Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

247. Hoezeer echter de verwerping enerzijds met volle recht tot de predestinatie gerekend mag worden, toch is zij niet in dezelfde zin en op dezelfde wijze inhoud van Gods besluit als de verkiezing. De voorstanders der gemina predestinatio hebben dit ook ten allen tijde erkend. Als het ging om de soevereiniteit Gods, om de stellige en ondubbelzinnige getuigenissen van Zijn woord, om de niet weg te cijferen feiten der historie, dan waren zij even onverbiddelijk als de apostel Paulus en wilden zij van geen toegeven of bemiddelen weten. Dan kwamen zij soms tot harde uitspraken, die het pelagiaans gezinde hart van de mens hinderen kunnen. Zo zei Augustinus eens, dat God ook dan niet kon beschuldigd worden, als Hij sommigen onschuldig had willen verdoemen. Si humanum genus, quod creatum primitus constat ex nihilo, non cum debita mortis et peccati origine nasceretur et tamen ex eis creator omnipotens in aeternum nonnullos damnare vellet interitum; quis omnipotenti creatori diceret: quare fecisti sic?1. En sommige theologen, ook onder de Gereformeerden, hebben gesproken in dezelfde geest. Wie iets beseft van de onvergelijkelijke grootheid Gods en de nietigheid van het schepsel; en wie daarbij bedenkt, hoe wij menigmaal het zwaarste lijden van mens en die met het onverschilligste gemoed kunnen aanzien, bovenal als het aan ons eigen belang, aan de kunst of aan de wetenschap, dienstbaar is; die verliest de moed, om Augustinus of anderen om zulk een uitspraak hard te vallen, laat staan, om God tot verantwoording te roepen. Als het om recht gaat, enkel en alleen om recht, welk recht kunnen wij laten gelden tegenover Hem, Die ons uit het niet te voorschijn riep en alles schonk, wat wij hebben en zijn? Maar desniettemin, al kan een ogenblik zo gesproken worden tegenover iemand, die meent God van onrecht te mogen aanklagen, bijna alle Gereformeerden, met Calvijn aan het hoofd, hebben toch tenslotte zulk een dominium absolutum beslist en met verontwaardiging verworpen2. De oorzaak, waarom God het een of het andere gewild, deze verkoren en geen verworpen heeft, moge ons geheel onbekend zijn. Zijn wil is altijd wijs en heilig en goed en heeft voor alle ding zijn rechtvaardige redenen gehad. Zijn macht is niet te scheiden van Zijn gerechtigheid3. Als maar eerst het recht en de eer van God waren erkend, raden alle Gereformeerden de voorzichtigste en tederste behandeling van de leer der predestinatie aan, en waarschuwden tegen ijdele en nieuwsgierige onderzoekingen. Nos ergo nimus acutos esse non convenit; modo ne interea, quod Scriptura clare docet ac experientia confirmat, vel negemus verum esse vel tanquam Deo minus consentaneum carpere audeamus4. Ofschoon God kent degenen, die Zijn eigendom zijn, en het getal der uitverkorenen klein wordt genoemd, bene speranduro est tamen de omnibus, neque temere reprobis quisquam est annumerandus5.

