Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

32. Maar een nog grotere verandering kwam er in den vorm van de dogmatiek door de invloed van de wijsbegeerte. Vooral hierin komt dit uit, dat de eigenlijke materiële dogmatiek hoe langer hoe armer werd, en de pars formalis in omvang en uitgebreidheid steeds toenam. Tot dusver was het heel anders; de prolegomena ontbraken geheel, of waren klein van omvang en handelden hoogstens over theologie en Schrift; alle kracht werd gewijd aan de uitwerking en verdediging van de bijzondere dogmata. Het fundament lag zo vast, dat het heel niet werd onderzocht; alle arbeid werd besteed aan het gebouw, dat op die grondslag werd opgetrokken. Dit veranderde door de filosofie, door de rechten, die de rede allengs tegenover de openbaring zich aanmatigde. Zij was niet langer tevreden met de bescheiden rol van dienares, en verlangde een stem in het kapittel. In de pars materialis had dit tot gevolg, dat alle scholastieke bewerking der dogmata zoveel mogelijk werd vermeden; men gaat van de belijdenis tot de Schrift terug en huldigt de historische, bijbelse methode; de dogmata worden vereenvoudigd en afgeslepen en verliezen het kenmerkende; al het diepere indenken van de dogmata wordt gebannen; de eenvoud wordt oppervlakkigheid. Maar nog groter was de invloed op het formele deel der dogmatiek. Men verliet hier het reformatorische uitgangspunt van het geloof en keerde tot dát van de Roomse theologie terug. Vooreerst meende men, dat de menselijke rede, ook buiten het geloof, al de waarheden der theol. naturalis uit zichzelve kon voortbrengen; de theol. naturalis ging als praeambula fidei aan de theol. revelata vooraf, de rede werd van het geloof, van de openbaring geëmancipeerd, beide stonden zelfstandig naast elkaar. S. van Til behandelde ze beide afzonderlijk in zijn Theologiae utriusque compendium, cum naturalis cum revelatae 1706. Vervolgens kreeg de rede niet alleen een eigen terrein naast de openbaring, maar strekte ze haar macht ook over die openbaring zelf uit. Aan haar werd het recht toegekend, om de waarheid der openbaring te onderzoeken. In de theologia naturalis stond men op vaste grondslag, op een zuiver wetenschappelijke basis; van dit standpunt uit werd ook de openbaring onderzocht, en als dan de rede door allerlei rationele en historische bewijzen, als zovele motiva credibilitatis, de waarheid der openbaring had aangetoond, was het immers redelijk, die openbaring te geloven en zich aan haar te onderwerpen. Zo werden de prolegomena al meer uitgebreid. Eerst wordt gehandeld over de religie als onderscheiden van de theologie; daarna over de theol. naturalis en de natuurlijke, of redewaarheden; vervolgens over de openbaring, wier mogelijkheid, noodzakelijkheid en werkelijkheid breedvoerig wordt aangetoond; en eindelijk over de H. Schrift, wier waarheid door allerlei historische, critische, rationele bewijzen wordt gestaafd. En pas na die lange weg komt men toe aan de eigenlijke dogmatiek, die er zo sober en zo eenvoudig mogelijk uitziet. Heel het standpunt is veranderd; het uitgangspunt is niet meer het geloof maar de rede. Wat wonder, dat deze in het deïsme en rationalisme heel de openbaring ontkent, een openbaring, die immers toch niets nieuws geeft en geheel overbodig is. Deze orde van behandeling is wezenlijk eigen aan de scholastieke en Roomse theologie. De Socinianen zijn dit rationalistisch standpunt nooit te boven gekomen1. En de Remonstranten zijn weer tot deze methode teruggekeerd. Limborch, Theol. Christ. spreekt in cap. 1 de theologia ac religione, in cap. 2 de existentia Dei en dan in cap. 3 v. over de H. Schrift. Episcopius breidt in zijne Instit. Theol. deze inleidende stof nog uit, spreekt eerst zelfs over de vereisten van de theoloog, en dan over het praktische karakter van de theologie, de theol. naturalis, de religie, de openbaring en de H. Schrift. Langzamerhand drong deze uitbreiding der prolegomena ook in de orthodoxe dogmatiek door. De indeling van de dogmatiek in twee delen: de fide en de operibus brengt er Amesius en Mastricht toe, om in de aanvang na theologie en Schrift ook de natuur van het geloof te bespreken; Marck en Moor spreken in het derde hoofdstuk over den godsdienst; Brakel begint met een hoofdstuk over de theol. naturalis. Er is dus veel verschil en verwarring over wat in de inleiding thuis behoort. Maar langzamerhand begint er in de 18e eeuw een reeks van onderwerpen voor de inleiding vast te staan als theologie, natuurlijke Godskennis, openbaring, Schrift; bijv. bij J. A. Turretinus, Werenfels, Osterwald, Buurt en alle theologen van rationalistische en supranaturalistische richting.

1 Fock, Der Socin. bl. 291 v.

x
This website is using cookies. Accept