Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

334. Slechts van één zonde maakt de Heilige Schrift gewag, welke in dit en het toekomende leven onvergefelijk is, nl. de lastering tegen de Heilige Geest. In het Oude Testament is er geen sprake van, ofschoon er in de wet voor de zonden hmr dyb geen zoenoffer ingesteld was, omdat zij de wet zelf teniet deden, Hebr. 10:28. Jezus spreekt er het eerst van, Matt. 12:31, Mark. 3:28, Luk. 12:10. Toen Hij eenmaal een bezetene, die tevens blind en stom was, volkomen genas, werden de scharen door dit wonder zo ontzet, dat zij Jezus erkenden als de Zoon van David, als de Christus. Maar de Farizeën werden daardoor opgevoerd tot een toppunt van haat, die hen zeggen deed, niet alleen dat Hij de duivelen uitwierp door de duivel, maar dat Hij zelf ook van de duivel bezeten was, Mark. 3:22, beelzeboul ecei. Deze beschuldiging werd enkel en alleen ingegeven door de haat, zij sproot uit loutere, bewuste, gewilde vijandschap voort. Dat toont Jezus ook aan, Matt. 12:25-30; een koninkrijk, tegen zichzelf verdeeld, kan niet bestaan, Satan werpt zichzelf niet uit, maar de uitwerping van Satan is een bewijs, dat het koninkrijk Gods tot hen gekomen is, Jezus werpt de duivel uit door de Geest van Gods De tegenstelling tussen Jezus en de Farizeën is hier dus op ‘t sterkst gespannen; zij zeggen, dat Jezus bezeten is, door de duivel zijn wonderen doet, en het rijk van de duivel sticht. En Jezus verklaart, dat Hij de Christus is, dat Hij door de Geest van God de duivel uitwerpt en dat Hij zo het koninkrijk van God tot hen brengt. En in dit verband, naar deze aanleiding spreekt Jezus van de lastering tegen de Heilige Geest als de onvergefelijke zonde. Hetzij men nu denkt, dat de Farizeën in dat ogenblik deze zonde bedreven hadden, hetzij men meent, dit te moeten ontkennen, o.a. omdat de Heilige Geest toen nog niet uitgestort was, Joh. 7:39; altijd maakt het verband toch duidelijk, dat de zonde tegen de Heilige Geest bestaan moet in een bewuste, moedwillige, opzettelijke lastering van de klaar erkende, en toch uit haat en vijandschap aan de duivel toegeschreven openbaring van Gods genade in Christus door de Heilige Geest.

De lastering tegen de Heilige Geest bestaat dus niet in eenvoudig ongeloof, noch in het in het algemeen weerstaan en bedroeven van de Heilige Geest, noch in de loochening van de persoonlijkheid of Godheid van de Heilige Geest, noch in het zondigen tegen beter weten in en ten einde toe, zonder meer. Zij is ook niet een zonde tegen de wet alleen, maar bepaald ook tegen het Evangelie, en wel tegen het Evangelie in zijn duidelijkste openbaring. Er gaat dus veel aan vooraf, objectief een openbaring van Gods genade in Christus, de nabijheid van zijn koninkrijk, een krachtige werking van de Heilige Geest, en subjectief een verlichting en overtuiging van het verstand, zo levendig en krachtig, dat men de waarheid Gods niet loochenen kan, dat men ze als Goddelijk erkennen moet. En dan bestaat zij zelf niet in een twijfelen aan of eenvoudig ontkennen van die waarheid, maar in een loochening, die tegen de overtuiging van het verstand, tegen de verlichting van het geweten, tegen de inspraak van het hart ingaat; in een welbewust, moedwillig en opzettelijk toeschrijven van hetgeen klaar als Gods werk erkend is aan de invloed en de werking van Satan, d.i. in een besliste lastering van de Heilige Geest, in een met moedwil verklaren, dat de Heilige Geest de Geest uit de afgrond, dat de waarheid de leugen, dat Christus Satan zelf ja. Haar wortel is dus de welbewuste, opzettelijke haat tegen God en het als Goddelijk erkende; haar wezen is het zondige in zijn hoogste openbaring, de voltooide, de voleindigde revolutie, het zetten van God op de plaats van Satan en van Satan op de plaats van God; haar karakter is niet menselijk meer, maar demonisch. Al is het ook, dat de duivelen deze zonde in dezen bepaalde vorm niet doen, omdat Gods genade hun niet verschenen is, Christus hun natuur niet aangenomen heeft, de Heilige Geest onder hen niet uitgestort en het koninkrijk Gods niet tot hen gekomen Ja; toch draagt de demonische zonde hetzelfde karakter, dat de lastering tegen de Heilige Geest onder mensen vertoont. Daarom is zij ook onvergefelijk; Gods genade is er wel niet te klein en te machteloos toe; maar er zijn ook in het rijk van de zonde wetten en ordinantiën, die door God erin gelegd zijn en door Hem worden gehandhaafd. En die wet bestaat hier bij deze zonde daarin, dat zij alle berouw uitsluit, het geweten toeschroeit, de zondaar ten enenmale verstokt en verhardt, en in deze weg zijn zonden onvergefelijk maakt.

Behalve in de Evangeliën, is er nergens in de Schrift met rechtstreekse woorden van deze zonde sprake. Maar deze lastering tegen de Heilige Geest kan in verschillende omstandigheden bedreven worden. En zo zegt Hebr. 6:4-8, 10:25-29, verg. Heb. 2:3; 4:1; 12:15-17, dat degenen, die eens verlicht geweest zijn en de hemelse gave gesmaakt hebben en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn en die dan tot het Jodendom terugvallen, de Zoon Gods vertreden en kruisigen en te schande maken, het bloed van het Nieuwe Testament onrein achten en de Geest van de genade smaadheid aandoen, dat dezulke niet weer tot bekering kunnen gebracht worden. En ook getuigt 1 Joh. 5:16, dat er een zonde is, die noodzakelijk krachtens haar natuur tot de dood zonder bekering leidt, en voor welke Johannes niet zegt, d.i. niet gebiedt, dat men bidden zal. Het gebed, zo niet ongeoorloofd, is toch vruchteloos. Waarschijnlijk denkt Johannes hier in verband met heel zijn brief aan de besliste en moedwillige loochening van de Christus als de vleesgeworden Zoon van God. In beide deze plaatsen hebben wij dus te doen met zonden, die de mens volkomen verharden, en dus zelf onvergefelijk zijn. Feitelijk en zakelijk vallen deze met de lastering tegen de Heilige Geest samen1.

1 Van de rijke literatuur over dit onderwerp zij alleen genoemd Thomas, S. Theol. II 2 qu 14 art. 1. Lombardus, en anderen op Sent. II dist. 43. M. Vitringa, Doctr. Chr. II 378. Walch, Bibl. theol. sel. I 88. 254. Schaff, Die Sünde wider den Heilige Geist. Halle 1841. Müller, Sünde II 596 v. Clemen, Die Chr. Lehrev.d. Sünde I 89-100. Von Oettingen, Luth Dogm. II 526v.

x
This website is using cookies. Accept