Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

218. In al deze openbaringsmomenten biedt de Heilige Schrift ons natuurlijk nog geen uitgewerkt dogma over de triniteit. Maar zij leert toch, dat de één naam Gods zich eerst ten volle in die van Vader, Zoon en Geest ontvouwt. Zij spreekt het klaar en duidelijk uit, dat alle werken Gods naar buiten, beide in schepping en herschepping, een drievoudige Goddelijke causa hebben. Zij laat er geen twijfel over bestaan, dat deze drievoudige causa drie onderscheidene subjecten zijn, welke in persoonlijke verhouding tot elkaar staan. En zij bevat daarmee al de gegevens, waaruit de theologie het dogma der triniteit opgebouwd heeft. De filosofie had er niets wezenlijks aan toe te voegen; zelfs de Logosleer is Nieuw Testamentisch. Alleen wachtte het alles op de tijd, dat de ratio christiana genoegzaam ontwikkeld zou zijn, om het heilig mysterie, dat hier voorlag, in te denken. Bij de apostolische vaders is daarvan nog geen sprake. Zij spreken de Heilige Schrift na, zonder nog de diepe zin en het onderling verband der waarheden te verstaan, en ze bezigen uitdrukkingen, die in latere tijd niet meer te verdedigen zouden zijn. Toch zijn ze ook voor het dogma der triniteit van ‘t hoogste belang, in zover ze beide de ebionietische en de docetische richting bestrijden en in sterker of zwakker bewoordingen uitspreken de hoge, boven de engelen verheven natuur van de Christus. Het dogma der triniteit, zo blijkt reeds bij de aanvang, is niet geboren uit een filosofische redenering over het Wezen Gods, maar uit het nadenken over de feiten der openbaring, over de Persoon en het werk van Christus. In het dogma der triniteit ging het van de aanvang af om de Godheid van Christus, om het absoluut karakter van het Christendom, om de waarheid der openbaring Gods, om de waarachtige verzoening der zonden, om de volstrekte zekerheid der zaligheid. Bij de apostolische vaders nu neemt Christus een geheel enige plaats in; predicaten worden Hem toegekend, die geen schepsel toekomen. Hij heet Zoon, eigen, enige, eengeboren Zoon Gods, Clemens, 1Cor.36. Ignatius, Rom.1. Eph.20. Smyrn.1. Diognetus, 9.10. Barnabas, 7.12., afschijnsel van Gods Majesteit, scepter Zijner Majesteit, Clemens, 1 Cor. 16.36. Heer der aarde, Wien alles onderworpen is, Schepper aller dingen, Rechter van levenden en doden, Barn. 7.12. Diogn. 7. Did. Apost. 16. Polyc. Phil. 1.2.6.12, heilige, onbegrijpelijke Logos, die als een God, wv yeov, op aarde is gezonden, Diogn. 7. en yeov heten mag, Clemens, 2Cor. 1. Ign., Rom. 3. Smyrn. 1. 10. Eph. 1.18.19. En Vader (God), Zoon (Christus) en Geest worden samen genoemd, Clemens, 1Cor. 46. Ign. Eph. 9. Magn. 13. Van de Heilige Geest is weinig sprake bij de apost. vaders, maar Hij wordt toch van Vader en Zoon onderscheiden en naast deze gesteld; alleen ten aanzien van de Pastor van Hermas, Sim. V 5.6. is er verschil, of hij de Heilige Geest met de Zoon vereenzelvigt of daarvan onderscheidt1.

