Het begrip en de noodzakelijkheid der evangelisatie
Bavinck, Herman. "Het begrip en de noodzakelijkheid der evangelisatie." In Handelingen van het congres voor gereformeerde evangelisatie op dinsdag 8 en woensdag 9 april 1913 gehouden te Amsterdam, 22–36. Amsterdam: Kirchner, 1913.

Eerste Algemeene Vergadering,

gehouden in Parkzicht op 8 April 1913, van 10—1 uur.


Voorzitter: Prof. L. Lindeboom.

Secretaris: De heer B.A. Knoppers.



*

Nadat de Vergadering dit psalmvers heeft aangeheven, treedt Prof. Dr. H. Bavinck op met het referaat:


Het begrip en de noodzakelijkheid der Evangelisatie.

Stellingen.


I.

Evangelie is een Grieksch woord, dat reeds vóór het Nieuwe Testament de beteekenis van blijde boodschap ontving.


II.

In de Schrift werd dit woord de vaste benaming voor de blijde boodschap des heils in Christus.


III.

Het werkwoord evangeliseeren duidt in het N. Testament de verkondiging van het Evangelie aan Joden en Heidenen aan.


IV.

Behalve tot dit zendingswerk, was de gemeente ook geroepen, om voortdurend te arbeiden aan haar eigen opbouw en volmaking.


V.

Tusschen deze beide werkzaamheden kwam in de geschiedenis der Christelijke Kerk, vanwege haar afdwaling en verval, nog een andere arbeid op, die herstel trachtte aan te brengen door terugkeer tot het oorspronkelijk Evangelie en daarom later den naam van Evangelisatie ontving.


VI.

Bij verval der Kerk rust allereerst op de geloovigen de plicht, om deze te reformeeren naar het Woord Gods. 23


VII.

Deze reformatie heeft zich vervolgens, door middel van kerk school, wetenschap, kunst enz., zoover mogelijk, tot heel het volksleven uit te breiden.


VIII.

Met dezen arbeid behoort in onze dagen ook die werkzaamheid gepaard te gaan, welke de van het geloof vervreemde Christenheid wederom voor het Evangelie van Christus te herwinnen zoekt en, als tak van Inwendige Zending naast de werken der barmhartigheid, meer bepaald den naam van Evangelisatie draagt.


*

Het ons zoo gemeenzame woord evangelie is aan de Grieksche taal ontleend, en bestond reeds lang, voordat in de eerste eeuw onzer jaartelling de schrijvers van de boeken des Nieuwen Testaments er herhaaldelijk gebruik van maakten, om daarmede de blijde boodschap des heils in Christus aan te duiden. Het Grieksche woord beteekende echter oorspronkelijk niet goede of blijde boodschap, maar werd, vooral in den onzijdigen meervoudsvorm, gebezigd van de belooning, die aan den brenger eener goede tijding ter hand gesteld, of van de offerande, die uit dankbaarheid voor de ontvangst eener goede tijding aan de goden aangeboden werd. Toch verkreeg het woord ook reeds voor den invloed van het Christendom in het gewone Grieksch somtijds de beteekenis van goede tijding. Heel gewoon schijnt deze beteekenis daar nooit geworden te zijn; maar toch is er een merkwaardig voorbeeld van bewaard in het voor enkele jaren gevonden opschrift van Priene (eene oude Ionische stad van Klein-Azië, gelegen ten zuiden van Efeze), waarin het van den geboortedag des keizers, n.l. Augustus, heet, dat deze voor de wereld de aanvang was van dingen, die ter oorzake van hem evangelia, goede tijdingen, waren.

In Luk. 2 wordt dan ook een verband gelegd en in zekeren zin eene parallel getrokken tusschen de regeering van Augustus en de geboorte van Christus; toen de tijd vervuld was, is het Koninkrijk Gods nabij gekomen (Mark. 1 : 15); toen de volheid des tijds was gekomen, heeft God zijnen Zoon uitgezonden. Met beiden, met Augustus op den troon en met Christus in de kribbe, brak een nieuwe tijd aan, een tijd van aardschen en van hemelschen vrede. Beider geboorte was voor de wereld eene goede boodschap, 24 een heuglijk evangelie. De eenheid en macht van het wereldrijk was bevorderlijk aan de komst van Christus, aan de stichting en verbreiding van zijn rijk.

