Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

295. In de Christelijke theologie is deze rijke gedachte der Schrift niet altijd genoeg tot haar recht gekomen. De naturalistische opvatting stelde het Beeld Gods alleen in de aanleg, de nuda potentia, de wilsvrijheid, de formele persoonlijkheid en achtte de dood zelfs natuurlijk. Het Beeld Gods of althans de gelijkenis bestond veel meer in datgene, wat de mens door eigen krachtsinspanning verwerven moest, dan in hetgeen hem bij de schepping terstond werd geschonken. Daarentegen sloeg de supranaturalistische opvatting tot een ander uiterste over en schreef aan de status integritatis een geheel bovennatuurlijk karakter toe. Niet alleen werd de justitia originalis voor een donum supernaturale gehouden, de onsterfelijkheid als een bijzonder beneficium conditoris beschouwd en alle vatbaarheid voor lijden en smart aan Adam ontzegd1; maar sommigen, zoals Gregorius van Nyssa, Johannes Damascenus, Böhme e.a. oordeelden, dat de mens vóór de val, wijl onsterfelijk, geen spijze nodig had2; de excretie zou in elk geval zonder enige indecentia hebben plaats gehad3; de spijze des mensen zou volgens de meeste kerkvaders, scholastici, roomse, Lutherse, remonstrantsche en ook volgens sommige Gereformeerde theologen zoals Zwingli, Musculus, Martyr, Zanchius, Junius, Piscator enz. alleen in planten en niet in vlees hebben bestaan; de generatie zou zonder enige zinnelijke lust zijn geschied, en de kinderen zouden niet sprakeloos en hulpbehoevend geboren en zeer spoedig opgegroeid zijn4; velen gingen nog verder en meenden, dat de voortplanting in het geheel niet per coitum zou geschied zijn5; de mens werd eerst androgyn geschapen, de schepping der vrouw is reeds een bewijs van de val6; de vrouw was dus eigenlijk niet het Beeld Gods en de menselijke natuur deelachtig7. Zelfs werd door Origenes, de lichaamlijkheid en alle ongelijkheid onder de mensen uit een val der preëxistente zielen afgeleid, of ook werd aan de mens vóór de val een gans ander lichaam dan het onze toegeschreven8. En in verband met dit alles werd het paradijs dikwijls zeer idealistisch of zelfs allegorisch opgevat; de dieren stierven er niet, wild en onrein gedierte bestond er niet, de roos bloeide zonder doornen, de lucht was veel reiner, het water veel zachter, het licht veel helderder9.

Toch werd door allen erkend, dat Adam het hoogste nog niet bezat. In het proefgebod, de kiesvrijheid, de mogelijkheid van zonde en dood lag dit vanzelf opgesloten. Vooral Augustinus maakte duidelijk onderscheid tussen het posse non peccare en posse non mori, dat Adam bezat, en het non posse peccare en non posse mori, dat met de verheerlijking aan de eerste mens in geval van gehoorzaamheid geschonken zou zijn en nu uit genade aan de uitverkorenen wordt verleend10. Zelfs werd door Augustinus van die verhouding, waarin Adam oorspronkelijk stond, als van een verbond, testamentum, pactum gesproken11; en de vertaling van de woorden Mdak door: als Adam, leidde velen tot een gelijke opvatting12. Zakelijk komt de leer van het later zo genoemde werkverbond dus ook reeds bij de kerkvaders voor. In de toestand van Adam, gelijk die door de scholastiek, de roomse, de Lutherse theologen werd opgevat, liggen al de elementen opgesloten, die later bepaaldelijk door de gereformeerden in de leer over het foedus operum zijn samengevat13. Van de relatie, waarin de gelovigen door Christus tot God komen te staan, is menigmaal in de Schrift de naam verbond gebruikelijk. Reeds Zwingli en Bullinger grepen deze gedachten der Schrift aan, om de eenheid van Oud en Nieuw Testament tegen de anabaptisten te verdedigen. Toen nu naar het voorbeeld der Schrift de christelijke religie als een verbond werd voorgesteld, gaf Paulus met zijn parallel tussen Adam en Christus er aanleiding toe, om ook de status integritatis als een verbond te denken. In onderscheiding van het foedus gratiae heette dit dan het foedus naturae of operum. Verbond der natuur werd het genoemd, niet als zou het uit de natuur Gods of die des mensen vanzelf en natuurlijkerwijs voortvloeien. Maar het heette zo, omdat de grondslag, waarop het verbond rustte, d.i. de zedenwet, de mens van nature bekend was, en wijl het opgericht werd met de mens in zijn oorspronkelijke staat en door de mens met de hem in de schepping geschonken krachten, zonder bovennatuurlijke genade, gehouden kon worden. Toen later de naam tot misverstand aanleiding gaf, werd hij liefst door die van foedus operum, verbond der werken, vervangen; en deze naam droeg het, wijl het eeuwige leven in dit verbond alleen te verkrijgen was in de weg der werken, d.i. van de onderhouding van Gods geboden. Dit verbond werd nu, als parallel van het foedus gratiae, door de gereformeerden met bijzondere voorliefde geleerd en ontwikkeld14. De belijdenisgeschriften maken er niet met zoveel woorden melding van; maar zakelijk is het toch reeds vervat in art. 14 en 15 der Ned. Gel., waar geleerd wordt, dat door Adams overtreding van het gebod des levens de gehele menselijke natuur is bedorven15, in Zondag 3 en 4 van de Heid. Cat., waar de mens naar Gods Beeld geschapen heet, opdat hij met God in de eeuwige zaligheid leven zou, maar ook door Adams val geheel bedorven wordt genoemd, en in hfdst. 3, 2 van de Canones Dordr., waar het heet, dat de bedorvenheid van Adam op ons overgaat “naar Gods rechtvaardig oordeel”; formeel werd het werkverbond opgenomen in de Ierse artikelen, in de Westm. Confessie, in de Form. Cons. Helv., en in de Walcherse artikelen 1693. Voorts vond de leer van het foedus operum later ook bij sommige roomsen16 en Luthersen ingang17, maar het werd zeer sterk bestreden van de kant der remonstranten en der rationalisten18. Eerst in de nieuwe tijd werd de leer van het werkverbond weer door enkele theologen in haar betekenis verstaan en toegelicht19.

