Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

239. Toch vond ook deze zachtere vorm van de leer der predestinatie spoedig tegenspraak. In de eeuw der Reformatie werd ze reeds bestreden door Erasmus, Bibliander, Pighius, Bolsec, Trolliet. Castellio, Ochinus e.a. De Socinianen loochenden geheel de predestinatie, leerden alleen een besluit Gods om aan hen die Zijn geboden onderhouden het eeuwige leven te schenken en de anderen te straffen, en offerden aan de wilsvrijheid van de mens zelfs Gods alwetendheid op1. Hier te lande ontmoette ze bij velen bezwaar2, zoals Anastasius, Gellius, Coolhaes, Duifhuis, Coornhert, Sybrants, Herberts, Wiggerts en dan vooral bij Arminius. Deze verstond onder de predestinatie het eeuwig besluit Gods, om degenen, van wie Hij vooruitzag, dat zij krachtens de gratia praeveniens geloven en krachtens de gratia subsequens volharden zouden, in en om en door Christus te zaligen, en de anderen, die niet geloven of volharden zouden, te straffen3. Arminius bedoelde nog de noodzakelijkheid der genade en het geloof als gave vast te houden; en zijn volgelingen beproefden ditzelfde in hun remonstrantie van het jaar 1610, art. 3 en 4.4. Maar deze genade was toch altijd wederstandelijk, art. 4,5, en de algemene wil van God, om alle mensen te behouden, de algemene voldoening van Christus, het algemene aanbod van de genoegzame middelen der genade, en het bezwaar van de dan toch altijd weer vaste en zekere prescientia Dei ten aanzien van wie wel en niet geloven zouden, noodzaakten, om de beslissing hoe langer hoe meer neer te leggen in de handen van de mens5. In de latere Remonstrantsche geschriften komt dit duidelijk uit, in de brief van Episcopius aan het Gereformeerde buitenland, in de tweede remonstrantie6 van het jaar 1617, in de confessie en apologie der confessie bij Episcopius7, in de dogmatische werken van Uytenbogaert, Episcopius en Limborch8. Het Remonstrantisme heeft het rationalisme voorbereid. Wel werd het op de synode te Dordt veroordeeld, maar als geestesinrichting vond het in de 17e en 18e eeuw hoe langer hoe meer in alle kerken en landen ingang. Zelfs kreeg het, van Gereformeerde zijde steun in de school te Saumur. Hier leerde Amyraldus een dubbel besluit. God besloot eerst in het algemeen, dat allen zonder onderscheidt die geloofden in Christus, zalig zouden worden; maar door Zijn prescientia wetende, dat niemand uit zichzelf geloven kon, voegde Hij aan het eerste, algemene en conditionele besluit een tweede, bijzonder en absoluut decreet toe, om aan enkelen de genade des geloofs te schenken en hen te behouden9. Het eerste, algemene besluit drong, indien het iets betekende, het tweede geheel op zij. In weerwil van de veroordeling in de Formula Consensus van 1670 can. 4-6 drong het door en leidde het bij Pajon tot loochening van de gratia efficax. In alle Geref. kerken won een Arminiaanse richting veld. Al de richtingen en secten, die in de 17e en 18e eeuw opkwamen, neonomianisme, deïsme, quakerisme, methodisme enz. toonden zwakkere of sterkere verwantschap met Arminius. Slechts enkele theologen hielden hier en daar stand, zoals Comrie, Holtius en Brahe hier te lande, Boston en de Erskine’s in Schotland, en vooral ook Jonathan Edwards 1703-1758 in Amerika10.

