Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

324. Gevolg van het peccatum originans is het peccatum originatum. Omdat allen in Adam als zondaren gerekend worden, worden zij ook allen uit hem in zondige toestand geboren. De erfsmet is een straf voor de erfschuld. Onder dit gezichtspunt is de erfzonde het eerst beschouwd door Augustinus, wat een krachtig protest uitlokte van de zijde van de Pelagianen1, evenals later van de Remonstanten2. Maar de Schrift spreekt menigmaal in die geest en ziet in volgende zonden een straf voor de vorige, 2 Sam. 12:11, 12, 1 Kon. 11:11-31, 22:30, Jes. 6:9-10; 7:17; 10:5-7, 14:3, Jer. 50:6-8, Rom. 1:24-28; 2 Thess. 2:11-12 enz. Ook de zonden staan onder Gods bestuur; de wetten en ordinantiën, die voor het leven van de zonde gelden, zijn door God vastgesteld en worden door Hem gehandhaafd. En onder die wetten behoort ook deze: Das eben ist der Fluch der bösen That, dass sie fortwährend Böses muss gebähren. De zonde heeft die natuur dat zij de zondaar hoe langer hoe meer verdwaast en verhardt, steeds vaster in haar strikken verwart en steeds sneller langs een hellend vlak naar de afgrond voortstuwt. Het is waar, dat zonde op zichzelf beschouwd nooit straf van de zonde kan zijn, want beide verschillen wezenlijk en staan tegenover elkaar; zonde komt op uit de wil en straf ondergaat iemand tegen zijn wil; zonde is overtreding, straf is handhaving van de wet; straf heeft God tot auteur, maar zonde niet. Maar toch mag volgende zonde een straf van de vorige heten, omdat zij de zondaar nog verder van God verwijdert, ellendiger maakt en aan allerlei begeerlijkheid en hartstocht, angst en wroeging overgeeft3.

Naar deze wet is bij Adam en al zijn nakomelingen op de zondige daad e4en zondige toestand gevolgd. De Pelagianen stellen het zo voor, dat een of andere wilsdaad hoegenaamd geen gevolgen nalaat; de wil, die het een ogenblik het kwade deed, kan terstond daarop, indien het hem lust, weer het goede doen; de wil heeft en krijgt bij hen nooit een vaste natuur, een bepaald karakter, hij is en blijft neutraal, indifferent, zonder innerlijke neiging, altijd tussen tegengestelde dingen in geplaatst, en met onberekenbare willekeur nu eens naar de ene, dan naar de andere kant zich richtende. Maar zulk een voorstelling vindt weerspraak van alle zijden. Er had bij Adam en Eva, toen zij Gods gebod overtraden, een grote zedelijke verandering plaats; schaamte en vreze voor God maakte zich van hen meester; de rust, de vrede, de onschuld was weg, zij verborgen zich voor God in het geboomte van de hof, en wierpen de schuld op elkaar; Kaïn maakte zich schuldig aan broedermoord; en straks zag de Heere, dat de boosheid van de mens menigvuldig was op de aarde, dat al het gedichtsel van de gedachten zijns harten boos was van van de jeugd aan. Bij Adams overtreding neemt een ontzettende degeneratie van het menselijk geslacht haar aanvang. Wij staan hier voor een schrikkelijke werkelijkheid, waarvan de verklaring ons ontgaat. Hoe is het mogelijk, dat één enkele zondige daad zulke ontzettende gevolgen had en een radikale omkeer bracht in heel de menselijke natuur?

In het algemeen kan al opgemerkt worden, dat de verhouding tussen een daad en haar gevolgen ons telkens in het leven zeer onevenredig voorkomt. Een uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit. Een kleine vergissing, een enkele misstap geeft aan het leven van vele mensen een geheel andere richting; kleine onbetekenende voorvallen werken tot in geslachten door; van een zogenaamd toeval hangt menigmaal ons geluk of ongeluk af. De éne overtreding van Adam bracht een algehele verandering in de overleggingen, gezindheden en neigingen van zijn natuur. Immers, de ervaring leert, dat alwat een mens doet, in meerder of minder mate op hemzelf terugwerkt en een spoor in zijn karakter achterlaat. In de grond van de zaak is niets onverschillig en niets gaat spoorloos aan ons voorbij. Elke wilsdaad, opkomende uit voorafgaande neigingen en begeerten, werkt op deze terug en versterkt ze. Iedere zonde kan op die wijze tot een hebbelijkheid, een neiging, een hartstocht worden, die over de mens heerst als een tiran. Een mens is veranderlijk, buitengewoon vorm- en plooibaar; hij schikt zich naar alle gelegenheden, hij past zich aan bij elk milieu, hij went aan alles en gaat overal naar staan. Wie de zonde doet, wordt terstond een dienstknecht van de zonde. Een misdaad, een leugen, een diefstal, een moord is nooit voorbij met het ogenblik, waarin zij gepleegd worden. Zo heeft ook, maar in veel sterker mate, de ongehoorzaamheid van Adam heel zijn natuur veranderd.