Dat deze komst van Christus en zijn rijk in het Nieuwe Testament telkenmale met den naam van Evangelie wordt genoemd, zou zich zeer goed daaruit laten verklaren, dat de Christenen, bij wijze van tegenstelling met de Heidenen, zeiden: al moge de geboorte van Augustus in zekeren zin een evangelie voor de wereld zijn geweest, de komst van Christus is toch het Evangelie, de goede en blijde boodschap bij uitnemendheid, want gene bracht slechts een aardschen en tijdelijken vrede, doch deze een vrede, die hemelsch, geestelijk en eeuwig is. Eene andere verklaring ligt echter veel meer voor de hand. In het Oude Testament toch werden de woorden basora en bisser (boodschap en boodschappen) door de Zeventigen in hunne Grieksche vertaling overgezet door evangelium en evangeliseeren, met toepassing vooral op de blijde boodschap, die na de ballingschap aan Jeruzalem gebracht zal worden en die daarin bestaat, dat de Heere zijn volk gaat redden en zegenen. „O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uwe stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: ziet, hier is uw God." (Jes. 40 : 9, verg. ook Jes. 52 : 7, Ps. 40 : 10.)

In aansluiting bij deze belofte des Ouden Verbonds krijgt nu het woord Evangelie in het Nieuwe Testament eene speciale beteekenis. In de synagoge te Nazareth verklaarde Jezus zelf, dat de boven aangehaalde profetie thans in zijn persoon en werk werd vervuld (Luk. 4 : 15-21). De inhoud van het Evangelie bestaat dus allereerst in de vervulling van de belofte des Ouden Testaments; wat toen epangelia (belofte) was, is nu evangelium geworden, gelijk Paulus het later betuigde in de synagoge te Antiochië in Pisidië: „Wij verkondigen (evangeliseeren) u de belofte (epangelia), die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God die vervuld heeft aan ons, hunne kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft." Het Evangelie des Nieuwen Testaments heeft dus tot middelpunt en inhoud den persoon en het werk van Christus; een ander evangelie is er niet. Daarom kon dan ook sedert de tweede eeuw de beteekenis van het woord Evangelie zich in dien zin wijzigen, dat het de aanduiding werd van de woorden en daden van Christus, en nog nader van de beschreven woorden en daden van 25 Christus, gelijk wij heden ten dage nog spreken van het Evangelie van Mattheus en Markus, Lukas en Johannes. Maar deze vier Evangeliën waren naar de oorspronkelijke opvatting geen vier, doch slechts één Evangelie in vier vormen of beschrijvingen. En dat ééne Evangelie had Christus tot inhoud.

Voor het prediken van dit Evangelie gebruikt het Nieuwe Testament inzonderheid drie woorden: ten eerste kerussein, aankondigen als heraut; katangellein, hetwelk boodschappen, berichtgeven, verkondigen beteekent; en eindelijk evangelizein, hetwelk die boodschap als goed nieuws, als eene blijde tijding doet kennen. Maar al deze drie werkzaamheden leiden vanzelf tot eene vierde over, welke in de H. Schrift door het woord didaskein, leeren, aangeduid wordt. Bij Johannes den Dooper is dat nog niet het geval; hij is en blijft een heraut, een wegbereider. Maar Jezus treedt niet alleen als prediker van het Evangelie, doch ook als meester en leeraar op; Hij onderwijst zijne discipelen aangaande de verborgenheden van het Koninkrijk Gods. En als Hij vóór zijne hemelvaart aan zijne apostelen den last geeft, het Evangelie te prediken (kerussein = aankondigen en uitroepen) aan alle creaturen (Mark. 16 : 15), dan omschrijft Hij dit elders aldus: „Onderwijst alle volken en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb." (Matth. 28 : 19.)

Zoo was er dus tweeërlei arbeid, waartoe de gemeente des Nieuwen Testaments geroepen werd: zendingsarbeid naar buiten in de wereld van Joden en Heidenen (evangelisatie in de Nieuw-Testamentische beteekenis), en stichtende arbeid naar binnen, bestaande in de bevestiging der gemeente en van al hare leden op het fundament van apostelen en profeten, door de bediening des Woords, tot volmaking der heiligen en tot opbouwing des lichaams van Christus (Ef. 2 : 20, 4 : 12).

Maar de geschiedenis der kerk maakte al spoedig nog eene andere werkzaamheid noodzakelijk, die als het ware tusschen de innerlijke opbouwing der gemeente en haar uitwendigen zendingsarbeid in kwam te staan en in onze dagen den naam van Evangelisatie ontving. Naarmate de kerk n.l. in leer en leven tot verval kwam, werden pogingen aangewend, om haar daaruit op te heffen en tot hare oorspronkelijke zuiverheid terug te leiden. Dat begon reeds in den apostolischen tijd, gelijk vooral de brieven aan de Klein-Aziatische gemeenten in het boek der Openbaring bewijzen, die vermaningen tot trouwe volharding, maar ook tot bekeering 26 en vernieuwing des levens bevatten. En van dezen tijd af is de geschiedenis der Christelijke kerk niet alleen eene historie geweest van innerlijken opbouw en uitwendigen zendingsarbeid, maar ook een aaneengeschakeld verhaal van reformaties en separaties, alle strekkende, om de oorspronkelijke zuiverheid der kerk in belijdenis en wandel te herstellen.

