Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 31. De Heilige Drieëenheid.

Hofmann, Der Schriftbeweis/2 I 61 v. Oehler, Theol. d. Alt. Test/2 bl. 175 v. 195 v. Smend, Altt. Rel. 42 v. 459 v. Davidson, Theol. of the Old Test. 115 v. 296 v. Köberle, Natur und Geist nach der Auffassung des Alt. Test. München, Beck 1901. Weber, System der altsyn. Palast. Theol.1880 bl. 172 v. C. F. Schmid, Bibl. Theol. des N.T. 1864 bl. 105-188. Holtzmann, Neut. Theol. I 377-418 II 465.

Baur, Die chr. Lehre v.d. Dreieinigkeit und Menschwerdung Gottes. Tübingen 1843. Dorner, Entwicklungsgeschichte der Lehre von der Person Christi. Berlin 1851-54. Münscher von Cölln, D. G./3 I 160 v. Harnack, Dogmengeschichte/4 1905 bl. 140 v. 182 v. Loofs, Leitfaden zum studium der Dogmengesch./4 1906 Seeberg, Lehrb. der Dogmengesch. I 1895 II 1898. G. Krüger, Das Dogma v.d. Dreieinigkeit u. Gottmenschheit in seiner gesch. Entw. Tübingen 1905. Schwane, Dogmengeschichte/2 1892 v. Caspari, Der Glaube an die Trinität Gottes in der Kirche der drei ersten Jahrb. Leipzig, Faher 1894. Verschillende artikelen in PRE/3 over Arianismus, Athanasianum, Christologie, Macedonius, Monarchianismus enz.

Athanasius, Orationes IV c. Arianos. Ad Serap. Epist. II. Damascenus, de fide orthod. I 8. Hilarius, de trinitate I. XII. Augustinus, de trinitate I. XV. Dionysius, de div. nom. c. 2. Erigena, de div. nat. I 62 II 32. 35. Alcuinus, de fide sanctae et individuae trinitatis. Anselmus, Monologium. De fide trinitatis et incarnatione verbi. De processione spiritus sancti. Lombardus, Sent. Lib. I. Hugo Vict., de sacramentis, 1.I p. 3. Richard Vict., Libri VI de trinitate. Thomas, S. Theol. I qu. 27-43. c. Gent. IV 2-26. Bonaventura, Brevil. I 2-6. Petavius, de trinitate I. VIII. Heinrich, Dogm. Theologie/2 Band IV. Mainz 1885. Scheeben, Dogm. I 743 v. C. Pesch, Prael. Dogm. II 231 v. Jansen, Prael. Theol. Dogm. II 161 v. Mannens, Theol. Dogm. Inst. II 141 v.

Melanchton, Corpus doctr. christ. Lips. 1561 bl. 309 v. Gerhard, Loci theol. III. Quenstedt, syst. Theol. 318 v. Schmid, Dogm. der ev. Luth. K. bl. 87 v. Calvijn, Inst. I 13. Refut. errorum M. Serv. Op. ed. schippers VIII 510. Zanchius, de tribus Elohim, Op. I 1-564. Polanus, synt. theol. I. 3. Junius, Op. II 1 v. Mastricht, Theol. theor. pract. Turretinus, Theol. El. I 280 v. B. de Moor, Comm. in Marckii Comp. I 695 v. M. Vitringa, Doctr. christ. relig. I 185 v.

Schleiermacher, Chr. Gl. par. 170-172. Twesten, Vorles. über die Dogm. II 179 v. Lange, Chr. Dogm. II 123 v. Thomasius, Christi Person u. Werk/3 I 42 v. Dorner, Chr. Gl. I 347 v. Frank, Chr. Gew./2 par. 33 v. Id., Chr. Wahrh./2. par. 14 v. Filippi, Kirchl. Gl. II 117-215. Ebrard, Dogm. par. 95-154. Böhl, Dogm. 113-123. Hodge, syst. Theol. I 462. Shedd, Dogm. Theol. I 249. A.H. Strong, syst. Theol./3 1890 bl. 144-170. Van Oosterzee, Christ. Dogm. par. 51 v.

