Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

313. Toch is daarmee, dat God geen oorzaak van de zonde is, niet alles gezegd. De Schrift, die God verre houdt van alle goddeloosheid, spreekt aan de andere kant zo beslist mogelijk uit, dat zijn raad en bestuur ook over de zonde gaat1. God is de auteur van de zonde niet, maar ze gaat toch niet om buiten zijn kennis, zijn wil en zijn macht; hoe is dan die verhouding van God tot de zonde te denken? Sommigen ontnamen God, om Hem van alle zonde vrij te houden, zelfs de alwetendheid en de almacht2. Anderen oordeelden, dat de zonde wel niet omging buiten Gods kennis, maar wel buiten zijn wil en stelden zich met het begrip van de permissio tevreden. God kende de zonde wel vooruit, maar wilde ze niet; Hij liet ze alleen toe en heeft ze niet verhinderd. Zo spraken de kerkvaders3, en zij werden in dit spraakgebruik gevolgd door de Pelagianen4, de Roomsen5, de Remonstranten6, de Luthersen7 en vele nieuwere theologen8. Nu werd van deze zijde dikwijls wel erkend, dat de permissio geen gebrek aan kennis en macht in God was, dat ze Hem ook niet maakte tot een ledig toeschouwer van de zonde; maar altijd werd toch de permissio omschreven als een actus negativus, als een suspensio impedimenti, als noch een positief willen noch een positief niet-willen van de zonde, maar als een non velle impedire.

Het is duidelijk, dat deze voorstelling niet alleen geen oplossing geeft, maar ook dubbelzinnig is en de eigenlijke kwestie ontwijkt. De vraag, waarop het aankomt, is deze: stel, dat zulk een min of meer negatieve daad van Goddelijke permissio in een bepaald geval voorafgaat, volgt dan de zonde al of niet, staat ze dan nog in de keuze van de vrije wil van de mens of niet, kan hij ze dan nog even goed nalaten als doen? Indien de beslissing dan nog staat bij de vrije wil van de mens, dan heeft Pelagius gelijk en is het bestuur van de zonde feitelijk geheel aan God ontnomen en is Hij hoogstens een otiosus peccatorum spectator. Indien daarentegen de permissio Gods van dien aard is, dat de mens, in die omstandigheden geplaatst, niet door dwang maar krachtens de ordinantiën; die speciaal voor het zedelijk leven gelden, de zonde doen moet; dan is het recht aan de zijde van Augustinus, men mag over het woord permissio oordelen gelijk men wil. Zo dit vraagstuk stellende, had Augustinus al ingezien, dat de toelating niet zuiver negatief kon zijn, maar een daad moest zijn van Gods wil. Non fit aliquid nisi omnipotens fiere velit, vel sinendo ut fiat vel ipse faciendo. God doet al wat Hem behaagt; Hij wil niet iets, zonder het te doen, maar wat Hij wil, dat doet Hij, en wat er geschiedt, geschiedt nooit buiten zijn wil. Mori et ineffabili modo non fit praeter ejus voluntatem, quod etiam contra ejus fit voluntatem, quia non fieret, si non sineret (nec utique nolens sinit sed volens) nec sinere bonus fieri male, nisi omnipotens et de malo facere posset bene9. Vele scholastieke en augustiniaanse theologen spraken nog in gelijke geest; al bedienden zij zich ook van het woord toelaten, het werd toch opgevat als velle sinere of velle permittere mala fieri10.