Bovendien, zijn overtreding had niet alleen een uit-, maar ook een inwendige zijde. Het is niet zo, dat de zondige daad van Adam, bestaande in het eten van de verboden,vrucht, eensklaps geschiedde zonder enige voorbereiding en eerst daarna allerlei zedelijke veranderingen in zijn natuur ten gevolge had. Op die wijze staan bij Adam schuld en smet niet tot elkaar in verband. De daad van het eten was zelf reeds openbaring van een gehele zedelijke verandering, die er in het binnenste had plaats gehad. Strikt genomen was zij niet de eerste zonde, maar de eerste voldragen zonde in de zin van Jak. 1:15. Aan de zondige daad gingen zondige overleggingen van het verstand (twijfel, ongeloof) en zondige neigingen van het hart (begeerlijkheid, hoogmoed) vooraf, welke haar aanleiding hadden in de verzoeking van de slang en gekweekt werden door de wil van de mens. Zowel vóór als onder en na het eten van de verboden boom werd de verhouding van de mens tot God en zijn wet veranderd. Hij werd niet eerst het een en daarna het andere, maar tegelijkertijd en in verband met elkaar, beide schuldig en onrein voor het aangezicht van zijn Maker. Schuld en smet zijn beide gelijktijdige gevolgen van de éne zelfde zonde, twee zijden van dezelfde zaak. Eindelijk, de verandering, die bij Adam intrad, bestond niet daarin, dat er enig zondig beginsel in hem ingeplant of enig bestanddeel van zijn wezen, van zijn ziel of lichaam, van zijn vermogens of krachten hem ontnomen werd. Maar zij bestond hierin, dat de mens door zijn twijfel en ongeloof, door zijn hoogmoed en begeerlijkheid en eindelijk door de zondige daad zelf steeds meer van God en van zijn wet zich losmaakte, zich buiten zijn gunst en gemeenschap stelde en al zijn gaven en krachten juist tegen God en zijn gebod gebruiken ging. En dan als dit geschiedt, als de mens buiten Gods gemeenschap en buiten Gods wet zich stelt, dan treedt de zondige toestand vanzelf in, zouals de duisternis intreedt, wanneer het licht verdwijnt. Fieri nequit quin maxime sese amet creatura, quam non absorpserit amor Dei (Melanchton). De mens, zich onttrekkende aan de gemeenschap Gods, in welke hij geschapen werd, is niet anders denkbaar dan als een zondaar, schuldig en verdorven voor zijn aangezicht.

Diezelfde religieuze en ethische verandering, welke bij Adam plaatsgreep onder en bij zijn val, is ook het deel van al zijn nakomelingen. Dezen worden allen in diezelfde zedelijke toestand geboren, als waarin Adam viel door zijn overtreding. Dit feit is haast voor geen ontkenning vatbaar. De Schrift leert het niet alleen, maar ervaring en geschiedenis bewijzen het dag aan dag. Indien iets zeker is, dan is het wel dit, dat mensen niet als rechtvaardigen en heiligen, maar als zondaren ontvangen en geboren worden. Dat wijst erop, dat zij één schuld met Adam gemeen hebben, want schuld en smet gaan in de zonde altijd samen. Twee uitersten zijn hier te vermijden. Aan de een zijde wordt door sommigen geleerd, dat er bij Adam van geen zondige overlegging en begeerte vóór de daad van het eten van de verboden vrucht sprake kan zijn, want het begeren daarnaar was geen zonde, doch slechts de natuurlijke werking van zijn lichamelijke neigingen. Als hij dat begeren weerstaan had, zou hij van alle zonde vrij zijn gebleven. De zonde van Adam lag dus enkel en alleen in de daad van het eten, not in the inward state, but in the outward act4. Maar hier is tegen dat Gen. 3 ons duidelijk doet zien, hoe de slang langzamerhand twijfel, ongeloof en begeerlijkheid weet op te wekken in het hart van de vrouw. In de Christelijke theologie werd er daarom steeds op gewezen, dat de eerste zonde in het bewustzijn ontstond en door allerlei overleggingen en neigingen zich voltooide in de daad5. Wanneer deze daad geheel uitwendig wordt opgevat en van alwat innerlijk voorviel wordt losgemaakt, dan schijnt de consequentie ook te eisen, dat de rechtvaardigmaking door het geloof niet alleen vooraf gaat aan, maar ook los komt te staan naast de wedergeboorte; althans Jones verklaart dat an unregenerate man can believe, en dat de Schrift daarom ook zegt, dat God de goddeloze rechtvaardigt. Sinless man can sin— that is the mystery of the fall; an ungodly man can believe —that is the mystery of the rise6.

