Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

44. Het Augustinisme was meer dan een eeuw voorwerp van heftige strijd, het hield de gemoederen verdeeld. Het vond niet alleen bestrijding bij Pelagius, Coelestius, Julianus, de eigenlijke Pelagianen, maar ook bij vele monniken in Gallië, onder wie vooral genoemd worden Joh. Cassianus, Vincentius van Lerinum, die in zijn Commonitorium niet alleen de kenmerken van de traditie aangeeft maar aan het slot ook tegen het strenge Augustinisme partij kiest, Eucherius van Lyon, Hilarius van Arles, Salvianus van Massilia, Faustus van Rhegium, Gennadius van Massilia, schrijver van de fide sua ceu de dogmatibus ecclesiasticis in 88 capita. Aan Augustinus’ zijde stonden, behalve Possidius van Calama in Numidië, Orosius van Bracara in Spanje, Marius Mercator in Constantinopel e.a. vooral ook Prosper Aquitanus, Vigilius van Tapsus in Numidië, Fulgentius van Ruspe, schrijver van de fide seu de regula verae fidei ad Petrum, een korte schets van de hoofdwaarheden van het geloof, Caesarius van Arles, Avitus van Vienna e.a. De synode te Orange in 529 gaf in de strijd wel enige beslissing ten gunste van Augustinus, maar voorkwam niet, dat semipelagiaansche denkbeelden hoe langer hoe meer ingang vonden. De gratia praeveniens werd aangenomen, maar de gratia irresistibilis en de particuliere predestinatie toch niet beslist aanvaard. In het vervolg bleef er van het Augustinisme niet veel over. Paus Gregorius de Grote, gestorven 604, naast Augustinus, Hiëronymus en Ambrosius wel de vierde grote kerkleraar genoemd, heeft niets nieuws voortgebracht, maar heeft de ideeën van de vroegere kerkleraars zich toegeëigend en voor het leven op velerlei wijze verwerkt. Zijn richting is praktisch en tegelijk mystisch-allegorisch. Hij heeft geen systeem gevormd, maar eenvoudig het verkregene bewaard, de dogmata voor clerus en leek pasklaar gemaakt, en vooral de verschillende middelaars en middelen (engelen, heiligen, Christus, aalmoes, zielmis, vagevuur, boete) geschematiseerd, die het de verzwakte wil van de mensen mogelijk maken, om van de straffen van de zonde bevrijd te worden. Door dit alles heeft hij met trouwe zorg gearbeid aan de opvoeding van de nieuwe volken en aan de vorming van de clerus. Hij heeft de uitwendige wettelijke religie van de Roomse kerk gesanctioneerd, en aan het middeleeuws Katholicisme zijn eigenlijk type gegeven. Hij is de sluitsteen van de oude, de grondsteen van de nieuwe wereld. Door zijne liturgische geschriften en door zijn kerkgezag heeft hij de Roomse cultus onder de Germanen ingevoerd. Door popularisering van de dogmata van de kerkvaders heeft hij de leer van de kerk praktisch bruikbaar gemaakt voor de onbeschaafde, heidense Germanen en bijgeloof, ascese, werkheiligheid bevorderd. Met Boëthius en Cassiodorius heeft hij op de vorming en het ontstaan van de wetenschap bij de Germanen groten invloed geoefend. Cassiodorius gestorven ñ 565, schreef een Liber de artibus ac disciplinis liberalium litterarum en besprak daarin de betekenis van elk van de 7 vrije kunsten en gaf in zijn werk de institutione divinarum litterarum een methodologie van de theol. studie. Boëthius heeft door zijne vertalingen en verklaringen van de logica van Aristoteles, de Isagoge van Porphyrius de kennis en het gebruik van de Griekse filosofie bij de Germanen ingeleid. En Gregorius heeft de theologie in de kerk naar de Germanen overgebracht.

