Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

243. Toch komt het Pelagianisme, schoon in het algemeen reeds onhoudbaar gebleken, op ieder speciaal punt in de leer der predestinatie zijn aanval hervatten. Ten eerste neemt het een voluntas of decretum Dei antecedens en conditionatum aan, om aan alle gevallen mensen een genoegzame genade aan te bieden. Het beroept zich daarvoor op verschillende teksten der Heilige Schrift, Jes. 5:3, Jer. 51:9, Ezech. 18:23,32; 33:11; Mt. 23:37, Joh. 3:16, en Rom. 11:32 vooral 1Tim. 2:4 en 2Petr. 3:1-9. Pelagianen, Semipelagianen, Roomsen, Luthersen, Remonstranten, onder de Gereformeerden de Amyraldisten en alle universalisten van vroeger en later tijd nemen zulk een eerste algemeen besluit aan. Dit besluit komt echter direct in conflict met de werkelijkheid. Alle eeuwen door is slechts een klein gedeelte der mensheid met het evangelie bekend geweest. Feitelijk is de genade in de historie der mensheid niet universeel, maar particulier. Wel zijn er verschillende pogingen beproefd, om dit feit met het algemene besluit in overeenstemming te brengen. De Pelagianen hebben de grens tussen natuur en genade uitgewist en ook in de lex naturae een weg ter zaligheid gevonden. Vele Roomse theologen oordelen, dat de genade geschonken wordt of zal worden aan allen, die een goed gebruik maken van het licht en de kracht der natuur—De oude Lutheranen zeiden, dat de genade in de tijd van Adam, Noach en de apostelen, Rom. 10:18, universeel was geweest, maar alleen door de zonde der mensen weer beperkt was. En andere theologen zijn gekomen tot de leer, dat het evangelie der genade nog na de dood zal gepredikt worden aan alle infideles negativi. Maar al deze hypothesen gaan buiten de Schrift om en kunnen het feit van de particulariteit der genade niet te niet doen. Indien dit feit echter vast staat, rijst de vraag, waarom het evangelie aan de één wordt gepredikt en aan de ander niet? Waarom wordt de één in een christelijk, en de ander in een heidens land geboren? De Pelagianen en Semipelagianen trachtten ook dit te rechtvaardigen met de overweging, dat God ook bij deze predestinatio ad primam gratiam gerekend had met de natuurlijke verdiensten van de mens en het gebruik, dat hij van zijn natuurlijke krachten had gemaakt. Maar Augustinus weerlegde deze predestinatio ad primam gratiam ob praevisa merita ex voluntate naturali afdoende, door te wijzen op de kinderen, die geen zodanige verdienste hadden en van welke sommige gedoopt en andere ongedoopt stierven. De roomse kerk heeft dit punt dan ook steeds in het Pelagianisme bestreden, de gratia praeveniens vastgehouden en de eerste genade onverdiend genoemd1. Metterdaad stuit het Pelagianisme bij de kinderen op een onoverkomelijk bezwaar. De predestinatio ad primam gratiam, d.i. het geboren worden in een christelijk land of het later bekend worden met het evangelie is geheel onverdiend en onvoorwaardelijk. Hier bij het begin, bij het eerste besluit kan de predestinatie niet anders dan als absoluut en inconditioneel worden opgevat. Waarom de één met het evangelie bekend wordt en de ander ervan verstoken blijft, de één dus in de mogelijkheid wordt gesteld om eeuwig zalig te worden en de ander niet, is uit de mens niet te beantwoorden. Ieder moet hier, of hij wil of niet, berusten in de wil en het welbehagen Gods.

