Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

315. Al staat de zonde zo van haar begin af onder het bestuur van God, zij heeft haar oorsprong toch niet in God, maar in de wil van het redelijk schepsel. Doch hier rijst terstond een nieuw probleem. Hoe is de zonde ooit te verklaren uit de wil van een wezen, dat naar Gods beeld geschapen werd in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid? De Pelagiaanse voorstelling, dat de eerste mens in een staat van kinderlijke onnozelheid, van zedelijke indifferentie verkeerde, bleek ons reeds vroeger onaannemelijk1; zij verklaart de val van de mens niet, maar verandert hem in een niets betekenend ongeluk, en maakt het onbegrijpelijk, dat daaruit zo ontzettende gevolgen en zo verschrikkelijke ellenden voortgekomen zijn voor heel het menselijk geslacht. Als een bron zulk een stroom van onrein water voortbrengen kan, moet zij zelf innerlijk bedorven zijn. Het is daarom ongeoorloofd, om de afstand tussen de status integritatis en de status corruptionis zó te verkleinen, dat de overgang gemakkelijk en geleidelijk wordt. De mens werd niet zedelijk indifferent, maar positief heilig door God geschapen. Toch moet daarbij het volgende worden bedacht. Ten eerste heeft God de mogelijkheid van de zonde zeer zeker gewild. De possibilitas peccandi is van God. De gedachte van de zonde is allereerst geconcipiëerd in zijn bewustzijn2. God heeft eeuwig de zonde gedacht als zijn absoluut tegendeel, en zó, met die natuur, in zijn besluit opgenomen; anders had deze nooit in de werkelijkheid kunnen ontstaan en bestaan. Niet Satan en niet Adam en Eva zijn het eerst op de gedachte van de zonde gekomen; deze heeft God zelf hun als het ware zichtbaar voor ogen gesteld. Door de boom der kennis van goed en kwaad en door het proefgebod heeft Hij de mens duidelijk twee wegen aangewezen, welke hij inslaan kon. En vóór zijn val heeft Hij het zelfs gedoogd, dat een boze macht van buiten af doordrong in het paradijs, de slang gebruikte als haar instrument en met Eva begon te onderhandelen over de betekenis van het proefgebod. De mogelijkheid van de zonde is dus zonder twijfel door God gewild.

In de tweede plaats: in overeenstemming met de objectieve mogelijkheid heeft God engelen en mensen zó geschapen, dat zij zondigen en vallen konden. Zij hadden het hoogste nog niet3; zij werden niet aan het einde, maar aan het begin van de weg geplaatst; de gave van de perseverantia, die een gave is en het altijd blijft, die nooit in eigenlijke zin verdiend kan worden en nooit tot de natuur van een schepsel kan behoren, werd hun nog onthouden. Het zou anders ook de schijn hebben gehad, alsof God de zonde met geweld wilde keren en vreesde voor haar macht. Engelen en mensen hadden dus de gratia, qua potuerunt stare, niet die, qua vellent perpetuo stare4. Zij hadden de hoogste, onverliesbare vrijheid nog niet, d.i. de vrijheid van niet meer te kunnen willen zondigen. Het beeld van God was dus bij de mens nog beperkt; het was niet in al zijn volheid ontplooid; het had nog een grens in de mogelijkheid van de zonde. De mens stond wel in het goede, maar de mogelijkheid van het kwade lag er nog naast; hij wandelde wel op de goede weg, maar kon zijwaarts afdwalen; hij was goed, maar veranderlijk goed, mutabiliter bonus. God alleen is de zijnde in al zijn deugden en daarom onveranderlijk. Alle schepsel echter wordt, en kan daarom ook. verworden; pan ktiston trepton. Indien materia en forma onderscheiden zijn, zoals bij schepselen steeds het geval is, dan blijft de mogelijkheid altijd open, dat de materia van forma verandert. Wat geformeerd is, kan gedeformeerd en dus ook weer gereformeerd worden; wat geschapen is, kan wanschapen en dus ook weer herschapen worden. Zedelijke vrijheid, hoe sterk ook, is in zichzelf wezenlijk van logische noodwendigheid en fysische dwang onderscheiden. Een creatura naturaliter impeccabilis is daarom een tegenstrijdigheid5.

