Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

153. Tegen deze voorstelling wordt echter van verschillende zijden de bedenking ingebracht, dat zo het geloven geheel willekeurig wordt. In plaats van redenen op te geven, waarom de Schrift als woord Gods wordt geloofd, antwoordt men, dat God het zo te geloven geeft. Daarmee kan de Mohammedaan zijn geloof aan de Koran, en ieder bijgelovige zijn superstitie bewijzen. Het sic volo, sic jubeo neemt de plaats in van reden en bewijs1. Hiertegen wordt echter in de eerste plaats opgemerkt, dat de gelovige wel is waar geen diepere grond voor de openbaring kan aangeven dan haar goddelijke autoriteit, welke hij door het geloof erkent. Maar daarom heeft hij nog wel wat in het midden te brengen tegenover de bestrijder van die openbaring. Het is zo, afdoende bewijzen heeft hij niet, hij kan de tegenstander niet bewegen tot het geloof, maar hij heeft ter verdediging minstens evenveel te zeggen als gene tot aanval. Ook het ongeloof rust tenslotte niet op bewijzen en redeneringen, maar wortelt in het hart. Gelovigen en ongelovigen staan in dit opzicht volkomen gelijk; beider overtuiging hangt met heel hun persoonlijkheid samen en wordt eerst a posteriori door bewijs en redenering gesteund. En als nu beiden tegen elkaar met deze aposteriorische bewijzen en redeneringen strijd voeren, verkeren de gelovigen in geen ongunstiger conditie dan zij, die niet geloven. God is kenbaar genoeg voor degenen, die Hem zoeken, en ook weer verborgen genoeg voor hen, die Hem ontvluchten. Il ya assez de lumière pour ceux, qui ne désirent que de voir, et assez d’obscurité pour ceux, qui ont une disposition contraire. Il ya assez de clarté pour éclairer les élus, et assez d’obscurité pour les humilier. Il ya assez d’obscurité pour aveugler les réprouvés, et assez de clarté, pour les condamner et les rendre inexcusables2. Het staat met religie, theïsme, openbaring en Schrift nog niet zo hopeloos, als de wetenschap ons jaren lang heeft willen doen geloven. Theodor von Lerber schreef van de wetenschap niet geheel ten onrechte: ich habe als Dilettant zu oft neben ihr gesessen und ihr in die Karten und auf die Finger geschaut, um noch übermässigen Respekt vor der Dame zu haben. Sie wird mir auf meinen Grabstein schreiben müssen: er dachte klein von mir und starb3. Historische en rationele bewijzen zullen niemand bekeren, maar zijn toch tot verdediging van het geloof even krachtig, als de argumenten van de tegenpartij voor de rechtvaardiging van haar ongeloof.

Voorts is het getuigenis, dat door de gelovigen aan de goddelijke openbaring, aan de Schrift, gegeven wordt, wel niet algemeen menselijk, maar toch algemeen Christelijk. De hele Christenheid is in deze belijdenis eenparig. Het testimonium Spiritus Sancti is niet het getuigenis van een spiritus privatus, maar van de één en zelfde Geest, die in alle gelovigen woont. Calvijn verklaarde, dit getuigenis besprekende, niets te beschrijven dan wat de ervaring was van alle gelovigen. Het is een machtig getuigenis, dat door de kerk van alle eeuwen gegeven wordt aan de Schrift als het woord van Gods Over geen dogma heerst er zo grote eenstemmigheid. Het is een feit, dat niet met hallucinatie of willekeur op één lijn mag gesteld worden en dat in elk geval verklaring behoeft. Vervolgens kan de gelovige zeer zeker geen diepere grond voor zijn geloof aanwijzen dan de goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift. Maar hij kan wel nadere verklaring geven aangaande de wijze, waarop hij tot dit geloof is gekomen. Het is zo, in de regel wordt iemand in dat geloof geboren en opgevoed; later ontdekt hij zelf, dat hij met heel zijn ziel aan de Schrift gebonden ligt, en tracht dan erover na te denken en van deze mystieke band zich rekenschap te geven. Maar meermalen gebeurt het, dat iemand op latere leeftijd tot bekering komt en tot het geloof aan de Schrift. En ook zij, die van van de jeugd aan uit dat geloof hebben geleefd, worden dikwijls geschokt en door de kritiek heen en weer geslingerd; eerst langzamerhand komen zij tot de vaste verzekerdheid van het geloof. Welke is nu de ervaring, waardoor het geloof aan de openbaring voor het eerst gewekt en versterkt wordt? Zij is natuurlijk verschillend in de verschillende gelovigen; maar zij is toch altijd van religieus-ethische, van geestelijke aard. Wat ons werkelijk geloven doet, is niet het inzicht van ons verstand noch een besluit van onze wil; maar het is een macht, die boven ons staat, die onze wil buigt, die ons verstand verlicht, die zonder dwang en toch krachtdadig onze gedachten en overleggingen gevangen leidt tot de gehoorzaamheid van Christus. Dat beleed Augustinus, als hij het geloof toeschreef aan de gratia interna. Dat erkende Thomas, als hij zei, dat de assensus fidei was a Deo, interius movente per gratiam. Dat sprak het Vaticaansche concilie uit, als het getuigde dat het geloof niet tot stand kwam absque illuminatione et inspiratione Spiritus Sancti. En dat was de overtuiging van heel de Reformatie: het geloof is een gave van God, een werking van de Heilige Geest. Geloven is een daad van het verstand, is een onmiddellijke, niet door bewijzen bemiddelde, aansluiting van het bewustzijn aan de openbaring.

