Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

46. De scholastiek verloopt in drie perioden, in een aetas vetus, media en nova. Ze begint met Anselmus. Deze leeft nog in het naïef vertrouwen, dat het geloof tot weten kan verheven worden, en beproeft dat voor het bestaan van God in zijn Monologium, en voor de menswording en voldoening in zijn Cur Deus homo. Hij doet het nog niet in de aristotelisch-scholastische vorm, maar meer in de zin van Plato’s dialogen; toch neemt de scholastische speculatie bij hem een aanvang. Lombardus gaf in zijne Bententiarum libri IV niet enkel tractaten, zoals Anselmus, maar een volledig dogmatisch en ethisch handboek. Hij leverde de tekst voor de scholastieke theologie, en maakte zelf reeds een ruim gebruik van de filosofie, tot verduidelijking en verdediging van de waarheid. Alexander Halesius schreef een Summa universae theologiae, welke eigenlijk al een commentaar is op het werk van Lombardus; maar, terwijl deze over een onderwerp in eens ten einde toe voortredeneert, kleedt Halesius zijne gedachte in een streng dialectische, syllogistische vorm. Daarmee was de scholastische methode voorgoed gevestigd. Het ging niet geheel zonder strijd. Velen hadden bezwaar tegen het gebruik van Aristoteles in de theologie. Er bleven te allen tijde Platonici, die Plato veel meer in overeenstemming achtten met de kerkleer. Johannes van Salisbury, Gerhoch, Walther van St. Victor, Petrus Cantor, Alanus ab insulis, Willem van Auvergne e.a. wezen op de gevaren van de filosofie; en Abaelard scheen een afschrikwekkend voorbeeld. Maar de scholastische methode, door beroemde namen gedekt, won veld. Weldra werd Aristoteles’ wijsbegeerte, hoewel hier en daar gewijzigd, de beste verdediging van de kerkleer geacht. Het volledigst werd naar deze methode de dogmatiek bewerkt door Albertus Magnus, gestorven 1280, Thomas Aquinas, gestorven 1274, en Bonaventura, gestorvent 1274. Alle drie schreven een commentaar op het werk van Lombardus, en werden daarin later door velen gevolgd. Fleury telde er in zijn tijd reeds 244. Bovendien schreef Albertus een Summa theologiae (onvoltooid) en een Summa de creaturis; Thomas een Summa theologiae (onvoltooid), en Summa de veritate cath. fidei contra gentiles; Bonaventura een Breviloquium. Alle drie hebben de scholastiek algemeen in ere gebracht, aan de theologie een ereplaats verzekerd onder de wetenschappen, en met buitengewoone denkkracht de diepste problemen behandeld. Maar de scholastiek heeft zich niet op die hoogte kunnen houden. Bij Duns Scotus, gestorven 1308, is het vertrouwen al geschokt. Hij verwerpt het nominalisme, maar bestrijdt Thomas toch overal, waar hij maar durft en kan. De Franciscaner de Rada, gestorven 1608, telde later in zijn Controversiae theol. inter Thomam et Scotum, Colon. 1620 niet minder dan 86 punten van geschil op. De voornaamste daarvan waren die over de kenbaarheid Gods, het onderscheid in de goddelijke eigenschappen, de erfzonde, de verdiensten van Christus, enz. en vooral ook de onbevlekte ontvangenis van Maria. Scotus is nog wel realist, maar hij is ook sceptisch en plaatst theologie en filosofie naast elkaar. De filosofie bereikt God niet, de theologie rust alleen op gezag, op openbaring.

