met het hoofd, en werd hij door een hoofdman uit Unterwalden met het zwaard gedood. Zwingli had den leeftijd bereikt van 47 jaren, 9 maanden en 11 dagen.


Door dezen slag kwam er eene geheele omkeering in de kansen der Hervorming. Voor Kappel scheen alles gunstig, na deze worsteling rees de vraag zelfs een oogenblik op, of heel het werk der Hervorming nog niet weer vernietigd zou worden. De oorlog werd nog een tijd lang voortgezet, maar een nieuwe slag bezorgde wederom aan de Hervormingsgezinden de nederlaag. Den 15 Dec. werd de vrede gesloten, waarbij bepaald werd, dat men elkander vrij zou laten in den godsdienst, en dat men in die plaatsen, welke stonden onder 't algemeen bestuur van den Bond, weder tot het oude geloof mocht terugkeeren. Het was voor Zurich een oneervolle vrede. De verbittering over dezen slechten afloop uitte zich in verwenschingen tegen hem, dien men nu als de oorzaak van alle ramp en onheil beschouwde, tegen Zwingli. De oppositiegeest werd in Zurich opgewekt, en het scheen, dat alwat door Zwingli tot stand gebracht was weer omvergeworpen zou worden. Maar na eene vergeefsche poging bij Oecolampadius en Leo Judae aangewend, werd door den Raad op den 9den Dec. 1531 tot opvolger van Zwingli beroepen Heinrich Bullinger, predikant te Bremgarten, die na de vredesluiting naar Zurich gevlucht was en daar in November door zijn preeken reeds vele harten gewonnen had 24 en de stemming weer eenigszins ten gunste der Hervorming deed keeren.

Bullinger nam de benoeming aan, van voornemen, om het werk, door Zwingli ondernomen, in zijn geest voort te zetten en tegen allerlei beschuldigingen en oproeren te verdedigen. Reeds den 28sten Januari 1532 hield hij eene rede over het Ambt eens Profeten, en verdedigde daarin Zwingli, stelde hem voor als een standvastig en moedig profeet des Heeren, herinnerde aan zijn brandende liefde voor waarheid en gerechtigheid, voor volk en vaderland, aan zijn vroomheid en eenvoud, en toonde aan, hoe Zwingli's dood en de geleden nederlaag niet mochten doen wantrouwen de waarheid van de zaak, welke door hen voorgestaan werd. Door dezen opvolger van Zwingli, wien een lang leven (tot 1575) gegund werd en die al dien tijd in Zurich werkzaam bleef, werd de Hervorming in Zwitserland duurzaam bevestigd. En hoe gaarne hij ook altijd in overeenstemming heeft willen zijn met Melanchton en Calvijn, nooit heeft hij hen in hun verkeerde voorstellingen van Zwingli iets toegegeven.

Want Zwingli is zeer verschillend, en dikwerf ook ongunstig beoordeeld. Om nu niet te spreken van Luther en de Lutheranen tot op dezen dag toe, ook Calvijn heeft aan Zwingli niet die eere gegeven, welke hem toekwam. Soms laat hij zich ongunstig over Zwingli uit. Dit kan zeer goed verklaard worden. Calvijn bracht, toen hij in Genève kwam, zijn geheele theologisch stelsel al afgerond mede; onafhankelijk van Zwingli had hij zich dat gevormd In Zwitserland komende en daar met Zwingli's geschriften eenigszins bekend wordende, vond bij (voor zoover hij ze las, want Calvijn erkende later, er niet veel van gelezen te hebben) daarin veel, dat hem tegenstond en niet in overeenstemming was met de H. Schrift. Calvijn kende 25 Zwingli alleen als theoloog, en moest dan wel een afkeurend oordeel over hem uitspreken, want Zwingli's Theologie is op menig punt onvoldoende. In zijne theorie is er veel, dat onjuist is en in de practijk tot zeer kwade gevolgen zou leiden, maar dat daarom bij de Zwitsers toch uitnemend werkte, omdat Zwingli door zijn persoon, door zijn practisch verstand, door zijne reformatorische kracht ook het verkeerde, dat in zijne theorie lag, wist te voorkomen en ten goede wist te leiden. Zwingli was Reformator, en als zoodanig, zooals hij daar staat met zijn persoonlijkheid, met zijn werkzaamheid moet hij beschouwd en beoordeeld worden, Calvijn kende hem echter slechts als theoloog; eene beschouwing nu van Zwingli's stelsel, afgedacht van zijn reformatorische werkzaamheid, zal ook ons evenals Calvijn op menig punt onbevredigd laten. Vooral Zwingli's leer van de Sacramenten en van de verhouding van Kerk en Staat kon Calvijn niet behagen. Maar misschien is daarbij door dezen Hervormer te veel vergeten, onder welke gansch andere omstandigheden dan hij Zwingli was geboren en opgevoed: Zwingli was een republikein, een vrije zoon van Zwitserland, Calvijn een Franschman, opgevoed onder een monarchale regeering. Aan Calvijn, moest gevaarlijk toeschijnen, wat Zwingli meende dat zeer goed werken kon. Gene achtte scheiding, deze vereeniging van Kerk en Staat althans in de practijk wenschelijk.