Voorts hielden allen staande, dat de zonde, schoon niet praeter, toch wel terdege was contra Dei voluntatem. Wel kon zij niet de oorzaak, de causa efficiens en impulsiva, van het besluit der verwerping zijn, want zij zelf volgde immers in de tijd op het eeuwig besluit en zou, indien zij de oorzaak zelf was, alle mensen hebben moeten doen verwerpen. Maar zij was toch causa sufficiens, en van de eeuwige straf bepaald de causa meritoria. Immers er is onderscheid tussen het besluit der verwerping en de verwerping zelf. Het eerste heeft zijn laatste en diepste oorzaak alleen in Gods wil; maar de verwerping zelf houdt met de zonde rekening. Het besluit der verwerping realiseert zich door de eigen schuld van de mens heen6. Daarom is dit besluit ook geen fatum, dat de mens tegen zijn wil voortdrijft; geen Damocleszwaard, dat dreigend boven zijn hoofd hangt. Het is niet anders dan de Goddelijke idee van de werkelijkheid zelf. In het besluit liggen oorzaak en gevolgen, voorwaarde en vervulling, ligt heel het verband der dingen juist zó aaneengeschakeld, als wij dat in de werkelijkheid aanschouwen. Zonde, schuld, ellende, straf hebben in het besluit diezelfde natuur en diezelfde onderlinge verhouding als in de wereld der dingen zelf. Wij zien dat besluit, dat ons niet van tevoren is geopenbaard, langzamerhand in zijn ganse volheid zich ontvouwen in de historie; bij ons is het en moet het zijn de zuivere reflex in ons bewustzijn van de werkelijkheid. Wij denken de dingen, nadat ze zijn. Maar bij God is het besluit de eeuwige idee van de werkelijkheid, zoals die zich langzamerhand in de tijd ontplooit. Zijn gedachten der dingen gaan aan hun zijn vooraf. En nu zegt het besluit der verwerping alleen, dat die ganse, zondige werkelijkheid, heel die wereldhistorie in het onderling verband van haar gebeurtenissen, haar laatste oorzaak heeft, niet in zichzelf —hoe zou dit ook kunnen? —maar buiten zichzelf in de gedachte en in de wil Gods. Het besluit verandert niets aan de werkelijkheid; deze is en blijft volkomen dezelfde, of men Augustinus of Pelagius volgt; maar het doet de gelovige belijden, dat ook die schrikkelijke wereld, waarvoor de Manichaeën een antiyeov, het pessimisme een blinde onzalige wil, en velen een noodlot of toeval invoeren, er is naar de wil van Hem, Die nu ons in geloof doet wandelen maar eens in de dag aller dagen Zich rechtvaardigen zal voor alle creatuur.

Geheel onjuist is dus de voorstelling, alsof de raad Gods in het algemeen en het besluit der verwerping in het bijzonder een enkele, naakte, wilsbeschikking is aangaande iemands eeuwig lot. Het mag niet zo worden voorgesteld, alsof voor een mens alleen het einde is bepaald en hij nu, wat hij ook doet, met geweld daarheen gedreven wordt. Het besluit is even onoverzienbaar rijk als de werkelijkheid. Het is de sprinkader van al het zijnde. Het omvat in een enkele conceptie het einde met de wegen, het doel met de middelen. Het is geen transcendente macht, die van boven naar willekeur, nu en dan eens in de werkelijkheid ingrijpt en ze heendrijft naar het einde. Het is de Goddelijke immanente, eeuwige idee, die haar volheid tentoonspreidt in de vormen van ruimte en tijd, en wat bij God één is, successief in lengte en breedte voor onze beperkte blik ontvouwt. Het besluit der verwerping ligt dus ook niet los naast alle andere besluiten, ook niet naast dat der verkiezing. Zonde en genade, straf en zegen, gerechtigheid en barmhartigheid liggen in de werkelijkheid niet dualistisch naast elkaar, alsof de verworpene enkel met zonde en straf, de uitverkorene uitsluitend met genade en zegen werd bezocht. Immers, de gelovigen zondigen nog dagelijks en struikelen in velen. Zijn deze zonden der gelovigen nu een uitvloeisel der verkiezing? Niemand zal het beweren. Wel worden die zonden door God wederom aan hun zaligheid dienstbaar gemaakt en werkt alles de geroepene ten goede mee, Rom. 8:28. Doch daartoe zijn die zonden niet uit zichzelf en van nature geschikt, maar alleen, omdat God als de Almachtige uit het kwade nog het goede kan doen voortkomen. De zonden zijn dus geen middelen ter zaligheid, zoals de wedergeboorte en het geloof. Ze zijn geen preparatio gratie maar, in zichzelf beschouwd, negatio gratie7. Daarom heeft ook voor de gelovigen de Wet nog betekenis; daarom worden ze vermaand hun verkiezing vast te maken met vreze en beving; daarom is er ook bij de gelovigen soms van tijdelijke verharding en verwerping sprake. Maar ook omgekeerd delen de reprobati in vele zegeningen, die niet als zodanig uit het besluit der verwerping, maar uit de goedheid en genade Gods hun toevloeien. Ze ontvangen vele natuurlijke gaven, leven, gezondheid, kracht, spijze, drank, vrolijkheid enz., Mt. 5:45, Hd. 14:17, 17:27, Rom. 1:19, Jak. 1:17 enz., God laat Zich hun niet onbetuigd. Hij verdraagt hen met veel lankmoedigheid, Rom. 9:22. Hij laat hun het Evangelie Zijner genade verkondigen en heeft geen lust in hun dood, Ezech. 18:23, 33:11; Mt. 23:27; Luk. 19:41, 24:47, Joh. 3:16, Hd. 17:30, Rom. 11:32, 1Thess. 5:9, 1 Tim. 2:4, 2Petr. 3:18. De Pelagianen leiden uit deze plaatsen af, dat het Gods eigenlijke, wezenlijke wil is, dat alle mensen hoofd voor hoofd zalig worden, en dat er dus geen voorafgaand besluit der verwerping is. Dat leren deze teksten niet. Maar wel erkennen ze dit als de wil Gods, dat ook aan de reprobati met alle middelen der genade gearbeid wordt tot hun zaligheid. Deze media gratie nu vloeien niet als zodanig uit het besluit der verwerping voort. Ze kunnen daartoe worden misbruikt; ze kunnen strekken om de mens ontschuldig te stellen, te verharden en zijn oordeel te verzwaren, evenals de zon koesteren maar ook verschroeien kan. Doch in zichzelf, van nature zijn ze geen media reprobationis maar media gratie ad salutem8.

