Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

216. De Heilige Schrift blijft echter bij deze gegevens niet staan; zij biedt nog meer en doet ons ook iets kennen van de relaties, waarin deze drie onderscheiden subjecten, Vader, Zoon en Heilige Geest tot elkaar staan. Daarvoor komt allereerst de Vadernaam in aanmerking. Deze naam duidt in de algemene zin God aan als Schepper van al Zijn werken, inzonderheid van de mens, Num. 16:22, Mt. 7:11, Luk. 3:28, Joh. 4:21, Hd. 17:28, 1Cor. 8:6, Ef. 3:15, Hebr. 12:9. In het Oude Testament krijgt deze Naam theocratische betekenis1; God is de Vader van Israël, omdat Hij het door Zijn wonderbare mogendheid schiep en bewaarde, Deut. 32:6, Jes. 63:16, 64:8, Mal. 1:6, 2:10, Jer. 3:19, 31:9, Ps. 103:13, Rom. 9:4; in het Nieuwe Testament gaat deze betekenis over in de ethische, in welke God de Vader is van Zijn kinderen, Mt. 6:4, 8-9, Rom. 8:15 enz. Maar in geheel enige, metafysische zin is God Vader van de Zoon. Jezus maakt altijd een wezenlijk onderscheid tussen de verhouding, waarin Hijzelf en waarin anderen, de Joden, de discipelen, tot de Vader staan, Mt. 11:25-27, Luk. 22:29, Joh. 2:16, 5:17, 20:17 enz. Hij noemde God zijn eigen Vader, patera idion, Joh. 5:18. En duidelijk wijst de Schrift aan, dat de Vadernaam niet in de eerste plaats geldt van God in betrekking tot Israël en de gelovigen, maar integendeel oorspronkelijk van de verhouding van de Vader tot de Zoon, Joh. 14:6-13, 17:26. God is in eigenlijke, oorspronkelijke zin Vader van de Zoon, Hij heeft de Zoon lief, Joh. 5:19v., Joh. 10:17; 17:24,26, en deze liefde gaat van de Vader door de Zoon op anderen over, Joh. 16:27, 17:26. Deze verhouding van de Vader tot de Zoon is niet geworden in de tijd, maar zij is van eeuwigheid, Joh. 1:14; 8:38; 17:5,24, en daarom wordt God door de apostelen telkens in bijzondere zin genoemd de Vader van onze Here Jezus Christus, Rom. 15:6, 1Cor. 15:24, 2Cor. 1:3, Gal. 1:1, Ef. 1:3 enz. Het Vaderschap van de Zoon is Zijn bijzondere, personele eigenschap. Hij alleen is van Zichzelf, de eerste in orde van bestaan, Joh. 5:26, en daarom ook de Vader, beide in schepping en herschepping, uit Wie alle dingen zijn, 1Cor. 8:6.

