Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

272. De Kopernikaansche wereldbeschouwing ontmoet dus bij de christelijke theologie geen bezwaar. Gans anders echter is het gesteld met de hypothesen, die heden ten dage door de wetenschap worden aangenomen voor de wording van ons planetenstelsel en van de aarde. Ten aanzien van het eerste stelden Kant en Laplace de hypothese op, dat ons planetenstelsel en eigenlijk zelfs het ganse heelal oorspronkelijk één gasvormige chaos was geweest, van zeer hoge temperatuur en draaiend van het westen naar het oosten om zijn eigen as. Deze draaiïng had tengevolge, dat er stukken afvlogen, die, wijl zij zich in dezelfde richting bleven bewegen, langzamerhand de vorm van bollen aannamen1. Nu verdient het allereerst opmerking, dat deze hypothese, hoe deïstisch ook gedacht, door Kant volstrekt niet werd voorgedragen, om God terzijde te stellen; maar hij oordeelde, dat deze chaotische toestand aller materiën de eenvoudigste was, die op het niets volgen kon, en dat die materiën zelf alle zó gevormd waren door God als de eerste oorzaak, dat ze door immanente krachten, naar vaste wetten het tegenwoordige wereldsysteem konden voortbrengen zonder enig wonderdadig ingrijpen Gods. Deze hypothese is echter voorts tot verklaring van de oorsprong van het heelal, van de beweging, van de organische wezens ongenoegzaam. In het algemeen dient opgemerkt, dat, hoe primitief en chaotisch die eerste toestand van alle stof ook gedacht wordt en hoeveel millioenen van jaren hij ook terug verlegd wordt, hij toch geen rust voor het denken verschaft. Men zal dan of met Kant moeten erkennen, dat deze allereerste toestand van de creatuur in haar geheel onmiddellijk van God afhangt en volgt op het niets, of men zal in die chaotisch en toestand niet alleen de aanvang van het tegenwoordige wereldsysteem moeten zien, maar ook het einde en de verwoesting van een voorafgegane wereld, en zo in infinitum, en dus stof en beweging moeten vereeuwigen2. Maar verder wordt deze hypothese door vele bezwaren gedrukt en verklaart zij de verschijnselen niet. Alle behoeven zij hier niet besproken te worden, bijv. niet het feit dat er ook hemellichamen zijn, die een retrograde beweging hebben en niet van het westen naar het oosten, maar van het oosten naar het westen draaien. Ze zijn echter zo gewichtig, dat zij ook door Haeckel worden erkend. Alleen zij er aan herinnerd, dat, gegeven de gasvormige nevelmassa en gegeven ook de mechanische beweging, dit nog geenszins voldoende is, om dit wereldsysteem te verklaren. Want beweging en stof zijn niet genoeg. Er moet ook richting in die beweging zijn, en behalve stof moet er ook nog iets anders bestaan hebben, om de wereld der geestelijke verschijnselen te verklaren. Waarom is uit die nevelmassa dit wereldsysteem ontstaan, dat overal orde en harmonie verraadt en dat bij de minste afwijking ineenstorten zou? Hoe kon door een onbewuste, doelloze beweging van atomen het heelal tot stand komen? De kans op zulk een wereldgeheel uit zodanige chaotische toestand is ten hoogste onwaarschijnlijk, en eigenlijk geheel onmogelijk. Es ist ebenso einfältig, die Schöpfung für ein Spiel des Zufalls zu halten, als wenn man eine Symphonie Beethovens aus zufällig auf das Papier gekommen en Punkte erklären wollte3.

En daarbij komt dan nog, dat deze hypothese, ook al verklaarde zij de verschijnselen, toch nog een hypothese blijven zou. Want wat besluit is er uit de mogelijkheid tot de werkelijkheid te trekken? A posse ad esse non valet consequentia. Wat bewijs kan er worden bijgebracht, dat het wereldsysteem nu niet op die wijze zou kunnen ontstaan zijn, maar werkelijk ontstaan is? Er is groot onderscheid tussen een logische onderstelling en een werkelijken toestand, die eens zou hebben bestaan. Als de natuurwetenschap de verschijnselen onderzoekt, tracht ze die te herleiden tot hun eenvoudigste gedaante. Zij neemt daarom tenslotte zeer primitieve en allereenvoudigste gegevens aan, atomen, dynamiden, energieën, ether, chaos enz. Maar dit zijn logische onderstellingen, waartoe ze komt. Dat zulke atomen eenmaal puur als atomen, in een allerprimitiefste toestand hebben bestaan, in een toestand die op het niets volgde, dat is daarmee volstrekt niet bewezen. Even als de oorspronkelijke elementen der dingen (atomen, dynamiden, monaden), zijn ook de primitieve toestanden, die men aan de wording vooraf laat gaan, niets dan hulpvoorstellingen, geen realiteit. Het is er mede als met die godsdienstloze toestand, die tegenwoordig bij het onderzoek naar de oorsprong van de godsdienst wordt aangenomen, of als met de natuurstaat van Rousseau, waaruit door $contrat social de staat is voortgekomen. Misschien kunnen al zulke hypothesen als hulpvoorstellingen in de gedachte, gelijk de hulplijnen in de mathesis, enige dienst doen, maar ze zijn daarom nog geen reëele verklaringen, geen feitelijke principia van het bestaande. Tenslotte wat geen wetenschap leren kan, leert de openbaring, die daarbij bevestigd wordt door de traditie aller volken, nl. dat het God behaagd heeft, in de vorming der wereld van het onvolkomene tot het volkomen, van het eenvoudige tot het samengestelde, van het lagere tot het hogere voort te schrijden. Er ligt een waarheid in de evolutieleer, die ook door de Schrift wordt erkend. Gen. 1:2 spreekt dat duidelijk uit. Maar de toestand der schepping is daar een reëele toestand; geen chaos in eigenlijke zin, geen ulh in aristotelischen zin, geen prima materia zonder forma, geen ondenkbare massa van pure atomen, maar een toestand van vormeloosheid van aarde en hemel, die een tijdlang bestond, waarin de Geest Gods zwevende en broedende werkzaam was. Het gaat daarom niet aan, om met vele christelijke apologeten de hypothese van Kant en Laplace zonder vorm van kritiek over te nemen en dan dankbaar te zijn, dat men haar zo goed in Gen. 1:2 heeft kunnen inlassen. Veeleer verhaalt de Schrift ons een reëele toestand en spreekt de wetenschap van onderstellingen, die wetenschappelijk niet houdbaar zijn4.