Aan de andere zijde is het evenmin juist, om uit het feit, dat schuld en smet in de zonde steeds samengaan, het besluit te trekken, dat de smet eigenlijk aan de schuld voorafgaat. Edwards kwam hier reeds ten dele toe, omdat hij de zondige daad van Adam uit de vooraf ontstane zondige neiging trachtte af te leiden, en voor de laatste weer een aanleiding zocht in de natuurlijke principes van de lagere natuur van de mens7. Maar het geschiedde beslist en onomwonden in de school van Saumur, door Placaeus en al de voorstanders van een middellijke toerekening van Adams zonde8. Deze voorstelling stuit echter op de ernstige bezwaren, dat er dan geen grond bestaat, waarom de nakomelingen van Adam onrein geboren worden; dat er voorts een zedelijke onreinheid zou bestaan, die geen schuld is; en dat de mens eerst persoonlijk zondaar zou worden, door met een wilsdaad in die onreine neiging in te stemmen. Daartegenover hebben de Gereformeerden steeds staande gehouden, dat er een objectieve grond moet bestaan, waarom alle nakomelingen van Adam schuldig en onrein geboren worden, en dat die grond geen andere kan zijn, dan dat zij op een of andere wijze in Adam zelf schuldig stonden. Sommigen hebben dit meer realistisch, anderen meer foederalistisch zoeken te verklaren, maar in beide gevallen is Adams overtreding de zonde van al zijn nakomelingen. Op grond daarvan, dat zij in Adam, hetzij als caput naturale hetzij als caput foederale, begrepen waren, zijn zij door God schuldig verklaard. Er gaat een krima van God, als Rechter, over één mens en één overtreding vooraf, en dit krima behelsde het katakrima, het vonnis, dat niet alleen Adam maar ook al zijn nakomelingen, schuldig, onrein en des doods waardig waren, Rom. 5:16. De geboorte in deze toestand van schuld, onreinheid en verderf is de uitvoering van het vonnis, dat door God over Adams overtreding is geveld. Gelijk hij zelf door zijn overtreding terstond met schuld beladen, door de smet verontreinigd en aan de dood onderworpen werd, zo heeft dit krachtens het oordeel van God ook bij al zijn nakomelingen plaats. Schuld, smet en dood staan bij Adams nakomelingen in dezelfde verhouding als bij hemzelf en zijn zo, in dat onderling verband, tot allen doorgegaan.

1 Augustinus, c. Jul. V 3.

2 In hun Apol. Conf. VII 4.

3 Lombardus, Sent. II dist. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 87 art. 2 qu. 75 art. 4 qu. 84 art. 1-4 Gerhard, Loc. VI c. 10 n. 140. Turretinus, Theol. El. IX 15. Spanheim, Op. III 1268-1270. De Moor, III 332-335. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 71, 2. Müller, Sünde II 589v. Frank, Chr. Wahrh. I 489. Christ, Die sittl. Weltordnung bl. 59.

4 J. Cynddylan Jones, Primeval Revelation, Studies in Gen. I-VIII. London 1897 bl. 253v.

5 Zie bijv. Marck, Historia Paradisi bl. 526v.

6 Jones, t.a.p. 256. 257.

7 Ridderbos, t.a.p. 171v.

8 Zie Deel III; Hoofdstuk 6; Par. 42 De Verbreiding van de Zonde; 322. Verg. ook Shedd, Dogm. Theol. II 170.

x
This website is using cookies. Accept