Bij al deze pogingen tot herstel is het nu hoogst merkwaardig, dat steeds in terugkeer tot den oorsprong van het Christendom heil wordt gezocht. Dat oorspronkelijk Christendom wordt daarbij zeer verschillend opgevat; meermalen wordt het niet in zijne totaliteit gegrepen, maar slechts ééne gedachte, zooals bijv. de kuischheid of de armoede of het niet-wederstaan enz., eenzijdig op den voorgrond gesteld. Maar met uitzondering van hen, die in onzen tijd finaal met het Christendom gebroken hebben en van een nieuwen godsdienst of van eene nieuwe philosophie, zooals bijv. het monisme, heil verwachten, kan men zeggen, dat alle Christenen theoretisch en practisch zich laten leiden door het beginsel, dat alleen het oorspronkelijk Evangelie de kracht tot vernieuwing der vervallen kerk bevat.

Dat was de overtuiging van Petrus Valdes en Franciscus van Assisi, van Wiclif en Huss, en niet het minst van de Hervormers en hunne volgelingen in de zestiende eeuw, die zich het liefst Evangelischen noemden, want zij waren in den grond der zaak geen volgelingen van Luther, Zwingli, Calvijn, gelijk de Roomschen met voorkeur van hen spraken, maar navolgers van Christus en belijders van zijn Evangelie. Ofschoon de naam Evangelischen nooit de gemeenschappelijke naam voor de aanhangers der Reformatie is geworden en weldra voor dien van Protestanten heeft moeten wijken, is hij toch in de kerken der Reformatie blijven voortleven, en telkens weer, vooral in tegenstelling met de Roomschen, in gebruik gekomen. Evenals in 1648 het Corpus Evangelicorum tegenover het Corpus Catholicorum gesteld werd, zoo werden in 1817, in het driehonderdste gedenkjaar der Hervorming, de Luthersche en Gereformeerde kerk in Pruisen door Friedrich Wilhelm III vereenigd tot de Evangelische Kirche. Evangelisch is zoo een Protestantsche naam geworden, veelvuldig gebruikt en in vele kringen geliefd. Men spreekt van Evangelische Alliantie, Evangelische Bond, Evangelische Maatschappij, Evangelische Courant enz. en legt er dikwerf eene tegenstelling in tegenover Rome. Evangelisatie in dezen zin doet vooral denken 27 aan verbreiding van het zuivere Evangelie onder eene Roomsche bevolking.

Maar het Evangelie heeft sedert de achttiende eeuw nog een veel scherpere tegenstelling tegen zich zien opkomen. In de Protestantsche kerken trad zeer spoedig een algemeen verval in, ten bewijze daarvan, dat de Reformatie vele kringen slechts uitwendig en oppervlakkig hervormd had. Deïsme en rationalisme vonden daarom gemakkelijk ingang en bereidden in de achttiende eeuw dat naturalisme voor, dat aan al het bovennatuurlijke zijn afscheid gaf, daarmede de grondslagen zelve van het Christendom ondergroef, en de natuur de plaats deed innemen van God. Dit naturalisme is in de negentiende eeuw aanzienlijk versterkt door de richting, in welke de natuur- en de geschiedwetenschap zich bewoog. Van heel het Christendom en van allen godsdienst zich emancipeerende, stelde deze zich geen ander en geen hooger doel, dan om de verschijnselen in de natuur en de feiten in de geschiedenis zoo nauwkeurig mogelijk waar te nemen, en daarna op eene exacte wijze het verband op te sporen, dat ze onderling onverbrekelijk verbindt. Daardoor is de moderne mensch zoo diep en zoo sterk onder den indruk gekomen van de macht der natuur, dat hij het geloof heeft verloren aan de almacht, de heiligheid, ja aan het bestaan Gods en van alle eeuwige en onzienlijke dingen.

Gelijk altijd, gaat echter met dit ongeloof het bijgeloof vergezeld. Niet alleen het bijgeloof der Roomsche kerk, dat met zijn symboliek en kunst vele romantisch-aangelegde naturen bekoort; maar vooral dat veelhoofdig moderne bijgeloof, dat in de vormen van spiritisme en theosophie, van astrologie en magie, van geestelijke en lichamelijke kwakzalverij zich nestelt en uitbreidt in de centra van onze cultuur. Het Heidendom herleeft onder ons, zoowel in zijn wanhoop aan de waarheid als in zijn geloof aan de dwaling. Meermalen is deze eeuw met de eerste eeuw van onze jaartelling vergeleken; en volkomen te recht, want naarmate men beide leert kennen, nemen de punten van overeenkomst toe.

