Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Par. 41. De Verbreiding der Zonde.

Oehler, Theijl. d. A. T. par. 75. Smend, Altt. Religionsgesch. 306v. enz. Marti, Gesch. d. isr. Rel3. 154v. enz. Clemen, Die Chr. Lehrev.d. Sünde I 100v. Davidson, Theol. of the Old Testament 217v. Neander, Pflanzung und Leitung der Chr. Kirche3 508v. Lechler, Das apost. und das nachapost. Zeitalter3 299v. enz.

Schwane, D. G. II2 439v. 480v. J. N. Espenberger, Die Elemente der Erbsünde nach Augustin und die Frühscholastik. Mainz 1905. Tertullianus, de anima c. 39v. Augustinus, de civ. Dei XIV. de natura et gratia. de gratia Christi et de peccato orginali. C. Julianum. Anselmus, de conceptu virginali et de originali peccato. Lombardus, Sent. II dist. 30-33. Thomas, S. Theol. II 1 qu. 81v. c. Gent. IV. Bonaventura, Brevil. III 5. 6. Bellarminus, de amiss. gratiae I. IV-VI. Theol. Wirceb. VII 65v. Perrone, Prael. theol. III 1839 bl. 189. 216-223. Möhler, Symb. par. 5-9. Oswald, Relig. Urgesch. d. Menschheit 1887 bl. 110v. Kleufgen, Theol. der Vorzeit II 616v. Scheeben, Kath. Dogm. II 618v. Heinrich Dogm. VI 712v.

Luther bij Kostlin II 362v. Gerhard, Loci TheoI. IX C. 4-10. Quenstedt, Theol. II 56v. Hollaz, Ex. Theol. 518v. Calvijn, Inst. II 1-5. Polanus, Synt. Theol. 336v. Rivetus, Op. III 747v. Voetius, Disp. I 1078v. Mastricht, Theol. IV

c. 2. Turretinus, Th. El. IX 8-12. Moor, Comm. III 202v. M. Vitringa, Doctr. II 330v.

Schleiermacher, Chr. Gl. I 376v. Dorner, Gl. II 4v. Frank, Chr. Wahrheit 1449v. Von Oettingen, Luth. D. II 488v. Kaffan, Dogm. par. 31. 40. Häring, Chr. Gl. 282v. Hodge, Syst. Theol. II 192v. Shedd, Dogm. Theol. II 168v.

317. De eerste zonde, waaraan de stamouders van het menselijk geslacht zich hebben schuldig gemaakt, heeft voor hen zelf en voor al hun nakomelingen zeer verschrikkelijke gevolgen gehad en een stroom van ellende over de mensheid uitgestort. Het menselijke geslacht in zijn geheel en ieder lid ervan in het bijzonder is daardoor met schuld beladen, door onreinheid bevlekt, aan verderf en dood onderworpen. Deze feiten zijn zo sterk en springen zo duidelijk in het oog, dat zij ook menigmaal buiten de bijzondere openbaring opgemerkt en erkend zijn. De lichtzinnigen mogen het leven opvatten als een spel; allen, die het zedelijk ideaal hoog houden, met ernst tegen hun zonden strijden en de werkelijkheid durven zien gelijk zij is, hebben het diep bederf van de menselijke natuur erkend. De verschillende godsdiensten met hun priesters en altaren, offeranden en boetedoeningen zijn alle op de veronderstelling van de zonde gebouwd; dogma en cultus, gebed en lied, religie en filosofie hebben allerwege, en soms op roerende wijze, aan het zondebesef van de mensheid uitdrukking gegeven. anyrwpoisi gar toiv pasi koinon esti touxamartanein. Vitiis nemo sine nascitur. Vitia erunt, donec homines. Communis hominum labes1.

