Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

348. Van een wezenlijk ander karakter was de voorbereiding van het heil in Israël. De samenhang van het foedus gratiae en het foedus naturae, van Israël en de volken mag daarmee niet uit het oog worden verloren. Israël is uit de volken genomen; het was niet anders en niet beter dan andere volken, overtrof hen nog in hardnekkigheid en weerspannigheid en werd alleen uit genade verkoren, Deut. 7:7; 9:13; 32:5v., Jer. 5:23, Ezech. 16:3v., Am. 9:7, Matt. 11:21 v. Ook ligt het eigenaardige van Israëls religie niet daarin, dat er allerlei elementen in voorkomen, die in andere godsdiensten niet worden aangetroffen; integendeel is er niets onder Israël, waarvan niet de analogie ook elders te vinden is; besnijdenis, offerande, gebed, priesterschap, tempel, altaar, ceremoniën, feestdagen, zeden, gewoonten, staatkundige en maatschappelijke wetten enz., komen ook bij andere volken voor, en omgekeerd worden instellingen, die eerst na de val zijn opgekomen, zoals polygamie, slavernij enz. ook bij Israël gevonden. Zelfs theofanie, profetie en wonder hebben in het Heidendom hun analogie en karikatuur1. Het is niet alleen het recht, maar ook de plicht van de Oudtestamentische wetenschap, om dit alles in het licht te stellen.

Toch worden om de verwantschap en samenhang het wezenlijk onderscheid niet over het hoofd gezien. En dat ligt in de genade, de gratia specialis, die aan de Heidenen onbekend was. Al de godsdiensten van de Heidenen zijn eigenwillig en wettelijk. Ze zijn alle nawerkingenen, verbasteringen van het verbroken werkverbond. De mens tracht hier altijd zelf zijn verlossing tot stand te brengen, door reiniging, ascese, boete, offerande, wetsonderhouding, ceremonie enz. Maar dit is alles onder Israël anders2. Dit blijkt terstond daarin, dat de Heere voor Israël van de aanvang af ook Elohim is, de Schepper van hemel en aarde. Zelfs de volgens de nieuwere kritiek oudste stukken spreken dit geloof duidelijk uit, Gen. 2:4, Ex. 20:11. Nooit is de verhouding van God en wereld in Israël anders opgevat, dan als die van Schepper en schepsel3. Met dit éne dogma is in beginsel alle paganisme gebannen; het is de grondslag van de ware, zuivere religie. Deze Schepper van hemel en aarde is voorts ook degene, die de wereld onderhoudt en regeert, en die bepaaldelijk tot Israël vrijwillig en genadig in een bijzondere verhouding is getreden. Israël is uit de volken genomen; Abraham was uit Sem, in wiens geslachten de kennis en dienst van God het langst en het zuiverst werd bewaard. Het verbond met Abraham werd voorbereid in de geschiedenis van Adams dagen af. Israëls religie is opgetrokken op de brede grondslag van de oorspronkelijke religie van de mensheid. Maar toch is het verbond met Abraham een nieuwe en hogere openbaring, die weer geheel en alleen van God uitgaat. Hij neemt bij dit verbond het initiatief. Hij stelt het vast, Hij verkiest Abraham. Door de wondere geboorte van Izaak toont Hij beide Israëls Schepper en Herschepper te zijn. In Israëls religie is het niet de mens, die God, maar God, die de mens zoekt.