Diepere studie van natuur, geschiedenis en mens heeft in deze eeuw de onhoudbaarheid van het deïstisch pelagianisme aangetoond. En daarvoor is een pantheïstisch of materialistisch, een meer ethisch of meer fysisch getint determinisme in de plaats getreden. Natuurlijk is er bij schijn van overeenkomst tussen dit determinisme en de leer der predestinatie een principiëel onderscheid. In het pantheïsme en materialisme is er voor een raad Gods in het geheel geen plaats; er blijft slechts ruimte voor een onbewust noodlot, een blinde natuur, een a-logische wil. Toch hebben velen de kerkelijke leer der predestinatie in zulk een deterministische zin verstaan en verklaard11. Op dit standpunt heet het: so gewiss jeder mens zum bosen nicht bloss prädisponirt sondern auch prädeterminirt ist, so gewiss ist auch jeder zum guten nicht bloss prädisponirt sondern prädeterminirt......so gewiss es keinen schlechthin verworfenen giebt, so gewiss keinen schlechthin erwählten, denn auch der verworfenste trägt die gnade in gewissem grade in sich und auch der begnadeste is nicht vom aktuellen bosen eximirt12. In de grond komt hiermee ook Schleiermacher overeen, want wel gaat hij van de kerkleer uit en houdt hij aan de openbaring in Christus vast, doch hij onderscheidt verkiezing en verwerping alleen ten opzichte van de tijd; er zijn geen verworpenen in strenge zin, ieder zou onder andere omstandigheden hier reeds bekeerd geworden zijn of komt later tot bekering13.

Alle gedachten van vroeger en later tijd keren in de nieuwere theologie terug. Vooreerst trachten velen heel de leer der predestinatie te ontgaan door de opmerking, dat de eeuwigheid geen tijd is vóór de tijd, dat de besluiten Gods dus niet als vóór vele eeuwen klaar en gereed kunnen gedacht worden, maar dat heel de predestinatie met verkiezing en verwerping niets anders is, dan het in de tijd zich openbarende eeuwige immanente handelen en regeren van God; de besluiten zijn niets anders dan de feiten der historie zelf14. Op deze wijze wordt echter heel het onderscheid tussen eeuwigheid en tijd, tussen God en wereld uitgewist en het theïsme voor het pantheïsme ingeruild. Daarom nemen anderen wel een eeuwig besluit Gods aan, maar dat in niets anders bestaat dan in de voluntas antecedens, waarbij God aller zaligheid van harte wenst en wil. In de geschiedenis wordt echter dit algemene besluit, althans tijdelijk, particulier. Want God gaat bij de uitvoering daarvan historisch te werk. Object van de verkiezing zijn geen individuele personen, maar de gemeente. God roept volken, en Hij doet dat successief, naarmate zij in de loop der tijden onder Zijn leiding ontvankelijk en rijp geworden zijn voor de hogere religie van het Christendom. En onder die volken roept Hij ook weer de bijzondere personen successief en in verband met hun volk, hun aanleg, hun opvoeding. De verkiezing van een volk en van een mens is dus niet ten koste, maar ten bate van anderen. Niet allen kunnen de eersten zijn. De nu tijdelijk voorbijgegane, d.i. verworpen volken en personen komen later in dit of waarschijnlijk na dit leven tot waarachtige bekering. In elk geval is er geen besluit der verwerping van Gods zijde, dat bepaalde personen van de zaligheid uitsluiten zou; hoogstens is er van ‘s mensen zijde een blijvende tegenstand en een positieve verharding mogelijk, welke hem eeuwig verloren doet gaan15. Nog anderen gaan weer een stap verder en leren, dat er bij dat algemeen besluit nog een ander bijzonder besluit is gevoegd, waarin God bepaalde hen te zaligen wiens geloof en volharding Hij vooruitgezien en geweten heeft, en daarentegen de andere eeuwig te straffen. Maar allen stemmen daarin overeen, dat zij de beslissing voor de eeuwigheid toekennen aan de wil van de mens. Toch weer op verschillende manier. De kracht om de genade aan te nemen of te verwerpen, komt volgens de een aan de mens reeds toe uit de schepping of uit de pedagogische leiding van Gods algemene voorzienigheid16; volgens de ander uit de gratia preparans en antecedens, welke de mens geschonken wordt in de doop of in de prediking van wet en Evangelie17; of ook wordt de verzoening daarin gezocht, dat de genade geschonken wordt aan hen, die de natuurlijke krachten van de wil goed gebruiken en met ernst Gods Woord onderzoeken18 enz. Niet geheel ten onrechte kon daarom Kaftan zeggen: Eine lehre von der erwählung giebt es in der neueren Deutsche Theologie nicht19. Toch vindt zij, niet alleen bij de gemeente maar ook in de theologie nog dikwijls instemming en verdediging20. Opmerkelijk is het dat in Amerika de Lutherse kerken, verenigd in de Missouri-synode het Calvinisme genaderd zijn21, daarentegen de Cumberland Presbyterian Church de Westminster confessie in Arminiaansche geest gewijzigd heeft22. Bij de revisie der Westminster confessie, die voor enkele jaren in Schotland en Amerika aan de orde werd gesteld, brachten velen ook bezwaren in tegen de leer der verkiezing en der verwerping, het verloren gaan van vroegstervende kinderen en van heidenen, en in het algemeen tegen het eenzijdig uitgaan der confessie van de soevereiniteit Gods met miskenning van Zijn universele liefde23.