In het wezen van de zaak hadden de Gereformeerden geen andere overtuiging; vandaar dat een zekere Livillus de Meyer terecht zei: ovum ovo non esse similius quam doctrinam Calvinianam Thomisticae11. Alleen maar, zij hadden de ervaring opgedaan, dat het woord permissio in zeer dubbelzinnige betekenis gebezigd en tot verberging van het Pelagianisme misbruikt werd. Daarom waren zij het woord niet genegen. Zij hadden er op zichzelf zo weinig tegen, dat zij het toch feitelijk allen weer gebruikten12. Maar de permissio was dan naar hun overtuiging geen zuivere negatie, geen mera cessatio voluntatis, voortvloeiende uit ignorantia of impotentia of negligentia, maar een positieve daad van God, een volitio efficax, echter niet efficiens of producens maar deficiens, waarop naar de aard van het zedelijk leven de zonde volgen moet13. Het is waar, dat er in de hitte van de strijd door de Gereformeerden sorus dicta duriora zijn gebruikt14, en Roomsen15, Socinianen16, Remonstranten17 en Luthersen18 lieten niet na er gebruik van te maken, en altijd opnieuw de Gereformeerden te beschuldigen, dat zij God tot auteur van de zonde maakten. Maar vooreerst zijn die dicta duriora alle nog zachter, dan die, welke soms in de Heilige Schrift voorkomen, bv. Ex. 7:3, 2 Sam. 16:10, 24:1, Mal. 1:3, Luk. 2:34, Rom. 9:17-18, 2 Thess. 2:11 enz.; voorts zijn al dergelijke harde uitdrukkingen te allen tijde door de Judaïsten aan Paulus, door de Pelagianen aan Augustinus, door Hincmar aan Gottschalk, door de Jezuïten aan de Jansenisten ten laste gelegd; vervolgens zijn ze door de Gereformeerden in hun confessies steeds vermeden; Maccovius werd er op de Dordsche Synode over onderhouden19; al verder zijn ze door de meeste Gereformeerde theologen vermeden of ook toegelicht en verklaard20; en eindelijk wordt hun betekenis en bedoeling voor ieder, die ze verstaan wil, uit het verband met heel de Gereformeerde leer volkomen doorzichtig. De zaak is eenvoudig deze, dat de permissio, in negatieve zin opgevat, bij het vraagstuk van Gods verhouding tot de zonde niet de minste oplossing biedt; het bezwaar, dat God haar auteur is, volstrekt niet uit de weg ruimt; en feitelijk heel de zonde aan Gods voorzienig bestuur onttrekt. Immers wie een kwaad verhinderen kan en het toch stil toeziende laat gebeuren, staat even schuldig als wie het kwaad zelf bedrijft21. Bovendien, ook al heeft God de zonde enkel en alleen toegelaten, er moet toch een reden zijn, waarom Hij ze niet heeft willen verhinderen. Die reden kan bij God niet liggen in een gebrek aan kennis of macht; zo moet ze dan liggen in zijn wil. Dus is de permissio dan toch weer een daad van zijn wil; Hij heeft ze willen toelaten; en dit willen toelaten kan niet anders worden opgevat, dan dat de zonde nu feitelijk ook, niet door God, maar door het schepsel, geschiedt.

Trouwens, de Christelijke theologie, als ze Gods bestuur over de zonde besprak, is toch bij deze permissio nooit blijven staan. Indien nl. beide de Schrift en het Christelijk denken het verboden, om de zonde geheel of ten dele buiten de wil en de voorzienigheid te plaatsen, dan kon alleen nog zo een oplossing worden beproefd, dat in de wijze van Gods bestuur over het goede en over hot kwade onderscheid werd gemaakt. En inderdaad, al kan in zekere zin ook gezegd worden, dat God de zonde gewild heeft, d.i. dat Hij gewild heeft, dat de zonde er zijn zou, Hij heeft het kwade dan toch op een geheel andere wijze dan het goede gewild; in het goede heeft Hij welgevallen, maar het kwade haat Hij met Goddelijke haat. Opdat dit verschil in het bestuur van God over het kwade in het licht treedt, dient er ten eerste op gewezen, dat God en mens nooit gescheiden, maar toch wel altijd onderscheiden zijn. Het geloof is een gave. God doet geloven, maar toch is het formaliter niet God, maar de mens, die gelooft. Veel meer geldt dit van de zondige daad. Materialiter is deze zeer zeker aan God toe te schrijven, maar formaliter blijft deze voor rekening van de mens. Als een moordenaar iemand doodslaat, is al het overleg en de kracht, die hij daartoe nodig heeft, van God afkomstig, maar de daad is, formeel beschouwd, de zijne en niet die van God. Ja het feit van het doodslaan is, zuiver op zichzelf genomen, nog geen zonde, want hetzelfde heeft menigmaal in de oorlog en op het schavot plaats. Wat de doodslag tot zonde maakt, is niet de materia, het substraat, maar de forma, d.i. de vitiositas, de anomia; niet de substantia, maar het accidens in de daad22.