Maar in één opzicht is er verschil. Toen drong het jeugdige Christendom, gedragen door mannen vol des geloofs en des Heiligen Geestes, zegevierend de wereld binnen; thans wordt de kerk van Christus, tusschen ongeloof en bijgeloof in het nauw gebracht, hoe langer hoe meer van haar aanzien en invloed beroofd. Overal neemt het kerkbezoek en het ledental der gemeenten af. 28 In ons land bedroeg het getal van zulke onkerkelijken in 1879 nog slechts 12000, maar het klom in 1909 tot ruim 290.000. Hoe onrustbarend deze cijfers ook zijn, veel zorgwekkender is nog dit andere feit, dat duizenden bij duizenden, die nominaal nog tot eene kerk behooren, feitelijk geheel met haar en met heel het Christendom gebroken hebben. Er zijn gansche buurten in de steden en op het platteland, er zijn groote groepen in onze maatschappij, die om den godsdienst zich in het minst niet bekommeren en, zooals Paulus van het eertijds der Efezische Christenen zeide, zonder God en zonder hope leven in de wereld. De godsdienstige en zedelijke verwildering van ons volk neemt hand over hand toe. Met de kennis van den Bijbel wordt het in vele kringen hoe langer hoe droever gesteld. Dominees hebben afgedaan en gelden bij velen nog maar als een antiquiteit. Zon- en feestdagen dienen nog slechts voor verveling of voor vermoeiend en uitputtend genot.

Bij deze geestelijke komt nog de lichamelijke ellende. De wetenschap heeft in de laatste eeuwen hare uitvindingen en ontdekkingen ook weten dienstbaar te maken aan de practijk en de wereld verbaasd met de wonderen der techniek. Daardoor is het menschelijk leven in vele opzichten verrijkt en veraangenaamd, maar ook de geheele maatschappij van gedaante veranderd. Terwijl vroeger iedere stad, dorp en gezin, elk beroep en bedrijf, alle stand en rang zelfstandig was, zijn thans al die muren omvergehaald en al die onderscheidingen uitgewischt. Alle menschen, volken, landen zijn opgenomen in het ééne groote, nog steeds zich uitbreidende wereldverkeer en in de sterkste mate van elkander afhankelijk geworden. En uit die nieuwe, zich voortdurend vervormende maatschappij dringt zich hoe langer hoe sterker die groote tegenstelling naar voren, welke met den naam van kapitalisme en proletariaat wordt aangeduid. Het socialisme maakt zich aan eene geweldige overdrijving schuldig, als het de gansche geschiedenis der menschheid, vooral in den tegenwoordigen tijd, uit het gezichtspunt van den klassenstrijd beziet; maar toch is de ophooping van het kapitaal in de handen van de millionnairs, multi-millionnairs en milliardairs, van maatschappijen en bankvereenigingen, een bedenkelijk verschijnsel, waartegen het leven van millioenen arbeiders in mijnen en fabrieken somber en donker afsteekt.

Brengt u daarbij nu nog voor den geest de schrikkelijke 29 verwoestingen, in de moderne maatschappij aangericht door het alcoholisme, de prostitutie en de criminaliteit. En zonder dat ik u deze in bijzonderheden schets, zijt gij er van overtuigd, dat de moderne cultuur, in weerwil van al haar glans en heerlijkheid, aan de ernstigste kwalen lijdt en met de diepste geestelijke, zedelijke en maatschappelijke ellende gepaard gaat.

Gode zij dank, zijn allengs daarvoor de oogen opengegaan. Allerwegen zijn mannen en vrouwen opgestaan, die bij het aanschouwen van deze toestanden iets gevoeld hebben van de ontferming, waarmede Christus bewogen werd, als Hij de scharen zag, die vermoeid en verstrooid waren gelijk schapen, die geen herder hebben. Er valt niet aan te denken, om u de namen te noemen van hen, die op dit terrein de voetstappen van jezus hebben gedrukt. Maar ik moet toch eene uitzondering maken voor de gebroeders Wesley en Whitefield, de vaders van het Methodisme, die in de godsdienstige en zedelijke verwildering van het Engeland der achttiende eeuw in letterlijken zin tot de scharen zijn uitgegaan, en haar in woord en in daad het Evangelie des geloofs en der liefde hebben gebracht. In diezelfde eeuw breidde op het vasteland het rationalisme zijne heerschappij steeds verder over de geesten uit, — datzelfde rationalisme, dat in Engeland zijn oorsprong had, maar daar teruggeslagen en van zijn invloed op het volk beroofd werd —, totdat het in de Fransche Revolutie zijne zegepraal vierde en te gelijk zijne ontbinding beleefde. En eerst toen die Revolutie uitgewoed was, is ook op het vasteland en in ons vaderland, eene eeuw na Wesley, die geest der ontferming ontwaakt, die in den naam van Christus het verlorene te herwinnen en het gevallene weder op te richten zocht. Ook hier vermijd ik het roemen van menschen. Maar toch mag ik voor ons land den naam van Otto Gerhard Heldring en voor Duitschland dien van Johann Hinrich Wichern niet onvermeld laten, want zij zijn het vooral geweest, die ons oog voor het werk der Inwendige Zending ontsloten en dezen arbeid ons op het hart gebonden hebben. Aan laatstgenoemde danken wij ook den naam, waarmede dit werk gewoonlijk aangeduid wordt. Want al is deze misschien het eerst door Prof. Lücke te Göttingen in 1843 gebezigd, Wichern heeft hem toch gepopulariseerd en vertaald of onvertaald ingang doen vinden ver buiten de grenzen van zijn volk en zijn land. Daartoe droeg in de eerste plaats de verhandeling bij, welke hij in 1844 onder den titel: „Die Nothstände 30 der Protestantischen Kirche und die Innere Mission", het licht deed zien. Maar veel krachtiger stoot ging nog van de aangrijpende rede uit, welke hij op den eersten Duitschen Evangelischen Kirchentag te Wittenberg in het revolutiejaar 1848 uitsprak, en waarin hij allen geloovigen Christenen de beroemd geworden woorden toeriep: „Es thut Eins not, dass die Evangelische Kirche anerkenne: Die Arbeit der Inneren Mission ist mein, die Liebe gehört mir wie der Glaube!"

