Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

291. Bij de behandeling van de leer van het Beeld Gods dient daarom in overeenstemming met de Schrift en de Geref. belijdenis deze gedachte op de voorgrond te staan, dat de mens niet het Beeld Gods draagt of heeft, maar dat hij het Beeld Gods is; als mens is hij zoon, gelijkenis, geslacht Gods, Gen. 1:26, 9:6, Luk. 3:38, Hand. 17:28, 1Cor. 11:7, Jak. 3:9. Er ligt hier tweeërlei in opgesloten; vooreerst, dat niet iets in God, een of andere deugd en volmaaktheid met uitsluiting van andere, dat ook niet één persoon, b.v. de Zoon met uitsluiting van Vader en Geest, maar dat God Zelf, dat de ganse Godheid de archetype des mensen is. Wel is menigmaal geleerd, dat de mens bepaald naar de Zoon of naar de Christus incarnandus is gemaakt1, maar de Schrift zegt dat nergens. Zij spreekt het telkens uit, dat de mens naar Gods Beeld is gemaakt, dat wij niet naar Christus zijn geschapen, maar dat Hij ons gelijk is geworden, Rom. 8:3, Phil. 2:7-8, Hebr. 2:14, en dat wij nu, naar het Beeld van Christus herschapen, wederom Gode gelijk worden, Rom. 8:29, 1Cor. 15:49, 2Cor. 3:18, Phil. 3:21, Ef. 4:24, Col. 3:10, 1Joh. 3:2, Veel beter is het daarom, te zeggen, dat het drievuldig Wezen Gods de archetype is van de mens2, al is bij de psychologische opsporing van de trinitarische momenten in het menselijk wezen ook alle behoedzaamheid in acht te nemen3. Aan de andere zijde vloeit uit de leer, dat de mens naar Gods Beeld geschapen is, voort, dat dat beeld over de ganse mens zich uitbreidt. Er is in de mens niets van het Beeld Gods uitgesloten. Alle schepselen vertonen vestigia Dei, de mens is imago Dei. En hij is dat geheel en al, in ziel en lichaam, in alle vermogens en krachten, in alle toestanden en verhoudingen. De mens is Beeld Gods, omdat hij en in zover hij waarachtig mens is, en hij is mens, waarachtig, wezenlijk mens, omdat en in diezelfde mate als hij Beeld Gods is. Maar natuurlijk, gelijk de kosmos een organisme is en dus in sommige schepselen meer en in andere minder duidelijk Gods deugden openbaart, zo komt ook in de mens als organisme het Beeld Gods hier duidelijker uit dan elders, in de ziel meer dan in het lichaam, in de ethische deugden meer dan in de fysische krachten. Doch dit doet niets te kort aan de waarheid, dat de ganse mens Gods Beeld is. De Schrift zou niet op menselijke wijze van God kunnen en mogen spreken en alle menselijke eigenschappen op God mogen overdragen, indien God niet eerst de mens geheel en al naar Zijn Beeld had gemaakt. En het is, de taak der christelijke theologie, om dit Beeld Gods aan te wijzen in heel het wezen van de mens.