In de derde plaats komt bij de vraag naar de oorsprong van de zonde het vermogen en de werkzaamheid van de verbeelding in aanmerking. Vroeger werd hiermede in de dogmatiek weinig rekening gehouden, al was men zich ook bewust, dat de verzoeking bij de mens zich eerst en meest richt tot de verbeelding en daardoor inwerkt op begeerte en wil6. In de mystiek nam echter de verbeelding een grote plaats in; volgens Böhme heeft Lucifer zich door de Phantasey in de afgrond van de zonde hinein imaginiret; er neigte sich in die Phantasey, also ergrif sie ihn auch und ergab sich ihm in sein Leben7. En werkelijk gaat het bij het ontstaan van de zondige daad altijd zo toe, als Thomas à Kempis het beschrijft: primo occurrit menti simplex cogitatio, deinde fortis imaginatio, postea delectatio et motus pravus et assensio8. Het bewustzijn neemt de gedachte van de zonde in zich op, de verbeelding siert ze en schept ze om tot een bekoorlijk ideaal, de begeerte strekt er zich naar uit en de wil volbrengt ze. Zo is ook bij engel en mens de verbeelding het vermogen geweest, dat de overtreding van het gebod deed voorkomen als weg tot Gode-gelijkheid9.

En eindelijk dient er op gelet, dat Paulus in 1 Cor. 15:45v. van de eerste mens spreekt als aards uit de aarde, als door de schepping geworden tot een levende ziel, en zo hem stelt tegenover Christus, de Heer uit de hemel, die geworden is tot een levendmakende Geest. Deze vergelijking en tegenstelling tussen Adam en Christus heeft ook voor de val van de eerste mens een diepe betekenis. Adam was aards uit de aarde, ook vóór de overtreding van Gods gebod; door zijn schepping werd hij tot een levende ziel; het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Hierin nu ligt uitgedrukt, dat de oorsprong en de natuur van de zonde bij engelen en mensen zeer verschillen. Weliswaar weten wij van de val van de engelen weinig af; maar met het oog op 1 Tim. 3:6 en 2 Petr. 2:4 mag het toch hoogstwaarschijnlijk heten, dat hoogmoed, het Gode gelijk willen zijn in macht en heerschappij, het begin en het beginsel van hun val is geweest. De engelen zijn niet als de mensen verleid; de verzoeking is niet van buiten tot hen gekomen; zij zijn gevallen door zichzelf. Jezus zegt, dat die duivel ek twn idiwn spreekt, als hij leugen spreekt. Hij is uit zichzelf, door zijn eigen denken, ontevreden geworden met zijn stand en zijn macht; hij heeft de leugen uit zichzelf voortgebracht en als een rijk, als een systeem tegenover de waarheid van God gesteld. Maar bij de mens is dat niet zo. Hij was geen zuivere geest; hij was zo hoog niet geplaatst, al stond hij als naar Gods beeld geschapen Gode nog nader dan de engelen; hij kon zo hoog niet denken en zo stout zich niet verheffen; hij was aards uit de aarde, een levende ziel, wel fijner en teerder maar daarom ook tegelijk zwakker en brozer georganiseerd. Als zulk een, wel naar Gods beeld geschapen, maar toch aards, zinnelijk wezen bood hij Satan een geschikte gelegenheid voor de verzoeking aan. Deze kwam van buiten tot hem, schikte zich als het ware naar zijn natuur, wekte in hem de begeerlijkheid van de ogen, de begeerlijkheid van het vlees en de grootsheid van het leven, en bracht hem zo ten val. Oorsprong en wezen van de zonde dragen bij de mens een geheel ander karakter dan bij de engelen; in beide komt het uit, dat de mens, niet als een duivel, maar als een mens zondigt, als een wezen, dat aards is uit de aarde en dat door de schepping geworden is tot een levende ziel. Om deze reden legt de Schrift en inzonderheid Paulus zulk een nauw verband tussen de zinnelijke natuur van de mens en de zonde. Er ligt daaraan volstrekt niet ten grondslag de tegenstelling van zinnelijkheid en rede, of de gedachte, dat de materia van lagere orde is en het principe van de zonde. Deze tegenstelling en deze gedachte zijn niet Israëlietisch, maar Grieks van oorsprong. De Schrift weet van zulk een dualisme niets, maar zij weet wel van iets anders, nl. hiervan, dat de mens van huis uit een zinnelijk, een psychisch wezen is. Hij is terstond als een levende ziel geschapen, aards uit de aarde. Dat was hij dus ook reeds in de status integritatis; en daarom was hij, in weerwil van de kennis en de gerechtigheid, die hij bezat, voor verleiding en verzoeking vatbaar. Reeds bij de eerste zonde kwam het uit, dat de mens sarx was; en alle volgende zonden hebben zijn verzoekbaarheid, zwakheid, onbetrouwbaarheid slechts altijd klaarder aan het licht gebracht. Alle zonde van de mens, ook de geestelijke, draagt een karakter, dat met zijn psychische natuur overeenkomt en van dat van de zonde bij de engelen verschilt. Beeld van God was de mens vóór de val niet ondanks, maar in zijn eigenaardige, psychische natuur; en daarvan ontvangt ook zijn zonde haar stempel.

