Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

20. Indien de Christelijke dogmaticus in de openbaring zijn standpunt heeft te nemen, rijst de vraag, waar die openbaring te vinden is. Drie factoren komen daarvoor hoogstens in aanmerking, de Schrift, de kerk en het Christelijk bewustzijn, en alle drie zijn bij beurte, na of ook naast elkaar, als bronnen der dogmatiek gebruikt. De Reformatie keerde tot de H. Schrift terug en erkende deze, met de oude Christelijke kerk, als het enig principium der theologie; Rome verhief de traditie allengs boven de Schrift; en mystici en rationalisten beiden putten de inhoud der dogmatiek uit het religieuze subject. Sedert de autoriteit inzake de religie voor velen geheel wegviel en de religio subjectiva van de religio objectiva onafhankelijk werd gemaakt, is het religieus bewustzijn, het geweten, het gevoel, de rede, of hoe mnen het noemen wil, de bron en maatstaf van de godsdienstige voorstellingen geworden. Heel de theologie is door en na Schleiermacher, zowel bij orthodoxen als bij modernen, in een bewustzijnstheologie veranderd. Scholten, Schweizer, Biedermann, Lipsius mogen bij de behandeling der dogmata nog van de kerkelijke formulering uitgaan, zij geven toch tenslotte niets anders dan hun persoonlijk geloof. En ook theologen als Martensen, Dorner, Hofmann, Philippi, Frank e.a. nemen hun uitgangspunt in het bewustzijn van de gelovige. Schian leverde voor enige tijd een betoog, dat de dogmatiek veel meer dan tegenwoordig geschiedde met de individualiteit moest rekenen, want elk dogmaticus is subjectief en kan niet anders geven dan een uitdrukking van zijn eigen geloof1. Hier te lande nam Van Oosterzee het Christelijk bewustzijn op onder de bronnen der dogmatiek. Des Amorie van der Hoeven Jr. dichtte in zijn geloof des harten: het onuitspreeklijk woord staat in ons hart te lezen, en Christus gaf er klanken aan. Beets zong: gans objectief te zijn, is de eis, is wenselijk. Maar zou het mogelijk zijn? Och, paai u met geen schijn; De stelsels zijn persoonlijk of onmenslijk, Dichtwerken IV 130. En prof. van Manen wees in zijn inaugurele oratie te Groningen op het persoonlijk karakter der leerstellige godgeleerdheid. Uit dat persoonlijk karakter der dogmatiek verklaarde Doedes in zijn Encyclopaedie bl. 168v. de grenzeloze verwarring, die er op haar gebied heerst.

In deze voorstelling is waarheid en dwaling dooreengemengd. Dat de dogmatiek een persoonlijk karakter draagt, steeds dragen zal en ook dragen moet, spreekt zo vanzelf, dat het niet uitdrukkelijk behoeft vermeld of geëist te worden. Elk wetenschappelijk werk draagt de stempel van zijn auteur. En de dogmatiek verkeert in hetzelfde geval. Juist omdat zij niet een historisch referaat is maar uiteenzet, wat wij behoren te geloven, kan zij aan de invloed der individualiteit niet ontkomen. Maar dit is iets gans anders, dan dat de dogmaticus van alle objectieve band ontslagen zou zijn. Evenals elke wetenschap, is de dogmatiek aan haar eigen object gebonden, heeft ze een eigen bron en norma. En wel zal ieder dogmaticus dat object zien en weergeven op zijn wijze en in zijn taal, maar indien zij slechts zien en beschrijven hetzelfde object, zal de persoonlijke verscheidenheid ertoe bijdragen, om de rijkdom der gedachten te doen kennen, welke in de dogmatiek worden neergelegd. De eis van het persoonlijk karakter der leerstellige godgeleerdheid mag echter geen dienst doen, om de dogmatiek aan allerlei willekeur prijs te geven, alsof het op de inhoud des geloofs, op de godsdienstige voorstellingen volstrekt niet aankomt. God wil, dat wij Hem ook met het verstand zullen liefhebben en zijner waardig van Hem denken zullen; daartoe gaf Hij zijn openbaring, aan welke de dogmatiek absoluut gebonden is, evenals iedere wetenschap aan het voorwerp, dat zij onderzoekt. Wanneer de dogmatiek zulk een openbaring niet meer erkent, dan, zegt Schian volkomen terecht, giebts nur subjective und darum nur individuelle Erkenntnis dessen, was zum christlichen Glauben gehort2. Maar dan is er ook geen dogmatiek en geen Christelijk geloof meer.