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament is het de Vader, die de eerste plaats inneemt. Van Hem is het voornemen, Hd. 4:28, Ef. 1:11, het welbehagen, Mt. 11:26, Ef. 1:9, het initiatief in schepping en verlossing, Ps. 33:6, Joh. 3:16, de exousia en de dunamiv, Mt. 6:13, Rom. 1:20, Ef. 1:19, de gerechtigheid, Gen. 18:25, Deut. 32:4, Joh. 17:25, Rom. 3:26, 2Tim. 4:8, de goedheid, de wijsheid, de onsterfelijkheid, het ontoegankelijke licht, Mt. 19:17, Rom. 16:27, 1Tim. 6:16. Daarom draagt Hij ook telkens de naam van God in bijzondere zin. Hij is Elohim, Jahweh Elohim, El Eljon, El Schaddai, monov alhyinov yeon, Joh. 17:3, eiv yeov, 1Cor. 8:6, 1Tim. 2:5, die als God en Vader genoemd wordt naast de Here Jezus Christus en de Heilige Geest, 1Cor. 12:6, 2Cor. 13:13, 1Thess. 1:3, Op. 1:6. Zelfs noemt Christus Hem niet alleen Zijn Vader maar ook Zijn God, Mt. 27:46, Joh 20:17, Hebr. 1:9; 2:17; 5:1; 10:7,9, en heet Hijzelf de Christus Gods, Luk. 9:20, 1Cor. 3:23, Op. 12:10. Ten onrechte is hieruit echter door de Arianen van vroeger en later tijd afgeleid, dat alleen de Vader God is, en Zoon en Geest, hoewel aan God verwant, toch buiten het Goddelijke Wezen staan. Want vooreerst kent de Schrift, gelijk straks nader blijken zal, aan Zoon en Geest evengoed Goddelijke namen, eigenschappen, werken en ere toe als aan de Vader. En voorts verdient het opmerking, dat de Schrift nergens zegt, dat de Vader alleen de waarachtige God is, maar wel dat de Vader is de alleen waarachtige God, iets wat in de kerkelijke triniteitsleer ten volle wordt erkend. Vervolgens maken alle die plaatsen geen tegenstelling tussen de Vader enerzijds en de Zoon en de Geest anderzijds, maar tussen de Vader, als de enige God, en de goden der heidenen. Dan volgt uit de uitspraken, dat de Vader de enige waarachtige God, alleen wijs, alleen goed, alleen onsterfelijk is, geenszins, dat niet ook Zoon en Geest dezelfde Goddelijke Wezens zijn en diezelfde eenheid, wijsheid, goedheid en onsterfelijkheid deelachtig zijn, evenmin als uit 1Cor. 8:6 volgt, dat alleen Christus en niet God onze Heer is, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem. En tenslotte kan de Vader daarom alleen wijs, alleen goed enz. genoemd worden, omdat Hij alles van Zichzelf bezit, phgh yeothtov is, Zoon en Geest daarentegen hetzelfde Wezen en dezelfde eigenschappen bezitten door mededeling. De naam van God, aan de Vader in het bijzonder toegekend, duidt aan, dat Hij in de Goddelijke oeconomie de eerste is; het is als het ware een ambtsnaam, aanduiding van Zijn rang en plaats, gelijk er onder de mensen, die allen dezelfde natuur deelachtig zijn, toch ook onderscheid is van stand en van eer2.

