Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

128. Deze uitkomst van de ontwikkelingsgang van de traditie toont de valsheid van het principe aan, dat er van begin af aan in werkzaam was. De onfeilbaarheid van de paus kan eerst later, in de leer van de kerk, breedvoerig behandeld worden. Maar het is duidelijk, dat het goede en ware element, waarom het in de eerste eeuwen bij de handhaving van de traditie te doen was, geheel verloren is gegaan. Toen was het te doen om bewaring van datgene, wat krachtens apostolische instelling in de gemeenten geloofd werd en gebruikelijk was. Het lag voor de hand, dat men toen aan de traditie groot gewicht hechtte en de onmisbaarheid en noodzakelijkheid van de apostolische geschriften nog niet inzag. Maar het kenmerk van de apostoliciteit, dat toen vanzelf aan de traditie eigen was, moest verdwijnen, toen men verder van de apostolische tijd verwijderd werd. De relatieve zelfstandigheid van de traditie naast de Schrift verdween. De stromen van Schrift en traditie vloeiden ineen. En spoedig na de dood van de apostelen en hun tijdgenoten werd het onmogelijk, om iets als van apostolische herkomst aan te tonen anders dan door een beroep op de apostolische geschriften. Van geen enkel dogma, dat de Roomse kerk buiten en zonder de Schrift belijdt, is de apostolische herkomst te bewijzen. De traditieleer bij Rome doet slechts dienst, om de afwijkingen van de Schrift en van de apostelen te rechtvaardigen. Mariaverering, het zevental sacramenten, de pauselijke onfeilbaarheid enz., dat zijn de dogmata, welke de traditie niet kunnen missen. Ter kwader ure is de apostolische overlevering met de kerkelijke gewoonten en met de pauselijke beslissingen vereenzelvigd. De traditie is bij Rome die gemeine Superstition, das Heidenthum1..

Feitelijk wordt door deze leer van de traditie de Schrift van heel haar gezag en kracht beroofd. De Roomsen preken van beide, Schrift en traditie (paus), de onfeilbaarheid, maar erkennen, dat er tussen beide toch een groot onderscheid bestaat. Bij beide wordt wel de oorzaak van de onfeilbaarheid gezocht in een bijzondere, bovennatuurlijke werking van de Heilige Geest; want Rome begrijpt zeer goed, dat de onfeilbaarheid van de traditie niet afgeleid kan worden uit de gelovigen als zodanig, uit de kracht en de geest van het Christendom, die in de gelovigen woont en werkt. Er komen immers in de kerk onder de gelovigen vele dwalingen voor, die dikwijls lange tijd heersen en velen vervoeren. De onfeilbaarheid van de paus wordt daarom, even goed als die van de Schrift, verklaard uit een buitengewone werking van de Heilige Geest op grond van Matt. 16:18; 28:20; Joh. 14:16 v., Joh. 15:26; 16:12 v.2. Maar er is toch onderscheid. De werkzaamheid van de Heilige Geest in de apostelen bestond in revelatie en inspiratie; die in de paus bestaat in assistentie. Het Vaticanum zegt t.a.p. cap. 4: neque enim Petri successoribus Spiritus Sanctus promissus est, ut eo revelante novam doctrinam patefacerent, sed ut eo assistente, traditam per Apostolos revelationem seu fidei depositum sancte custodirent et fideliter exponerent. De Schrift is daarom woord van God in eigenlijke zin, geïnspireerd, althans volgens vele theologen, tot de singula verba toe; de besluiten van concilies en pausen zijn woorden van de kerk, die de waarheid van God zuiver weergeven. De Schrift is het woord van God, de traditie bevat het woord van God. De Schrift bewaart de woorden van de apostelen in hun oorspronkelijke vorm, de traditie geeft de leer van de apostelen alleen weer, wat de substantie betreft. De boeken van de profeten en apostelen zijn dikwijls geschreven zonder onderzoek, alleen uit openbaring; maar bij de assistentia divina, aan de kerk beloofd, zijn de personen altijd zelf werkzaam, onderzoeken, overwegen, oordelen, beslissen. Bij de inspiratie was de werkzaamheid van de Geest in strikte zin supranatureel, maar bij de assistentie bestaat ze menigmaal in een complex van zorgen van de Voorzienigheid, waardoor de kerk voor dwaling wordt behoed. En eindelijk strekt de inspiratie in de Schrift zich tot alle zaken uit, ook van historie, chronologie enz., maar door de assistentie van de Heilige Geest is de paus alleen onfeilbaar, als hij ex cathedra spreekt, d.i. als Pastor en Doctor van de Christenheid, en als hij doctrinam de fide vel moribus ab universa ecclesia tenendam definit. De Schrift heeft dus bij Rome nog enkele prerogatieven boven de traditie3.

