Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

225. Nadat de leer der triniteit in het algemeen is uiteengezet, dienen thans de Drie Personen afzonderlijk te worden besproken. De eerste persoon is de Vader, en Zijn personele eigenschap is de paternitas of ook de agennhsia. In de Ariaanse strijd speelde dit woord een grote rol. Het werd uit het gewoon Grieks overgenomen. Plato noemde de ideeën agennhtouv; Aristoteles noemde zo de stof; de Gnostieken spraken van God als buyov agennhtov; ingenitum1. Van hen namen Paulus van Samosata en de Arianen, Aëtius en Eunomius dit spraakgebruik over, om daarmee de homoousie van de Zoon en de Geest met de Vader te bestrijdend. De agennhsia drukte, in tegenstelling met alle schepsel, Gods eigenlijk Wezen uit. De Zoon echter is niet agennhtov; Hij heet in de Schrift monogenhv; en ook de orthodoxie noemt Hem gegenereerd; dus kan Hij niet God, maar moet Hij een schepsel wezen; wij mogen niet duo agennhta, d.i. duo yeouv; aannemen2. Nu bestaan er echter in het Grieks twee woorden: gennhtov; a. v. gennan, gignere, generare en genhtov; a. v. gignesyai, fieri; het laatste is veel ruimer dan het eerste en duidt alles aan wat voortgebracht wordt en een begin heeft van bestaan, hetzij door schepping, generatie of voortplanting. Deze beide woorden werden eerst nog niet altijd duidelijk onderscheiden; men wees er alleen op, dat het woord agennhtov; of agenhtov in verschillende zin kon gebezigd worden en in de ene zin niet en in de andere zin wel op de Zoon kon toegepast worden. Maar langzamerhand werd het gebruik, om tussen beide woorden onderscheid te maken. Alle drie personen konden dan in tegenstelling met alle schepsel, agenhtov heten; geen

hunner was voortgebracht op de wijze der creaturen; geen hunner had een begin van bestaan. De agenesie was een eigenschap van het Goddelijk Wezen en aan alle Drie Personen gemeen. Maar daarvan moest de agennhsia onderscheiden worden. Deze was een eigenschap van de Vader alleen. De Zoon kon gennhtov; heten, niet omdat Hij als een schepsel in de tijd was voortgebracht maar omdat Hij van eeuwigheid uit het Wezen van de Vader was voortgebracht3. Maar de kerkvaders merkten er tegelijk bij op, dat deze eigenschap, nl. de agennhsia, bepaaldelijk aan de Persoon en niet aan het Wezen toekwam. Het Wezen is in de drie Personen één en hetzelfde, maar de agenesie is een relatie in het Wezen. Gelijk Adam en Eva en Abel hetzelfde wezen deelachtig zijn, ofschoon ze dat op verschillende wijze ontvingen, zo is ook in God het Wezen één, schoon dit in de drie Personen op verschillende wijze bestaat4. Daarbij komt nog, dat de naam agennhsia negatief is en alleen zegt, dat de Vader boven generatie verheven is, maar hij zegt niets positiefs aangaande Gods natuur; eigenlijk is hij dus ook geen aanduiding van de Persoon des Vaders, want het agennhton esse en het Vaderzijn is volstrekt niet hetzelfde5. Daarom is de naam van Vader te verkiezen boven die van agennhtov;6. De Schriftuurlijke naam van Vader duidt veel beter dan die van agennhtov; de persoonlijke eigenschap van de eerste persoon aan. In de paternitas ligt een positieve relatie opgesloten tot de tweede Persoon. De naam Vader is God nog meer eigen dan de Naam van God, want deze laatste is een algemene Naam, een nomen dignitatis, maar de Vadernaam in het Nieuwe Testament is, evenals die van Jahweh in het Oude Testament, een nomen proprium, aanduiding van een personele eigenschap Gods. Wie God de Vadernaam ontzegt, doet Hem nog groter oneer aan, dan wie Zijn schepping ontkent. Deze Váder naam is dan ook geen overdrachtelijke spreekwijze van mensen op God overgebracht. Veeleer is de verhouding omgekeerd. Het vaderschap op aarde is een verre, zwakke gelijkenis van het Vaderschap Gods, Ef. 3:15. God is Vader in waarachtige en volkomen zin. Onder mensen is een vader ook weer zoon van een ander en een zoon op zijn beurt ook weer vader; onder mensen is een vader alleen niet in staat, om een zoon voort te brengen; onder mensen is het vaderschap tijdelijk en in zekere zin toevallig, niet wezenlijk met het menszijn verbonden; het begint eerst laat en het houdt spoedig, in elk geval bij de dood, weer op. Maar in God is dat geheel anders. Hij is enkel en louter en geheel Vader; Hij is alleen Vader, Hij is Vader van natuur; Hij is eeuwig Vader, zonder begin en einde, en daarom moet ook de generatie een eeuwige zijn en de Zoon even eeuwig als de Vader, want als de Zoon niet eeuwig was, kon ook de Vader niet eeuwig zijn. De eeuwigheid van het Vaderschap brengt de eeuwigheid van het Zoonschap mee; wie de Vader noemt, noemt vanzelf daarin ook de Zoon7. Om deze relatie van de Vader tot de Zoon en tevens tot de Heilige Geest werd de Vader dikwijls genoemd autogenhv, autogenhtov, autofuhv, apoihtov, anarcov, principii expers, sui ipse origo, suae causa substantiae, sui principium; en voorts arch, aitia, riza, phgh, principium, causa, radix, fons, origo, caput enz. van de Zoon en de Geest of van de gehele Godheid8.

1 Irenaeus, adv. haer. I 1.

2 Athanasius, c. Arian. I 31 v. de decr. nic. syn. 28 v. Basilius, adv. Eunom. II 25 v. enz.

3 Verg. Athanasius, Basilius t.a.p. Damascenus, de fide orthod. I 8 Augustinus, de trin. V 3. Petavius, de trin. V 1-3. Suicerus s. v.

4 Athanasius, de decr. nic. syn. 8. Gregorius Naz., Orat. theol. V.

5 Basilius, adv. Eunom. I 9. 15. Gregorius Naz., Or. theol. III. Augustinus, de trin. V 5.

6 Basilius, adv. Enn. 15.

7 Athanasius, c. Ar. I 23. 28. Gregorius Naz., Orat. theol. III 5. 17. Damascenus, de fide orthod. I 8. Hilarius, de trin. XII 24.

8 Petavius, de trin. V 5. Suicerus, s. v.

x
This website is using cookies. Accept