Dit verbond met de vaderen blijft, ook als het later bij Sinaï met Israël een andere gedaante aanneemt; het is de grondslag en kern ook van het Sinaietisch verbond, Ex. 2:24, Deut. 7:8. De belofte is door de wet, die later kwam, niet te niet gedaan, Gal. 3:17. Het verbond met Israël was wezenlijk geen ander dan dat met Abraham. Zoals God zich eerst vrijwillig en genadig aan Abraham, zonder enige van zijn verdiensten, geeft tot een schild en loon, tot een God voor hem en zijn zaad, en nu op grond daarvan ook Abraham roept tot een oprechte wandel voor zijn aangezicht, zo is het ook God, die het volk van Israël verkiest, redt uit Egypte, zich aan dat volk verbindt, en nu ook op grond daarvan Israël als volk verplicht, om heilig te zijn en zijn volk te wezen. Het verbond op de Sinaï is en blijft in wezen een genadeverbond. Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb, Ex. 20:2, dat is de aanhef en de grondslag van de wet, dat is het wezen van het genadeverbond. De Heere is Israëls God vóór en afgezien van alle waardigheid van Israël en Hij blijft dat eeuwig. Het is een eeuwig verbond, dat zelfs door geen zonden en ongerechtigheden van Israëls zijde kan vernietigd worden, Deut. 4:31; 32:26v., Richt. 2:1, Ps. 89:1-5 [Ps. 89:1-4], 105:8, 111:5, Jes. 54:10, Rom. 11:1-2; 2 Cor. 1:20.

De weldaden, door God in zijn verbond aan Israël geschonken, zijn dezelfde als die aan Abraham, maar nader uitgewerkt en gespecialiseerd. Reeds Gen. 3:15 bevat in kiem het hele verbond en alle weldaden van de genade. God verbreekt het verbond, door de mens met Satan gesloten, zet vijandschap tussen beide, brengt de mens aan zijn zijde over en belooft hem de zegepraal over de vijandelijke macht. De éne grote belofte aan Abraham is: Ik zal uw God zijn, en gij en uw zaad zult mijn volk zijn, Gen. 17:8. En deze is de hoofdinhoud ook van Gods verbond met Israël. God is Israëls God en Israël is zijn volk, Ex. 19:6, 29:46 enz.; en daarom ontvangt Israël allerlei zegeningen, niet alleen tijdelijke, zoals het land Kanaän, vruchtbaarheid van het huwelijk, een lang leven, voorspoed en welvaart, zege over de vijanden, maar ook geestelijke en eeuwige, zoals het wonen van God onder hen, Ex. 29:45, Lev. 26:12; de vergeving van de zonden, Ex. 20:6, 34:7, Num. 14:18, Deut. 4:31, Ps. 32; 103 enz.; het zoonschap, Ex. 4:22, 19:5-6, 20:2, Deut. 14:1, Jes. 63:16, Am. 3:1-2 enz.; de heiliging, Ex. 19:6, Lev. 11:44, 19:2, enz.. Al deze weldaden worden echter in het Oude Testament niet zo klaar en duidelijk voor ogen gesteld, als in het Nieuwe Testament. Zij zouden dan niet verstaan en in haar geestelijke natuur begrepen zijn. Het natuurlijke is eerst, daarna het geestelijke. Alle geestelijke en eeuwige weIdaden zijn daarom onder Israël ingekleed in zinnelijke vormen. De vergeving van de zonden is gebonden aan offeranden van dieren. Het wonen van God onder Israël is gesymboliseerd in de tempel op Zion. Het zoonschap van Israël heeft in de eerste plaats een theocratische, en de uitdrukking volk van God niet alleen een religieuze, maar ook een nationale betekenis. De heiligmaking in ethische zin is gesymboliseerd in de levietische, ceremoniële reinheid. Het eeuwig leven verbergt zich voor het Israëlietisch bewustzijn in de vormen van een lang leven op aarde. Dwaas was het te menen, dat daarom die weldaden van vergeving en heiligmaking, van wedergeboorte en eeuwig leven ook objectief in de dagen van het Oude Testament niet bestonden. Zij werden wel terdege ook toen geschonken door Christus, die eeuwig dezelfde is. Maar het bewustzijn en het genot van die weldaden was in het Oude Testament lang zo rijk niet, als in de dagen van het Nieuwe Testament. En opdat dit bewustzijn van de vromen allengs in de loop van de tijden voor de rijkdom van Gods weldaden ontsloten zou worden, daartoe nam het verbond van de genade onder Israël zulk een eigenaardige, symbolische gestalte aan. De religie onder Israël sluit zich aan bij de onder alle volken voorkomende godsdienstvormen van offerande, altaar, tempel, priesterschap, ceremoniën enz.; het geestelijke en eeuwige hult zich in het gewaad van het natuurlijke en tijdelijke; God zelf, die Elohim is, Schepper van Hemel en aarde, daalt als Jahveh, als God van het verbond, tot het schepsel af, gaat in de geschiedenis in, neemt menselijke taal en aandoeningen en vormen aan, om zo zichzelf met al zijn geestelijke zegeningen mee te delen aan de mens, en zijn vleeswording, zijn duurzame en eeuwige woning in de mensheid, voor te bereiden. Zelfs zouden wij geen woorden hebben gehad, om het geestelijke te noemen, indien dat geestelijke niet eerst in de vorm van het natuurlijke zich had geopenbaard. Het geestelijke kunnen wij, zinnelijke schepselen, toch nooit anders dan analogisch uitdrukken. Indien daarom het eeuwige niet in het tijdelijke onder ons bereik was gebracht, indien God niet mens was geworden, dan zouden zijn gedachten ons ook niet in onze taal in de Heilige Schrift kunnen zijn meegedeeld. God was dan eeuwig voor ons onkenbaar geweest, en wij hadden altijd van Hem moeten zwijgen.