Er is hiertegen ingebracht, dat deze onderscheiding, ook al is ze juist, toch feitelijk niets geeft, omdat zij het formele van de daad, d.i. juist het zondige in de zonde, buiten Gods regering plaatst23. Deze opmerking is slechts ten dele juist, zij bevat waarheid, niet in het algemeen maar in dit speciale geval, rakende de zonde. Bij het geloof toch zal niemand daaruit, dat de mens er formaliter het subject van is, concluderen, dat het buiten Gods voorzienigheid gaat. Maar het is waar, dat het bij het geloof heel anders geschapen staat dan bij de zonde. Het geloof toch is een volstrekte gave en sluit alle verdienste uit; de zonde daarentegen is een daad van de mens en brengt schuld mee. Daarom moet de zonde hier niet gesteld worden tegenover het geloof, dat nu uit genade door God geschonken wordt, maar tegenover het goede, dat de mens gedaan zou hebben, indien hij staande was gebleven. Dat goede zou materialiter geheel Gods werk zijn geweest; formaliter had het echter de mens tot subject en bracht voor hem, wel niet uit zichzelf maar naar het foedus operum, aanspraak op loon mee. Evenmin als nu daardoor dat goede aan Gods regering onttrokken zou zijn, wordt de zonde buiten zijn voorzienigheid geplaatst, omdat ze in formele zin niet God, maar de mens tot subject heeft.

Doch er is meer. Bij het goede is de voorzienigheid Gods zo te denken, dat Hij zelf met zijn Geest inwerkt in het subject en dit positief tot het goede bekwaamt. Bij de zonde kan en mag ze zo niet worden voorgesteld. De zonde is anomia, deformitas, en heeft dus God niet tot causa efficiens, maar hoogstens tot causa deficiens. Het licht kan uit zichzelf de duisternis niet voortbrengen; de duisternis ontstaat alleen, als het licht wordt weggenomen. God is dus hoogstens de negatieve oorzaak, de causa per accidens van de zonde; in de mens is haar werkelijke, positieve oorzaak te zoeken. Omdat echter de zonde slechts forma en geen substantia is, wordt ze daardoor, dat ze formaliter daad van de mens is, in geen enkel opzicht buiten Gods voorzienigheid geplaatst. Hij werkt in haar in, doch op geen aan de natuur van de zonde geheel beantwoordende wijze. Gelijk Hij in zijn regering alle dingen bestuurt overeenkomstig hun eigen aard, zo handhaaft Hij ook op zedelijk gebied de ordinantiën, die Hij daarvoor in het bijzonder vastgesteld heeft. Ook de zonde ontstaat en ontwikkelt zich naar vaste wet, niet naar de wetten van de natuur of van de logica, maar naar die, welke in het ethische leven zijn ingeschapen en ook in de verwoesting nog doorwerken. Ziekte, ontbinding, dood zijn de antipoden van gezondheid, ontwikkeling, leven, maar zijn niet minder dan deze van het begin tot het einde door vaste wetten beheerst. En zo is er ook een wet van de zonde, die heel haar geschiedenis in mens en mensheid bepaalt. En juist dat wetmatige in de zonde bewijst, dat God koninklijk ook in en over haar regeert. Een mens, die zondigt, maakt zich niet los en onafhankelijk van God; integendeel, terwijl hij een zoon was, wordt hij een slaaf. Die de zonde doet, is een dienstknecht van de zonde24.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 32 De Heilige Drieëenheid; 231 Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 244 Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 40 De voorzienigheid; 304.

2 Verg. deel II Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; B 201. In de nieuwere tijd wordt almacht of alwetendheid aan God ontzegd of een zelfbeperking Hem toegeschreven door vele voorstanders van het Personal Idealism; zie bijv. Mc Taggart, Some dogmas of religion 1906 bl. 186v. 221v. Tennant, The origin and propagation of sin bl. 141v.