Ten tweede zoekt het Pelagianisme zich te handhaven bij de predestinatio ad gratiam efficacem. De werkelijkheid leert, dat niet allen, die het evangelie horen, dit aannemen met een waar geloof. Vanwaar dit onderscheid? Het Pelagianisme zegt, dat de gratia, die aan allen geschonken wordt, in zichzelf sufficiens is, en dat nu de wil des mensen beslist, of die gratia efficax zal zijn en blijven al dan niet; bij het Pelagianisme is er dus eigenlijk geen besluit meer na dat van de universele aanbieding der genade. Van nu aan is alles overgelaten aan de beslissing van de mens. God heeft het Zijn gedaan; Hij gaf het posse; de mens bezit het velle. Maar geen enkele christelijke confessie heeft dit pelagiaanse standpunt durven innemen. Alle hebben in zwakker of sterker zin een gratia efficax, een donum fidei geleerd, en dus ook een tweede besluit in de predestinatie onderscheiden. Alleen rees dan de vraag, aan wie deze gratia efficax, deze gratia habitualis, infusa, d.i. het ware geloof geschonken werd. Op dit punt heerst velerlei verwarring. Maar toch is in Rome, bij de Luthersen, bij de Remonstranten enz. langzamerhand de leer opgekomen, dat de genade des geloofs geschonken wordt aan hen, die van de gratia prima, d.i. de prediking van het evangelie, de verlichting van de Heilige Geest enz. een goed gebruik maken en doen wat in hun vermogen is, quod in se est. Wel is dit geen meritum ex condigno, maar toch een meritum ex congruo. God bindt Zich in de uitdeling. van de gave des geloofs aan de ernst van het menselijk streven. De predestinatio ad ulteriores gratias is een besluit, niet van Gods souvereiniteit, maar van Zijn gerechtigheid of billijkheid. Het is billijk, dat God het geloof en de vergeving schenkt aan wie zijn best heeft gedaan. Toch is ook deze voorstelling beide met de Schrift en met de werkelijkheid in strijd. Wel is de mens verplicht tot geloof en bekering en wordt hij daartoe ook door de prediking van het evangelie vermaand. Maar uit de verplichting is geen besluit te trekken tot de macht; uit het du sollst volgt nog geenszins het du kannst. Hoe zou de zondige en bedorven mens ook de macht bezitten, om het evangelie al of niet aan te nemen en van de gratia prima al of niet een goed gebruik te maken? Waar zou hij die macht aan ontlenen, aan zichzelf, aan de inwerking van de Logos, aan de genade des doops? De voorstanders der aan allen aangeboden gratia sufficiens zijn er zelf verlegen mee. En de Schrift leert zo duidelijk mogelijk, dat de mens gans onwillig en onmachtig is, dat het geloof een onverdiende gave der genade is, dat de zaligheid ook subjectief Gods werk is. Natuur en genade mogen in verband staan; er is tussen beide een wezenlijk onderscheid en geen geleidelijke overgang; van een meritum ex congruo is noch in de Schrift noch in de werkelijkheid sprake. Kinderen gaan de wijzen en verstandigen, en tollenaren en zondaren gaan de farizeën voor in het koninkrijk der hemelen.

Ten derde en ten laatste probeert het Pelagianisme zijn positie nog te behouden bij de predestinatio ad gloriam. Ook al gelooft iemand in waarheid en al heeft hij daardoor de vergeving en het recht ten leven ontvangen, het is volstrekt niet zeker, dat hij dat geloof behouden en alzo de zaligheid verwerven zal. Er is daarom bij God nog een derde besluit nodig, nl. om de zaligheid te schenken aan hen, wier volharding in het geloof ten einde toe Hij eeuwig heeft voorzien. Maar in versterkte zin keren al de bovengenoemde bezwaren hierbij terug. Het besluit Gods wordt geheel conditioneel en verliest het karakter van een wil en een besluit; het is niets dan een wens, welks vervulling geheel onzeker is; God ziet lijdelijk toe en neemt een afwachtende houding aan; de mens beslist, willekeur en toeval zitten op de troon; zelfs bij de gelovigen is de einduitkomst nog geheel onzeker; ieder ogenblik is er afval der heiligen mogelijk. De scheiding der predestinatio ad gratiam van die ad gloriam is voorts geheel met de Schrift in strijd; zij maakt, dat de keten des heils, Rom. 8:29 op ieder punt verbroken kan worden; zij lost het éne werk der herschepping op in een reeks van menselijke daden en handelingen, die los, zonder samenhang naast elkaar staan en alle continuïteit missen. En tenslotte wordt bij deze leer heel het werk Gods in de zaliging van zondaren miskend en geloochend; de Schrift legt altijd en overal de sterkste nadruk op de trouwe onveranderlijkheid Gods, op de eeuwigheid van Zijn verbond, op de vastheid van Zijn beloften; maar van dit alles is er bij het Pelagianisme geen sprake meer. De Here kent niet degenen die de Zijnen zijn; Zijn verbond en Zijn goedertierenheid wankelen wel van ogenblik tot ogenblik: er worden wel schapen gerukt uit Jezus’ hand; het is niet waar, dat God verheerlijkt, alwie Hij gekend, geroepen en gerechtvaardigd heeft. Het zuivere, consequente Pelagianisme is de volkomen omverwerping van alle christendom en religie. Daarom is het ook door geen enkele christelijke kerk aanvaard. Hoezeer de leer der predestinatie door semipelagiaanse inmengselen bij de Roomse de Lutherse kerk onzuiver is geworden, ze wordt toch door alle beleden. De predestinatie is zakelijk een dogma van heel de christenheid.

1 Denzinger, Enchir. n. 171. 679.

x
This website is using cookies. Accept