Maar feitelijk doet de traditie aan de Schrift grote afbreuk. Vooreerst bepaalt Trente, dat Schrift en traditie pari pietatis affectu et reverentia moeten worden vereerd. Vervolgens wordt de inspiratie van de Heilige Schrift door de meeste Roomse theologen als een inspiratio realis opgevat, zodat niet de singula verba maar de zaken zijn ingegeven. Verder is de onfeilbaarheid quoad formam en quoad substantiam zo nauw de een met de andere verbonden, dat de grenslijn tussen beide niet te trekken is. Voorts is de paus in strikte zin alleen onfeilbaar in zaken van geloof en leven, maar om dit te kunnen wezen, moet hij het ook zijn in het oordeel over de bronnen van het geloof en in de uitlegging, d.i. in de bepaling van wat Schrift en traditie is, in de bepaling van het gezag van de kerkvaders, van de concilies enz., in het oordeel over de dwalingen en ketterijen en zelfs van de facta dogmatica, in het verbod van boeken, in zaken van tucht, in approbatie van orden, in canonisatie van heiligen enz.4. En al is de paus niet in al het andere in strikte zin onfeilbaar, zijn macht en autoriteit strekt zich toch ook uit over alle dingen, quae ad disciplinam et regimen ecclessiae pertinent, en deze potestas is plena en suprema en breidt zich uit over alle pastores en fideles5. Zelfs wordt door vele Roomsen geëist, dat de paus, om deze geestelijke soevereiniteit te kunnen uitoefenen, wereldlijk vorst moet zijn; en beweerd dat hij indien niet direct, dan toch indirect bezit de summa, potestas disponendi de rebus temporalibus omnium Christianorum6. De macht en autoriteit van de paus gaat die van de Schrift verre te boven. Hij staat boven haar, oordeelt over haar inhoud en haar betekenis en stelt auctoritate sua de dogmata van leer en leven vast. De Schrift mag het voornaamste middel zijn, om de overeenstemming van de hedendaagse leer en traditie met de leer van de apostelen aan te wijzen; zij mag veel bevatten, wat anders niet zo goed geweten zou worden; zij mag een goddelijke onderwijzing van de leer zijn, welke alle andere overtreft; zij is toch altijd voor Rome slechts een hulpmiddel, dat nuttig maar niet nodig is. De kerk bestond vóór de Schrift, en de kerk bevat niet een deel maar de volle waarheid, de Schrift bevat echter slechts een gedeelte van de leer. De Schrift heeft wel de traditie, de bevestiging van de paus, van nodig, maar de traditie niet de Heilige Schrift. De traditie is geen aanvulling van de Schrift, maar de Schrift is een aanvulling van de traditie. De Schrift alleen is onvoldoende, maar de traditie alleen is wel voldoende. De Schrift rust op de kerk, maar de kerk rust in zichzelf7. De ontwikkeling van de traditie tot de pauselijke onfeilbaarheid en de daaruit noodzakelijk voortvloeiende degradatie van de Schrift bewijzen op zichzelf reeds het goed recht van de Reformatie, om tegen de traditie op te komen. Zij liet het echter niet alleen bij aanval maar stelde tegenover de leer van Rome die van de perfectio of sufficientia Scripturae8. Ook deze eigenschap van de Heilige Schrift moet goed worden verstaan. Er wordt daarmee niet beweerd, dat al wat door de profeten, door Christus en de apostelen gesproken of geschreven is, in de Schrift is opgenomen; er zijn immers vele profetische en apostolische geschriften verloren gegaan, Num. 21:14, Jos. 10:13, 1 Kon. 4:33 1 Kron. 29:29, 2 Kron. 9:29; 12:15; 1 Cor. 5:9, Col. 4:16, Phil. 3:1, en Jezus en de apostelen hebben veel meer woorden gesproken en tekenen gedaan, dan beschreven zijn, Joh. 20:30, 1 Cor. 11:2,14, 2 Thess. 