3 Clemens Alex., Strom. IV c. 12. Origenes, de princ. III 2, 7. Damascemus, de fide orthod. II 29 enz. Verg. Suicerus, s. v. pronoia en sugcwrhsiv

4 Augustinus, t. Julianum Pelagv. c. 3.

5 Conc. Trid. VI c. 6. Bellarminus, de amiss. gr. et stat. pecc. II 16. Pefavius, de Deo VI c. 6, 5.

6 Arminius, Op. 644v. 694v. Episcopius, Inst. Theol. IV sect. 4 c. 10. Limborch, Theol. Christ. II 29.

7 Gerhard, Loci Theol. VI c.9. Quenstedt, Theol. I 533. Hollaz, Ex. theol. 449. Buddeus, Inst. Theol. 560. Brefschneider, Dogm. I 506.

8 Ebrard, Dogm. par. 265. Von Oeffingen, Luth. Dogm, II 339v. Shedd, Dogm. Theol. I 419. 444 enz.

9 Augustinus, Enchir. 95-100. de trin. III 4v. de civ. XIV 11. de gr. et lib. arb. 20, 21.

10 Lombardus, Sent. I 46. Thomas, S. Theol. I. 19 art. 9. c. Gent. I 95 II 25.

11 Bij Daelman, Summa S. Thomae II 308.

12 Bij Ebrard, Dogm. par. 265.

13 Zwingli, Op. III 170 IV de provid. c. 5. Calvijn, Inst. I 17, 11. 18 1, 2. II 4, 2-4. II 23, 4. 8. 9. Beza, Tract. Theol. I 315. 387. 399. II 347. III 426. Zanchius, Op. II 279. Martyr, Loci Comm. 58. Gomarus, de provid. Dei c. 11. Twissus, de permissione, Op. I 544-668. Maccovius, Loci Comm. 206. Alting, Theol. EI. nova 316. Examenv. h. Ontw. v. Tol. VI 277. M. Vitringa, Doctr. Chr. II 96 enz.

14 Bijv. Calvijn, Inst. III 23. 7. Beza, Tract. theol. I 319. 360-401. Zanchius, Op. V 2. Verg ook Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 238

15 Bellarminus, de amiss. gr. et statu recc. II c. 3v. Petavius, de Deo VI c 5. X c. 8. Möhler, Symb. par. 2-4.

16 Catech. Racov. X16.

17 Apol. Conf. c. 2 en 6. Episcopius, Op. I 375v.

18 Gerhard, Loci Theol. VI c. 10. Quensfedt, Theol. II 97.

19 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 33 De raad Gods; 238

20 Voetius, Disp. I 1119-1137. Maresius, Syst. Theol. IV 18. Turretinus, Theol. El. VI qu. 7. 8. Trigland, Kerk. Gesch. IV 673v. V694. Id., Antapologia c. 8-10. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 3 Moor, Comm. II 487 enz.

21 Beza, Tract, theol. I. 315.

22 Take the vilest crime, and Christianity assures you, that throughout the transaction, as you observe it, there is nothing evil in the natural material which is employed, there is only the lawless misuse of material which is in itself good. The worst passions are but the disorderly exercise of feelings and faculties in themselves good and capable of redemption. Lust is only love uncontrolled by the will, and therefore lawless. Ch. Gore, Lux mundi bl. 388.

23 Episcopius, Op. I 180. Quensfedt, Theol. II 101.

24 Verg. over Gods verhouding tot de zonde: de kerkvaders Origenes, Athanasius, Basilius e.a. bij Münscher-v. Coelln, D. G. I 157, en voorts Thomas, S. Theol. I qu. 49 art. 2. II 1 qu. 79 art. 2. S. c. Gent. III 3. 71. Comm. op Sent. I dist. 46-48 II dist. 37. Bellarminus, de amiss. gr. et statu pecc. II 18. Petavius, de Deo VI c. 6. Quensfedt, Theol. I 535. Hollaz, 448. Calvijn, Inst. I 18. II 4. de provid. C. R. 36, 347-366 en 37, 262-318. Beza, Tract. Theol. I 312v. 337v. Zanchius, Op. II 259. Chamier, Panstr. Cath. II lib. 3 Twissus, Vindie. gratiae I 317v. 544v. Trigland, Antapol. c. 9. 10. Gomarus, de provid. Op. p. 136. Mastricht, Theol. III 10, 19 v. Turretinus, Theol. El. VI qu. 8. Moor, II 492. Vitringa II 196.

x
This website is using cookies. Accept