Van dogmatiek kan er alleen sprake zijn, als er een goddelijke openbaring is, op wier gezag zij steunt, wier inhoud zij ontvouwt. De bewustzijnstheologie, die belijdenis en Schrift als kenbron verwerpt en elke religieuze waarheid uit het subject afleiden wil, is ten eerste reeds met een gezonde Erkenntnis-theorie in strijd. Ook religieus zijn wij producten van onze omgeving. Wij ontvangen onze godsdienstige voorstellingen en indrukken van degenen, die ons verzorgen en opvoeden, en blijven te allen tijde gebonden aan de kring, waarin wij leven. Verstand en hart, rede en geweten, gevoel en verbeelding zijn op geen enkel terrein kenbron der waarheid, maar alleen organen, waardoor wij haar in ons opnemen en tot ons eigendom maken. Evenals wij fysisch aan de natuur gebonden zijn en spijze en drank, deksel en kleding van haar ontvangen moeten, zo zijn wij ook psychisch, in kunst, wetenschap, godsdienst, zedelijkheid afhankelijk van de wereld buiten ons. Vooral het gevoel kan als kenbron der godsdienstige waarheid niet in aanmerking komen, want het gevoel is nooit een prius, maar altijd een posterius; het reageert alleen op hetgeen het aandoet en geeft dan een gewaarwording van lust of onlust, van aangenaam of onaangenaam3.

Het autonoom verklaren van de godsdienstige en zedelijke mens hangt voorts altijd met het deïsme of het pantheïsme samen. Het deïsme maakt de mens onafhankelijk van God en wereld, leert de algenoegzaamheid zijner rede en leidt tot rationalisme; het pantheïsme laat God in de mens tot openbaring en zelfbewustzijn komen en kweekt het mysticisme. Beide vernietigen de objectieve waarheid, laten rede en gevoel, verstand en hart aan zichzelf over, en eindigen in ongeloof of bijgeloof. De rede bekritiseert alle openbaring weg, en het gevoel geeft aan de Roomse evenveel recht, om zich Maria voor te stellen als de zondeloze koningin des hemels als aan de Protestant om dit geloof te bestrijden4. Opmerkelijk is het daarom, dat de H. Schrift de mens nooit naar zichzelf als kenbron en maatstaf der godsdienstige waarheid verwijst. Hoe zou zij het ook kunnen, waar zij de psychische mens geheel en al, in zijn verstand, Ps. 14:3, Rom. 1:21-23, 8:7, 1 Cor. 1:23, 2:14, 2 Cor. 3:5, Ef. 4:23, Gal.1:6, 7, 1 Tim. 6:5, 2 Tim. 3:8 , in zijn hart, Gen. 6:5, 8:21, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Mark. 7:21, in zijn wil, Joh. 8:34, Rom. 7:14, 8:7, Ef. 2:3, en ook in zijn geweten, Jer. 17:9, 1 Cor. 8:7, 10, 12; 10:28, 1 Tim. 4:2, Tit. 1:15 als door de zonde verduisterd en verdorven beschrijft. Voor de kennis der waarheid verwijst zij hem altijd naar de objectieve openbaring, naar het woord, de onderwijzing, die van God is uitgegaan, Deut. 4:1, Jes. 8:20, Joh. 5:39, 2 Tim. 3:15, 2 Petr. 1:19 enz. En ook, waar de objectieve waarheid door het geloof ons persoonlijk eigendom wordt, is dat geloof toch nooit gelijk aan een fontein, die het levende water uit zichzelf voortbrengt, maar aan een kanaal, dat het water van elders ons toevoert.

1 Schian, Zeit. f. Th. u. K. 1897 bl. 513 v. 1898 bl. 170 v.

2 t. a. p. bl. 176.

3 Tholuck, art. Gefühl in PRE 2. Bender, Jahrb. f. deutsche Theol. 1872 bl. 659 v. Philippi, Kirchl. Glaub. I 60 v. Hodge, Syst. Theol. I 65 v. Hoekstra, Godg. Bijdr. 1864 I 43. Id. Wijsg. Godsdienstleer 1894 bl. 59 v. 213v. Bavinck, Beginselen der Psych. par. 7.

4 Schweizer, Glaubenslehre der ev. ref. Kirche I 94.

x
This website is using cookies. Accept