Verder wordt ons ook licht verspreid over de immanente verhoudingen Gods door de namen, die de Zoon draagt in de Schrift; Deze namen zijn zeer veel in getal, slaan meest op Zijn historische verschijning en komen daarom later in de locus de Christo ter sprake. Maar er zijn er ook onder, die Hem toekomen vóór en afgedacht van Zijn vleeswording. Vooreerst komt de naam Logos in aanmerking. Er zijn verschillende redenen opgegeven, waarom Christus deze naam draagt. Het woord is vertaald door ratio, sermo, verbum, en dan weer opgevat als verbum interius of exterius3. Het uitgangspunt voor de benaming ligt echter ongetwijfeld in de doorlopende leer der Schrift, dat God Zich in schepping en herschepping openbaart door het Woord. Door het Woord schept, onderhoudt en regeert God alle dingen, en door het Woord vernieuwt en herschept Hij ook de wereld. Het Evangelie heet daarom ook het Woord Gods, logov you yeou. Johannes noemt Christus de Logos, omdat Hij het is, in en door Wie God Zich openbaart, zowel in schepping als in herschepping, Joh. 1:3,14. In het Oude Testament treedt echter het Woord, waardoor God zich openbaart, eerst op bij de schepping. De hypostase en het eeuwig bestaan van dat Woord wordt niet uitgesproken. In Spreuken 8 wordt de wijsheid wel persoonlijk en eeuwig voorgesteld, maar ook in nauw verband gebracht met de schepping; met het oog op deze is zij door God bereid, aangesteld, doorzocht, vs.22,23. De Arianen leidden uit het ynnq van vs. 22, LXX ektise me, Syr. Trg. ynarb, cf. Sirach 1:4,9, 24:8 af, dat de Zoon niet eeuwig gegenereerd, maar vóór alle dingen geschapen was. En de kerkvaders beweerden daartegenover, dat ynnq moest overgezet worden door ekthsato, Aq. Symm., of possedit, Hieronymus, of dat dit woord niet sloeg op het Wezen des Zoons, maar op Zijn ambt en waardigheid bij schepping en herschepping. Zonder twijfel is het laatste het geval. Er is hier geen sprake van een eeuwige generatie, maar er wordt alleen gezegd, dat God de wijsheid bereidde, ynnq, en aanstelde, ytkon, dat zij geboren werd, ytllx, vóór en met het oog op de schepping4. Maar het Nieuwe Testament gaat hier ver boven uit. Johannes zegt niet alleen, dat Hij, in en door wie God Zich openbaart, een Persoon is, maar hij verklaart uitdrukkelijk, dat deze Logos in de beginne was, en arxh hn o Logov. Hij werd niet Logos, Hij is er niet eerst toe bereid en aangesteld bij de schepping; Hij was als Persoon en van nature Logos, Logos van eeuwigheid. En voorts was Hij Zelf yeov, Hij stond in verkeer met God, hn en argh prov ton yeon vs. 2, eiv ton kolpon tou patrov, vs. 18, voorwerp van Zijn eeuwige liefde en zelfmededeling, 5:26, 17:24. Daarom kon Hij ook de Vader volkomen openbaren, omdat Hij Zijn Goddelijke natuur, Zijn Goddelijk leven, Zijn Goddelijke liefde enz. van eeuwigheid deelachtig en van nature Logos was. God deelde Zich mee aan Hem, daarom kan Hij God meedelen aan ons. De Logos is de absolute openbaring Gods, want God heeft Zich met al Zijn volheid eeuwig aan Hem meegedeeld.