Gelijk Abraham, als God zich aan hem verbindt, verplicht wordt tot een wandel voor zijn aangezicht, zo wordt ook Israël als volk door het verbond van God vermaand tot ene nieuwe gehoorzaamheid. Heel de wet, welke het genadeverbond bij de Sinaï in dienst neemt, bedoelt, om Israël als volk in de weg van het verbond te doen wandelen. Zij is maar een explicatie van het éne woord tot Abraham: wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht, en daarom evenmin een omverwerping van het genadeverbond en een op richting van het werkverbond, als dit woord, tot Abraham gesproken. De wet van Mozes is daarom niet aan de genade tegengesteld, maar aan haar dienstbaar en wordt zo door Israëls vromen ook telkens verstaan en geprezen. Maar losgemaakt van het genadeverbond, dan was zij inderdaad een letter, die doodt, een bediening van de verdoemenis. Nu nam het genadeverbond in de dagen van het Oude Testament onder andere de wet ook daartoe in dienst, opdat zij het bewustzijn van zonde wekken, de behoefte aan verlossing vermeerderen, de verwachting van een nog rijkere openbaring van Gods genade versterken zou. Van die zijde beziet Paulus vooral de Oudtestamentische bedeling van het genadeverbond. En dan zegt hij, dat Israël, als onmondig kind onder de verzorging van de wet gesteld, naar Christus moest worden heengeleid, Rom. 10:4, Gal. 2:21v., Gal. 4:1v., en dat in verband daarmee de zonde vermeerderd, de onwaarde van de werken voor de rechtvaardigmaking, en de noodzakelijkheid van het geloof zou ingezien worden, Rom. 4:15; 5:20; 7:7v., Rom. 8:3, Gal. 3:19. De wet stond dus enerzijds in dienst van het genadeverbond; zij was niet een verkapt werkverbond, en bedoelde niet, dat de mens door eigen werken zijn rechtvaardigmaking verkrijgen zou. Maar anderzijds bedoelde zij toch, om een hogere, betere bedeling van datzelfde genadeverbond, in welks dienst zij stond, in de volheid van de tijd voor te bereiden. De onmogelijkheid om het Sinaïetisch verbond te houden en aan de eisen van de wet te voldoen, maakte een andere, betere bedeling van het genadeverbond noodzakelijk. Het eeuwig genadeverbond wordt door de onvolkomenheid van de tijdelijke gedaante, welke het onder Israël aannam, geprovoceerd tot ene hogere openbaring. De zonde is meerder geworden, opdat de genade te overvloediger zijn zou. Christus kon niet terstond mens worden na de val en de genade kon zich niet terstond in al haar rijkdom openbaren. Er was voorbereiding en opvoeding nodig. Non decuit aprincipio humani generis ante peccatum Deum incarnari, cum non detur medicina nisi infirmis; nec statim post peccatum, ut homo per peccatum humiliatus recognosceret se liberatore indigere: sed in plenitudine temporis quod ab aeterno disposuit4. De noodzakelijkheid van deze opvoeding en voorbereiding ligt niet objectief in God, alsof Hij veranderlijk was; niet in Christus, alsof Hij niet gister en heden en eeuwig dezelfde was; niet in de geestelijke weldaden, alsof die niet bestonden en eertijds niet door God konden worden meegedeeld. Maar zij ligt subjectief in de gesteldheid van het menselijk geslacht, dat juist als geslacht, behouden moest worden, en daarom langzamerhand voor het heil in Christus moest voorbereid en opgevoed worden5. Daarom is Christus waarlijk het keerpunt van de tijden, het kruis het middelpunt van de wereldgeschiedenis. Eerst wordt alles naar het kruis heengeleid, daarna alles uit het kruis afgeleid.