Er bestaat, naar mij voorkomt, geen overwegend bezwaar, om dezen naam Innere Mission over te nemen. Want al is de naam zending voor den Evangeliearbeid onder de Heidenen geijkt, ook als wij van Evangelisatie spreken, bedienen wij ons van een woord, dat in het Nieuwe Testament eene andere beteekenis had en juist voor wat wij thans zending noemen gebruikt werd. Voorts wordt het begrip door de toevoeging van het adjectief: inwendige, nader en duidelijk bepaald, en houden we daarmede te recht de gedachte vast, dat ook de arbeid onder afgedwaalde Christenen niet van het goeddunken der kerk afhangt, maar tot hare roeping behoort. En eindelijk hebben wij een naam noodig, die algemeen is en alles samenvat wat tot het terrein der Inwendige Zending behoort, en een betere naam is daarvoor tot dusver niet aan de hand gedaan.

Want deze arbeid is overal, zoowel bij Wesley als bij Wichern en Heldring, klein begonnen, maar gaandeweg zoo toegenomen, dat hij schier tot alle gebieden en toestanden des levens, tot alle kringen en klassen der maatschappij zich uitstrekt. Maar hoe uitgebreid die arbeid ook zij, hij valt duidelijk in twee groepen van werkzaamheden uiteen, die door Evangelisatie en philanthropie, getuigen en redden, geloofs- en liefde-arbeid, geestelijk en maatschappelijk werk kunnen worden aangeduid. Natuurlijk is hiermede geene scheiding bedoeld, want, gelijk er geene echte philanthropie is zonder Christendom, zoo is er geen waarachtig geloof, zonder dat het in werken der liefde zich uit. Terwijl dus de naam van Inwendige Zending al dien arbeid aanduidt, die de van het Woord Gods vervreemde Christenheid weder van on- en bijgeloof, benevens van allerlei leed en ellende bevrijden wil, wordt met Evangelisatie bepaaldelijk die verbreiding des Evangelies in woord en geschrift bedoeld, welke vanwege of onder toezicht en leiding der kerk onder de gedoopte, maar van het geloof min of meer vervreemde Christenen geschiedt. 31

Deze omschrijving wijkt van andere daarin af, dat zij de Evangelisatie van den aanvang af rechtstreeks of zijdelings met de kerk in verband brengt. Vele warme voorstanders van en vele overige arbeiders in Gods Koninkrijk stellen Kerk en Evangeliesatie van huis uit met elkaar in eene scherpe tegenstelling, en verstaan onder Evangelisatie juist zulk een arbeid, die niet door of vanwege de kerk geschiedt, maar buiten haar om door particuliere personen of vereenigingen, naar eigen lust en goedvinden, ter harte en ter hand genomen wordt. De droeve toestanden, waarin hedendaags de kerken verkeeren, mogen tot zekere hoogte deze gedragslijn rechtvaardigen, wijl het altijd veel beter is, dat er op dit gebied, evenals op dat der buitenlandsche Zending, iets niet op de rechte wijze geschiedt dan dat er in het geheel niets geschiedt. Maar goede Evangelisatie behoort toch rechtstreeks of zijdelings van de kerk uit te gaan en door haar arbeid zelfs onnoodig en overbodig te worden gemaakt.