2:5,15; 3:6,10; 2 Joh. 12, 3 Joh. 14 enz. Ook houdt deze eigenschap niet in, dat de Heilige Schrift alle gebruiken, ceremoniën, bepalingen en reglementen bevat, welke de kerk voor haar organisatie behoeft; maar alleen, dat zij de fidei articuli volledig bevat, de res necessariae ad salutem. En dan sluit deze eigenschap van de Schrift ook nog niet in, dat deze articuli fidei letterlijk en met zoveel woorden, autolexei en totidem verbis, in haar begrepen zijn, maar alleen dat zij hetzij explicite hetzij impliciete zo in de Schrift zijn vervat, dat ze, zonder behulp van een andere bron, alleen door vergelijkend onderzoek en door nadenken eruit afgeleid kunnen worden. En ten slotte is deze perfectio S. Scr. niet zo te verstaan, alsof de Heilige Schrift altijd dezelfde quoad gradum is geweest. In de verschillende tijden van de kerk was de Schrift tot op haar voltooiing toe ongelijk van omvang. Maar in elke tijd was dat woord van God, hetwelk onbeschreven of beschreven bestond, ook voor die tijd voldoende. Ook de Reformatie maakte onderscheid tussen een verbum agrafon en eggrafon9. Maar Rome neemt beide naast elkaar aan, en houdt ze voor species van één genus; de Reformatie ziet in deze onderscheiding slechts éénzelfde woord van God, dat eerst een tijd lang onbeschreven bestond en daarna opgetekend werd. Het geschil tussen Rome en de Reformatie loopt dus alleen hierover, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, nog een ander woord van God in onbeschreven vorm daarnaast bestaat, m.a.w. of het beschreven woord van God expliciet of impliciet al datgene bevat, wat wij tot onze zaligheid te kennen nodig hebben, en dus regula totalis et adaequata fidei et morum is, dan wel of er daarnaast in religie en theologie nog een ander principium cognoscendi moet worden aangenomen. Maar zo gesteld, schijnt deze vraag haast voor geen tweeërlei antwoord meer vatbaar te zijn. Ook de Roomse kerk erkent, dat de Schrift voltooid is, dat ze een organisch geheel vormt, dat de canon gesloten is. Hoe hoog zij de traditie ook schatte, zij heeft het toch in theorie nog niet gewaagd, om de besluiten van de kerk op één lijn te stellen met de Schrift. Zij maakt nog onderscheid tussen verbum Dei en verbum ecclesiae. Maar hoe kan ooit, zolang men met het verbum Dei ernst maakt, de ongenoegzaamheid van de Schrift worden geleerd? Kerkvaders dachten er niet aan en spreken duidelijk de volkomen genoegzaamheid van de Heilige Schrift uit. Irenaeus zegt, dat wij de waarheid kennen door de apostelen, per quos Evangelium pervenit ad nos, quod quidem tunc praeconaverunt, postea vero per Dei voluntatem in Scripturis nobis tradiderunt fundamentum et columnam fidei nostrae futuram10. Tertullianus bewondert de plenitudo Scripturae, en verwerpt alles, quod extra Scripturam is11. Augustinus getuigt: quidquid inde audieritis, hoc vobis bene sapiat; quidquid extra est respuite12. En in dezelfde geest spreken vele anderen13. Daarnaast erkennen zij zeer zeker ook de traditie, maar ze nemen daarin juist een element op, dat hun overtuiging van de genoegzaamheid van de Schrift ondermijnt en in de latere Roomse leer van de insufficientia S. Scr. en van de sufficientia traditionis geëindigd is. Beide, Schrift en traditie, zijn bij Rome naast elkaar niet te handhaven; wat aan de een onthouden wordt, wordt geschonken aan de andere. De traditie kan alleen stijgen, als en naarmate de Schrift daalt. Het is dan ook zeer vreemd, dat Rome enerzijds de Schrift voor voltooid en de canon voor gesloten houdt, ja zelfs de Schrift voor het woord van God erkent; en toch die Schrift als onvoldoende beschouwt en aanvult met de traditie. Terecht zeggen vele Roomse theologen tegenwoordig, dat de Schrift de niet noodzakelijke maar hoogstens nuttige aanvulling van de traditie is14.