Met dit alles is niets anders en niets meer dan de mogelijkheid van de zonde aangetoond. Hoe die mogelijkheid tot werkelijkheid is geworden, is een geheimenis en zal dit wel blijven. Wij kunnen aanwijzen, dat de gedachte van de zonde in Gods verstand eeuwig heeft bestaan, dat zij in het proefgebod de mens voor ogen is gesteld, dat deze dus behalve van het goede, ook kennis droeg van een verboden kwaad, dat de verbeelding het vermogen is, waardoor gedachten tot idealen omgeschept worden. Maar daarmee is de overgang van de mogelijkheid tot de werkelijkheid, van de blote voorstelling tot de zondige daad nog niet verklaard. Deze verklaring ontgaat ons, niet alleen bij het ontstaan van de eerste zonde, maar telkens bij allerlei daden en handelingen van de mens. In psychologie en biografie stellen wij ons wel met enkele gegevens tevreden; als wij iets weten van iemands voorgeslacht, ouders, opvoeding enz., menen wij zijn persoonlijkheid, zijn leven en daden verklaard te hebben. Maar dit is toch eigenlijk vrij oppervlakkig; ieder mens is een mysterie, en elke handeling heeft nog een andere en diepere wortel dan die van het milieu. In veel sterker mate geldt dit bij de zonde. Hier betreden wij het geheimzinnig gebied van de zedelijke vrijheid en komen we voor een verschijnsel te staan, dat uit de aard van de zaak in zijn oorsprong aan een verklaring ontsnapt. Immers, een zedelijke handeling is nooit aan een conclusie uit praemissen, noch ook aan een fysisch of chemisch resultaat gelijk. Zij is van beide wezenlijk onderscheiden en heeft een eigen natuur; het zedelijk leven is geheel eigensoortig, het is altijd een leven van de vrijheid, en deze is uit de aard van de zaak een raadsel. Maar nog veel meer is dit het geval bij een zondige, en dan nog bepaaldelijk bij de eerste zondige daad. De zonde kan niet uit voorafgaande omstandigheden, redeneringen, overleggingen, fysisch of logisch worden gededuceerd; zij kan vooral niet afgeleid worden uit een heilige, naar Gods beeld geschapen natuur. Wie de zonde begreep en verklaarde, d.i. aantonen kon, dat zij uit het voorafgaande noodzakelijk volgen moest, zou aan haar natuur te kort doen, de grenzen tussen goed en kwaad uitwissen, en het kwade tot iets goeds herleiden. De zondige daad heeft tot oorzaak de zondige wil, maar wie wijst de oorzaak aan van deze zondige wil? Causas defectionum istarum, cum efficientes non sint sed deficientes, velle invenire, tale est, ac si quisquam velit videre tenebras vel audire silentium10. De zonde is met leugen begonnen, Joh. 8:44, zij berust op een valse inbeelding, op een onware voorstelling, op een imaginatie van een goed, dat geen goed was; zij is dus in haar ontstaan een dwaasheid en een ongerijmdheid; zij heeft geen oorsprong in eigenlijke zin, maar alleen een aanvang. Niet ten onrechte is Satan daarom genoemd een Ironie aller Logik11. Deze onmogelijkheid, om de oorsprong van de zonde te verklaren, is daarom niet op te vatten als een uitvlucht, als een asylum ignorantiae. Veeleer is ze open en duidelijk uit te spreken; wij staan hier aan de grenzen van onze kennis. De zonde is er, maar nooit zal zij haar bestaan kunnen rechtvaardigen; zij is onwettig en onredelijk.