Veel klaarder wordt deze algemeenheid van de zonde nog weer uitgesproken in de Heilige Schrift. Als zij in het derde hoofdstuk van Genesis de val heeft verhaald, gaat zij in de volgende hoofdstukken na, hoe de zonde zich in het menselijk geslacht heeft uitgebreid en vermeerderd, en tenslotte zulk een hoogte bereikt, dat het gericht van de zondvloed noodzakelijk werd. Van het geslacht vóór die vloed wordt getuigd, dat de boosheid van de mens menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtseI van de gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was, dat de aarde door de mensen vervuld werd met wrevel en verdorven was voor Gods aangezicht, Gen. 6:5, 11-12. Maar de Zondvloed brengt geen verandering aan; ook daarna spreekt God aangaande de nieuwe mensheid, die uit Noachs gezin zal voortkomen, het oordeel uit, dat het gedichtsel van ‘s mensen hart boos is van zijn jeugd aan, Gen. 8:21. Bij dit Goddelijk getuigenis sluiten alle vromen van het Oude Verbond zich aan. Niemand, klaagt Job, kan een reine geven uit een onreine, Job 14:4. Daar is geen mens, belijdt Salomo in zijn gebed bij de inwijding van de Tempel, daar is geen mens, die niet zondigt, 1 Kon. 8:46. Als de Heere, lezen wij in Ps. 14 en Ps. 53, uit de hemel nederziet op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig is, die God zoekt, dan aanschouwt zijn oog niets dan afval en ongerechtigheid; zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet één. Niemand kan dan ook voor het aangezicht van de Heere bestaan, want niemand, die leeft, is voor Hem rechtvaardig, Ps. 130:3, 143:2. Wie kan ook zeggen: ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? Spr. 20:9 In één woord, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt, Pred. 7:20. Verg. ook de apocriefe boeken Sir. 8:6, 25:26, Wijsh. 9:6, 13-18, 12:10, 11 enz

Ook het Nieuwe Testament laat over de zondige toestand van het menselijk geslacht niet de minste twijfel bestaan; het hele Evangelie rust op deze onderstelling. Als Johannes de nabijheid van het koninkrijk van de hemelen aankondigt, eist hij van de Joden, dat zij zich bekeren en laten dopen, want besnijdenis, offeranden, wetsonderhouding hebben aan het Volk van Israël niet die gerechtigheid kunnen schenken, welke het voor de ingang in het koninkrijk behoeft. Met dezelfde prediking van het koninkrijk Gods trad Christus op, en ook Hij getuigt, dat alleen wedergeboorte, geloof en bekering de toegang tot dat koninkrijk ontsluiten, Mark. 1:15, 6:12, Joh. 3:3, 5. Wel spreekt Hij van gezonden en rechtvaardigen, Matt. 9:12-13, Mark. 2:17, Luk. 5: 31-32, maar Hij spreekt zo, zonder over de aard van die gezondheid en rechtvaardigheid een oordeel te vellen, objectief, naar de mening dergenen, die Hij beschrijft. Hoe Hij zelf over die gerechtigheid denkt, blijkt uit andere plaatsen genoegzaam; terwijl Hij de vermoeiden en beladenen, de tollenaren en zondaren tot zich roept en hun zijn rust belooft, zegt Hij van de Farizeën, dat hun gerechtigheid onvoldoende is, Matt. 5:20, Luk. 18:14, en dat hoeren en tollenaars zullen voorgaan in het koninkrijk der hemelen, Matt. 8:11, 21:31. Ook leren de apostelen, dat alle mensen zondaren zijn en dat allen behoefte hebben aan de vergevende liefde van de Vader, aan de verlossing door Christus, aan de vernieuwing door de Heilige Geest, Hand. 2:38, 5:31, 10:43 enz.; de apostel Paulus begint zijn brief aan de Romeinen zelfs met een breedvoerig betoog, dat de hele wereld voor God verdoemelijk is, en dat daarom geen vlees uit de werken der wet gerechtvaardigd zal worden, Rom. 3:19-20, verg. Rom. 5:12; 11:32; 2 Cor. 5:19, Gal. 3:22, 1 Joh. 1:8, 5:19. Zelfs het woord wereld krijgt door deze algemene zondigheid in de Schrift een ongunstige betekenis. Ofschoon oorspronkelijk door God geschapen, Joh. 1:3, Col. 1:16, Hebr. 1:2, is zij toch zo door de zonde bedorven, dat zij als een vijandige macht tegen God overstaat. Zij kent het Woord niet, waaraan zij haar bestaan heeft te danken, Joh. 1:10, ligt geheel in het boze, 1 Joh. 5:19, staat onder Satan als haar overste, Joh. 14:30, 16:11, en gaat eens met al haar begeerlijkheid voorbij, 1 Joh. 2:16.