213. Hoger nog dan de wezensnamen stijgt Gods openbaring in de nomina personalia, welke ons de onderscheidingen doen kennen, die er in de Eenheid van Zijn Wezen bestaan. Deze openbaring begint reeds in het Oude Testament. Wel komt zij daar nog niet volledig voor, gelijk de kerkvaders en latere theologen dikwijls met miskenning van het historisch karakter der openbaring hebben geleerd1; maar evenmin is het juist, dat zij daar geheel nog niet te vinden zou zijn, zoals na de Socinianen en de Remonstranten, door Semler, Herder, Doederlein, Bretschneider, Hofmann, e.a. werd geleerd2. Het Oude Testament doet het trinitarisch bestaan van God slechts onduidelijk kennen, het is de oorkonde der wordende triniteitsleer3. Maar het bevat toch, niet in enkele op zich zelf staande teksten alleen, maar vooral in het organisme Zijner openbaring momenten, die voor de leer der drieëenheid van de hoogste betekenis zijn. Vooreerst komt de naam Elohim in aanmerking. Dat deze in zijn pluralisvorm geen bewijs is voor de triniteit, werd reeds vroeger opgemerkt. Maar toch is het opmerkelijk, dat deze Naam bij de voorstanders van het monotheïsme om zijn vorm nooit bezwaar heeft ontmoet. Dit is alleen daaruit te verklaren, dat hij geen reminiscentie aan het polytheïsme bevat, maar de Godheid aanduidt in haar volheid en rijkdom van leven. De God der openbaring is geen abstracte Eenheid, maar de levende, waarachtige God, die in de oneindige volheid van Zijn leven de hoogste verscheidenheid insluit. Reeds terstond bij de schepping komt dat uit. Elohim schept door het spreken van Zijn Woord en door het uitzenden van Zijn Geest. Het Woord, dat God spreekt, is geen klank, maar een kracht, zo groot, dat Hij daardoor de wereld schept en onderhoudt; Hij spreekt en het is er, Gen. 1:3; Ps. 33:6,9; 147:18; 148:8; Joël 2:11. Dat Woord door God gesproken, van Hem uitgaande en dus van Hem onderscheiden, wordt later als wijsheid gehypostaseerd in Job 28:23-27, Spr. 8:22 v. Spr. 3:19, Jer. 10:12, 51:15. Deze wijsheid is van eeuwigheid door God bezeten, bereid, aangesteld, doorzocht, als Zijn voedsterling en werkmeesteres, waardoor Hij alle dingen schiep en onderhoudt. Maar niet alleen door het Woord en de wijsheid, ook door de Geest Gods komt het werk der schepping en der onderhouding tot stand, Gen. 1:2, Ps. 33:6, 104:33, 139:7, Job 26:13, 27:3, 32:8, 33:4, Jes. 40:7,13; 59:19. Terwijl het Woord de Middelaar is, waardoor God alle dingen in het aanzijn roept, is het Zijn Geest, waardoor Hij immanent is in al het geschapene, en het alles levend maakt en versiert. Zo komt reeds volgens de leer van het Oude Testament in de schepping uit, dat alle dingen hun ontstaan en voortbestaan danken aan een drievoudige causa. Elohim en kosmos staan niet dualistisch naast elkaar, maar de wereld, door God geschapen, heeft zijn Woord tot objectief, Zijn Geest tot subjectief principe. De wereld is eerst door God gedacht en komt daarom door Zijn almachtig spreken tot stand, en als zij realiteit ontvangen heeft, staat ze niet buiten en tegen Hem over maar blijft rusten in Zijn Geest.