1 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 38 Het wezen van de mens; 286

2 Verg. echter Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 31 De mededeelbare Eigenschappen; B 202

3 Verg. Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 297De Gereformeerden hebben bij de beschrijving van Adams toestand steeds soberheid betracht; zij hielden de justitia originalis wel vast, maar wachtten zich voor overdreven voorstellingen, zoals ze bij kerkvaders enz. voorkwamen, Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 295. Toch is niet met zekerheid te zeggen, waarom de woorden in art 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: geheel volmaakt in alle dingen, Deel II; Hoofdstuk 5; Par. 39 De bestemming van de mens; 295, op de Synode van 1566 te Antwerpen zijn weggelaten. Van Toorenenbergen, De Symbol. geschriften bl. 24. 25 vermoedt, dat men die uitdrukking overdreven vond, maar dit vermoeden mist genoegzame grond. Doch hoe dit zij, de leer van het werkverbond verschafte aan de Gereformeerde theologie de gelegenheid, om uit te spreken, dat Adam het hoogste nog niet had. Een uitdrukking als van bisschop South: An Aristotle was but the rubbish of an Adam, and Athens but the rudiments of Paradise (bij Tennant, t.a.p. 25) wordt daarom terecht afgekeurd. De cultuur nam in zekere zin eerst na de val haar aanvang, Gen. 4:17v.

4 Heppe, Dogm. der ev. ref. Kirche bl. 178. 179.

5 Thomas, S. Theol. I qu. 63 art. 1. c. Gent. III 109.

6 Voetius, Disp. I943. Burmannus, Synopsis I 46. 54. Jon. Edwards, Works III 122.

7 Bij Joh. Claassen, Jakob Böhme II 95.

8 Thomas à Kempis, de imit. Christi I 13, 5 Augustinus, de Gen. c. Manich. II 21 wees er daarom reeds op dat bij ieder, die in de zonde valt, datzelfde proces plaats grijpt, dat ons in Gen. 3 beschreven wordt. Verg. ook Jak. 1:13-15.

9 Weisse, Philos. Dogm. II 422v. Frank, Syst, d. Chr. Wahrheit 433v. Kuyper, Heraut 906.

10 Augustinus, de civ. XII 7,

11 Tholuck, Die Lehrev.d. Sünde8 1862 hl. 15. Müller, Sünde II 219v. Filippi, Kirchl. Gl. III 256. Vilmar, Theol, Moral I 37. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 426v. Shedd, Dogm. Theol. II 156. Laidlaw, The Bible doctrine of man 209. Als Kant de oorsprong der zonde verlegde in een intelligibele daad van de wil, was dat maar een andere uitdrukking voor de belijdenis, dat het probleem onoplosbaar is. Daarentegen zegt Tennant t.a.p. 187, dat de oorsprong der zonde wel foolish is, maar niet inexplicable.

x
This website is using cookies. Accept