Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

38. De eerste periode, welke zich van de tweede tot de vierde eeuw uitstrekt, was die van de dogmenvorming en laat ons de dogmatiek nog slechts in haar allereerste aanvang zien. Bij de Apostolische Vaders1 is er eigenlijk van dogma en dogmatiek nog geen sprake. Zij staan nog geheel op het standpunt van een naïef, kinderlijk geloof. Het Christendom was geen vrucht van menselijk onderzoek en nadenken, maar van openbaring en eiste daarom in de eerste plaats geloof. Men trachtte het mondeling en schriftelijk gegeven onderwijs van de apostelen zo goed mogelijk in zich op te nemen en weer te geven. De Bijbelse begrippen van God, van Christus als Heer, van zijn dood en opstanding, van de H. Geest, van geloof, bekering, kerk, doop, avondmaal, ambten, gebed, waken, vasten, aalmoezen, opstanding, leven, onsterfelijkheid enz. worden wel overgenomen, maar niet ingedacht, ontleed en in samenhang met elkaar gebracht. Het Christendom vond, ofschoon niet uitsluitend2, toch meest ingang onder de eenvoudigen en onontwikkelden. Des te meer is al het streven er op gericht, om de Christelijke waarheid om te zetten in het leven en ze praktisch ook in cultus en organisatie van de kerk tot heerschappij te brengen; niet op de gnosis, maar op een heilig leven, op de beoefening van de Christelijke deugden van liefde, zachtmoedigheid, ootmoed, gehoorzaamheid, kuisheid, trouw, vrede, eenheid, enz. wordt de nadruk gelegd. De kring van denkbeelden, waarin men zich beweegt, is daarom ook nog eng; vele Bijbelse begrippen ontbreken geheel, andere worden gewijzigd, verzwakt of ook met denkbeelden, uit Joodse en Heidense kring afkomstig, verward en vermengd. In het algemeen wordt het eigenlijk wezen van het Christendom, in zijn onderscheid van Joden- en Heidendom, nog niet klaar erkend en in elk geval ethisch veel beter dan dogmatisch verstaan. In weerwil van de briefvorm, waarvan de Apostolische Vaders zich meestal evenals de Apostelen bedienden en ofschoon zij zich voor een deel aan dezelfde gemeenten richtten, als waaraan deze laatsten schreven, springt het onderscheid en de afstand tussen beide, zowel in inhoud als in vorm, zeer sterk in het oog. Indertat, das urchristliche Schrifttum ist etwas Besonderes, von der nachfolgenden Literatur durch Sprache und Geist scharf Unterschiedenes. Gerade der Vergleich lehrt uns den Abstand recht einschätzen3. Het in een Heidens milieu gevoede bewustzijn kon de Christelijke gedachten niet zo spoedig in zich opnemen4. Bij deze eenvoudige herhaling en praktische toepassing van de Schriftwaarheid kon echter de theologie niet blijven staan. De tegenstand, die het Christendom langzamerhand van de Heidense cultuur ondervond, dwong tot nadenken en verdediging. In de eerste tijd bepaalde zich de Heidense macht tot vervolging, of tot haat, verachting en spot, gelijk ze door Tacitus en door Lucianus in zijn Peregrinus Proteus worden geuit. Maar langzamerhand moest de Heidense wereld met het Christendom rekenen en valt zij het wetenschappelijk aan. Heinrich Kellner heeft in zijn Hellenismus und Christenthum, Kölln 1866 deze geistige Reaktion des antiken Heidenthumns gegen das Christenthum opzettelijk beschreven, en ten slotte, bl. 431

