Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 18. De religieus-empirische methode.

Frank, System der Christl. Gewissheit. Erlangen 12 1884 II2 1881. Id. System der Christl. Wahrheit. Erlangen 12 1885 II2 1886 3e Aufl. 1894. Id. Dogmatische Studiën. Erlangen 1892. J. Köstlin, Der Glaube und seine Bedeutung für Erkenntniss, Leben und Kirche mit Rücksicht auf die Hauptfragen der Gegenwart. Berlin 1895. Id. Die Begründung unserer sittl. -relig. Ueberzeugung. Eerlin 1893. Steude, Der Beweis für die Wahrheit des Christ. Gütersloh 1899. Daxer, Der Subjektivismus in Franks System der chr. Gewissheit. Gütersloh 1900. Sogemeier, Der Begriff der christl. Erfahrung hinsichtlich seiner Verwendbarkeit in der Dogm. untersucht. Gütersloh 1902. Ernst Petran, Beiträge zur Verständigung über Begriff und Wesen der sittl. relig. Erfahrung. Gütersloh 1898. Haack, Ueber Wesen und Bedeutung der christl. Erfahrung. Schwerin 1894. G. Heine, Das Wesen der relig. Erfahrung. Leipzig 1900. Bachmann, Die persönliche Heilserfahrung des Christen und ihre Bedentung für de Glauben nach dem Zeugnisse der Apostel. Leipzig 1899. H. Cremer, Glaube, Schrift und heilige Geschichte. Gütersloh 1896. Lobstein, Einl. in die ev. Dogm. 72-93. Kähler, Die Wiss. der Chr. Lehre3 I 12 v. P. Paulsen, Die Gewissheit der Christl. Weltanschauung im modernen Geistesleben, Zeitfr. des Chr. Volkslebens XXV 3. Ihmels, Die christl. Wahrheitsgewissheit, ihr letzter Grund und ihre Entstehung. Leipzig 1901. Karl Wolf Ursprung und Verwendung des religiösen Erfahrungsbegriffes. Gütersloh 1906. A. Reymona, Essai sur le subjectivisme et le problème de la connaissance religieuze. Lausanne 1900. Warfield, St. Paulus use of the argument from experience, The Expositor, March 1895. F. H. Foster, Christian Life and Theology or the contribution of christian experience to the system of evangelical doctrine. New-York 1901.

137. Toen historische en speculatieve bewijsvoering tot geen resultaat bleken te leiden, namen veel theologen positie in de religieuze ervaring van de gelovigen en zochten daaraan de gronden te ontlenen voor de zekerheid van het heil zowel als voor de waarheid van het Christendom. Nergens misschien komt de invloed van Schleiermacher op de nieuwere theologie sterker uit dan in het aanvaarden van dit subjectieve uitgangspunt. De redenen voor die invloed zijn niet ver te zoeken. Ten eerste had Schleiermacher zelf geleerd, dat de religie geen weten was en geen doen, maar een bepaalde gesteldheid van het gevoel, en dienovereenkomstig de dogmatiek opgevat als een beschrijving van vrome gemoedstoestanden. Men vergat daarbij menigmaal, dat Schleiermacher de taak, om de waarheid van het Christendom te betogen, vooraf aan de apologetiek had opgedragen en dus in de dogmatiek zich daarvan ontslagen kon rekenen, en nam desalniettemin zijn dogmatisch standpunt over en zocht nu in de zekerheid van de Christen het bewijs voor de waarheid van het Christendom. Ten andere scheen een beroep op de Bijbel, naarmate de Schriftkritiek voortgang maakte, geen afdoende waarborg meer op te leveren voor de waarheid van hetgeen men beleed; zelfs maakten alle uitwendige, historische of rationele bewijzen, die men voor het Christendom bijbrengen kon, geen indruk meer in een tijd, die door Kant en ook door Schleiermacher zelf de beperktheid van het kenvermogen had leren inzien en alle onzienlijke dingen in wetenschappelijke zin naar de terra incognita had verwezen. En ten derde koesterde men de overtuiging, dat het positie nemen in de religieuze ervaring, de Christelijke theologie weer bij de profane wetenschap in ere zou brengen. Want deze had langzamerhand in de loop van de negentiende eeuw aan alle speculatie en metaphysica de rug toegekeerd, en zich, met beroep op het kriticisme van Kant en het positivisme van Comte, op de grondslag van de zuivere feiten geplaatst. De theologie scheen in eens haar wetenschappelijke positie te herwinnen, als ze door en door empirisch werd en in de feiten van de religieuze ervaring de grondslag zocht voor haar wetenschappelijke bouw. Deze redenen bewogen een groot aantal theologen, om in de dogmatiek de religieus-empirische methode toe te passen. Eigenlijk nam heel de theologie na Schleiermacher reeds haar standpunt in het gelovig bewustzijn; niet alleen de Vermittelungs-theologen in engere zin, maar ook zij, die overigens tegenover Regel en Schleiermacher een zelfstandig standpunt innamen, gingen toch in de dogmatiek van het gelovig subject uit. Hofmann bijv. vat de dogmatiek niet op als beschrijving van gemoedstoestanden noch ook als reproductie van Schrift- of kerkleer, en evenmin als ontwikkeling van de Christelijke geloofsleer uit een algemeen principe, maar hij gaat toch evenals Schleiermacher van de Christelijke vroomheid uit. Dogmatiek is ontvouwing van datgene, wat de Christen tot Christen maakt, van de door Christus bemiddelde, persoonlijke gemeenschap van God met de mens. Die Erkenntniss und Aussage des Christenthums ist vor allem Selbsterkenntniss und Selbstaussage des Christen1. Filippi en Kahnis hebben ditzelfde subjectieve uitgangspunt, en Ebrard tracht in de dogmatiek de waarheid en noodwendigheid van de Erlösungsthatsachen aan te tonen, door ze op alle punten te vergelijken met het wetenschappelijk ontwikkeld Erlösungsbedurfniss2. Maar vooral Dr. Fr. H. R. Frank, hoogleraar te Erlangen, gestorven 1894, heeft met dit standpunt ten volle ernst gemaakt, het doorgedacht en er een systeem op gebouwd. Hofmann nam zijn standpunt in de Thatbestand van de gemeenschap van God met de mens. Deze rust en draagt de zekerheid in zichzelf, en de Schrift geeft er getuigenis aan. Hier was dus voor een systeem van de Christelijke zekerheid geen plaats. De Christen is zichzelf bewust, en daarmee is alles gezegd. Maar Frank blijft hier niet staan; hij tracht rekenschap te geven waarom de Christen dat alles voor waarheid aanneemt, wat zijn geloof inhoudt. Hij construeert, in plaats van de zogenaamde prolegomena van de dogmatiek, die hij zo sterk mogelijk bestrijdt, een System der christlichen Gewissheit. Deze titel is niet bijzonder duidelijk en heeft verklaring nodig. Gewisheid, zekerheid is een toestand van de ziel en sluit als zodanig een systeem uit.