Als dan ook de volheid van de tijd gekomen is en Christus zijn werk op aarde heeft volbracht, gaat het genadeverbond in een hogere bedeling over. De gelovigen in Israël wisten wel, dat de Sinaïetische bedeling slechts tijdelijk was, en zagen daarom verlangend uit naar de dag van het Nieuwe Verbond. En Jezus en de apostelen, die zo het Oude Testament lazen, zagen daarin hetzelfde genadeverbond met dezelfde weldaden, welke thans ten volle aan het licht traden. Oude en Nieuw Testament zijn in wezen één verbond, Luk. 1:68-79, Hand. 2:39, 3:25: zij hebben één Evangelie, Rom. 1:2, Gal. 3:8, Hebr. 4:2, 6; 2 Tim. 3:15; één Middelaar, nl. Christus, die ook in de dagen van het Oude Testament bestond, Joh. 1:1, 14; 8:58; Rom. 8:3, 2 Cor. 8:9, Gal. 4:4, Phil. 2:6 enz., zijn middelaarsambt bediende, Joh. 8:56, 1 Cor. 10:4, 1 Petr. 1:11, 3:19, Hebr. 13:8, en de enige Middelaar is voor alle mensen en in alle tijden, Joh. 14:6, Hand. 4:12, 1 Tim. 2:5; één geloof als weg ter zaligheid, Matt. 13:17, Hand. 10:43, 15:11, Rom. 4:11, Gal. 3:6, 7, Hebr. 11; dezelfde beloften en weldaden van van God gemeenschap, 2 Cor. 6:16, Op. 21:3, vergeving en rechtvaardigmaking, Hand. 10:43, Rom. 4:22, eeuwig leven, Matt. 22:32, Gal. 3:18, Hebr. 9:15; 11:10 enz. De weg was dezelfde, waarop de gelovigen in Oude en Nieuwe Testament wandelden, maar het licht verschilde, waarbij zij wandelden6. Daarom is er bij de eenheid ook onderscheid. Oude en Nieuwe Testament staan als verschillende bedelingen van hetzelfde genadeverbond tegenover elkaar als belofte en vervulling, Hand. 13:32, Rom. 1:2, als schaduw en lichaam, Col. 2:17, als letter, die doodt, en als Geest, die levend maakt, 2 Cor. 3:6v., als dienstbaarheid en vrijheid, Rom. 8:15, Gal. 4:1v., Gal. 4:22v., Col. 2:20, Hebr.12:18v., als particulier en universeel, Joh. 4:21, Hand. 10:35, 14:16, Gal. 4:4-5; 6:15; Ef. 2:14, 3:6.