Nog duidelijker komt in het Oude Testament deze drievoudige oorzaak uit op het terrein der bijzondere openbaring, in het werk der herschepping. Dan is het niet meer Elohim alleen, maar Jahweh, die Zich openbaart, die zich kennen doet als de God van het Verbond en de eed, de openbaring en de geschiedenis. Maar ook als zodanig openbaart Hij Zich niet rechtstreeks en onmiddellijk, Ex. 33:20. Het is wederom door Zijn Woord, dat Hij Zich kennen doet en Zijn volk redt en bewaart, Ps. 107:20. En Drager van dat Woord der heilsopenbaring is de Malak Jahweh, De Gezant van het Verbond. Niet altijd, waar de uitdrukking Engel Gods of Engel des Heren in het Oude Testament voorkomt, is aan de angelus increatus te denken, gelijk Hengstenberg meende. In 2Sam. 24:16v., 1Kon. 19:5-7 2Kon. 19:35, Dan. 3:25,28; 6:23; 10:13; hebben we aan een gewone engel te denken, evenals ook in Matth. 1:20,28 [???]; Luk. 1:11, 2:9, Hd. 5:19; 8:26; 10:3; 12:7,23; 27:23; Jud. 9, Openb. 12:7. Over andere plaatsen kan er twijfel bestaan, zoals Num. 22:22v., Jos. 5:13,14, Richt. 2:1-14, 6:11-24, 13:2-23. Maar in de plaatsen, die reeds vroeger werden genoemd4 gaat het subject, dat in de engel des Heren spreekt en handelt, ver boven een geschapen engel uit. De kerkvaders vóór Augustinus zagen eenparig in deze Engel des Heren een theophanie van de Logos5. Dikwijls werd deze opvatting echter verbonden met de mening, dat de Vader eigenlijk onzichtbaar, ongenaakbaar, onuitsprekelijk is, maar dat de Zoon Zich kan openbaren en het principe aller openbaring is; zo bij Justinus Martyr, Theofilus, Irenaeus, Tertullianus. Maar deze scheiding en tegenstelling tussen de Vader en de Zoon werd door de latere kerkvaders, Athanasius, de drie Cappadociërs enz. terecht bestreden. De Zoon was waarachtig God en dus even onzichtbaar als de Vader. Zo werd de opvatting van Augustinus voorbereid, die ook de theofanieën Gods in het Oude Testament altijd door geschapen engelen bemiddeld dacht6. De scholastieke en Roomse theologen namen gewoonlijk deze exegese van Augustinus over7. Luther en Calvijn dachten nu eens aan een geschapen, dan aan de ongeschapen engel8; maar de latere Protestantse uitleggers verstonden die plaatsen meest van de Logos, vooral ook in tegenstelling met de Socinianen, Remonstranten en Rationalisten, die er niets dan angelophanieën in zagen. Terwijl Hofmann, Baumgarten, Delitzsch, Cremer9 bij de laatste opvatting zich aansluiten, is de oude opvatting weer verdedigd door Stiert Hengstenberg, Keil, Kurtz, Ebrard, Filippi10 e.a. Het verschil tussen deze twee uitleggingen is niet zo groot als het schijnt. De voorstanders van de oud-kerkelijke opvatting moeten immers erkennen, dat de Logos een menselijke gedaante heeft aangenomen; en Augustinus en de zijnen moeten toegeven, dat in die geschapen engel de Logos Zich op een heel bijzondere wijze openbaarde11. En daarbij komt, dat de plaatsen, waar van de Engel des Heren sprake is, niet alle kunnen opgevat worden in dezelfde zin. Zoveel staat dan ook vast, dat in de Malak Jahweh, Die bij uitnemendheid die Naam draagt, God en dan bepaaldelijk Zijn Woord op geheel enige wijze tegenwoordig was. Dat blijkt duidelijk daaruit, dat Hij, schoon van Jahweh onderscheiden, toch ook met Hem één is in Naam, in macht, in verlossing, in zegening, in aanbidding en eer12. Deze exegese wordt bovendien aanbevolen door heel de Oude en Nieuwe Testament. en zijn hiermede niet in strijd.Job 33:23, Ps. 34:8 [Ps. 34:7], 35:5, Spr. 8:22v., Spr. 30:4, Jes. 9:5 [Jes. 9:6], Hos. 12:5-6 [Hos. 12:4-5], Mich. 5:6 [Mich. 5:7], Zach. 1:8-14, 3:1 Zach. 12:8 Mal. 3:1, Joh. 8:56,58, cf. Joh. 1:1-5, 1Cor. 10:4,9; Hand. 7:30,35,38, Gal. 3:19, Hebr. 2:2 En gelijk Jahweh Zich nu bij de herschepping objectief openbaart door Zijn Woord, in de Malak Jahweh; zo doet Hij dit subjectief in en door Zijn Geest. De Geest Gods is het principe van alle leven en heil, van alle gaven en krachten binnen het terrein der openbaring; van moed, Richt. 3:10; 6:34; 11:29; 13:25; 1Sam. 11:6, van lichamelijke kracht, Richt. 14:6, 15:14, van kunstvaardigheid, Ex. 28:3; 31:3-5; 35:31-35; 1Kron. 28:12, van regeerbeleid, Num. 11:17,25, 1Sam. 16:13, van verstand en wijsheid, Job 32:8, Jes. 11:2, van heiligheid en vernieuwing, Ps. 51:13 [Ps. 51:11], Jes. 63:10, cf. Gen. 6:3, Neh. 9:20, 1Sam. 10:6,9, van profetie en voorspelling, Num. 11:25,29; 24:2-3; Mich. 3:8 enz. In bijzondere mate zal Hij rusten op de Messias, Jes. 11:2, 42:1, 61:1, maar daarna ook uitgestort worden over alle vlees, Joël 3:1-2, Jes. 32:15, 44:3, Ezech. 36:26-27; 39:29; Zach. 12:10, en allen een nieuw hart geven en een nieuwe geest, Ezech. 36:26-2713.