1 Augustinus, de civ. XIV 26. Thomas, S. Th. I qu. 97 art. 2

2 Petavius, de sex dier. opif. c. 7.

3 Thomas, S. Theol. I qu. 97 art. 3.

4 Augustinus, de pecc. mer. et rem. I 37. 38. Lombardus, Sent. II dist. 20. Thomas, S. Theol. I qu. 98 art. 1.

5 Augustinus, Retract. 1 10. Gregorius Nyss., de hom. opif. 16. 17. Damascenus, de fide orthod. II 30.

6 Zo reeds de Joden hij Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. 202 v. en dan voorts Erigena, de div. nat. II 6. 10. 23 IV 12 en vele theosofen Böhme, Oetinger, Baader, Schelling, Lange, Dogm. II 324 v. Delitzsch, Bibl. Psych. 102 v. Hofmann, Weiss. und Erf. I 65 v. Schriftbew. I/3 403 v. enz.

7 Verg. bij Augustinus, de trin. XII 7. Thomas, S. Th. I qu. 93 art. 4 qu. 99 art. 2. Bonaventura, Sent. II dist. 16 art. 2 qu. 2 dist. 20 art. 1 qu. 6. Gerhard, VIII c. 6. Quenstedt, II p. 15. Jansen, Gesch. des Deutse Volkes VI 1888 S. 395-397.

8 Origenes, c. Gels. I 32.33. de princ. II 9. Cf. de Ophieten bij Liechtenhau, art. in PRE/3 XIV 404-413 en voorts Böhme, Ant. Bourignon, Baader e.a.

9 Luther op Gen. 3, verg. Strausz, Gl. I 700 v.

10 Augustinus, de civ. XXII 30. de corr. et gr. 11. Enchir. 104-107. de Gen. ad litt. III 2. VI 25. Op. imp. c. Jul. V 58. VI 5 enz.

11 Augustinus, de civ. XVI 27.

12 Marck, Hist. Parad. II 6.7.

13 Verg. Lombardus, Sent. II dist. 19. 20.

14 Verg. de literatuur boven deze paragraaf.

15 In art. 14 der Ned. Gel. stond oorspronkelijk, dat God de mens formeerde naar Zijn Beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig, “geheel volmaakt in alle dingen” (et tout parfait en toutes choses). Deze woorden zijn later weggelaten en vervangen door: kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met de wil van God.

16 Scheeben, Dogm. II 500. Pesch, Prael. III 136.

17 Buddeus, Inst. 527 en anderen, verg. M. Vitringa II 242.

18 Episcopius, Inst. theol. II c. 2. Limborch, Theol. Christ. III c. 2. J. Alting op Hebr. 8:6 en Op. V 392. Venema, Korte Verdediging van zijn eer en leer 1735. N. Schiere, Doctr. test. et foed. div. omnium 1718. Vlak, die bestreden werd door H. Brink, Toetssteen der waarheid en anderen. Zelfs Van Oosterzee, Chr. Dogm. par. 75, zag er slechts een juridisch kunststuk in.

19 Kuyper, Heraut 161 v. Hodge, Syst. Theol. II 117. G. Vos, De verbondsleer in de Geref. Theol. 1891.

x
This website is using cookies. Accept