Indien Frank gewisheid hier echter neemt, niet in subjectieve maar in objectieve zin, voor de objecten van het geloof, waarvan de Christen zeker is, dan is System der Christlichen Gewissheit zoveel als System der Christlichen Wahrheit. Dat kan de bedoeling niet zijn, want Frank heeft aan zijn tweede belangrijk werk juist deze titel gegeven. In zijn eerstgenoemd werk verklaart hij zich nader3 en zegt, dat dit zijn systeem tot object heeft de gewisheid, voorzover zij zich uitstrekt tot de zu verburgenden Wahrheitsgehalt, d.i. de zekerheid als psychologische toestand met al datgene, wat zij verzekert in zoverre als zij het verzekert. Het systeem van de Christelijke gewisheid komt dientengevolge neer op een formeel schema van de verschillende soorten en graden van zekerheid, die uit het Christelijk zelfbewustzijn ten opzichte van de geloofsobjecten. voortvloeien. Nu is het echter Franks bewering niet, dat de objecten van het Christelijk geloof niet vooraf zouden bestaan en bekend zouden zijn. Hij verklaart uitdrukkelijk het tegendeel4. Hij ontkent evenmin, dat de Christelijke zekerheid ontstaat door het woord5, en hij wil ook de objectieve waarheden niet afleiden uit het wedergeboren subject6. Meer nog, als hij al datgene, wat uit het Christelijke zelfbewustzijn volgt, daaruit afgeleid en heel het systeem van de Christelijke zekerheid ontwikkeld en voltooid heeft, dan zegt hij met duidelijke woorden, dat er nu een omkeer plaats heeft, en dat het laatste het eerste wordt. De Christen heeft uit en door zijn eigen zekerheid de objectieve grond gevonden, waarop hij met zijn geloofsleven rust, n.l. de genade van God in Christus, en daaruit bouwt hij nu het systeem van de Christelijke waarheid op7. De bedoeling van Frank is dus alleen, om antwoord te geven op de vraag: hoe komt een mens daartoe, om op die objectieve factoren van het heil, God, Christus, de Heilige Schrift enz. zich te verlaten, om de Schrift onbepaald als Gods Woord aan te nemen8. In het System der Christlichen Gewissheit ontwikkelt Frank dus niet zozeer de gronden van het geloof, als wel de wegen, waarlangs een mens tot zekerheid komt aangaande de Christelijke geloofswaarheden.

1 Hofmann, Schriftbeweis 2 I 5-16.

2 Filippi, Kirchl. Glaub. I52 v. 108 v. Kahnis, Luth. Dogm. I. 7. 8. Ebrard, Dogm. Par. 52.

3 System der chr. Gew. I48.

4 t.a.p. I313.

5 Dogm. Studiën 1892 bl. 56.

6 Dogm. Stud. 68. 69.

7 Syst. d. Chr. Gew. II 281 v.

8 Syst. d. Chr. Gew. II 285 v. Dogm. Stud. 56.

x
This website is using cookies. Accept