Als het toch in eene kerk zoover kwam, dat Evangelisatie in boven omschreven zin noodzakelijk werd, dan is dat in de eerste plaats een bewijs, dat de kerk hare roeping verwaarloosd, haar plicht verzuimd heeft. Zij heeft dan zelve bekeering van noode. En waarachtige bekeering is altijd een hartelijk leedwezen over en een haten en vlieden van de zonde, benevens een oprechte lust en liefde, om naar den wille Gods in alle goede werken te leven. Zij bestaat dus niet in zulk een belijden van schuld, dat met lijdelijke berusting in den zondigen toestand gepaard gaat en dezen zelfs gaat voorstellen als een door God opgelegd oordeel, dat met geduld gedragen moet worden. Het echte leedwezen openbaart en bewijst zich daarin, dat men, eigen wil verzakende, Gods wil gaat doen. Over wat nu bij een gedeformeerden kerkstaat de wille Gods en dies de roeping der geloovigen is, kan moeilijk twijfel bestaan; de Schrift spreekt hier duidelijk genoeg. Naarmate het volk der joden zich tegen Hem stelde, heeft Jezus zijne discipelen rondom zich vergaderd, van hen reeds vóór zijne opstanding en hemelvaart als van eene gemeente (ecclesia) gesproken en aan die gemeente een eigen bestaan en leven, eene eigene regeering en macht, een eigen dienst en tucht geschonken. De kerk is dus eene instelling van Christus, waarmede wij niet doen kunnen wat wij willen, maar die alleen aan Hem onderworpen is en naar zijne geboden wandelen moet. Zij is op de belijdenis van zijn naam gegrond, op het fundament van apostelen en 32 profeten gebouwd, opgericht in de wereld als een pilaar en vastigheid der waarheid. Zoo heeft zij zich dan te openbaren als het lichaam van Christus, den openbaren ongeloovige en goddelooze uit haar midden weg te doen, en zich zelve onberispelijk te bewaren tot de toekomst van haren Heere Jezus Christus. Al deze geboden voor het leven der kerk zijn in het Nieuwe Testament zoo veelvuldig en tevens zoo duidelijk, dat geen Christelijke conscientie aan hun klem zich ontworstelen kan.

Zulk eene op den grondslag der belijdenis herstelde kerk heeft nu allereerst er voor te zorgen, dat binnen haar kring aan Evangelisatie geene behoefte ontstaat. Zoodra deze noodzakelijk wordt, is de kerk reeds in haar plicht te kort geschoten. Zij moet dus preventief te werk gaan, want voorkomen is ook hier gemakkelijker en beter dan genezen. Haar eerste taak bestaat dus naar de onderwijzing der Schrift in de volmaking der heiligen, in de opbouwing des lichaams van Christus. Ze moet haar trouw aan Gods gebod bewijzen in de getrouwheid, waarmede zij Woord en Sacrament bedient, de regeering en de tucht handhaaft, de onmondige leden der gemeente onderwijst, de geloovigen in hunne huizen bezoekt, de kranken verzorgt, in de behoeften der heiligen voorziet. Indien zij dit alles vanwege het klein getal der ambtsdragers of den grooten omvang der gemeente niet meer naar eisch behartigen kan, mag zij niet moedeloos bij de pakken gaan neerzitten, maar moet zij òf de gemeente splitsen naar buurten of wijken, òf het aantal ambtsdragers vermeerderen, òf ook behulpsels zich toevoegen als catechiseermeesters, ziekenbezoekers, collectanten, diakonessen, colporteurs enz.; want er zijn in de gemeente geene ambten zonder gaven, maar er zijn in haar wel vele gaven zonder ambten, die niet verzuimd mogen worden, doch ijverig moeten ontwikkeld, ten dienste der gemeente behooren en ook nog veel beter dan tot dusverre kunnen aangewend worden. Welke van deze drie wegen in een gegeven geval de voorkeur verdient, hangt van allerlei plaatselijke omstandigheden af, en kan hier niet nader besproken worden. Maar als algemeene regel mag gelden, dat het persoonlijk contact van den dienaar des Woords met elk lid van zijne gemeente gehandhaafd blijve en niet ongemerkt tot eene sinecure worde verlaagd; als de herder zijne schapen zelfs niet meer bij name kent, raken ze verdwaald en verstrooid. Indien deze regel verwaarloosd wordt, komt, bij de buitengewone uitbreiding van vele steden en bij den machtigen 33 invloed der hedendaagsche cultuur, in een kort verloop van tijd de kerk op den achtergrond te staan, wordt ze verdrongen uit het bewustzijn, en raakt ze weldra bij haar eigen leden in het vergeetboek. Het is wel moeilijk en zwaar, maar toch, de kerk moet bijblijven in de concurrentie der haar omringende machten; ze moet zich stellen op de hoogte van den tijd; eigenlijk moest zij voorop- en vooraangaan, als in de dagen der Reformatie; maar in elk geval, zij mag niet achterblijven en allerminst door eigen schuld er de oorzaak van zijn, dat zij in de evolutie der eeuw als eene „quantité négligeable" wordt beschouwd en behandeld.

