Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

332. Ofschoon de zonde altijd één is in beginsel en wezen en steeds in anomia bestaat, zijn er in haar openbaringen en werkingen zeer verschillende graden. Allereerst is er een groot onderscheid tussen de duivelse en de menselijke zonde. In het Oude Testament vinden wij nog geen ontwikkelde demonologie. Dat er in Gen. 3 een boze, geestelijke macht optreedt, weten wij eerst uit het Nieuwe Testament; de Myryes Lev. 17:7 2 Kron. 11:15, Jes. 13:21, 34:14, Mydx Deut. 32:17, Ps. 106:27, tylyl Jes. 34:14, en hqwle Spr. 30:15 zijn zeker niet als elementen van de openbaring te beschouwen1; en dat er bij lzaze Lev. 16, aan een boze geest moet worden gedacht, is onbewijsbaar2. Van boze geesten is er alleen sprake in 1 Sam. 16:14-23 en 1 Kon. 22:19v., en van Satan in Job 1; 1 Kron. 21:1; Zach. 3. De scheiding tussen goede en kwade engelen is nog niet voltrokken; de boze geest gaat nog van God uit, Satan bevindt zich nog onder de zonen van God; eerst langzamerhand wordt de tegenstelling scherper. Het woord satan betekent wederpartijder en kan op zichzelf een goede zin hebben; het komt voor van menselijke tegenstanders, 1 Sam. 29:4, 1 Kon. 5:4; 11:14; 23:25 [???], van hindernissen op de weg, 2 Sam. 19:23, van een menselijk aanklager, Ps. 109:6, 20, 29, zelfs van de Malak des Heere, die Bileam in de weg treedt, Num. 22:22, 32. Maar toch wordt Satan in het Oude Testament al gedacht als een wezen, dat vijandig tegen God en zijn volk overstaat. En als de openbaring zich voltooit en Christus komt, om de werken van de duivel te verbreken, dan worden ook de bayh tou satana openbaar.

Het Nieuwe Testament doet ons een basileia Matt. 12:26, Mark. 3:24, Luk. 11: 17-18, kennen van boze geesten, welke de antitese vormt van Christus en zijn rijk. Aan het hoofd staat Satan, met verschillende namen genoemd, diabolov, satanav, ecyrov, Matt. 13:39, Luk. 10:19, kathgwr, Op. 12:10, beliar (syr. voor belial, nietswaardigheid), ponhrov, Matt. 13:19, Ef. 6:16, 2 Thess. 3:3, 1 Joh. 2:13-14; 3:12; 5:18, beelzeboul (lett. heer der woning, maar waarschijnlijk ontstaan uit beelzeboub, vliegengod3, Matt. 10:25, arcwn twn daimoniwn, Matt. 9:34, arcwn thv exousiav tou aerov, Ef. 2:2, arcwn tou kosmou, Joh. 12:31, o yeov tou aiwnov toutou, 2 Cor. 4:4, o drakwn o megav, o ofiv o arcaiov, Op. 12:9, 20:2 enz. En onder hem staan vele daimonia, daimonev, pneumata ponhra, akayarta, pneumatika thv ponhriav, die weer in allerlei klassen en rangen onderscheiden zijn, 1 Cor. 15:21, Ef. 6:12, Col. 2:15, Jud. 6, ook in boosheid de een nog de ander overtreffen, Matt. 12:45, Luk. 11:26, en samen Satans aggeloi zijn, Matt. 25:41, 2 Cor. 12:7, Op. 12:7, 94. Al is er zo onder hen nog enig verschil in sterkte en boosheid, alle te zamen worden zij toch als door en door bedorven voorgesteld. Zij zijn altijd en overal de tegenstanders van God, de verstoorders van zijn rijk, de bestrijders van Christus, de verleiders van de mensen, de aanklagers van Gods kinderen; zij leven in de zonden als in hun element. Nooit komen zij voor als object van Gods liefde, ofschoon ze zijn schepselen zijn; Christus heeft hun natuur niet aangenomen; voorwerp van onze liefde, van onze voorbede mogen zij niet zijn; er is voor hen geen hoop op herstel en behoud.