v. ook op haar verwantschap met de bestrijding van het Christendom in de tegenwoordigen tijd gewezen. De voornaamste wetenschappelijke bestrijders waren Celsus, Porphyrius, Fronto, de vriend van Aurelius en later nog Julianus, die blijkens de weerlegging van Cyrillus, contra Julianum, een boek tegen de Christenen schreef. Al de argumenten, die later alle eeuwen door tegen het Christendom zijn ingebracht, zijn reeds bij hen te vinden, zoals b.v. tegen de echtheid en waarheid van vele Bijbelboeken, de Pentateuch, Daniël, de Evangeliën, tegen de openbaring en de wonderen; tegen verschillende dogmata zoals de menswording, de voldoening, de vergeving, de opstanding, de eeuwigheid van de straf; tegen de moraal, zoals het ascetisme, de wereldverachting, de onbeschaafdheid; om niet te spreken van de lasterlijke beschuldigingen van het aanbidden van een ezelskop, van het plegen van kindermoord, echtbreuk en allerlei onzedelijkheid. Toch heeft ook deze wetenschappelijke bestrijding het Christendom niet overwonnen. En de Heidenen zagen zich gedrongen, om of de ouden godsdienst tot nieuw leven te brengen, zoals het Neopythagoreïsme en Neoplatonisme beproefden, en in het bijzonder de Mithrareligie zich ten doel stelde5, of het Christendom met het Heidendom te vermengen en te verbinden, gelijk dat geschiedde in het Gnosticisme en Manichaeisme. Vooral het Gnosticisme was een machtige poging, om het Christendom in de combinatie en fusie van allerlei Heidense elementen, neoplatonische wijsbegeerte, syrische en phenicische mythologie, chaldeeuwse astrologie, perzisch dualisme, enz. op te nemen en zo van zijn absoluut karakter te ontdoen. De hoofdvraag daarbij was deze, hoe de menselijke geest in de banden van de materie gekomen was en daaruit nu kon worden bevrijd. Gewoonlijk is God in het Gnosticisme de abstracte, onderscheidlooze eenheid. Uit Hem is de materie, de oorzaak van het kwaad, niet te verklaren. Deze wordt afgeleid uit een lagere God, de demiurg, die tussen de hoogste God en de zinnelijke wereld rn itaat en vereenzelvigd wordt met de God van het Oude Testament. Ter verlossing van de in de materie geboeide geesten gaan er uit God verschillende aeonen, die de verschillende godsdiensten vertegenwoordigen en hun hoogtepunt bereiken in de aeon Christus. Het Christendom is dus niet de enige maar de hoogste godsdienst. Christus echter wordt docetisch opgevat, want niet op het feit, de historie, maar op de idee komt het aan. Daarom bestaat de hoogste zaligheid ook in het kennen; kennis met ascese maakt zalig. De pistis, (de theologie) moge goed zijn voor de onontwikkelden; de gnosis, (de filosofie) is het hoogste, zij is het eigendom van de πνευματικοι Deze ideeën werden door allegorische exegese met de Schrift in overeenstemming gebracht, en voorgedragen in vormen en beelden, aan de mythologie ontleend en door de fantasie versierd. Zij veranderden het Christendom in een soort van Religionsfilosofie, van speculatieve filosofie, welke alle eeuwen door, tot in de stelsels van Hegel en Schelling toe, haar invloed geoefend heeft.

