Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

160. Maar al is kennis in de theologie bereikbaar, tot begrijpen brengt zij het niet. Tussen weten, kennen en begrijpen is een groot onderscheid. Wel worden deze woorden dikwijls door elkaar gebruikt; maar er is toch een duidelijk aanwijsbaar verschil. Weten geldt de existentie, het dat; kennen de kwaliteit, het wat; begrijpen de innerlijke mogelijkheid, het hoe van een ding. Begrijpen doen wij zeer weinig, eigenlijk alleen datgene, wat geheel in onze macht staat, wat we maken en breken kunnen. Een machine begrijp ik, als ik zie, hoe ze in elkaar zit en hoe ze werkt, als er niets wonderlijks meer in overblijft. Begrijpen sluit verwondering en bewondering uit. Ik begrijp of meen te begrijpen, wat, zoals men zegt, vanzelf spreekt en volkomen natuurlijk is. Dikwijls houdt het begrijpen op, naarmate men dieper onderzoekt. Wat vanzelf sprak, blijkt heel ongewoon en wonderlijk te zijn. Hoe verder een wetenschap doordringt in haar object, naar die mate nadert zij het mysterie. Al ontmoette zij geen ander op haar weg, dan zou zij toch tenslotte altijd stuiten op het mysterie van het zijn. Waar echter het begrijpen ophoudt, blijft er toch nog plaats voor het kennen en bewonderen. Zo is het ook in de theologie. In de openbaring is het musthrion eusebeiav ons onthuld, het mysterie van Gods genade. Wij zien het, het treedt ons als een realiteit in de geschiedenis en in het eigen leven tegemoet; maar wij doorgronden het niet. In deze zin heeft de Christelijke theologie het altijd met mysteries te doen, die zij wel kennen en bewonderen maar niet begrijpen en doorgronden kan.

Dikwijls is echter het mysterie in de Christelijke theologie in heel andere zin verstaan. Het woord musthrion, van musthv, muw zich sluiten, dichtgaan, van ogen, lippen, wonden; is in het gewoon Grieks de naam voor de religieus-politieke geheimleer, die in sommige genootschappen van Eleusis, Samothrace enz. alleen aan de ingewijden meegedeeld en voor alle anderen verborgen werd1. In het Nieuwe Testament heeft het woord altijd religieuze betekenis en duidt een zaak aan van het koninkrijk van God, welke of van wege de duistere, raadselachtige vorm, waarin ze wordt voorgedragen, Matt. 13:11, Mark. 4:11, Luk. 8:10, Op. 1:20; 17:5,7, of ook vanwege haar inhoud verborgen is. Vooral heet zo het universele, ook de Heidenen omvattende raadsbesluit van God aangaande de verlossing in Christus, Rom. 16:25, Ef. 1:9; 3:3; 6:19; Col. 1:26-27; 2:2; 4:3, benevens de wijze, waarop dit uitgevoerd wordt, Rom. 11:25, 1 Cor. 15:51, 2 Thess. 2:7, Op. 10:7. Maar dit mysterium heet dan zo, niet omdat het nu nog verborgen is, maar omdat het vroeger onbekend was. Thans is het juist door het Evangelie van Christus openbaar gemaakt; wordt het door de apostelen als oikonemoi musthriwn yeou verkondigd, Rom. 16:25-26, Col. 1:26, 1 Cor. 2:14, Mt. 13:11, 1 Cor. 4:1, en treedt het ook voortaan in de historie meer en meer aan het licht, 1 Cor. 15:51-52; 2 Thess. 2:7. Het Nieuwtestamentische musthrion duidt dus geen voor het denkend verstand onbegrepen en onbegrijpelijke geloofswaarheid aan, maar een zaak, die eerst bij God verborgen was, daarna in het Evangelie is bekend gemaakt en nu door de gelovigen wordt verstaan2. Maar het kerkelijke spraakgebruik verstond er al spoedig een zaak onder, die onbegrijpelijk was en ook het verstand van de gelovige ver te boven ging, zoals de vleeswording, de unio mystica, de sacramenten enz., en later alle articuli puri, die door de rede niet konden bewezen worden3. Ook zo bleef er nog een groot onderscheid tussen het heidens en het Christelijk spraakgebruik. Want daar duidde het aan een geheimleer, die voor oningewijden verborgen moest gehouden worden; maar in de Christelijke kerk heeft er nooit een eigenlijke disciplina arcana bestaan, al werd er ook een zekere orde betracht in de mededeling van de waarheid4. Maar toch waren de dogmata onbegrepen en onbegrijpelijke waarheden van het geloof, wel niet contra maar toch hoog supra rationem5. In de veroordeling van Erigena, Raimundus Lullus, Hermes, Gunther, Frohschammer sprak Rome haar afkeuring uit over iedere poging, om de mysteries van het geloof uit de rede te bewijzen. En het Conc. Vatic. beleed: divina mysteria snapte natura intellectum creatum sic excedunt, ut etiam revelatione tradita et fide suscepta, ipsius tamen fidei velamine contecta et quadam quasi caligine obvoluta maneant, quamdiu in hac mortali vita peregrinamur a Domino; per fidem enim ambulamus, et non per speciem6.