Als in de tweede eeuw de gnosis optreedt, ontwaakt ook het Christelijk denken. De Godheid van Christus krijgt dogmatisch belang en wordt daarom ook veel duidelijker uitgesproken. Justinus Martyr geeft aan Christus meermalen de naam van God, zelfs van o yeov, c. Tryph. 34.56.58.113.126 enz., en kent Hem allerlei verheven predicaten toe. Hij is de Eerstgeborene der schepping, de aanvang van een ander geslacht, toegerust niet met een enkel charisma maar met al de krachten des Geestes, in het bezit niet van een sperma van de Logos, maar van de ganse Logos, logikou to olon machtig om het menselijk geslacht te vergoddelijken en daarom zelf God, c. Tr. 87. 138. Apol. II 10. 12. Duidelijk leert hij voorts het voorbestaan van Christus, niet als kracht slechts, maar als Persoon, c. Tr. 128. Omdat de Vader verborgen, onuitsprekelijk, boven tijd en ruimte verheven is, c. Tr. 127. Apol. II 6., zijn alle openbaringen onder het Oude Testament en ook in de heidenwereld openbaringen van de Logos, c. Tr. 127. Apol. I 46. 61. 63. Apol. II 10. 13. Zelfs bestond Hij bij de schepping; het Woord Gen. 1:26 is tot Hem gesproken, c. Tr. 62. Maar de immanente verhouding tussen Vader en Zoon is bij Justinus nog niet duidelijk. Het schijnt, dat de Logos, die wel een ander is dan de Vader ariymw all ou gnwmh, door de Vader eerst voor en ten behoeve van de schepping is gegenereerd, en wel niet door deling ontstond, maar toch voortgebracht werd dunamei kai boulh des Vaders, gelijk het een licht ontstoken wordt aan het ander en gelijk het woord uit onze mond uitgaat, Apol. II 6. c. Tr. 61. 100. 128. Daarom heet hij prwtogonov, prwtotokov tou yeou, Apol. I 46. 68. De generatie wordt genoemd proballein, maar meest gennan, c. Tr. 62.76.129. Apol. I 23. 2.6, en de Logos heet in zover een gennhma of ergasia, c. Tr.62. 114.129. De Eenheid Gods zoekt Justinus daardoor te handhaven, dat de Zoon wel een ander is dan de Vader ariymw all ou gnwmh, c. Tr.56, en ondergeschikt is aan de Vader. De Zoon is h prwth dunamiv meta ton patera, Apol. I 32; Hij neemt de tweede plaats, deutera cwra, in, Apol. I 13; Hij heeft alles van de Vader ontvangen, c. Tr. 86, is God en Heer, omdat de Vader het gewild heeft, c. Tr. 127, en is upo tw patri kai kuriw tetagmenov, c. Tr. 126. Justinus heeft dus op onderscheidene punten nog een gebrekkige voorstelling. Het verborgen Wezen des Vaders in tegenstelling met de Zoon, de generatie des Zoons door de wil des Vaders en ten behoeve der schepping, de subordinatie des Zoons aan de Vader, zijn later door de kerk verworpen. Sommigen hebben. Justinus daarom een Ariaan genoemd, maar ten onrechte. Want vooreerst bestond deze kwestie nog niet ten tijde van Justinus; en voorts zijn er bij hem onderscheidene elementen, die vlak tegen het gevoelen van Arius ingaan; hij leert beslist en duidelijk de Godheid van de Zoon, hij zegt dat de Zoon niet geschapen maar gegenereerd is en heldert dit op met de later zeer gewone beelden van woord en licht; hij ziet het belang van de Godheid van Christus voor heel het werk der zaligheid, voor de waarheid van het Christendom helder in. Daarom noemt hij ook meermalen de Vader, de Zoon en de Geest samen als het voorwerp onzer aanbidding, Apol. 16. 13. 60. 61. 65. 67; en al is het, dat hij aan de Zoon de deutera cwra en aan de Geest de trith taxiv toekent, Justinus spreekt de persoonlijkheid van de Heilige Geest en Zijn onderscheidenheid van de Zoon in deze plaatsen duidelijk uit. Wel heeft men hiertegen zich beroepen op Apol. 133, maar deze plaats leert niets anders, dan dat Justinus onder to pneuma in Luk. 1:35 niet de Persoon van de Heilige Geest, maar de Logos verstond, een exegese, die ook bij anderen voorkomt. Voorts staat ook vast, dat Justinus niet de Geest tot de engelen of in het algemeen tot de schepselen rekent. Maar over de Goddelijke natuur van de Heilige Geest en over Zijn ontologische verhouding tot Vader en Zoon vinden wij bij Justinus zo goed als niets. Het religieus belang van de leer van de Heilige Geest werd nog niet gevoeld. De Geest wordt nog alleen opgevat als Geest der profetie, die de profeten en apostelen heeft geïnspireerd en Christus heeft bekwaamd. Maar van een voortdurende noodzakelijke werking van de Heilige Geest in de gemeente heeft Justinus geen besef. De objectieve openbaring Gods in de Logos schijnt voldoende; de subjectieve illuminatie wordt in haar noodzakelijkheid niet doorzien2. Tenslotte komt bij Justinus Martyr zeer duidelijk uit, van welke aard de invloed der Griekse filosofie in de christelijke theologie is geweest. Dat er zulk een invloed is geoefend en niet het minst bij Justinus, wordt door niemand ontkend. Maar die invloed is juist het meest merkbaar in die elementen van Justinus’ leer, welke later door de kerk zijn uitgebannen, nl. in zijn onderscheiding tussen de logov endiayeov en proforikov, in zijn voorstelling van de Zoon als deuterov yeov, in zijn leer van de verborgen God, in zijn stellen van de Zoon buiten het Goddelijk Wezen. Alle andere elementen, de Logosnatuur van Christus, de preëxistentie, de generatie, de schepping aller dingen door de Logos, het Zoonschap, de Godheid van Christus zijn door Justinus met bewustheid aan de Schrift ontleend en uit de Schrift betoogd3.