Zulk eene kerk, in verband met andere over heel het land verspreid, wordt een pilaar en vastigheid der waarheid, een dam tegen den stroom van allerlei dwaling, en tevens een haard van heilig vuur en een centrum van actie. De eerste eeuwen van onze jaartelling leveren er ons het bewijs voor. Want toen is, na den zendingsarbeid der apostelen, de gemeente vooral voortgeplant en uitgebreid van binnen uit, door hare innerlijke ontwikkeling, door de trouwe belijdenis en het heilig leven van hare leden. De kerk zelve was de eerste en grootste zendingsmacht in de wereld. En zoo heeft zij zich ook weer in de eeuw der Hervorming op Gereformeerde erve geopenbaard. Want er is hier een aanmerkelijk verschil tusschen Luther en Calvijn. De Duitsche Hervormer stelde er zich allengs mede tevreden, dat de zuivere bediening van Woord en Sacrament in de kerk was hersteld, en liet regeering en tucht en barmhartigheid aan staat en maatschappij over. Calvijn zag in het Christendom niet bloot een beginsel van nieuw geestelijk leven, maar ook een element, het voornaamste element van cultuur; het Evangelie was voor hem een blijde boodschap aan alle creaturen, ook aan gezin, maatschappij, staat, wetenschap en kunst. Zijne volgelingen houden er, goed beschouwd, in het geheel geen afscheidingsbeginselen op na, maar alleen reformatorische beginselen, die inwerken op heel het volk en de gansche maatschappij. Separatie is geen beginsel, door hen aanvaard; hoogstens een nood, die hun opgelegd is, gelijk zelfs in de Acte van Afscheiding ten jare 1834 niet onduidelijk werd verklaard. De reformatie beginne bij de kerk in hare eenheid van organisme en organisatie, doch zij zette zich dan, van deze basis van operatie uit, in heel het volksleven voort, en breide zich tot alle kringen uit.

Maar men kan en moet het eene doen, zonder het andere na 34 te laten. Indien men, wat op het oogenblik buiten beoordeeling blijft, van meening mocht zijn, dat in de Gereformeerde kerken geene behoefte aan Evangelisatie bestaat, wijl al hare leden in voldoende mate geestelijk verzorgd worden, dan zou ons dit toch nog niet van dezen arbeid der Inwendige Zending ontslaan, wijl wij van alle zijden ons omringd zien door eene steeds groeiende schare van menschen, die misschien voor een deel bij eene of andere plechtigheid zich nog even de kerk herinneren, maar die overigens en grootendeels van het Evangelie van Christus zoogoed als niets meer verstaan en in de diepste geestelijke onkunde voortleven. Toen Wichern in 1848 de hartstochten zag woeden, welke de revolutiegeest in alle landen opgewekt had, schreef hij op zijne terugreis van de audientie bij koning Friedrich Wilhelm IV in Berlijn naar huis: „Tausende von Thatsachen und Besorgnissen diktieren die Nothwendigkeit der Inneren Mission," en hij sprak zich daarmede volstrekt niet te sterk uit. Men kan er zich schier geen denkbeeld van vormen, hoe diep en hoe breed reeds de volslagen onkunde met Bijbel en Christendom, het ruwste ongeloof, zelfs ten aanzien van het bestaan van God, ziel en onsterfelijkheid, de meest geruste onverschilligheid in betrekking tot alle geestelijke dingen, in de kringen des volks is doorgedrongen. De atmosfeer, waarin wij leven, vooral natuurlijk in de groote steden, is voor het godsdienstig en zedelijk leven zoo verderfelijk, dat men het woord verstaan kan, hetwelk eene vrouw in de Duitsche hoofdstad eens uitriep: „Hier in Berlijn moet men wel goddeloos worden!"

Voor deze toestanden mogen wij het oog niet sluiten; van die groote schare des volks, die in geestelijke en stoffelijke ellende dreigt weg te zinken, kunnen wij niet, onze handen wasschende in onschuld, ons terugtrekken; veel minder is het ons geoorloofd, als Farizeërs den vloek over haar uit te spreken, omdat zij de wet niet kent, of met Kaïn van alle verantwoordelijkheid voor den broeder ons te ontslaan. Als burgers van hetzelfde land, als zonen van hetzelfde volk, als kinderen derzelfde Reformatie en als gedoopten in denzelfden naam, staan wij tegenover deze schare niet vrij. Jezus heeft ons een geheel ander exempel nagelaten. Reeds dadelijk na zijn optreden sprak Hij het in de synagoge te Nazareth uit, dat de Heere Hem gezalfd en gezonden had, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen de gebrokenen van hart, om den gevangenen te prediken loslating en 35 den blinden het gezicht; om de verslagenen henen te zenden in vrijheid en om te prediken het aangename jaar des Heeren. In overeenstemming met dit doel zijner zending, ging Hij het land door, predikende en goeddoende, en alle ziekten en kwalen genezende onder het volk, zoodat Hij tot bewijs van zijn Messiasschap aan de discipelen van Johannes dit antwoord voor hun meester kon medegeven: „de blinden worden ziende en de kreupelen wandelen; de melaatschen worden gereinigd en de dooven hooren; de dooden worden opgewekt en den armen wordt het Evangelie verkondigd, en zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden." En zoo wil Hij, dat ook zijne discipelen in de wereld optreden zullen; Hij stelde hun den barmhartigen Samaritaan voor oogen, die zich ontfermde over den mensch, die onder de moordenaars viel en tegenover wien priester en Leviet hooghartig voorbijgingen. Hij beval hun, in de gelijkenis van den heer, die een groot avondmaal bereidde en velen noodigde, om uit te gaan in de straten en wijken der stad, ja zelfs naar de landwegen, en binnen te brengen de armen en verminkten en kreupelen en blinden, opdat het huis vol wierd en geene plaats aan den disch onbezet bleef. En Hij zelde hun aan het einde van zijn leven, dat de erfgenamen des koninkrijks daaraan kenbaar waren en daarnaar geoordeeld zouden worden, dat zij Hem gediend hadden in de hongerigen, die zij verzadigd, in de dorstigen, die zij gedrenkt, in de vreemdelingen, die zij geherbergd, in de naakten, die zij gekleed, in de kranken, die zij verpleegd, en in de gevangenen, die zij bezocht hadden.