In de laatste jaren is deze hypothese dan ook door velen prijsgegeven en ingeruild voor de meteoritenhypothese van Lockyer. Zo hield Sir G. H. Darwin, zoon van de beroemde natuuronderzoeker, in de vergadering der Britisch Association te Johannesburg op 30 Aug. 1905 een rede, waarin hij mededelingen deed over het resultaat zijner studies over de zogenaamde neveltheorie van het ontstaan der wereld en zijn grote twijfel uitsprak aan de juistheid dezer theorie. Als hoofdbewijs voor deze theorie gold de waarneming, dat alle planeten, groot of klein, zich in dezelfde richting om de zon bewegen en haar wachters eveneens. Maar in de laatste jaren heeft men een satelliet van Jupiter en een nieuwe satelliet van Saturnus gevonden, welker beweging niet gelijkvormig is met die van hun planeten. Het schijnt ook nog aan twijfel onderhevig te zijn, of een van de onlangs ontdekte twee manen van Jupiter zich werkelijk in dezelfde richting beweegt als de andere. Maar zelfs wanneer men de veronderstellingen van Laplace aanneemt, valt om wiskunstige redenen nog te betwijfelen, of uit de aangenomen oertoestand een stelsel van planeten en satellieten en niet een zwerm van asteroïden of nog kleinere hemellichamen moest ontstaan. Prof. Darwin tracht daarom de door Kant en Laplace opgestelde theorie te vervangen door een andere. Stelt men zich een planeet voor, draaiend om een zon en in dit stelsel een reeks kleinere, meteorische lichamen ingevoegd, dan zullen deze meteoren (aangenomen, dat ze zo klein zijn, dat hun onderlinge aantrekkingskracht verwaarloosd kan worden) buitengewoon gecompliceerde banen beschrijven. Maar na langere of kortere tijd zullen de meeste van hen of in de zon of in een planeet tot rust komen, en slechts enkele, bij welke van de beginne aan zeer gunstige voorwaarden van snelheid en bewegingsrichting aanwezig waren, zullen hun zelfstandig bestaan bewaren en langzaam groter worden. Neemt men dus een zon en een planeet als reeds gegeven aan, dan veronderstelt de theorie van Darwin alleen een voldoende hoeveelheid meteorisch stof, om het tegenwoordig zonnestelsel te verklaren. Maar over het ontstaan van de zon en de eerste planeet zegt deze theorie niets5.

1 Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch./5 1874 bl. 285 v. Id., Die Welträthsel 1899 bl. 278, Büchner, Kraft u. Stoff, 17c A. 1888 bl. 130 v. Pfaff, Schöpfungsgesch./3 1881 bl. 190 v. Liebmann, Zur Anal. der Wirklichkeit/3 bl. 389 v.

2 Lange, Gesch. des Mater. II 522. Strausz, Der alte u. d. neue Glaube 225. Büchner, 133. Haeckel, 288.

3 Oswald Heer, bij Dennert, Mozes over Darwin/2. Stuttgart 1907 bl. 50.

4 Pfaff, Schöpfungsgesch. bl. 731 v. Ulrici, Gott und die Natur/2 1866 bl. 334-353. Reusch, Bibel u. Natur/4 1876 bl. 179 v. T. Pesch, Die grossen Welträthsel2 II 326-352. Braun, Die Kant-Laplacesche Weltbildungstheorie, Neue Kirchl. Zeits. III 9tes Heft. Steudel, Christentum und Naturwiss. Gütersloh 1895 bl. 142 v. Schanz, Ueber neue Versuche der Apol. Regensburg 1897 bl. 211 v. Gutberlet, Der mechan. Monismus 1893 bl. 28 v. W. Hahn, Die Entstehung der Weltkörper. Regensburg 1895 bl. 6 v. Dippe, Naturfilosofie. München 1901 bl. 238 v. Nieuwhuis,, Twee vragen des tijds 1907 bl. 73.

5 Handelsblad 17 Nov. 1905. De rede van Darwin, is onder de titel: Kosmische Evolutie opgenomen in Wet. Bladen, Juni 1906 bl. 406-434. Evenzo oordeelt Fr. Ratzel, bij Dennert, Glauben und Wissen Sept. 1906 bl. 304, en Riem, ib. 1905 bl. 228. Verg. voorts Dennert, Die Weltanschauung des modernen Naturforschers 1907 bl. 64. R. Schmid, Das naturw. Glaubensbek, eines Theol. 49. 50. Stölzle, Newtons Kosmogonie, Philos, Jahrb. 1907 bl. 54.

x
This website is using cookies. Accept