Voorts is naar de Schrift de zonde de mens eigen van de jeugd, van de geboorte, zelfs van de ontvangenis af aan, Gen. 6:5, 8:21, Job 14:4, 13:26, Ps. 25:7, 51:7, 58:4, 103:14, Jes. 43:27, 48:8, 57:3, Ezech. 16:3, Hos. 5:7, Joh. 3:6, Rom. 7:7v., Ef. 2:3.. David gaat in zijn schuldbelijdenis tot de diepste grond van zijn zondigheid terug, vindt die in de zonden van zijn ouders en verklaart daaruit, dat hij ook zelf van zijn ontvangenis en geboorte af aan onrein voor God staat, Ps. 51:7. In Joh. 3:6 zegt Jezus, dat het vlees, d.i. de mens als aards, zinnelijk wezen, van beneden levende, Joh. 3:31; 8:23, alleen vlees voortbrengen kan, dat een zodanig mens geen ingang heeft in het koninkrijk Gods en daartoe de wedergeboorte uit de Geest behoeft, dat de mens als zulk een zinneIijk wezen, als sarx, onrein en bedorven is van zijn geboorte af. En in Ef. 2:3 verklaart Paulus, dat Joden en Heidenen tekna fusei zijn; hij stelt zeer zeker fusei hier niet tegenover de dadelijke zonden, waar hij juist over spreekt, vs. 1-3, maar zegt, dat zij fusei kinderen van Gods toorn waren, terwijl zij nu, nadat zij levend en uit genade zalig gemaakt zijn, voorwerpen van zijn liefde zijn, en geeft dus te kennen, dat hun vroegere toestand, hun dood zijn door de zonden en misdaden, een natuurlijke toestand was, een fisiv die rustte in hun bestaan zelf, cf. Rom. 2:14-15, 1 Cor. 2:14.

Voor het overige is het waar, dat de Heilige Schrift de algemeenheid van de zonde en het tot in de ontvangenis teruggaande bederf van de mens veel meer onderstelt en in de werkelijkheid zien laat, dan breedvoerig in woorden beschrijft. De mensen zelf worden allerwege als zondaren getekend; niet alleen het geslacht vóór de Zondvloed en alle Heidenen en goddelozen, maar ook het Volk van Israël; en onder dat Volk worden ook van de vromen vele zonden verhaald, van de aartsvaders, Mozes, Job, David, Salomo enz., ja het zijn juist de vromen, die, ook waar ze overtuigd zijn van het rechtvaardige van hun zaak, toch in ootmoedige schuldbelijdenis voor God nedervallen en om ontferming en vergeving smeken, Ps. 6; 25; 32; 38; 51; 130; 143; Jer. 3:15, Dan. 9:5v. Het is het hart van de mens, dat bedorven is, Gen. 6:5, 8:21, Ps. 14:1, Jer. 17:9, Ezech. 36:26, Matt. 15:19; daaruit zijn de uitgangen van het leven, Spr. 4:23, daaruit komen alle ongerechtigheden en ook het onverstand voort, Mark. 7:22. Het verstand van de mens is verduisterd, Job 21:14, Jes. 1:3, Jer. 4:22, Joh. 1:5, Rom. 1:21, 22, 1 Cor. 1:18-23, 2:14, Ef. 4:18; 5:8; zijn ziel is schuldig en onrein en heeft verzoening en bekering nodig, Lev. 17:11, Ps. 19:8 [Ps. 19:7], 41:5 [Ps. 41:4], Spr. 19:2, 15, Matt. 16:26, 1 Petr. 1:22; zijn geest is hoogmoedig, dwalende, besmet en moet daarom verbroken, verlicht, gereinigd worden, Ps. 51:19 [Ps. 51:17], Spr.16: 18, 32, Pred. 7:9, Jes. 57:15; 66:2; 1 Cor. 7:34, 2 Cor. 7:1, 1 Thess. 5:23; zijn geweten is bevlekt en behoeft reiniging, Tit. 1:15, Hebr. 9:9, 14; 10:22; zijn begeerte, genegenheid en wil strekt zich uit naar het verbodene en is machteloos ten goede, Jer. 13:23, Joh. 8:34, 36, Rom. 6:17; 8:7; 2 Cor. 3:5; en het lichaam, met al zijn leden, ogen, Deut. 29:4, Ps. 18:28 [Ps. 18:27], Jes. 35:5; 42:7; 2 Petr. 2:14, 1 Joh. 2:16, oren, Deut. 29:4, Ps. 115:6, 135:17, Jes. 6:10, Jer.5:21, Zach.7:11, voeten, Ps. 38:17 [Ps. 38:16], Spr. 1:16, 4:27, 6:18, Jes.59:7, Rom.3:15, mond en tong, Job 27:4, Ps. 17:10, 12:4 [Ps. 12:3], 15:3, Jer. 9:3, 5, Rom. 3:14, Joh. 3:5-8 enz. staat in de dienst van de ongerechtigheid. In één woord, de zonde zit niet aan en om, maar in de mens en breidt over de hele mens en over heel de mensheid zich uit2.