1 Harnack, D. G. III 559 noot.

2 Conc. Vatic. sess. 4.

3 Bellarminus, de Conc. et Eccl. II c. 12. Heinrich, Dogm2. I 699 v. II 212 v. Jansen, Prael. Theol. I616. Mannens, Theol. Dogm. Instit. I174.

4 Heinrich, Dogm. Theol. II 536 v.

5 Conc. Vatic. sess. 4 cap. 3.

6 Bellarminus, de Romano Pontifice 1. V. de Maistre, Du Pape, 1. 2. Jansen, Prael. Theol. I 651 v.

7 Heinrich, Dogm. Theol. I 702 v. Mannens, Theol. dogm. I 171.

8 Luther bij Köstlin, Luthers Theol.2 1883 II 56 v. 246 v. Gerhard, Loci theol. loc. 1 c. 18. 19. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. par. 9. Calvijn, Inst. IV c. 10. Polanus, Synt. Theol. I c. 46. 47. Zanchius, Op. VIII col. 369 v. Ursinus, Tract. Theol. 1584 bl. 8 v. 22 v. Chamier, Panstratia Cathol. Loc. 1 lib. 8 en 9. Amesius, Bellarminus enervatus, Lib. 1 c. 6. Turretinus, Theol. El. loc. 2 qu. 16. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. bl. 11. v. Holtzmann. Kanon und Tradition. Ludwigsb. 1859 A. W. Dieckhoff, Schrift und Tradition. Rostock 1870. J. L. Jacobi, Die kirchl. Lehre von der Tradition u. h. Schrift, 1 Abth. Berlin 1847. P. Tschackert, Evang. Polemik gegen die rom. Kirche. Gotha 1885 par. 23 v. Id. art. Tradition in PRE2. Hase, Protest. Polemik, 5te Aufl. Leipzig 1891 bl. 77 v. Harnack, Dogm. Gesch. III 593 v. 623 v. Hodge, Syst. Theol. I 104 v. Daubanton, De algenoegzaamheid der H. Schrift. Utrecht 1882.

9 Ned. Geloofsbel. art. 3.

10 Irenaeus, adv. haer III praef. en cap. I.

11 Tertullianus, adv. Hermog. c. 22. de carne Chr. c. 8.

12 Augustinus, serm. de Past. c. 11.

13 Verg. de plaatsen verzameld door Chamier, Panstratia Cathol. Loc. Ilib. 8 cap. 10.

14 Höpfl, Die höhere Bibelkritik 1902 bl. 96 zegt zelfs: Wenn.. selbst die h. Schrift vom Erdboden verschwinden würde, so würde unser Glaube dennoch nicht wanken, denn er hat einen festen Halt an der Kirche, in welcher der Geist der Wahrheit lebt und wirkt.

x
This website is using cookies. Accept