1 Socinus, Praelect. c. XIII. Crell, de Deo et ejus attrib. c. 32. Verg. Fock, Der Socin. 653 v.

2 Verg. ook Th. van Oppenraay, La doctrine de la predestination dans l’Eglise réformée des Pays-Bas depuis l’origine jusqu’au Syn. Nat. de Dordrecht. Louvain 1906.

3 Arminii, Opera 1629 bl. 119. 283. 389 enz.

4 Bij Scholten, L.H.K. II 458.

5 Scholten, t.a.p. II 472 v.

6 Bij Schweizer, Centraldogmen II 89 v. 106 v.

7 Episcopius, Opera II 69 v. 95 v.

8 Uytenbogaert, Onderwijzing in de Christ. Leer 2e uitg. 1640. Episcopius, Opera I 410 v. Limborch, Theol. Christ. II c. 18 v. en IV.

9 Amyraldus, Traité de la predestination 1634. Synt. thesium in acad. Salmur. 1665 pars II bl. 107 v. Verg. Rivetus, Opera III 828-852. Spanhemius, de gratia univers. 18. 40. Examen v. h. Ontwerp v. Toler. VI 195 v. VII 314 v. 450 v. Schweizer, Centr. II 225 v. ScholteR, L.H.K. II 612 v. Walch, Bibl. II 1028.

10 Verg. J. Ridderbos, De Theologie van Jonathan Edwards. 1907.

11 Biedermann, Dogm. par. 847 v. Strausz, Chr. Gl. II 362 v. 462 v. Scholten,. L.H.K. passim, vooral II 453-605. Id., De vrije wil 1859 bl. 385 v. Ed. von Hartmann, Religionsfilos. II 174 v. 216 v. 271 v.

12 Von Hartmann, t.a.p. bl. 217.

13 Schleiermacher, Chr. Gl. par. 117-120.

14 Schweizer, Christl. Gl. II 254 v. Lipsius, Dogm. par. 540. Verg. ook Hastie, The Theology of the Reformed Church in its fundamental principles. Edinburgh 1904 bl. 259 v..

15 Martensen, Dogm. par. 206 v. Lipsius, Dogm. par. 541-548. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II/2 112 v. Luthardt, Komp. der Dogm. par. 32 v. Nitzsch, Evang. Dogm. bl. 607.

16 J. Müller, Dogm. Abhandl. 243 v. Id., Lehre v.d. Sünde II 313 v. Nitzsch, Syst. d. chr. Lehre par. 144. Kübel in PRE/2 XII 161, verg. XV 112. Ebrard, Dogm. par. 325. 344. Ch. de la Saussaye, in mijn Theol. van Ch. d. I. S. bl. 64 v.

17 Kliefoth, Acht Bücher von der Kirche 1854, verg. Müller, Dogm. Abb. 247 v. Sartorius, Lehre v.d. h. Liebe I/3 174 v. Thomasius, Christi Person und Werk II/3 278. 286. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. par. 40. 41. Dorner, Chr. Gl. III 703-724. Lipsius, Dogm. par. 541. Häring, Chr. Gl. bl. 507. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 2 bl. 543 v. Vilmar, Dogm. II 138 v.

18 Filippi, Kirchl. Gl. IV, bl. 72 v. Verg. Shedd, Dogm. Theol. II 511.

19 Kaftan, Dogm. bl. 475.

20 Verg. bijv. Böhl, Dogm. 124 v. 527 v. Hodge, Syst. Theol. I 535 v. Shedd, Dogm. Theol. I 393 v.

21 Dïeckhoff, Der missour. Prädestianismus u. die Concordienformel. Rostock 1884. Späth, art. Luth. kirche in Am. in PRE/3 XIV 184-213.

22 Schaff, Creeds of Christ. III 771.

23 Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. kirche. Leipzig 1903 bl. 941 v.,

x
This website is using cookies. Accept