Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

402. Toen Christus op aarde nederdaalde, werd Hij arm, daar Hij rijk was, 2 Cor. 8:9, maar toen Hij opstond en ten hemel voer, nam Hij met zich een schat van verdiensten, welke Hij door zijn gehoorzaamheid tot de kruisdood toe zich verworven had. Deze weldaden zijn niet van zijn persoon af te scheiden, maar liggen in zijn persoon besloten en omvatten niet minder dan de hele zaligheid. God heet in de Schrift menigmaal swthr, Luk. 1:47 enz., maar ook Christus draagt telkens die naam, omdat Hij zijn volk zalig maakt van hun zonden, Matt. 1:21, Luk. 2:11. Hij is de archgov, thv swthriav Hebr. 2:10, aitiov swthriav aiwniou, Hebr. 5:9, en zijn Evangelie is het Evangelie thv swthriav, Ef. 1:13. Deze swthria is een bevrijding van de zonde en al haar gevolgen en een deelgenootschap aan de hoogste zaligheid; zij staat daarom tegenover danatov, 2 Cor. 7:10, apwleia, Phil. 1:28, orgh, 1 Thess. 5:9, en duurt tot in eeuwigheid, Hebr. 5:9. Daarom begrijpt zij vele bijzondere weldaden onder zich, die alle in de Schrift ook afzonderlijk worden genoemd.

Bovenaan staat de katallagh, reconciliatio, verzoening. De offerande van Christus heeft nl. volgens de Schrift objectieve, ook voor God geldende betekenis. In het Oude Testament hadden de offers de bedoeling, om de zonden van de offeraar voor Gods aangezicht te bedekken, rpk, LXX exilaskesyai. Deze verzoening heeft nu wel nergens God tot rechtstreeks object, maar zij heeft toch met betrekking tot Hem plaats, geschiedt voor zijn aangezicht, Lev. 1:3; 6:7; 10:17; 15:15, 30; 19:22; Num. 15:28, 31:50, en bedoelt, om door het bedekken van de zonde zijn toorn af te wenden, Num. 8:19, 16:46, en Hem genadig te stemmen, ilaskesyai, ilaon poiein propitium reddere, placare. Ook is Christus in het Nt. ilasthrion, Rom. 3:25, ilasmov, 1 Joh. 2:2, 4:10, een barmhartig en getrouw hogepriester met betrekking tot de dingen bij God, eiv to ilaskesyai tav amartia tou laou Hebr. 2:17; als hogepriester heeft Hij met de offerande van zijn volmaakte gehoorzaamheid de zonden van zijn volk bedekt en zo Gods toorn afgewend en zijn genade verworven. Wel is door de Socinianen, Remonstranten, Rationalisten en ook de meeste nieuwere theologen1 beweerd, dat God, omdat Hij liefde is, niet behoeft verzoend te worden en veeleer zelf de auteur van de verzoening is. Maar dit berust voor een deel op misverstand en wordt overigens door de Schrift weersproken. Deze leert toch duidelijk, ook in het Nieuwe Testament, dat God toornt over de zonden, Rom. 1:18, Gal. 3:10, Ef. 2:3, en dat mensen als zondaren Gods vijanden zijn (in Rom. 5:10, 11:28 heeft het woord ecyroi passieve zin en duidt het dus aan, dat wij van nature voorwerpen van Gods toorn zijn; in Rom. 11:28 staat het tegenover agaphtoi, en in 5:9 is er sprake van een behouden worden van de toorn van God). De verzoening is dus niet een-, maar tweezijdig; niet alleen moest de mens met God, maar ook God met de mens verzoend worden, in die zin dat Hij, door Christus als ilasmov te schenken, Rom. 3:25, Hebr. 2:17, 1 Joh. 2:2, 4:10 zijn toorn aflegt en een vredeverhouding tussen zichzelf en de mens sticht, Rom. 5:9, 10, 2 Cor. 5:18-19, Gal. 3:132.