Hetzij deze Evangelisatie nu geschiedt in woord of geschrift, door een dienaar des Woords of door een ambteloos lid der gemeente, in eene tent of in een lokaal, in huis of op de werkplaats — zij moet altijd geschieden naar dezen regel, dat wij het hebben ontvangen om niet en dus ook behooren te geven om niet. Daardoor zien allen, die aan dezen heerlijken maar zwaren arbeid zich wijden willen, in de eerste plaats zich voor deze vraag gesteld, of zij zelven inderdaad ontvangen hebben wat zij wenschen te brengen aan anderen, want alleen zulk een getuigenis is krachtig, dat opkomt uit het geloof en dies van hart tot hart kan doen spreken. Ten andere zal deze arbeid dan niet geschieden om dank of loon, noch ook om eigen naam te verheerlijken of eigen koninkrijkje uit te breiden, maar louter om des Heeren wil. Alle kerkelijk chauvinisme zij dus der Evangelisatie. vreemd! Object van haar arbeid zijn in het algemeen niet degenen, die met bewustzijn en 36 wil tot een andere kerk behooren en door deze geestelijk verzorgd worden, maar zij allen, die door de kerken sedert tal van jaren verwaarloosd en aan eigen lot worden overgelaten. Onder hen is een groot verschil in rang, stand, ontwikkeling, beschaving, enz., en de Evangelisatie heeft daarmede te rekenen, zooals Paulus den Joden een Jood, den Grieken een Griek en allen alles werd, opdat hij er immers eenigen behouden mocht. Onder hen zijn er afkeerigen en vijandigen, die niet te benaderen zijn; zorgeloozen en onverschilligen, bij wie het ploegen op rotsen is; maar er zijn ook verwaarloosden, verlatenen, afgedoolden onder, die geen vrede hebben voor hun hart, en bij wie een goed woord, te rechter tijd gesproken, eene goede plaats kan vinden. En ten laatste zal de regel van des Christens ontvangst en uitgaaf hem behoeden tegen overdreven verwachtingen evenzeer als tegen vlagen van moedeloosheid. Zooals de buitenlandsche, zoo heeft ook de Inwendige Zending op sterken tegenstand en op groote teleurstellingen te rekenen; ze moet niet meenen, dat zij ooit de klove tusschen gemeente en wereld dempen of deze tegenstelling ooit verzoenen zal; de tweeheid blijft tot aan en tot na het einde der eeuwen. Beginnen is daarom bij dezen arbeid in zekeren zin gemakkelijk, want het geschiedt, als door mannen als Wichern de geestdrift in de harten gewekt wordt; maar het voortzetten en het volharden is zwaar, zoodat het ernstig bezinnen ook hier aan het beginnen vooraf dient te gaan. Maar toch, de tijden zijn niet ongunstig te noemen. Want de wetenschap is, ondanks den glans harer ontdekkingen en veroveringen, meer dan ooit van hare beperktheid zich bewust geworden; naar hoogere dingen en eeuwige waarden is eene behoefte ontwaakt, die langen tijd meende door de cultuur bevredigd te kunnen worden, maar die thans in allerlei richting voldoening zoekt; en in wijden kring openbaart zich een gemeenschapsgevoel en eene deernis met het ellendige, welke niet altijd werken op onze wijze en in onzen weg, maar waarover wij ons toch mogen verblijden. Ook Jezus veroordeelde de uitwerping der duivelen door de zonen zijner aanklagers niet. Daarom, het is tijd om aan den arbeid te gaan, of liever, om hem beter en krachtiger dan tot dusver voort te zetten; maar doen wij het niet anders dan in den naam van Hem, die niet kwam om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen. 37




x
This website is using cookies. Accept