Er is in het wezen en begrip van de duivelen iets volkomen onbegrijpelijks. Wir können des absolute böse Wesen immer nur unter der Bedingung denken, dass wir entweder an der absoluten Bosheit oder an der wahren Existenz etwas fehlen lassen5. Absoluut boos kunnen zij niet zijn, want zij zijn schepselen van God en dus als zodanig goed; en toch zijn zij alleen voorwerp van Gods haat en van zijn eeuwige toorn. Om deze onbegrijpelijkheid van de natuur van de duivelen hebben velen hun bestaan ontkend, en hen voor zielen van gestorven mensen of voor personificaties van onze boze zonden of voor onpersoonlijke principia van het kwade gehouden6. Maar de realiteit van Satan en zijn engelen is door de Schrift buiten twijfel gesteld; aan accommodatie valt er in het minst niet te denken; Jezus heeft zich in een zeer gewichtig punt van de religie geheel en al vergist of het is zo, als Hij heeft gezegd7. En de leer van Satan is voor heel de Christelijke leer ook verre van onverschillig. Zij is van waarde tegenover het Manicheïsme, want Satan is geen oorspronkelijk wezen maar een gevallen engel; tegenover het Pelagianisme, want Satan is door één wilsbeslissing geheel en al bedorven; tegenover de opvatting van de zonde als zwakheid en zinlijkheid, want Satan is een hoge, heerlijke, rijke geest; tegenover de mening, dat de zonde een voorbijgaand moment in de ontwikkeling is, want Satan blijft Satan en wordt nimmer hersteld; tegenover de verlaging van de mens tot een duivel, want Satan is uit zichzelf ten val gekomen, de mens werd door hem verleid, is niet unschuldig maar ook niet urschuldig; tegenover de opvatting van de verzoening als een ethisch proces, want Christus is gekomen, om de werken van de duivel te verbreken. Het geloof aan Satans bestaan is geen element van het zaligmakend geloof in Christus; maar het hangt er toch wel mee samen. Er ligt waarheid in het: nullus diabolus, nullus redemptor! Indien er geen zonde was, zou er geen verlosser zijn, en de ernst van de zonde komt juist in de leer van Satan het duidelijkst uit8.

Uit alles, wat de Schrift van de engelen getuigt, blijkt toch, dat het zedelijk leven bij hen een ander karakter draagt dan bij de mensen. Mensen zijn op ieder terrein en zo ook in het zedelijke, aan ontwikkeling onderworpen; zij worden klein geboren, in kennis, kracht, deugd of ondeugd, en groeien in dit alles langzamerhand op. Maar zo is het bij de engelen niet. Zij zijn allen tegelijk met elkaar en volwassen geschapen; degenen, die staande bleven, werden in eens bevestigd in het goede, en zij, die vielen, werden terstond verhard en voleind in het kwade. Satan is niet verleid, maar hij bracht de leugen, de zonde uit zichzelf voort, Joh. 8:44, en is daarin ineens verstokt geworden. De aard van zijn zonde is zo, dat hij voor geen berouw meer vatbaar is; van een zedelijk bewustzijn, van een geweten is bij hem geen sprake; hij leeft van de haat. Der eigentlich satanische Charakter besteht in einem Hass alles dessen, was über ihm und bloss weil es über ihm ist (Baader). De zonde ook in de duivelen is geen materia, maar forma; er is geen summum malum, gelijk er een summum bonum is; maar de forma van de zonde is met de engelennatuur zo één geworden, dat er geen scheiding meer mogelijk is. Het is zeker al te stout, om te beweren, dat de gevallen engelen ook voor Gods almacht onverlosbaar zijn; en beter is het, hier in Gods welbehagen te rusten9. Maar toch blijkt genoeg, dat dat welbehagen geen willekeur is. Hier op aarde is er reeds onder mensen een zonde, die onvergefelijk is, nl. de lastering tegen de Heilige Geest; met de dood, d.i. met die eigenaardige bedeling, waarin wij hier op aarde leven, houdt de vergeving aller zonden op; de aard van de zonde snijdt bij de gevallen engelen de weg van de verlossing af. Waarbij dan nog komt, dat de engelen niet zijn één geslacht. Mensen konden vallen en zijn gevallen in één; en zij kunnen gered worden en worden gered in één. Maar de duivelen zijn niet in één, niet in een ander, maar ieder voor zich en hoofd voor hoofd gevallen; er was onder hen geen foedus operum, en daarom is er ook voor geen foedus gratiae plaats. De satanische zonde is dus bij alle overeenkomst toch in oorsprong, natuur, gevolgen een geheel andere dan de menselijke. Zij draagt een absoluut karakter, Satan is de hoogste openbaring van het kwaad. Daarom wordt hij in de Schrift met zo machtige, hoge namen als overste van de wereld, god van deze eeuw enz. genoemd. Maar daarom is ook de overwinning van Satan de volkomen triomf van de zonde. God heeft haar in Satan alle gelegenheid gegeven, om te tonen, wat zij is en vermag. Het hoogste en beste, het edelste en grootste in Gods schepping heeft zij zich dienstbaar gemaakt. En toch blijkt zij tenslotte in de strijd van macht tegen recht onmachtig te zijn. Es ist der Charakter des Bösen, dass es immer mit Energie anfängt und mit Schwäche aufhört (Baader). De zonde is niet, zij wil zijn; zij heeft geen waarachtige realiteit en komt daar nooit toe; zij is leugen in haar oorsprong en leugen in haar einde. En daarom is Satan tenslotte met al zijn macht aan Gods verheerlijking dienstbaar. Luzifer ist, kann man sagen, durch die Probe inne geworden, dass nichts wahrhaft ist als Gott. Darum ist Luzifer so gut ein Beweis Gottes als ein Engel. Wenn der Gute beweist, dass Gott ist, so beweist der Böse, dass nur Gott ist (Baader)10.