Dit is ook volstrekt niet daarmee in strijd, dat God liefde is en zelf de Christus tot een verzoening voor onze zonden gegeven heeft. Want de toorn van God is immers geen boze hartstocht van haat of nijd, zijn gerechtigheid is geen dorst naar wraak, maar beide zijn met de hoogste liefde bestaanbaar. Gelijk een moeder te meer smart heeft over de afdwaling van haar zoon, naarmate zij hem meer liefheeft; Gelijk een rechter soms een bloedverwant of vriend veroordelen moet, aan wie hij als persoon zich innig verbonden gevoelt; zo ook kan in God de toorn tegen de zonde met de liefde jegens zijn schepselen samengaan, Jes. 1:2, Jer. 44:4, Am. 3:2. Odit in unoquoque nostrum quod feceramus, amavit quod fecerat, zegt Beda3, en Thomas verklaart in dezelfde geest: Diligit omnes homines quantum ad naturam quam ipse fecit, odit tamen eos quantum ad culpam, quam contra eum homines contraxerunt4. Om onze zonden zijn wij, volgens Calvijn, wel voorwerpen van Gods toorn, verum quia Dominus quod suum est in nobis perdere non vult, adhuc aliquid invenit, quod pro sua benignitate amet5. En dit is weer niet zo te denken, alsof God op het ogenblik van Christus’ offerande ineens van gezindheid en stemming veranderd was. Want in God is er geen verandering noch schaduw van omkering; al zijn eigenschappen zijn met zijn wezen één; in de eeuwigheid is er geen vóór en geen na. Als de Schrift spreekt van Gods toorn en van zijn verzoening met ons, dan spreekt ze niet onwaar, maar toch naar onze menselijke bevatting. Verandering is er niet in het wezen van God, maar wel in de relatie, waarin Hij tot zijn schepselen staat. Hij stelt zich ook niet in relatie tot het schepsel, alsof dit enigszins bestaan zou buiten Hem, maar Hij stelt zelf alle dingen en alle mensen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwig en onveranderlijk wil en juist zo, op die wijze en in dat moment van de tijd, waarin zij in de werkelijkheid plaats grijpen6.

Daarom is het en kan het ook God zelf zijn, die in Christus de verzoening aanbrengt, 2 Cor. 5:19; Hij verzoent zichzelf door de offerande van het kruis, niet in patripassianistische of pantheïstische zin, alsof Hij zichzelf met zichzelf verzoent en de verzoening een immanent proces was in het leven van God. Want Christus is een ander dan de Vader, Hij is zelfs niet alleen de Zoon van God, maar ook de Zoon des mensen, hoofd en vertegenwoordiger van de mensheid, en kon dus aan God een rantsoen brengen voor de verlossing van onze zielen. Maar daarom kan toch ook gezegd worden, dat God dat rantsoen in Christus vaststelde en verschafte, en in zoverre het ook in Christus aan zichzelf brengen deed. Ten onrechte zegt dus Dale, dat, als God Himself provided the ransom, He could not pay it to Himself7. Integendeel in de persoon en in het werk van Christus handhaafde God zichzelf als God en bracht Hij de deugden, zowel van zijn rechtvaardigheid als van zijn liefde, tot openbaring. Omdat Christus waarachtig God was, één in wezen met de Vader, kan men zeggen, dat God zelf door het kruis alle dingen met zichzelf verzoend heeft. Maar omdat Hij in persoon van de Vader onderscheiden en bovendien de Zoon des mensen was, daarom is de Vader het verwijderde, de Zoon het eigenlijke subject van de verzoening. De liefde van de Vader schonk ons zijn Zoon tot een betoning van zijn gerechtigheid en tot een verzoening voor onze zonden. Jam diligenti nos sibi reconciliavit. Quia prius diligit, postea nos si bi reconciliat8.

Door de offerande van Christus is er dus een verhouding van verzoening, Rom. 5:10, 2 Cor. 5:19, van vrede, Hand. 10:36, Ef. 2:17, van nabijheid, Ef. 2:13, tot stand gekomen tussen God en mens. Christus heeft als ilasmov de zonde “gesühnt” en daardoor God “versöhnt”. Het onderscheid tussen ilasmov en katallagh bestaat niet daarin, dat geen objectief en deze subjectief is. Ook de katallagh is een objectieve, door God zelf tot stand gebrachte relatie tussen Hem en de wereld, 2 Cor. 5:18-19. Maar in het ilaskesyai is Christus als middelaar het subject, wendt, door zijn offerande de zonde bedekkende, Gods toorn af en verwerft zijn genade. In het katallassein treedt God zelf als het subject op, 2 Cor. 5:19; door Christus te geven tot illasthrion, brengt Hij tussen zich en de wereld een verhouding van vrede tot stand. Hij toornt niet meer; wat Hem tot onze antidikov maakte, nl. de zonde, is door Christus’ offerande bedekt; Hij stichtte in Christus een zodanige verhouding, waarin wij Hem niet meer tegen ons hebben; Hij legde zijn vijandschap af, omdat haar oorzaak, de zonde, is weggenomen door de dood van Christus, en staat nu tot de wereld in een verhouding van vriendschap en vrede; katallagh is dus de door expiatio, placatio, Versöhnung, propitiation tot stand gekomen reconciliatio, Versühnung, reconciliation, atonement. Deze katallagh is de inhoud van het Evangelie; alles is volbracht, God is verzoend, er is onzerzijds niets meer te doen; en heel de diakonia thv katallaghv bestaat in de uitnodiging tot de mensen: katallaghte tw yew, legt gij ook uwerzijds de vijandschap af, gaat in in die verhouding van vrede, in welke God door de offerande van Christus zich tot zondaren gesteld heeft, gelooft het Evangelie, Rom. 5:9-10; 2 Cor. 5:18-21, cf. Ef. 2:16, Col. 1:20-229. Reeds hiermee is die hele voorstelling geoordeeld, welke voldoening en verzoening scheidt en de laatste tot stand doet komen, wanneer de mens gelooft en zich bekeert. De mensen verzoenen zich niet met God, alsof zij met en naast God het subject van de verzoening waren; maar God heeft de wereld met zichzelf verzoend, zonder haar toedoen, buiten haar om, zonder dat zij er het minste aan toegebracht heeft of aan behoeft toe te brengen; mensen ontvangen alleen de verzoening als een gave, Rom. 5:11, en ze nemen ze aan door het geloof, 2 Cor. 5:20.