Bij alle gemis van cultuur en bij de onrust van de volksverhuizing kon er in de eerste tijd onder de Germaanse volken van een wetenschappelijk leven geen sprake zijn. De eerste sporen zijn te vinden in de bijbelvertaling en de ariaanse geloofsbelijdenis van Ulfilas, gestorven 383. Tegen het einde van de 5e eeuw waren de Oost- en Westgothen, Vandalen, Sueven, Bourgondiërs, Herulers, Longobarden enz. al gekerstend in ariaanschen zin. Maar Clovis 481-511 nam met zijn Frankenrijk het Roomse Christendom aan. Patrik, schrijver van Confessiones, is apostel van de Ieren, gestorven 465. Schotland werd gekerstend door Columba, gestorven 597. De Angelsaksen werden bekeerd door Augustinus met 40 monniken, daarheen gezonden door Paus Gregorius I in 596. Fridolinus en Columbanus, gestorven 615 e.a. werkten in Frankrijk en Italië; de laatste liet belangrijke brieven en ook een regula coenobialis na. Allemannië, Beieren, Thuringen, Friesland enz. werden in de 6e en 7e E. gekerstend. Bonifacius was de apostel van de Duitsers in de 8e eeuw, gestorven 755. De Saksers werden ‘t laatst onder Karel de Grote door oorlogen 772-804 toegebracht, en het Noorden vooral door Ansgar, gestorven 865. Een van de eerste dogmatici is Isidorus Hispalensis, gestorven 636; zijn geschriften zijn van grammatische, historische, archeologische, dogmatische, morele en ascetische inhoud en omvatten al wat in dien tijd te weten viel. Hij brengt de klassieke en patristische geleerdheid over tot zijn volk. Hij is niet oorspronkelijk, maar geeft uittreksels uit heidense en Christelijke werken. In zijn Originum sive etymologiarum libri XX spreekt hij in boek 6 over de Schrift, in boek 7 over God, de engelen, profeten, apostelen, clerici, gelovigen, in boek 8 over de kerk, in boek 9 over de volken. Zijn Libri III Sententiarum s. de summo bono is vooral geëxcerpeerd uit Augustinus en Gregorius en is een voorbeeld voor de middeleeuwse sententieverzamelaars geweest. Boek I handelt over God, schepping, tijd, wereld, zonde, engel, mens, ziel, Christus, H. Geest, kerk, ketterij, wet, Schrift, Oud en Nieuw Verbond, gebed, doop, martyrium, wonderen, antichrist, wereldeinde; boek II en III zijn van ethische inhoud. Het is een compendium, dat het theologisch kapitaal van de vorige eeuwen aan het Germaanse volk overlevert. Maar tot een zelfstandige bewerking kwam het niet. Karel de Grote trachtte wel met geweld de oude cultuur in het Frankenrijk in te voeren. En inderdaad ontbrak het in de karolingische periode niet aan mannen van grote geleerdheid, maar vlijtig verzamelen en onzelfstandig reproduceren blijven toch de karaktertrekken van de periode, die met de 7e eeuw begint en eerst met de kruistochten eindigt. Augustinus en Gregorius waren de autoriteiten. De voornaamste onder deze karolingische theologen was Alcuinus, gestorven 804, die het adoptianisme van Elipandus van Toledo en Felix van Urgel bestreed in Liber contra haeresin Felicis, Libri VII contra Felicem en Libri IV adv. Elipandum en voorts nog schreef de fide sanctae et individuae Trinitatis Libri III, de Trinitate ad Fredegisum quastiones en Libellus de processione Sp. Si. In al deze werken toont Alcuinus zijn vertrouwdheid met de werken van de kerkvaders, hij weerlegt de adoptiaansche dwalingen met dezelfde argumenten, die vroeger tegen het Nestorianisme b.v. door Cyrillus werden gebezigd. De studie van Angustinus leidde Gottschalk in de 9e E. tot belijdenis van de gemina praedestinatio; hij vond steun bij Prudentius van Troyes, Remigius van Lyon, Ratramnus, Lnpus van Ferrières e.a., maar werd tevens heftig bestreden door Rhabanus, Hinkmar, Erigena. Het filioque kwam uit Spanje in het Frankenrijk en werd opgenomen in ‘t symbool. Reeds op de synode te Gentilly 767 had men de overtuiging, dat het symbolisch was. Het werd met talent door Karels theologen verdedigd, door Alcuinus en Theodulf van Orleans. De synode te Aken 809 besliste, dat het filioque in het symbool behoorde. De beeldenverering vond in het Frankenrijk tegenkanting, de 7e oecumenische synode, die servitium en adoratio van de beelden verlangde, werd niet erkend, maar na de 9e eeuw zweeg allengs de oppositie. En eindelijk werd in de karolingische periode ook nog de mis verder ontwikkeld, vooral door Radbertus Paschasius, liber de corpore et sanguine domini 831, die bestreden werd door Rhabanus en Ratramnus. Radbertus is ook bekend als schrijver van een compendium de fide, spe et caritate, dat geloofswaarheden tot een zeker geheel samenvat. Vooral verdient in deze periode nog genoemd te worden Joh. Scotus Erigena, gestorven ñ891, ofschoon hij meer thuis hoort in de filosofie dan in de theologie. Hij is niet de vader van de scholastiek maar van de speculatieve theologie. Hij sluit zich aan bij de gnosis van Origenes en de mystiek van Pseudodionysius. Zijne grondgedachte is de neoplaton. emanatieleer. In zijn werk de divisione naturae zegt hij eerst, dat theologie en filosofie eigenlijk één zijn. De recta ratio en de vera auctoritas strijden niet. De fides heeft haar waarheid, als theologia καταφατικη, affirmativa, in de Schrift en traditie, maar de rede, als theologia negativa, αποφατικη, ontdoet deze waarheid van haar omhulselen en spoort er de idee van op. Zo verandert hij de dogmatische waarheid in de wijsgerige leer van een kosmisch en theogonisch proces. Al ‘t zijnde vat hij samen onder één begrip, natura, welke in 4 trappen van ‘t zijnde, door de Logos heen, in de verschijningswereld zich openbaart en weer tot God terugkeert.

x
This website is using cookies. Accept