Een andere naam is die van de Zoon Gods. In het Oude Testament heeft deze naam meestal theocratische betekenis. Israël heet zo, omdat het door God verkoren, geroepen, aangenomen is, Ex. 4:22, 19:5, Deut. 1:31; 8:5; 14:1; 32:6,18; Jes. 63:8, Jer. 31:9,20, Hos. 11:1, Mal. 1:6, 2:10. In het Nieuwe Testament komt daarvoor de gemeente in de plaats, welke bestaat uit uioi yeou door aanneming, of tekna yeou door geboorte. Bepaaldelijk is de titel zoon Gods ook dikwijls een ambtsnaam, voor de rechters Ps. 82:6, voor de engelen, Job 38:7, en vooral ook voor de koning, 2Sam. 7:11-14, Ps. 89:27-28. In Psalm 2:7 zegt Jahweh tot de over Sion gezalfde Koning: Nytdly Mwyh yna, hta ynb, LXX gegesshka se, Vulg. genuite; ten dage, toen de Heere Hem zalfde en aanstelde tot koning, heeft Hij Hem tot Zoon gegenereerd en Hem het recht gegeven op de wereldheerschappij. Ten aanzien van David slaat dit terug op het besluit van God in 2Sam. 7, en ten aanzien van de door David afgeschaduwde Messias wordt het in Hebr. 1:5, 5:5 verklaard van de eeuwigheid, cf. Heb. 1:2-3, in welke Christus als de Zoon door de Vader is gegenereerd, d.i. in welke Hij voortgebracht is als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid. En dat Hij dit was, is nu volgens Hd. 13:33, Rom. 1:3 krachtig bewezen in de opstanding. In Micha 5:1 [Micha 5:2] is een verwante gedachte uitgedrukt. De Heerser over Israël, die eens uit het kleine Bethlehem zal voortkomen, bestaat reeds van ouds. Zijn uitgangen als Heerser, van God uit, zijn reeds van de dagen der eeuwigheid. Hij was Heerser van eeuwigheid, Hij heeft dit getoond in de geschiedenis van Israël en zó komt Hij eens zichtbaar uit Bethlehem te voorschijn. De benaming Zoon Gods, op de Messias toegepast, gaat ongetwijfeld uit van de theocratische betekenis dezer uitdrukking in het Oude Testament. Het is niet waarschijnlijk, dat de bezetenen, Mt. 8:29, cf. Mt. 4:3, de Joden, Mt. 27:40, de Hogepriester, Mt. 26:63, of ook zelfs de discipelen althans in de eerste tijd, Joh. 1:50, 11:27, Mt. 16:16 de volle inhoud van deze benaming hebben verstaan. Maar bij Christus krijgt deze Naam toch een veel diepere betekenis. Wel heet Hij nu en dan als Middelaar en koning Gods Zoon in theocratische zin, Luk. 1:35, ofschoon ook dan de adoptiaansche voorstelling, dat hij naar Zijn Goddelijke natuur Zoon is door generatie en naar Zijn menselijke natuur door adoptie, gelijk later beweerd werd door de Socinianen en Remonstranten5, in de Schrift geen steun vindt. Maar Christus is niet eerst als een koning onder Israël in de tijd tot Zoon van God aangenomen. Hij heet niet Gods Zoon om Zijn bovennatuurlijke geboorte, gelijk de Socinianen leerden en Hofmann6 nog tracht te betogen. Hij draagt die Naam ook niet in ethische zin, zoals weer anderen7 menen. Hij is het ook niet eerst geworden door Zijn middelaarschap en Zijn opstanding, waarvoor men zich beroept op Joh. 10:34-36, Hand. 13:32-33, Rom. 1:4. Maar Hij is Zoon Gods in metafysische zin, van natuur en van eeuwigheid. Hij is hoog verheven boven engelen en profeten, Mt. 13:32, 21:27, 22:2, en staat in geheel enige verhouding tot God, Mt. 11:27. Hij is de geliefde Zoon, in Wie de Vader Zijn welbehagen heeft, Mt. 3:17, 17:5, Mark. 1:11, 9:7, Luk. 3:22, 9:35, de enigeboren Zoon, Joh. 1:18; 3:16; 1Joh. 4:9 v. de eigen Zoon, Rom. 8:32, de eeuwige ZOON, Joh. 17:5,24, Hebr. 1:5, 5:5, Wie de Vader gaf zwhn exein en eautw, Joh. 5:26, Die de Vader gelijk is in kennis, Mt. 11:27, in eer, Joh. 5:23, in macht bij schepping en herschepping, Joh. 1:3; 5:21,27, in werkzaamheid, Joh. 10:30, in heerschappij, Mt. 11:27, Luk. 10:22, 22:29, Joh. 16:15, 17:10, en juist om dit Zijn Zoonschap veroordeeld is tot de dood, Joh. 10:33, Mt. 26:63v.