De pieteit, die de Zwitsers voor Zwingli bleven gevoelen, werd daarom door Calvijn nooit goed begrepen noch ook altijd gespaard. Dat nationale gevoel, dat toch steeds weer in liefde voor den edelen, vaderlandslievenden Zwingli opwaakte- en zijne gebreken vergoelijkte, dat gevoel bleef Calvijn, wiens geheele werkzaamheid geen nationaal maar een universeel karakter draagt vreemd, en werd door 26 hem niet op den rechten prijs geschat. Die pieteit maakte het Calvijn soms moeilijk, om zijne denkbeelden in Zurich en Bern ingang te doen vinden, en droeg het hare er toe bij, om Luther veel hooger dan Zwingli te stellen, al meenen wij, dat Zwingli de eerste was, die het recht der Zwitsersche Hervorming tegenover Luther bepleit en den grondslag der Gereformeerde Kerk heeft gelegd.

Want ondanks het ongunstig en in veel opzichten juiste oordeel van Calvijn over Zwingli's Theologie, Zwingli behoort aan de Gereformeerde Kerk en is daartoe door de Gereformeerden ook altijd gerekend. Het grondbeginsel der Zurichsche Reformatie is hetzelfde als dat van de Geneefsche. Ook al geven wij volmondig toe, dat niet Zwingli maar Calvijn eerst zuiver de vaste lijnen der Gereformeerde Theologie heeft getrokken en dien hechten grondslag gelegd heeft, die voor den verderen bouw van Kerk en Theologie noodig was, toch is er zooveel overeenstemming, dat wij Zwingli zeer beslist tot de Gereformeerde Kerk rekenen mogen. Om een oogenblik ons te behelpen met de onderscheiding van het formeele en het materieele beginsel der Hervorming, het eerste, de uitsluitende autoriteit van de H. Schrift is door Zwingli zoo beslist, zoo duidelijk en helder uitgesproken en toegepast, dat het door Calvijn niet beter kon geschieden.

En ook in het materieele beginsel is er eenheid. Niet anthropologisch, maar theologisch is bij beiden het uitgangspunt. Bij beiden is de hoogste, gewichtigste vraag: hoe komt God tot zijn eere? In de leer der verkiezing, van het geloof en van de noodzakelijkheid, dat dat geloof zich in goede werken openbare en bevestige; in de Christologie, waarbij scherp tusschen de Goddelijke en de menschelijke natuur wordt onderscheiden, in de leer van de Kerk als het mystieke lichaam van Christus enz. staat 27 Zwingli tegenover Luther aan de zijde van Calvijn. Zelfs in de Avondmaalsleer, wanneer men niet slechts let op Zwingli's latere uitspraken maar ook op de vroegere, die hij nooit prijsgaf en immers nog in Marburg beleed, is Calvijns opvatting meer eene verdieping dan eene wijziging van die van Zwingli te achten. Terwijl over de verhouding van Kerk en Staat Zwingli theoretisch dezelfde gedachten had als Calvijn, al is het waar, dat aan die theorie in de practijk eenvoudig het stilzwijgen werd opgelegd.