Verkiezing en verwerping mogen dus op een finale en totale scheiding uitlopen; hier op deze aarde kruisen zij zich als het ware steeds weer. Dat wijst er op, dat ze beide op en voor zichzelf geen einddoel zijn en geen causa finalis voor God zijn geweest. Beide zijn middelen voor de gloria Dei, die het laatste doel en dus de diepste grond aller dingen is. Begin en einde, reden en doel van al het zijnde is dus iets goeds. Zonde en straf kunnen nooit op zichzelf en om zichzelf door God zijn gewild. Ze strijden met Zijn natuur. Hij is verre van goddeloosheid, en Hij heeft geen lust tot plagen. Hij doet het niet van harte. Ze kunnen dus alleen door God gewild zijn als middelen voor een ander, beter, groter goed. Zelfs is er groot verschil tussen verkiezing en verwerping. Al wat God doet, doet Hij om Zijn eigen wil. Ook de verkiezing heeft haar oorzaak en doel alleen in God. Maar in het werk, dat Hij door de verkiezing tot stand brengt, verlustigt Hij zich. Daarin schitteren zijn eigen deugden Hem tegen. De nieuwe schepping is een spiegel Zijner volmaaktheden. Maar dat, wat Hij naar het besluit der verwerping uitvoert, is niet rechtstreeks en in zichzelf het voorwerp van Zijn welgevallen. De zonde is niet zelf een goed. Zij wordt een goed alleen, omdat ze en in zover ze tegen haar natuur en ondanks haarzelf door Goddelijke almacht gedwongen wordt ter verhoging van Gods eer. Zij is zijdelings een goed, omdat ze onderworpen, bedwongen, overwonnen wordt en zo Gods grootheid, macht, gerechtigheid toont. Want hierin komt Zijn soevereiniteit tenslotte het schitterendst uit, dat Hij het kwade nog ten goede weet te leiden, Gen. 15:20 en dienstbaar maakt aan de zaligheid der gemeente, Rom. 8:28, 1Cor. 3:21-23, aan de heerlijkheid van Christus, 1Cor. 15:24v., Ef. 1:21-22, Phil. 2:9, Col. 1:16, aan de glorie van Zijn naam, Spr. 16:4, Ps. 51:6 [Ps. 51:4], Job 1:21, Joh. 9:3, Rom. 9:17,22-23; 11:36; 1Cor. 15:28.

1 Augustinus, de praed. et gratia 16.

2 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; D 208

3 Calvijn, C. R. XXXVI 310. 361.

4 Calvijn, t.a.p. 366. Zwingli, Op. VIII 21. Beza, Tract. theol. I 197. Martyr, Loci III c. 1. Conf. Westm. bij Karl Müller, Die Bekenntnisschriften der ref. K. bl. 552. Can. Dordr. I 12. 14.

5 Conf. Helv. bij Karl Müller t.a.p. 181. Piscator, Aphorismi 1614 bl. 223. Zanchius, Op. II 497 v.

6 Polanus, Synt. 251. Twissus, Vind. gr. I 273 v. Perkins, Werken I 769. Turretinus, Theol. El. IV 14. Synopsis pur. theol. XXIV 50. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. VII 445. Heppe, Dogm. 132.

7 Becanus, Theol. Schol. I tr. 1 c. 14 qu. 3 n. 12-20.

8 Synopsis pur. theol. XXIV 54 v. Heppe, Dogm. bl. 134. 135.

x
This website is using cookies. Accept