Allereerst is het Beeld Gods aanwijsbaar in de ziel van de mens. Volgens Gen. 2:7 werd de mens geformeerd uit het stof der aarde door inblazing van de Myyx tmvn, en alzo werd hij tot een hyx vkn, fuch zwsa. De adem des levens is het levensbeginsel, de levende ziel is het wezen van de mens. Door beide geeft de Schrift aan de mens een eigen, zelfstandige plaats en vermijdt zowel het pantheïsme als het materialisme. De namen xwr en vpn, pneuma en fuch, die in de Schrift het onzienlijk bestanddeel van de mens aanduiden, stellen dit helder in het licht. Het trichotomisme, dat principiëel wortelt in het dualisme van Plato en in de christelijke kerk telkens bij gnostische en theosofische richtingen ingang vond, ziet daarin twee bijzondere substanties4. Maar ten onrechte. Hebr. 4:12 en 1Thess. 5:23. geven evenmin een opsomming van de wezenlijk verschillende bestanddelen van de mens als b.v. Luk. 10:27 en bewijzen dus niets. Ziel en geest staan in de Schrift telkens in parallelisme en wisselen met elkaar af. Nu eens maken lichaam en ziel, dan lichaam en geest het wezen van de mens uit, Matt. 10:28, 1Cor. 7:34, Jak. 2:26. De psychische werkzaamheden worden beurtelings aan de geest en aan de ziel toegeschreven, Ps. 139:14, Spr. 19:2 Spr. 17:27, Ps. 77:7, 1Cor. 2:11, Num. 21:4 Job 21:4, 1Sam. 1:10 Jes. 54:6, Luk. 1:46,47. Sterven heet zowel overgave van de ziel, Gen. 35:18, 1Kon. 17:21, Matt. 20:28, Hand. 15:26, 20:10, als van de geest, Ps. 31:6 [Ps. 31:5], Matt. 27:50, Luk. 8:55, 23:46, Hand. 7:59. Soms is de geest en soms de ziel onsterfelijk, Pred. 12:7, Matt. 10:28; de gestorvenen heten zielen, Op. 6:9, 20:4, en geesten, Hebr. 12:13, 1Petr. 3:19. Maar ofschoon niet essentieel onderscheiden, ze zijn toch geenszins identiek. Geest is de mens, omdat hij niet als de dieren uit de aarde is voortgekomen, maar de adem des levens hem werd ingeblazen door God, Gen. 2:7; omdat hij zijn levensbeginsel van boven, uit God heeft, Pred. 12:7; omdat hij een eigen geest heeft, onderscheiden van de Geest Gods, Gen. 41:8, 45:27, Ex. 35:21, Deut. 2:30, Richt. 15:19, Ezech. 3:14, Zach. 12:1, Matt. 26:41, Marc. 2:8, Luk. 1:47, 23:46, Joh. 11:33, Hand. 7:59, 17:16, Rom. 8:16, 1Cor. 2:11; 5:3-5; 1Thess. 5:23, Hebr. 4:12, 12:23 enz.; omdat hij als zodanig de engelen verwant is, ook geestelijke, hemelse dingen bedenken kan, en desnoods ook zonder een lichaam kan bestaan. Maar ziel is de mens, omdat het geestelijke bestanddeel bij hem van het eerste ogenblik af, in onderscheiding van de engelen, op een lichaam is aangelegd, voor een lichaam is georganiseerd; omdat hij door dat lichaam aan de aarde en ook voor zijn hoger leven aan het zinnelijke en uitwendige gebonden is; omdat hij tot het hogere eerst van uit het lagere opklimmen kan; omdat hij dus een zinnelijk, stoffelijk wezen is en als zodanig aan de dieren verwant. De mens is een animal rationale, un roseau pensant; een wezen, dat tussen engelen en dieren instaat, aan beide verwant en van beide onderscheiden is, in zich hemel en aarde, de onzienlijke en de zienlijke dingen met elkaar verbindt en verzoent. En juist als zodanig is hij beeld en gelijkenis Gods. God is zeer zeker Geest, en in zo over zijn ook de engelen Hem verwant. Maar soms is er ook van Zijn ziel sprake, en door heel de Schrift heen worden aan God ook al die eigenaardig psychische aandoeningen en werkzaamheden toegeschreven, welke wezenlijk eigen zijn aan de mens. In Christus nam God niet de natuur der engelen, maar die der mensen aan. En daarom is juist de mens, in onderscheiding van de engelen, beeld, zoon, geslacht Gods. De spiritualitas, invisibilitas, unitas, simplicitas, immortalitas van de menselijke ziel zijn trekken van het Beeld Gods. Dit beeld zelf komt daarin uit, dat hij een pneuma heeft, hetwelk van stonde aan tot fuch is georganiseerd.