De Reformatie erkende nu wel het supranatureel karakter van de openbaring, maar bracht toch feitelijk een grote verandering aan. Bij Rome zijn de mysteries in de eerste plaats daarom onbegrijpelijk, omdat ze behoren tot een andere, hogere, bovennatuurlijke orde, die het verstand van de mens als zodanig ver overtreft. Het moet daarom alle nadruk leggen op de onbegrijpelijkheid van de mysteries en deze in bescherming nemen en handhaven. Het onbegrijpelijke schijnt op zichzelf een bewijs voor de waarheid te zijn. Credibile est, quia inepturn est...Certum, quia impossibile7. Maar de Reformatie verving deze tegenstelling van natuurlijke en bovennatuurlijke orde door die van zonde en genade. Zij zocht het wezen van het mysterie niet daarin, dat het voor de mens op zichzelf, maar voor het verstand van de psychische mens onbegrijpelijk was8. Zonder twijfel is deze opvatting veel meer met het Nieuwtestamentisch spraakgebruik in overeenstemming.

Nergens staant daar het abstract-bovennatuurlijke en het wetenschappelijk-onbegrijpelijke van het mysterie op de voorgrond. Maar terwijl het een dwaasheid is in de ogen van de natuurlijke mens, hoe wijs hij ook zij; het wordt geopenbaard aan de gelovigen, die er goddelijke wijsheid en genade in zien, Mt. 11:25, 13:11, 16:17, Rom. 11:33, 1 Cor. 1:30. Natuurlijk wil de Schrift daarmee ook weer niet te kennen geven, dat de gelovige die mysteries in wetenschappelijke zin begrijpt en verstaat. Wij wandelen immers door geloof, kennen ten dele en zien door een spiegel in een duistere rede, Rom. 11:34, 1 Cor. 13:12, 2 Cor. 5:7. Maar de gelovige kent die mysteries toch; ze zijn hem geen dwaasheid en ergernis meer; hij bewondert er Gods wijsheid en liefde in. Secretum Dei intentos debet facere, non adversos (Augustinus). Het komt daarom niet in hem op, dat ze zijn rede te boven gaan, dat zij supra rationem zijn; hij voelt ze niet als een drukkende last, maar als een bevrijding voor zijn denken. Zijn geloof gaat in bewondering over, zijn kennis eindigt in aanbidding, en zijn belijdenis loopt in een lof- en danklied uit. Van die aard is ook de kennis van God, welke in de theologie wordt beoogd. Zij is geen weten alleen en veel minder een begrijpen; maar zij is beter en heerlijker, zij is een kennis, die leven, eeuwig leven is, Joh. 17:3 9.

1 Edwin Batch, Griechentum u. Christentum, deutsch v. Preuschen 1892 bl. 210 v. Gustav Anrich, Das antike Mysterienwesen in seinem Einfluss auf das Christ. Göttingen 1894. Wobbermin, Religionsgesch. Studiën zur Frage nach der Beeinflussung des Urchrist. durch das antike Mysterienwesen. Berlin 1896.

2 Cremer, Wörterbuch der neutest. Gräcität s. v.

3 Suicerus, Thesaurus Eccl. s. v.

4 Bonwetsch, art. Arkandisziplin in PRE3 II 51-55.

5 Thomas, S. Theol. Iqu. 32 art. 1. S. c. Gent. I c. 3 IV c. 1. Bellarminus, de Christo 13. II 6. Heinrich, II 772 v. Denzinger, Vier Bücher v.d. rel. Erk. II 80-150. Kleutgen, Theol. der Vorzeit V 164 v.

6 Conc. Vatic. sess. III de fide c. 4.

7 Tertullianus, de carne Christi 5.

8 Calvijn, Instit. II 2, 20. Voetius, Disp. 13.

9 Verg. over de musthria, behalve de reeds genoemde litt. ook nog. Bretschneider, Syst. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe 1168. J. Boeles, de mysteriis in relig. christ. 1843. Scholten, L. H. K. I 223. Van Oosterzee, Dogm. I 168. Filippi, Comm. op Rom. 11:25. Grétillat, Exposé de théol. syst. I 182 v. II 183. S. Cheetham, The mysteries pagan and Christian. Being the Hulsean lectures for 1896. London Macmillan 1897. R. H. Grützmacher, Modern-positive Vorträge. Leipzig 1906 bl. 27 v. 32 v.

x
This website is using cookies. Accept