Maar dat geloof veronderstelt een verandering in de relatie van de hele mens tot God, het veronderstelt de wedergeboorte, de omzetting van de wil. Nemo credit nisi volens. Het weten dwingt; niemand kan een mathematische stelling ontkennen. Maar geloven is vrij, het is de daad van de hoogste vrijheid, omdat het de daad is van de diepste zelfverloochening. Als God de zaligheid niet aan het weten maar aan het geloven verbindt, dan is dat een bewijs, dat Hij niet dwingt en niet dwingen wil. De brief aan Diognetus zegt zo mooi: bia gar ou prosesti tw yew4. Juist omdat het geloof geen vrucht is van wetenschappelijke bewijzen, komt het niet buiten het hart en de wil van de mens om tot stand. Dat is de waarheid, die er ligt in de leer van Kant en de Neokantianen aangaande de moralische Glauben. Het geloof is geen conclusie van een syllogisme. Toch is het aan de andere zijde ook geen wilsbesluit, geen postulaat. Postuleren doet de verloren zoon niet, als hij terugkeert naar het vaderhuis. Het geloof is ook geen imperium voluntatis. Men kan niet geloven als men wil. De wil kan aan het bewustzijn niet bevelen, om iets als waarheid aan te nemen, als het zelf hoegenaamd de waarheid er niet van inziet. Geloven is geen willekeur, maar het is ook niet blind. Het veronderstelt een wilsverandering, operari sequitur esse; en het is zelf een vrije, spontane erkenning van het verstand van het woord van God. Gelijk het oog, de zon ziende, van haar realiteit terstond overtuigd is, zo aanschouwt de wedergeborene de waarheid van Gods openbaring. Voor de wedergeborene is het geloof aan de openbaring even natuurlijk, als voor de zedelijke mens de erkenning van de zedewet. Het is ingeschapen in de natuur van het geestelijk leven; het wortelt in de geheimzinnige diepten van het wedergeboren hart. De gelovige kan dit geloof even weinig prijsgeven als zichzelf. Ja, zichzelf kan hij verloochenen, zijn leven kan hij opofferen, maar zijn geloof kan hij niet laten varen. Het geloof aan de openbaring is bij de Christen één met het geloof aan zichzelf5. De Christen zou het geloof aan zichzelf, aan zijn kindschap, aan de vergeving van zijn zonden, aan de waarachtigheid en de trouw van God moeten prijsgeven, om in de openbaring niet het woord van God te zien. Het geloof aan de openbaring is één met het beste, dat in hem is; in zijn beste ogenblikken staat hij het sterkst in dat geloof. Wat er tegen opkomt, hij kan niet anders en mag niet anders.

Eindelijk, er komt veel op tegen dit zijn geloof. Niet alleen van buiten, maar veel meer nog van binnen. Hoezeer de wil is gebogen en het verstand is verlicht, er blijft in de gelovige nog veel, dat tegen deze gehoorzaamheid van het geloof zich verheft. Het geloof is, omdat het een bewijs is van zaken die men niet ziet, een voortdurende strijd. Zonden van het hart en dwalingen van het hoofd verzetten zich tegen het geloof; en ze hebben dikwijls de schijn voor zich. Er blijft een dualisme in de gelovige, zolang hij op aarde is; een dualisme niet van hoofd en hart, maar van sarx en pneuma, van de palaiov en de kainov anyrwpov. Het geloof behoudt min of meer een supranatureel karakter, in zoverre het de natuur van de psychische mens te boven gaat. Het is nog niet ten volle natuurlijk; zodra het dat wordt, houdt het zelf op en gaat het over in aanschouwen. Het geloof is juist geloof, omdat het iets ziet, wat de psychische mens niet waarneemt. Maar dit dualisme, hoe pijnlijk ook, dient toch ter andere zijde tot bevestiging van het geloof. Want als het geloof niet opkomt uit de natuurlijke hebbelijkheden van de mens, en noch een conclusie van een syllogisme is noch een besluit van de wil; dan is zijn aanwezigheid tevens een bewijs voor zijn waarheid. Onze eigen geest drijft ons niet van nature, om God onze Vader te noemen en ons onder zijn kinderen te rekenen. Er is een wezenlijk en ook gemakkelijk kenbaar verschil tussen het getuigenis van de Heilige Geest, als Hij tot onze ziel zegt: ik ben uw heil, en de verleiding van Satan als hij spreekt: Vrede, vrede en geen gevaar. Potestne quis a diabolo impelli, ut Deum in fide Abba, Patrem vocet6? Het Christelijk geloof wijst op het testimonium Spiritus Sancti terug. Of Godgeleerdheid smaalt en Wijsbegeerte spot, God zelf is laatste grond van mijn geloof in God (Beets).

1 Verg. bijv. Scholten, tegen Saussaye, Leer der Herv. Kerk, 3e druk, voorrede.

2 Pascal, Oeuvres. Paris, Hachette 1869 I345.

3 A. Zahn, Socialdemokratie und Theologie, Gütersloh 1895 bl. 34.

4 ib. cap. 7.

5 Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 222. Kuyper, Encycl. II 77. Dit waarheidsbestanddeel schuilt ook in de vroeger besproken verklaring van de oorsprong der religie uit het conflict, waarin de mens verkeert tussen noodgevoel en zelfgevoel. In God mainteneert en affirmeert de mens zijn eigen geestelijk wezen.

6 Heidegger, Corpus Theol. XXIV 78.

x
This website is using cookies. Accept