Van de plaatsen, die voor het tegenovergestelde gevoelen worden aangehaald, behoeft alleen Rom. 7:7-25 enige nadere bespreking. Te allen tijde hebben de Pelagianen zich op deze pericoop beroepen ten bewijze, dat de nouv of het pneuma in de mens vrij van zonde is gebleven en deze alleen zetelt in de sarx; in de nieuwere tijd is deze exegese bijna algemeen aangenomen. Augustinus echter in zijn latere periode en al zijn volgelingen zowel in de Roomse als in de Protestantse kerken, hebben steeds deze uitlegging verworpen en de verzen 14-25 verstaan, als door Paulus als wedergeborene en aangaande het heden gesproken, een verklaring, die tegenwoordig nog voorgestaan wordt door Delitzsch, PhiIippi, Luthardt, Harless, Thomasius, Umbreit, Kohlbrugge en anderen3. De laatste exegese verdient om verschillende redenen de voorkeur.

1ø Paulus betoogt in Rom. 7:7-25, dat de wet, van welke de gelovige, door gestorven te zijn met Christus, ontslagen is, zelf niet zondig is. En dat doet hij door aan te wijzen, dat zij de gelovige eerst tot kennis van zijn zonde en zijn dood gebracht heeft, Rom 7:7-13, en dat zij nu nog de instemming heeft van zijn inwendige mens, al is het ook, dat zijn vlees zich tegen haar verzet, Rom 7:14-25. In dit verband is het betoog, dat de wet nu nog de instemming van de gelovige heeft, al is hij ook van haar ontslagen, noodzakeIijk. Want voor de stelling, dat de wet zelf heilig is, is het niet genoeg, dat de onwedergeborene, maar is het juist noodzakelijk, dat de wedergeborene haar goedkeurt. En zo spreekt Paulus dan ook van Rom 7:14 af in de tegenwoordige tijd, niet uit levendigheid van voorstelling, maar omdat hij juist als wedergeborene de wet liefheeft en goedkeurt. Omdat de wet hem middellijk de smartelijke ervaring schonk van zijn zonde en dood, omdat hij in de gemeenschap met Christus, Rom. 7:4, Gal. 2:19-20, door de wet der wet is gestorven en van haar vloek is bevrijd, Gal. 3:13, daarom en daardoor heeft hij ze als heilig en rechtvaardig en goed leren kennen, geeft hij haar getuigenis en bevestigt hij de wet door het geloof, Rom. 3:30.

2ø Omdat Paulus naar de gang van zijn betoog de wet in haar heilig karakter wil eren, werpt hij alle schuld op de zonde. Deze was eerst een objectieve macht, die aanvankelijk voor Paulus, zolang hij leefde zonder de wet, vers 9, niet bestond en niet door hem gekend werd. Vervolgens heeft die zonde door middel van de wet, de begeerlijkheid in hem gewrocht, vers 8, en zij kon dat doen, omdat die begeerlijkheid van nature in hem woonde en hij vleselijk was, vers 144. Eindelijk heeft die zonde, op deze wijze weer levend geworden en als zonde geopenbaard, hem doen sterven, vers 9v., m.a.w. hem aan zichzelf en aan zijn eigen gerechtigheid doen wanhopen. Maar omdat dit sterven een sterven was in de gemeenschap met Christus, Gal. 2:19, is hij door die dood ook weer opgestaan, is hij innerlijk in zijn wil, in zijn innerlijke gezindheid herboren, zodat Paulus nu een scherp onderscheid kan maken tussen het centrum en de periferie van zijn wezen. Innerlijk, naar zijn wil, naar zijn inwendige mens heeft hij Gods wet lief, maar in zijn leden woont een andere macht en een andere wet, nl. de zonde. Zulk een diep onderscheid wordt in de Schrift nergens bij de onwedergeborene aangenomen. Bij deze is er wel een kennis van God en van de wet en ook een van nature doen van de dingen, die van de wet zijn, Rom. 1:19; 2:14-15, d.i. dus een strijd tussen rede en zinnelijkheid, geweten en lust, verstand en hart; maar een strijd tussen vlees en geest, zoals Paulus die hier tekent, is er alleen bij de wedergeborenen, Gal. 5:17; alleen zij kunnen zeggen, de wet van God lief te hebben, haar goed te keuren, haar te willen met heel hun hart.