De gebreken, die de triniteitsleer bij Justinus aankleven, worden door de volgende apologeten, Theofilus, Tatianus, Athenagoras niet vermeden. Tatianus, Or. c. Gr. 5, zegt wel, dat, in zover alle dingen in God hun grond hebben, ze alle idealiter, als Logos, in Hem bestaan, maar deze Logos wordt voortgebracht door de wil Gods en is ergon prwtotokon tou patrov; kata merismon, ou kata apokophn. Bij Theofilus bestaat de Logos wel vóór de schepping als logov endiayetov, omdat Hij is yeou nouv kai fronhsiv, maar Hij wordt toch door de Vader tot logov proforikov gegenereerd ten behoeve der schepping, ad Autol. II 10. 22. Athenagoras, Legpro Chr. c. 10, leert evenzo, dat de Logos wel eeuwig bestond, omdat God de eeuwige nouv is, maar Hij is toch het eerste gennhma des Vaders, omdat Hij als de idee en de energie der dingen van God uitging. Gelijk Theofilus het eerst van een triav in God sprak, ad Autol. II 26, zo verbindt ook Athenagoras God Vader, God Zoon en de Heilige Geest, die in de profeten werkzaam was en een uitvloeisel Gods is, uit God uitgaat en in Hem terugkeert, zoals de straal uit de zon, en noemt ze het voorwerp der christelijke verering is. c. 10. 12. Maar bij het onderscheid der drie Personen wordt hun Eenheid niet voldoende gehandhaafd. De Vader is de één, ongeworden, eeuwige, onzichtbare God, en Zoon en Geest zijn met Hem één niet in Wezen, maar in geest en macht, is. c. 24.