Ten tweede behoren tot het Beeld Gods de vermogens van de mens. Terwijl de geest het beginsel en de ziel het subject des levens in de mens is, is naar de Heilige Schrift het hart het orgaan voor zijn leven. Het is eerst centrum van het lichamelijk leven, maar dan voorts in overdrachtelijke zin grondslag en bron van alle psychische leven, van aandoeningen en hartstochten, van begeerte en wil, zelfs van denken en kennen. Uit het hart zijn alle Myyx twauwt, Spr. 4:23. Dit leven, dat in het hart zijn oorsprong heeft, splitst zich dan in twee stromen. Enerzijds is dat leven te onderscheiden, hetwelk alle indrukken, beseffen, gewaarwordingen, waarnemingen, overleggingen, gedachten, kennis, wijsheid omvat, bepaaldelijk in zijn hogere vorm de nouv tot orgaan heeft en in het woord, de taal zich belichaamt. En anderzijds nemen uit het hart al de aandoeningen, tochten, driften, neigingen, genegenheden, begeerten en wilsbeslissingen hun oorsprong, die door de nouv moeten geleid worden en zich uiten in de daad. Ook in al deze psychische vermogens en werkzaamheden van de mens zijn er trekken te zien van het Beeld Gods. Reeds de verscheidenheid en de rijkdom dier krachten wijst op God terug. Naarmate een schepsel lager staat, is het ook minder rijk georganiseerd en dus ook minder verwant aan en vatbaar voor het hoogste goed, hetwelk God is. Zelfs de engel staat in dit opzicht beneden de mens. Juist omdat de mens zo wonderbaar rijk is georganiseerd, kan hij God als het hoogste goed, op de rijkste wijze, als het ware van alle zijden, in al zijn deugden en volmaaktheden, gelijkvormig worden en genieten. Zelfs zag Augustinus in hart, verstand en wil (memoria, intellectus, voluntas) een analogie van het trinitarisch Wezen Gods. Gelijk de Vader aan de Zoon en de Geest het leven geeft en de Geest van de Vader uitgaat door de Zoon, zo is het ook in de mens het hart, de memoria, het diepe, verborgen zieleleven, dat aan intellectus en voluntas het aanzijn schenkt en bepaaldelijk ook de wil in orde doet volgen op het verstand. Rationalisme en Pelagianisme maken verstand en wil van het hart los, en zoeken in beide samen het ganse, volle wezen van de mens; het mysticisme, het bewuste, willende leven verachtend, trekt zich in de diepte van het gemoed terug; de Griekse kerk en theologie stelt beide, hoofd en hart, unvermittelt naast elkaar; maar de theologie van het Westen heeft onder leiding van Augustinus al deze dwalingen vermeden; zij heeft ingezien, dat de leer van God en van de mens in het nauwste verband stond; in de triniteit hield ze daarom de Wezenseenheid, de onderscheidenheid der Drie Personen, het filioque vast, en dienovereenkomstig leerde zij ook in de psychologie, dat het diepe, verborgen zieleleven alleen door het kennen het begeervermogen tot openbaring kwam en dat onder deze beide het laatste door het eerste werd geleid en bestuurd5.

1 Clemens Alex., Strom. V 14. Tertullianus, de resurr. carnis c. 6. Osiander, bij Calvijn, Inst. I 15, 2. II 12, 6. Hofmann, Schriftbew. I 290. Thomasius, Christi Person u, Werk I/3 126. Beck, Gl. II 329. Schoeberlein in Herzog/2 4,7. Martensen, Dogm. par. 72. Delitzsch, Bibl. Psych. 70 enz.

2 Augustinus, de trin, XII 6. Lombardus, Sent. II dist, 16. Thomas, S, Theol. I qu. 13 art. 5.

3 Calvijn, Inst. I 15, 4 Comm, in Gen, 1:26. Synopsis pur. theol, XIII 7, Quenstedt, Theol. did. pol. II 4. Hollaz, Ex. theol. 466.

4 Het trichotomisme ging uit de Platonische filosofie in de eerste tijd tot enkele christelijke schrijvers over, maar kwam later, vooral door Apollinaris, in discrediet. Eerst in de nieuwere tijd vond het weer ingang bij Olshausen, Beck, Delitzsch, Auberlen en anderen. In Engeland werd het, in verband met de conditionele onsterfelijkheid, vooral verdedigd door J.B, Heard, The tripartite nature of man/2. Edinburgh 1868, maar o.a. weerlegd door John Laidlaw, The Bible doctrine of man 1895 bl, 66 v. en in het art. Psychology in Hasting’s Dictionary of the Bible IV 166. Verg. ook mijn Beginselen der Psychologie par. 3. Geesink, Van ‘s Heren Ordinantiën, Eerste Deel bl. 310 v. J, Köberle, Natur und Geist nach der Auffassung des Alten Test. 1900,

5 Kortheidshalve wordt voor de psychologie van de mens verder verwezen naar mijn Beginselen der Psychologie en de daar aangehaalde literatuur, en voorts naar Geesink t.a.p.

x
This website is using cookies. Accept