Maar toch was tusschen beiden een groot onderscheid. En verdere vergelijking valt zeker uit ten gunste van Calvijn. Deze was beter theoloog. Dieper dan Zwingli ingedrongen in den geest der Schrift, heeft hij uit haar alleen zijn theologisch stelsel gebouwd. Alle vreemde elementen bande hij, en positief heeft hij zijne theologie alleen op den grondslag der openbaring laten rusten. Met scherpe onderscheiding van het ware en valsche, van het Christelijke en al wat daar naast of daartegenover stond, heeft hij de grenzen veel zuiverder dan Zwingli aangewezen, en daarom alle ketterij ontmaskerd en gebannen. Terwijl voor Zwingli de historische „Vermittelungen" altijd min of meer wegvielen, de openbaring zich ver over hare grenzen uitstrekte, de Schrift, de historische Christus, zijne menschelijke natuur, de Kerk, het ambt, de Sacramenten niet op de juiste waarde werden geschat, heeft Calvijn die alle gehandhaafd en ten volle gewaardeerd. Dft laat zich zoo uitdrukken, dat Calvijn veel dieper dan Zwingli de ontzachlijke tegenstelling gevoeld heeft van Gods heiligheid en 's menschen onheiligheid en daarom het Middelaarschap van Christus ook veel dieper en ernstiger opgevat heeft. In zoover staat Calvijn ook meer op de zijde van Luther; er was in Zwingli iets, dat 28 een anderen geest ademde, en dat Luther noch Calvijn bevredigen kon. Calvijn was door dit alles positiever en degelijker theoloog in den echten zin des woords; vaster en dieper, meer Kerkelijk en historisch, meer afgerond en belijnd. Calvijn heeft daarom Kerken kunnen stichten die nog bestaan en altijd tot hem zullen moeten terugkeeren, om te blijven bestaan. Zijne geestelijke kinderen dragen zijn beeld en zijne gelijkenis. Zwingli was een Zwitser en blijft aan Zwitserland behooren; hoe groot zijn invloed ook was, een school, een Kerk vormen, die eeuwen na hem nog zijn stempel vertoont, kon hij niet. Calvijn's stelsel kan nog, bijna onveranderd, worden overgenomen door zijne volgelingen; bij dat van Zwingli is het onmogelijk, en Wederdoopers en Socinianen en Remonstranten hebben zich allen met meerder of minder recht op hem kunnen beroepen. Calvijn boezemt ons eerbied in en ontzag; wij voelen het terstond, wij staan ver beneden hem, en één van beide: hij trekt ons aan en dan beheerscht hij ons en wij worden geheel en al door hem gevormd; of hij stoot ons af en dan staan wij ook lijnrecht tegenover hem. Maar Zwingli is een trouwhartig vriend, van wien men altijd veel kan leeren, maar die toch nooit ons zoo beheerscht, dat wij in alles met hem overeenstemmen. Maar ook dan zelfs, als wij van hem verschillen, zullen we van hem moeten zeggen, gelijk een zijner tegenstanders na zijn dood getuigde: hij was toch „ein redlicher Eidgenosse."

Wij willen dus in geen enkel opzicht Zwingli verheffen ten koste van Calvijn. Maar omdat de een tien talenten heeft ontvangen, mag de ander niet verworpen worden, wien minder talenten werden toebetrouwd. God heeft ze ons beiden gegeven, elk met eigenaardige gaven en krachten, taak en roeping, en indien wij van Christus zijn, 29 hebben we het Apostolisch woord, dat alles onze is. En vele en groot zijn de gaven, ook in Zwingli der gemeente geschonken. Hij was een edel mensch niet slechts en een warm vaderlander, maar ook een uitnemend Christen, groot in geloof en in hoop en in liefde. De genialiteit van Luther en de denkkracht van Calvijn moge hem ontbroken hebben, zijne eenvoudige stille grootheid, zijn helder verstand, zijn vaste wil, zijn verreikende blik, zijn krachtige energie, en dat alles bezield door een onwankelbaar vertrouwen op God en op zijne waarheid, dwingen bewondering af, en doen ons met dankbaarheid aan God, den dag herdenken, waarop voor vierhonderd jaren deze Hervormer der verbasterde Kerk in het stille Wildhaus werd geboren.


Kampen.

H. Bavinck.




1 Zwingli schrijft zijn voornaam bij voorkeur Huldreich, niet Ulrich. Onder de biografen van Zwingli zijn de voornaamste: Schuler, Huldreich Zwingli, Geschichte seiner Bildung zum Reformator des Vaterlandes, Zurich 1819. R. Christoffel, Huldreich Zwingli, Leben und Ausgewählte Schriften, Elberfeld 1857. J. Tichler, Huldrich Zwingli, de Kerkhervormer, Utrecht 1857. J.C. Mörikofer, Ulrich Zwingli nach den urkundlichen Quellen, Leipzig 1867-1869. De laatstgenoemde biografie is tot dusver de beste, maar maakt op menig punt een vernieuwd onderzoek nog niet overbodig.


x
This website is using cookies. Accept