De eerstvolgende ontwikkeling van de triniteitsleer, vooral bestaande in uitbanning der filosofische elementen, is te danken aan drie mannen, die elk het zijn hebben bijgedragen tot de bouw van het Christelijk dogma. Irenaeus is de krachtige bestrijder van het gnostisch Godsbegrip en van de opvatting van de Logos als wereldidee. Nu en dan toont ook hij de oude voorstelling niet geheel te hebben overwonnen; hij noemt de Vader nog de onzichtbare, verborgen God in tegenstelling met de Zoon, adv. haer. IV 20,10. Maar toch bestrijdt hij de opvatting van God als buyov en de emanatie der aeonen zo kras mogelijk, en handhaaft het Schriftuurlijk onderscheid van Schepper en schepsel. De Logos wordt als het ware van Zijn tweeslachtige natuur ontdaan en geheel naar de zijde Gods overgebracht. De Logos is geen schepsel, maar een hypostatisch woord, III 8, preëxistent, II 6. IV 12, waarachtig God, IV 10.14 enz. Ook de onderscheiding van logov endiayetov en proforikov is te verwerpen, II 17.18. Want behalve dat deze onderscheiding aan de persoonlijkheid van de Logos tekort doet en zijn generatie in verband brengt met de schepping, de Logos mag niet voorgesteld worden als het verstand en de rede Gods. God toch is eenvoudig, geheel Geest, geheel verstand, geheel gedachte, geheel Logos, II 16. 48, zodat en de Zoon en de Vader waarachtig God zijn. De Eenheid van Vader, Zoon en Geest wordt door Irenaeus zeer duidelijk uitgesproken, hun Goddelijke natuur wordt nadrukkelijk gehandhaafd, ze worden telkens samen genoemd, IV 6. 20. 33. De generatie des Zoons geschiedde niet in de tijd, de Zoon heeft geen begin gehad, Hij bestond eeuwig met God, II 18, III 22. IV 37.

Maar Irenaeus schiet tekort in de aanwijzing, hoe in de Eenheid toch de Drieheid bestaat en hoe Vader, Zoon en Geest, ofschoon één Goddelijke natuur deelachtig, toch onderscheiden zijn. Hier wordt bij door Tertullianus aangevuld en verbeterd. Wel staat deze bij Irenaeus achter in de overwinning van het gnostisch dualisme. Hij maakt tussen Vader en Zoon onderscheid als tussen een Deus invisibilis et invisus en een Deus visibilis et visus, adv. Prax. 14.15. Op allerlei wijze en met allerlei argumenten betoogt hij dat onderscheid, met de naam Logos, met de menswording, met de theofanieën enz. Ja, de Logos komt bij Tertullianus eerst tot het volle Zoonschap en tot zelfstandige persoonlijkheid door de drie momenten van het spreken Gods, de generatie, en de menswording heen, adv. Pr. 6. 7, zodat er een tijd was, waarin de Zoon niet was, adv. Hermog. 3. Maar al is het, dat hij tegen het patripassianisme in de onderscheiding der personen te ver gaat, aan de andere zijde tracht hij juist daarom te meer in de Drieheid de Eenheid en in de Eenheid de Drieheid vast te houden. De Drie Personen zijn unius substantia, unius status, unius potestatis, unus Deus. Zij zijn onderscheiden, wat de orde en de oeconomia aangaat, Oeconomia sacramentum unitatem in trinitatem disponit. Ze zijn drie non statu, sed gradu, en toch de éne God, ex quo et gradus isti et formae et species in nomine Patris, Filii et Spiritus Sancti deputantur. Gelijk een straal der zon ook zon is, zo zijn er verschillende species, formae, effigies, moduli in de éne en ongedeelde substantie. De drie Personen zijn dus unum, niet unus. De Zoon is een ander dan de Vader en de Geest is weer een ander, maar de naam God en Heer is hun gemeen. Ze zijn unus Deus, ze zijn niet te scheiden. Zoals stam en tak, bron en stroom, zon en straal niet gescheiden kunnen worden, zo ook niet de Vader en de Zoon. De trinitas doet dus de monarchi niet te niet. De Zoon is wel een ander dan de Vader maar niet divisus, separatus. Er is distinctio, distributio, geen diversitas en divisio. Het is een unitas ex semetipsa derivans trinitatem, adv. Prax. 2 v. Zo kneedt Tertullianus de stroeve Latijnse taal, om en de unitas en de trinitas in God gelijkelijk te handhaven; zowel formeel als materiëel is hij voor het dogma der triniteit van de grootste betekenis geweest. In weerwil dat hij het subordinatianisme niet altijd te boven komt en het ontologische, kosmologische en soteriologische in de triniteitsleer te weinig onderscheidt, hij heeft de begrippen en de woorden aan de hand gedaan, die het dogma der triniteit ter uitdrukking van zijn ware mening nodig had. Hij heeft de Logos-speculatie door de filiatio vervangen en daardoor de ontologische triniteit voor goed van de kosmologische speculatie losgemaakt. En hij is de eerste geweest, die beproefd heeft, om de triniteit der Personen af te leiden niet uit de Persoon des Vaders, maar uit het Wezen Gods4.