In de derde plaats komt hier nog de naam Beeld Gods in aanmerking. Wel kan de mens bij analogie zo genoemd worden, maar Christus is het in volstrekte zin. Hij was vóór Zijn menswording als Logos, als Zoon, Rom. 1:3-4; 8:3; Gal. 4:4, en morfh yeou, Phil. 2:6, rijk, 2Cor. 8:9, bekleed met heerlijkheid, Joh. 17:5, en is nu daarin door Zijn opstanding en hemelvaart teruggekeerd. Zo was Hij dan en is Hij thans nog eikwn tou ueou tou aoratou, Col. 1:15, 2Cor. 4:4, apaugasma thv doxhv kai carakthr thv upostasewv autou, Hebr. 1:3, d.i. niet de uitstraling zelf, apaugasmov, maar het door uitstraling, weerkaatsing bewerkte of ontstane beeld, apaugasma, van Gods heerlijkheid en de uitdrukking, de afdruk van de zelfstandigheid, van het Wezen des Vaders. Als zodanig is Hij prwtotokov pashv ktisewv, Col. 1:15, Op. 1:16, de in vergelijking met alle schepsel Eerstgeborene en dus bestaande vóór alle schepsel, en niet gelijk de schepselen gemaakt of geschapen, prwtoktistov, prwtoplastov maar geboren, prwtotokov, in Wie alles geschapen werd,; en Hij is tevens arch, prwtotokov ek twn nekrwn, en pasin prwteuwn Col. 1:18, prwtotokov en polloiv adelfoiv, Rom. 8:29, naar Wiens Beeld de gelovige worden vernieuwd, 2Cor. 3:18, Phil. 3:21. De uitdrukking prwtotokov sluit Christus niet bij de schepselen in, maar sluit Hem juist daarvan uit. Hij stond als enig- en eerstgeborene, als Zoon en Logos, als adequaat Beeld Gods tot de Vader van eeuwigheid in een geheel enige relatie. En wel wordt Christus nu als Middelaar voorgesteld als afhankelijk van de Vader en staande onder de Vader, zodat Hij een gezondene, een knecht, een volbrenger van het werk des Vaders is, gehoorzaam tot de dood toe en eens Zijn koninkrijk aan de Vader overgevend, maar nooit wordt daarmee aan Zijn Wezenseenheid te kort gedaan. In Joh. 14:28 zegt Jezus, dat Zijn heengaan tot de Vader voor de discipelen een oorzaak van vreugde is, oti o pathr meizwn mou estin. Daarmee drukt Hij niet uit, dat de Vader groter is aan macht, wat door Joh. 10:28-30 bepaald weersproken wordt; maar Hij denkt aan de verhouding, waarin Hij thans in Zijn vernedering staat tot de Vader. Nu is deze groter. Maar deze mindere grootte van Jezus zal juist ophouden, wanneer Hij tot de Vader gaat, en daarom kunnen Zijn discipelen zich over Zijn heengaan verblijden; Hij is juist in Wezen en natuur aan de Vader gelijk, ofschoon thans in ambt en stand minder dan de Vader. Hij is geen schepsel, maar was en is en blijft God, boven alles te prijzen in eeuwigheid, Joh. 1:1, 20:28, Rom. 9:5, Hebr. 1:8,9, 2Petr. 3:18, 1Joh. 5:20, Openb. 1:8, 11, cf. ook misschien 2Thess. 1:2, Tit. 2:13, 2Petr. 1:1. De poging, vroeger reeds door de Socinianen en thans door Ritschl, Schultz, Kaftan, Pfleiderer ea. aangewend, om de naam yeov, van Christus gebezigd, niet als Wezens- maar als Ambtsnaam op te vatten, vereist later in de leer over Christus bredere bespreking. Thans zij alleen opgemerkt, dat deze benaming bij Christus onwaar is, indien Hij niet werkelijk ook de Goddelijke natuur deelachtig is8.

1 P. Baur, Gott als Vater im A.T. Stud. u. Krit. 1899 4tes Heft bl. 483-507.

2 Augustinus, de trin. I c. 6. VI c. 9. Petavius, de trin. II c. 4. III c. 1. 2. Mastricht, Theol. theor. pract. II c. 25.

3 Petavius, de trin. VI c. 1.

4 Petavius, de trin. II c. 1.

5 Verg. art. Adoptianismus in PRE/3 I 180-186. Catech. Racov. Conf. Remonstr. art. 3. Apol. Conf. art. 3. Limborch, Theol. Christ. II 17, 10. B.S. Cremer, verg. Archief v. Kerk. Gesch. v. Ned. VIII 419-428.

6 Hofmann, Schriftbeweis I 116 v.

7 Weiss, Bibl. Theol. par. 17. Ritschl, Rechtf. u. Vers./2 II 97. Scholten, L.H.K. II 206 enz.

8 Verg. Lipsius, Theol. Jahresbericht X 378.

x
This website is using cookies. Accept