Maar uit deze éne weldaad van de verzoening, door Christus verworven, vloeien allerlei weldaden voort. Dat kan ook niet anders. Als de verhouding tussen God en de wereld in het reine is, dan komt te zijner tijd alles in orde, ook de verhouding tussen hemel en aarde, engelen en mensen, mensen onderling, en ook de verhouding van de mensen tot zonde, dood, wereld, Satan enz. In de sfeer van het recht is het pleit beslist. God heeft gelijk en daarom wordt Hij vroeger of later overal, op alle terrein, en voor alle creaturen in het gelijk gesteld. Het recht is aan zijn zijde en het zal eens door allen gewillig of onwillig worden erkend. In de katallagh, de vredeverhouding van God in Christus tot de wereld, liggen dus allerlei andere weldaden opgesloten. De vruchten van Christus’ offerande zijn niet tot enig terrein beperkt; zij bepalen zich niet, gelijk tegenwoordig zo velen menen, tot het religieus-ethische leven, tot het hart, de binnenkamer, de kerk, maar zij breiden tot heel de wereld zich uit. Want machtig mag de zonde zijn, niet gelijk de misdaad is de genadegift; de genade van God en de gave door de genade is bovenmate overvloedig, Rom. 5:15. De weldaden, die uit de katallagh Gods in Christus ons toekomen, zijn te veel om te noemen10. Zij kunnen ingedeeld in: juridische, nl. vergeving van de zonden, Mark. 14:24, Hebr. 9:22, rechtvaardigmaking, Rom. 3:24; 4:25; 5:9; 8:34; 1 Cor. 1:30, 2 Cor. 5:21, aanneming tot kinderen, Gal. 3:26; 4:5-6, recht op het eeuwige leven en de hemelse erfenis, Rom. 8:17, 1 Petr. 1:4, ook verlossing of loskoping11, apolutrwsiv, Ef. 1:7, Col. 1:14, Hebr. 9:15, dat echter soms een ruimere betekenis heeft, Rom. 3:24; 8:21, 23; 1 Cor. 1:30, Ef. 1:14; 4:30; 1 Petr. 1:18-19; mystieke, bestaande in het gekruisigd, begraven, opgewekt en in de hemel gezet worden met Christus, Rom. 6-8, Gal. 2:20, Col. 3:1-13; ethische, nl. wedergeboorte, Joh. 1:12-13, levendmaking, Ef. 2:1, 5, heiligmaking, 1 Cor. 1:30, 6:4, afwassing, 1 Cor. 6:11, reiniging, 1 Joh. 2:9, besprenging, 1 Petr. 1:2, naar lichaam, ziel en geest, 2 Cor. 5:17, 1 Thess. 5:23; morele, bestaande in de navolging van Christus, die ons zijn voorbeeld heeft nagelaten, Matt. 10:38, 16:24, Luk. 9:33, Joh. 8:12; 12:26; 2 Cor. 8:9; Phil. 2:5, Ef. 2:10, 1 Petr. 2:21; 4:1; oeconomische, nl. de vervulling van het Oudtestamentische verbond, de inwijding van een nieuw verbond, Mark. 14: 24, Hebr. 7:22,9:15,12:24, de vrijheid van de wet Rom.7:1v., Gal. 2:19; 3:13, 25; 4:5; 5:1 enz., de uitwissing van het handschrift van de wet, de afbreking van de muur van het afscheidsel, de verzoening van Jood en Heidenen van alle andere in de mensheid bestaande tegenstellingen tot de eenheid in Christus, Gal. 3: 28, Ef. 2:11-22, Col. 2:21; fysische, nl. de overwinning van de wereld, Joh. 16:33, van de dood, 2 Tim. 1:10, Hebr. 2:15, van de hel, 1 Cor. 15:15, Op. 1:18, 20:14, en van Satan, Luk. 10:8; 11:22; Joh. 14:30, Hebr. 2:14, 1 Cor. 15:55-56, Col. 2:15, 1 Petr. 3:22, 1 Joh. 3:8, Op. 12:10, 20:2 enz. In één woord: de hele herschepping, de volkomen herstelling van de door de zonde met schuld beladen, verdorven en uiteengeslagen wereld en mensheid is de vrucht van Christus’ werk. Objectief, principiëel, in de sfeer van het recht heeft Hij die herschepping tot stand gebracht door zijn kruis. Toen is tussen God en wereld de katallagh gesticht. En daarom zal Christus te zijner tijd—want het gaat alles in vaste orde—de gemeente eens zonder vlek of rimpel aan de Vader voorstellen, het koninkrijk aan God overgeven en God alles in allen zijn, 1 Cor. 15:22-28.