Tegenover deze verschillende aanvallen was verdediging nodig. De Christenen werden gedwongen, om over de inhoud van de openbaring na te denken, en een ware, Christelijke gnosis te stellen tegenover de valse. De geopenbaarde waarheid werd daarom nu object van methodisch, wetenschappelijk denken. Er ontstond theologie, niet uit en voor de kerk en ter opleiding van haar dienaren, maar naar aanleiding en ter afwering van de aanvallen, die op het Christendom gericht werden. Natuurlijk was tot zulk een denkende werkzaamheid, kennis van de Heidense filosofie nodig; de theologie ontstond feitelijk met behulp van en door verbinding met de filosofie. De Gnostieken hadden dit ook reeds beproefd, maar er was een wezenlijk verschil in de wijze, waarop de Gnostieken en waarop de Apologeten die verbinding zochten. Dat verschil bestaat niet daarin, dat genen een acute en dezen een allmählige Hellenisirung van het Christendom ondernamen6. Maar bij de Gnostieken ging de positieve, absolute inhoud van de Christelijke religie te loor, bij de Apologeten bleef deze bewaard; bij genen was het gebruik van de filosofie materieel, bij dezen in hoofdzaak formeel; genen werden daarom door de kerk verloochend, dezen erkend; genen stelden de verschillende filosofieën voor als een religieus proces, waarin ook het Christendom werd opgenomen, dezen trachtten aan te tonen, dat de Christelijke religie, die ze erkenden en aannamen de hoogste waarheid was, de ware filosofie, die alle waarheidselementen van elders in zich verenigt. Dit laatste is zelfs de grondgedachte van de Apologeten, en ze werken deze aldus uit: God is één, onuitsprekelijk, geestelijk enz., maar Hij is door de Logos ook schepper van de wereld, laatste oorzaak van al het zijnde en principe van al het zedelijk goede. Het gnostisch dualisme is hier overwonnen; de wereld draagt overal de stempel van de goddelijken Logos, ook de materie is goed en door God geschapen. De mens is oorspronkelijk goed geschapen, ontving rede en vrijheid en werd voor de αθανασια bestemd; deze moest en kon hij bereiken in de weg van de vrije gehoorzaamheid. Maar hij heeft zich laten verleiden door de deamonen en is nu onder de heerschappij van de zinnelijkheid gekomen, aan de dwaling en de dood vervallen. Ook hier is het dualisme vermeden en wordt de oorzaak van de zonde in de wil van de mensen gezocht. Maar daarom zijn er nu nieuwe middelen nodig, om de mens van de weg van de leugen en van de dood terug te brengen en heen te leiden naar de onsterfelijkheid. God openbaarde zich door de Logos van de oudste tijden af, en deelde kennis van de waarheid mee ook wel aan sommige Heidenen, maar vooral aan de profeten onder Israël, en eindelijk in zijnen Zoon Jezus Christus. In Hem is alle vroegere waarheid bevestigd en voltooid. Door Hem als leraar van de waarheid wordt de mens wederom tot zijn bestemming gebracht. De Apologeten zijn dus intellectualistisch en moralistisch; toch ontbreekt b.v. bij Justinus het streven niet, om Christus ook als Verzoener en Verlosser te begrijpen, door wiens bloed wij vergeving van de zonde ontvangen7.

1 O.a. uitgegeven door Gebhardt, Harnack, Zahn, Patrum apost. Opera, Lips. 1875-1877, ed. minor repetita, Lips. 1894. Hilgenfeld, Nov. Test. extra canonern recepturn, ed. sec. Lips. 1884, vertaald door Duker en van Manen, Oud. christ. Letterkunde. Amst. 1871. Funk, Die apost. Väter, Tübingen Mohr 1901. J B. Lightfoot, The Apostolic Fathers, 2 vol. 2 ed. London 1889.

2 James Orr, Neglected factors in the study of the progress of Ohristianity, London, Rodder and Stoughton 1899.

3 Dobschütz, Probleme des apost. Zeitalters, Leipzig Hinrichs 1904 bl. 121.

4 Lübkert, Die Theol. der apost. Väter, in Niedners Zeits. f. hist. Theol.1854. Sprinzl, Die Theol. der apost. Väter, Wien 1880. Brehm, Das Christl. Gesetzthum der apost. Väter, in Zeits. f. Kirchl. Wiss. li. Kirchl. Leben 1886, en voorts de boven aangehaalde werken van Lechler, Harnack, Bardenhewer, Lightfost, Knopfenz.

5 Franz Cumont, Die Mysterien des Mithra. Ein Beitrag zur Religionsgeschichte der römischen Kaiserzeit. Antor. deutsche Ausgabe von Georg Gehrich. Leipzig Teubner 1903. Grill, Die persische Mysterienreligion im röm. Reich u. das Christ. Tübingen 1903.

6 Harnack D. G. I 168 v. 413 v.

7 De geschriften van de Apologeten zijn o. a. uitgegeven door Migne, ser. gr. t. 6 en door Gebhardt en Harnack in hun: Texte und Untersuchungen zur Gesch. der altchristl. Literatur, Leipzig Hinrichs 1882 en verv. Voor de theologie van de Apologeten zijn te raadplegen: Werner, Gesch. der apol. und polem. Literatur der Christl. Theol. 5 Ede. Schaffhausen 1861-1867. G. Schmitt, Die Apologie der drei ersten Jahrhunderte in hist. syst. Darstellung, Mainz 1890. Van de Apologeten is Justinus Martyr verreweg de belangrijkste, verg. Semisch, Justin der Martyrer, Breslau 1840. Weiszäcker, Die Theol. des J. M. in Jahrb. f. d. Th. 1867. Veil, Justinus des Philos. und Martyrers Rechtfertigung des Christ. Strassburg 1894. Bonwetsch, art. in PRE3 IX 641-650.

x
This website is using cookies. Accept