Het nieuwe in het Nieuwe Testament is dus het wegvallen van de niet-willekeurige, maar toch tijdelijke, zinnelijke, nationale vormen, waaronder de éne en zelfde genade in de oude dag geopenbaard werd. De nieuwe bedeling neemt in zekere zin al een aanvang, als met de geboorte van Johannes de Doper en van Jezus de Oudtestamentische beloften beginnen vervuld te worden. Toch bleef de oude bedeling nog van kracht tot de dood van Christus toe7. Jezus zelf was Israëliet, vervulde alle gerechtigheid en wendde zich nog alleen tot de verlorene schapen van het huis Israëls. Maar bij zijn dood scheurt het voorhangsel, Matt. 27:51, sterft de testamentmaker, Hebr. 9:15-17, wordt het Nieuwe Testament gegrond in zijn bloed, Matt. 26:28, het handschrift van de wet, dat tegen ons was, uitgewist, Col. 2:14, de middelmuur van het afscheidsel verbroken, Ef. 2:14 enz. Feitelijk mag de oude bedeling nog lang nawerken, rechtens is zij afgeschaft. Of beter nog, afgeschaft is er niets, maar de vrucht is rijp en breekt door de bolster heen; de kerk, die als een kindeke in Israëls moederschoot gedragen werd, wordt tot een eigen zelfstandig leven geboren, en ontvangt in de Heilige Geest een eigen, immanent levensprincipe; de zon van de gerechtigheid is gerezen tot in het zenith van de hemel en schijnt over alle volken heen; wet en profeten zijn vervuld en hebben in Christus als hun einde en doel hun bestemming bereikt. De wet is door Mozes gegeven, maar de genade en waarheid is door Jezus Christus geworden, Joh. 1:14; Hij is de waarheid, Joh. 14:6, het lichaam, Col. 2:17, in wie alle beloften en schaduwen verwezenlijkt zijn. In Hem is alles vervuld. Hij is de ware profeet, priester en koning; de echte knecht des Heeren, het ware ilasthrion, Rom. 3:25, de ware offerande, Ef. 5:2, de ware besnijdenis, Col. 2:11, het ware pascha, 1 Cor. 5:7; en daarom is zijn gemeente het ware zaad van Abraham, het ware Israël, het ware volk van God, Matt. 1:21, Luk. 1:17, Rom. 9:25-26, 2 Cor. 6:16-18, Gal. 3:29, Tit. 2:14, Hebr. 8:8-10, 1 Petr. 2:9, Op. 21:3, de ware tempel van God, 1 Cor. 3:16, 2 Cor. 6:16, Ef. 2:22, 2 Thess. 2:4, Hebr. 8:2, 9, het ware Zion en Jeruzalem, Gal. 4:26, Hebr. 12:22, haar geestelijke offerande de ware godsdienst, Joh. 4:24, Rom. 12:1, Phil. 3:3, 4:18 enz. Er gaat niets van het Oude in het Nieuwe Testament verloren, maar alles wordt vervuld, is voldragen, bereikt zijn wasdom en brengt nu uit het tijdelijke omhulsel de eeuwige kern te voorschijn. Het is niet zo, dat er onder Israël een echte tempel en offerande en priesterschap enz. waren, en dat deze alle thans zijn verdwenen. Neen, veeleer omgekeerd, onder Israël was er van dat alles slechts de schaduw, nu echter is er het lichaam zelf. De dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig8.

1 Schelling, Werke II vbl. 119-151.

2 Verg. ook mijne Wijsbeg. van de Openbaring bl. 159 v.

3 Schultz, Altt. Theol.4 bl. 565.

4 Thomas, S. Theol. III qu. 1 art. 5.

5 Calvijn, Inst. II 11, 13, 14.

6 Calvijn, Comm. op Gal. 3:23.

7 Verg. M. Vitringa, Doctr. VI 292-300: de initio Novi Testamenti.

8 Aan een bespreking en weerlegging van de nieuwere beschouwingen over Israëls godsdienst valt hier niet te denken. Maar toch dient met een enkel woord herinnerd te worden, dat deze volstrekt niet eenstemmig zijn, doch in drieërlei richting uiteenlopen. Velen stellen het zich zo voor, dat de godsdienst van Israël zich op evolutionistische wijze uit polydemonisme door henotheïsme heen tot ethisch monotheïsme ontwikkeld heeft (Wellhausen, Kuenen, Graf, Stade, Guthe, Marti enz.) Anderen trachten het monotheïsme van Israël, evenals tal van verhalen en gebruiken tot Babel te herleiden (Winckler, Fr. Delitzsch, Jeremias, Erbt enz). Doch een niet onaanzienlijke groep van geleerden houdt nog altijd staande, dat de religie van Israël van huis uit sui generis was, en aan een bijzondere openbaring bij de aartsvaders of althans bij Mozes te danken is. Kortheidshalve zij verwezen naar König, Geschichte des Reiches Gottes 1908 bl. 33, en Wildeboer, Het Oude Testament van hist. standpunt toegelicht 1908 bl. 34 v.

x
This website is using cookies. Accept