Terwijl Tertullianus echter de ontologische triniteit nog niet van het kosmologische en soteriologische proces vrij maakt, is het Origenes, die ze geheel en al opvat als een eeuwig proces in het Wezen Gods zelf. De generatie is een aiwniov gennhsiv, de princ. 12,4. Het licht kan niet zijn zonder te schijnen; zo kan de Vader niet wezen zonder de Zoon, ib. 12.2.4.7.10. Er was geen tijd, waarin de Zoon niet was, ib. 12.2.4. c. Cels VIII 12. De Vader is niet Vader vóór de Zoon maar per filium, de princ. 12.10. Er is geen scheiding, acwristov esti tou uiou o pathr, c. Cels. IV 14.16. Alle Goddelijke eigenschappen zijn Vader en Zoon gemeen; de Zoon is één met de Vader; niet naast maar in God vereren wij de Zoon, c. Cels. VIII 12.13. De Zoon heeft dezelfde wijsheid, waarheid, rede als de Vader, Hij is autosofia, autolhyeia, autologov, c. Gels. V41. Maar om nu in deze eenheid en gelijkheid het onderscheid vast te houden, roept Origenes het subordinatianisme te hulp en gaat achter Tertullianus terug in het afleiden der triniteit niet uit het Wezen Gods maar uit de Persoon des Vaders. En zo kwam Origenes er toe, om de Vader voor te stellen als o yeov, autoyeov phgh, of riza yeothtoc, megistov epi pasi yeov, als kreittwn dan de Zoon, als de éne ganse Godheid, boven alle zijn verheven, onzienlijk, onbegrijpelijk; en de Zoon als yeov zonder artikel, als eterov tou patrov kai ousian, zoveel minder dan de Vader als de wereld minder is dan de Zoon5.

1 Baur, Dreiein. u. Menschw. I 134 en daartegen Dorner, Entwicklungsgesch. I 191-205.

2 Semisch, Justin der Märtyrer. Breslau 1840-42 II 305-333. Schwane, D.G. I/2 79 v.

3 Semisch, t.a.p. II 295 v.

4 Joh. Stier, Die Gottes- und Logoslehre Tertullians. Gött. 1899. B. B. Warfield, Tertullian and the beginnings of the doctrine of the trinity, Princeton Theol. Review Oct. 1905. Jan. April 1906. J.Jansen, De leer van de persoon en het werk van Christus. Kampen 1906.

5 Dorner, Entwicklungsgesch. I 652 v. Over de leer der triniteit vóór Nicea zijn behalve de boven reeds genoemde werken ook nog te raadplegen, Petavius, de trinitate, appendix 1. Forbesius a Corse, Instit. hist. theol. 1645 Lib. I c. 1-5. G. Bull, Defensio fidei Nicaenae 1703. Scheeben, Dogm. I 796 v. Heinrich, Dogm. IV 250 v.

x
This website is using cookies. Accept