1 Verg. bijv. Schleiermacher, Chr. Gl. par. 104, 4. Ritschl, Rechtf. u. Vers. II 2 230 v. Kaftan, Dogm. 460 enz.

2 Philippi, Comm. op Rom.5:10. Sanday-Headlam, Comm. on the EpistIe to the Romans5 1908 bl. 129. Lechler, Das apost. und nachapost. Zeitalter3 1885 bl. 344. Weiss, Bibl. Theol. des N. Test.3 1880 bl. 309. Stevens, Theol. of the New Test. 2 1906 bl. 414. Adamson, art. Reconciliation in Hastings’ D. B. IV 204-207 enz

3 Beda bij Turretinus, de satisf. bl. 86.

4 Thomas, S. Theol. III qu. 49 art. 4.

5 Calvijn, Inst. II 16, 3.

6 Verg. Deel II; Hoofdstuk 4; Par. 30 De onmededeelbare Eigenschappen; 193. Calvijn zegt, dat spreekwijzen als er in Rom. 5:10, Gal. 3:10, 13, Col. 1:21-22 voorkomen, nl. dat God de mensen vijandig was, totdat zij door de dood van Christus in zijn gunst zijn hersteld enz., dat zulke spreekwijzen ad sensurn nostrum sunt accommodatae, ut melius intelligamus, quam misera sit et calamitosa extra Christum nostra conditio. Nisi enim claris verbis diceretur, iram ac vindictam Dei mortemque aeternam nobis incubuisse, minus agnosceremus quam miseri essemus sine Dei misericordia, et beneficium liberationis minoris aestimaremus, Inst. II 16, 2, en andere soortgelijke uitspraken bij Scholten, L. H. K. I 413 v. Verg. Sanday-Headlam t.a.p. bl. 130. kata anyrwpon legw must be written large over all such language.

7 Dale, The atonement bl. 357.

8 Augustinus, de Trin. V 16. Enchir. 33. en verg. verder Lombardus ea. op Sent. III dist. 19, 6. Thomas, S. Theol. lII qu. 49 art. 4. Calvijn, Inst. II 16, 2-4. Turretinus, de satisf. Christi bl. 49. 86. 87. De Moor, Comm. III 448-450, Frank, Chr. Wahrheit II 181 v. Kähler, Zur Lehre v. d. Versöhnung bl. 362 v. Shedd, Dogm. Theol. II 401. A. A. Hodge, The atonement ch. 9. Scott Lidlgett, The spiritual principle of the atonement ch. 5 enz.

9 Cremer, Wörterbuch s. v. il en katall., Philippi op Rom. 5:10. Holtzmann, Neut. Theol. II 99 v. Stevens, Theol. of the New Test. bl. 413 v. S. R. Driver, art. Propitiation in Hastings D. B. IV 128-132 enz.

10 Verg. reeds Deel III; Hoofdstuk 7; Par. 47 Het werk van Christus in Zijn vernedering; 376.

11 De apolutrwsiv van de gelovigen door Christus wordt op merkwaardige wijze toegelicht door de toenmalige gewoonte van het loskopen van slaven, Deissmann, Licht vom Osten bl. 234 v. Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes III3 18. 53.

x
This website is using cookies. Accept