Dit drievoudig Goddelijk principe, dat aan schepping en herschepping ten grondslag ligt, en heel de oeconomie der Oud Testamentische openbaring draagt, wordt nu enkele malen ook samen vermeld. De drievoudige herhalingen in Dan. 9:19, Zach. 1:3, Jes. 6:3, 33:22 komen hiervoor niet in aanmerking; alleen de hogepriesterlijke zegenbede, Num. 6:24-26 wijst in het drievoudig karakter van haar zegening op een drieërlei openbaring Gods terug en is zo het Oud Testamentische voorbeeld van de apostolische zegen, 2Cor. 13:13. De meervoudsvormen in Gen. 1:26-27; 3:22; Jes. 6:8 enz. missen genoegzame kracht, omdat zij op dezelfde wijze als de pluralis Elohim te verklaren zijn14. Van meer betekenis zijn plaatsen als Gen. 19:24, Ps. 45:8 [Ps. 45:7], 110:1, Hos. 1:7, omdat zij op een zelfonderscheiding in het Goddelijk Wezen wijzen. En het duidelijkst wordt een drievoudige zelfonderscheiding in het Goddelijk Wezen aangeduid in Ps. 33:6, Jes. 61:1, 63:9-12, Hagg. 2:5,6. Velen hebben vroeger ook in de drie mannen, die aan Abraham verschenen, Gen. 18:1-2, een openbaring der triniteit gezien15. Anderen meenden, dat een van de drie de Logos was en de andere twee gewone engelen waren, b.v. Calvijn, Kantt. Statenvertaling16. Veel aannemelijker is echter de exegese van Augustinus, volgens wie de drie mannen drie geschapen engelen waren, in wie Jahweh echter op bijzondere wijze Zich openbaarde en tegenwoordig was17.

1 Verg. de litt. over de triniteit in het Oude Testament bij M. Vitringa I 213 v. 218.

2 Bretschneider, Dogm. I. 565 v. Hofmann Schriftbeweis I. 90 v. Verg. verder Walch, Bibl. theol. sel. II 687.

3 Petavius, de trin. II c. 7. Lange, Dogm. II 124 v. 148 v.

4 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 11 Bijzondere Openbaring; 90.

5 Verg. de citaten hij Trip, Die Theofanien in de Geschichtsbüchern des A. T. Leiden 1858 bl. 20-41.

6 Augustinus, de trin. III 11. de civ. Dei XVI c. 29.

7 Thomas, S. Theol. I qu. 51 art. 2 en 3 ad 5. I 2 qu. 98 art. 3. Sent. II dist. 8 qu. 1 art. 6. Petavius, de trin. VIII c. 2. Scheeben, Dogm. I 784 v. Pesch, Prael. dogm. II 245 enz.

8 Trip, t.a.p. 49-58.

9 Cremer, in PRE/3 V 366. 367.

10 Filippi, Kirchl. Gl. II 191-196.

11 Rivetus hij Trip, t.a.p. 65.

12 Verg. Deel I; Hoofdstuk 2; Par. 11 Bijzondere Openbaring; 91 v. Trip, bl. 100 v. Kuyper, De Engelen Gods 189.

13 Verg. over de Heilige Geest in het Oude Testament verder nog: Kleinert, Zur altt. Lehre vom Geiste Gottes, Jahrb. f. d. Theol. 1867 bl. 3-60. Warfield, The spirit of God in the Old Testament, Presb. and Ref. Rev. Oct. 1895 bl. 665-687. Cremer, art. Geist in PRE/3 VI 450. Lechler, Die Biblische Lehre vom Heilige Geiste I Exeg. Darstellung. Gütersloh 1899.

14 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 29 De Benoemingsnamen Gods; 188.

15 Witsius, Oec. foed. IV 3 par. 3-8.

16 De Moor, Comm. I 807.

17 Augustinus, de civ. XVI 29. Verg. Kuyper, De Engelen Gods 194

x
This website is using cookies. Accept