1 Het geloof aan boze geesten treffen wij bij alle volken aan. Gelijk in het algemeen alle natuurverschijnselen worden gepersonificeerd (animisme), zo worde inzonderheid rampen en ongevallen, aardbeving, storm, bliksem, brand, ongeluk, ziekte enz. aan boze geesten toegeschreven; dit bijgeloof leidde dan altijd weer, tot magie, d.i. tot de kunst, om door speciale woorden of handelingen de bovennatuurlijke, persoonlijke geesten tot het bewerken van enig goed, of tot het wezen van enig kwaad te bewegen. Vooral in Babel bloeide deze superstitie, die dan nog verder tot de oude, sumerische cultuur teruggaat, O. Weber, Dämonenbeschwörung bei den Babyl. u. Assyr. Leipzig 1906. Fr. Jeremias, bij de la Saussaye, Lehrbuch der Rel. I3 246 v. 261. 309; maar verder bij alle volken; in Egypte, A. Wiedemann, Magie und Zauberei im alten Aegypten. Leipzig 1905; Lange bij de la Saussaye t.a.p. I 238; bij de Arabieren, Wellhausen, Reste arab. Heidenthums 1887 bl. 135v. Robertson Smith, Die Religion der Semiten 1899 bl. 85v.; bij de Joden zelf, Weber, Syst. der alt syn. pal. Theol. bl. 242v. Schürer, Gesch. des jüd. Volkes III3 294 v. Baudissin, art. Feldgeister in PRE3 VI 1-23 enz. Ofschoon bijgeloof en toverij ook onder het Israëlietische volk een grote rol speelden, kwam wet en profetie daar telkens ten sterkste tegen op, Lev. 19:31; 20:6, 27; Deut. 18:10-11, Jes. 8:19-20, Jer. 27:9; 29:8-9 enz.

2 Over Azazel, zie art. van Driver in Hastings D. B. 1207.

3 Andere verklaringen bij Eaudissin, in PRE3 II 514-516 en Whitehouse in Hastings D. B. IV 409.

4 Hofmann, Schriftbeweis I2 418v. Sander, Die Lehre der H. Schrift vom Teufel 1858. Oehler, Theol. d. A. T. par. 200. Hahn, Theol. des N. T. 1854 par. 128v. Schwartzkopff, Der Teufels- und Damonenglaube Jesu, Zeits. f. Th. u. K. 1897 bl. 289-330. Holtzmann, Neut. Theol. I. 53v. 167. II 238 v. Weser, Die verschiedenen Auffassungen vom Teufel im N. T., Stud. u. Krit. 1882 bl. 284v. Everling, Die Paul. Angelologie und Dämonologie. Gott. 1888. Art. Dämonen en Dämonische van J. Weiss, en art. Teufel van A. Wünsche in PRE3. H. Duhm, Die bösen Geister im A. T. Tüb. 1904. Art. Devil en Satan in Hastings, D. B. enz.

5 C. J. Nitzsch, Syst. d. Chr. Lehre par. 116. F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. bl. 337.

6 Bekker, Betov. Werelt II c. 20v. Semler, de daemoniacis 1760. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 44. 45. Schelling, Werke II 4 bl. 241v. Rothe, Ethik par. 503. Martensen, Dogm. par. 99v. Strauss, Chr. Gl. II 1v. Biedermann, Dogm bl. 614v. Lipsius, Dogm. par. 521-524. Beyschlag, Neut. Theol. I. 93v. Kaftan, Dogm. par. 38.

7 Gerretsen, De val des mensen bl. 43.

8 Von Oettingen, Luth. Dogm. II 459v.

9 Voetius, Disp. I920. Turretinus, Theol. El. IX 5. 8. Heidegger, Corpus Theol. VIII 49. De Moor, Comm. II 414.

10 Augustinus, de civ. XI en XII. Anselmus, de casu diaboli. Lombardus, Sent. II dist. 2-7. Thomas, S. Theol. 1 qu 63. 64. Petavius, de angelis 1. III. Scheeben, Dogm. II 670. Simar, Dogm. 294. Gerhard, Loc.v. c. 4sect. 10v. Quensfedt, Theol. I 450v. Zanchius,op. III 167-216. Voetius, Disp. I 906v. Daub, Judas Ischarioth. Heid. 1816. Philippi, K. Gl. III 251v. Lange, Dogm. II 559v. Dorner, Chr. Gl. II 188v. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I2 428. Von Oettingen, Luth. Dogm. II 459v. Van Oosterzee, Dogm. par 76. Kuyper, De Engelen Gods bl. 197v. Geesink, Van ‘s Heeren Ordin. 1261v.

x
This website is using cookies. Accept