3ø Ofschoon Paulus als wedergeborene zichzelf nog noemt sarkikov, pepramenov upo thn amartian, hij zegt daarmee toch niet, dat hij en sarki is, Rom 8:8-9, of kata sarka wandelt, 8:1, want hij noemt zich alleen zo, omdat hij vanwege de in zijn leden wonende zonde niet doen kan wat hij wil, en dus door die wet van de zonde in zijn leden gevangen gehouden wordt. Ofschoon ellendig, omdat hij met het vlees de wet van de zonde dient, toch dankt hij God door Jezus Christus en dient hij met zijn nouv de wet Gods, vs. 26; en het is juist dit laatste, wat in Rom. 8 nader uitgewerkt wordt. In Christus is hij rechtvaardig en wandelt hij naar de Geest.

4ø Daarbij komt nog, dat, indien Rom. 7:14v. van de onwedergeborene was te verstaan, de wedergeboorte zelf onnodig, een helpende genade voldoende zou wezen en heel de leer van de Schrift over zonde en genade, over rechtvaardigmaking en heiligmaking, over geloof en bekering omvergeworpen zou worden. Veeleer is Rom. 7:7-25 een sterk bewijs voor de algehele bedorvenheid van de menselijke natuur; want indien de wedergeborene nog zo heeft te klagen over de macht van de zonde, die in hem woont, dan is de onwedergeborene geheel en al, zonder het te weten, een dienstknecht van de zonde, zijnde in het vlees en wandelend naar het vlees; en het bedenken van dat vlees is vijandschap tegen God.

1 Pfanner, Theol. gentium IX i. Bretschneider, Dogm. II4 16. R. Schneider, Christl, Klänge aus de Gr. u Rum. Klassikern.2 Leipzig 1877 bl. 121v. Lamennais, Essai sur l’ indifférence III 393-408. Hettinger, Apol. d. Christ, III7 30. 412. Weisz, Apol. d. Chr. I 487v. II 38v.

2 Schulfz, Altt. Theol.4 670v.

3 Tholuck, Römer5 1856 bl. 333-369. M. R. Engel, Der Kampf um Römer Kap. 7. Gotha 1902. Over Kohlbrugge zie men: J. van Lonkhuijzen, H. F. Kohlbrugge en zijn prediking 1905 bl. 363 v.

4 Dr. Gerretsen, in zijn Rechtvaardigmaking bij Paulus 1905 bl. 78-92 sprekende over Rom. 7:7-13, zegt wel terecht, dat deze pericoop de individuele parallel van Rom. 5: 12v. is en het ontstaan van de zonde in de individu beschrijft. Maar dit mag niet zo worden verstaan, dat de zonde oorspronkelijlk in de mens, zolang hij zonder de wet leeft, vóór de ontwaking van het zedelijk bewustzijn, hoegenaamd geen plaats inneemt en nog geheel buiten hem staat. Integendeel de objectieve macht van de zonde kan daarom juist, door middel van de wet, bij de individuele mens de begeerlijkheid opwekken en door hem bovenmate zondigende worden, omdat hij zelf van nature vleselijk is en de begeerlijkheid dus van de aanvang af, zij het ook sluimerend en onbewust, in hem aanwezig is. Daarom is het ook niet juist, om, na de eerste zondeval in Adam, nog bij ieder mens afzonderlijk van een tweede zondeval te spreken.

x
This website is using cookies. Accept