Maar vooral het nominalisme droeg tot verval van de scholastiek bij; het was al opgekomen bij Roscellinus en Berengarius, maar won vooral terrein in de 14e en 15e eeuw. Petrus Aureolus, gestorven 1321, schrijver van een commentaar op Lombardus en van Quodlibeta zei, dat de universalia niet objectief in de dingen bestonden, maar slechts gedachten waren; het werkelijke was altijd individueel. Willem Durand de St. Porciano, gestorven 1332, ontkende de universalia en loochende ‘t wetenschappelijk karakter van de theologie; ze is geen eenheid, ze kan de waarheid van de dogmata niet aantonen en de gronden er tegen niet weerleggen. Willem van Occam, gestorven 1349, die de paus alle macht ontzegde over wereldlijke vorsten, deze in hun verzet tegen de paus steunde maar ook op zijn beurt bescherming van hen vroeg, viel zowel de school van Thomas als die van Scotus aan. Hij schiep er behagen in, om de onzekerheid van de theologie aan te tonen; bestaan, eenheid, almacht Gods, eindigheid van de wereld, onstoffelijkheid van de ziel, noodzakelijkheid van de openbaring enz., alles is onbewijsbaar. Alles is alleen, omdat God het zo wil. Er zijn geen redewaarheden. God kon mens maar hij kon ook een steen worden. Het Platonisme en Augustinisme verdwijnt uit de theologie. Alles wordt willekeur. De theologie gaat onder in scepticisme. Al bleef in de scholen ook meest het realisme heersen: het had toch geen scheppende kracht meer, de vorm werd stijver, de taal barbaarser, de methode spitsvondiger; subtiliteit verving grondigheid, ostentatie kwam in de plaats van wetenschappelijken ernst, dogmatiek ontaardde in een eindeloos dispuut. Daarbij kreeg het nominalisme van Occarn aanhangers, Adam Goddam, Armand de Beauvoir, Robert Holkot, van wien het gezegde afkomstig zou zijn, dat iets in de theologie waar en in de filosofie vals kan zijn, Joh. Buridan, Petrus van Alliaco en Gabriël Biel, gestorven 1495, de laatste scholasticus.

Een bijzondere vorm van de scholastiek was de mystiek, die vroeger wel als van de scholastiek vijandig werd beschouwd maar nu beter in haar aard en karakter wordt verstaan. De mystici hebben de scholastieke theologie nooit bestreden; mannen als Hugo en Richard van St. Victor hebben in hun tractaten verschillende delen van de theologie naar dezelfde methode behandeld als Lombardus, en omgekeerd hebben scholastici als Halesius, Albertus, Thomas, Bonaventura ook vele mystieke geschriften nagelaten. De mystiek wordt zelfs in de scholastieke theologie opgenomen1. Van een strijd en antagonisme is er dus geen sprake. Daarbij komt, dat kerk en theologie te allen tijde tussen ware en valse mystiek heb ben onderscheiden; het Neoplatonisme, het Gnosticisme, Erigena, Almarich, Eckhart, Molinos, Böhme, enz. zijn steeds veroordeeld, maar de geschriften van Pseudodionysius, Albertus, Bonaventura, enz. zijn altijd geprezen en goedgekeurd door de Roomse kerk. Er moet dus onderscheid zijn tussen de orthodoxe en de pantheïstische mystiek. De eerste nu stond niet vijandig tegenover de scholastiek. Maar ze was er wel van onderscheiden. Ten eerste in methode: de scholastiek volgde de analytische methode van Aristoteles en trachtte door redenering uit de eindige dingen tot God op te klimmen; de mystiek volgde de synthetische methode van Plato en trachtte uit de hogere aanschouwing, die de ziel door de genade bereikte, inzicht te krijgen in de waarheden des geloofs. In oorsprong: de scholastiek ontstond vooral door het bekend worden van de geschriften van Aristoteles, en had tot object de sententiae van Lombardus, de mystiek ontstond vooral door het bekend worden van de werken van Pseudodionysius, die in ‘t Westen ingang vonden door de vertaling van Erigena. In wezen: de scholastiek is de poging, om met behulp van de filosofie wetenschappelijke kennis te verkrijgen van de geopenbaarde waarheid; de mystische theologie had tot object de mystieke gemeenschap met God, die aan enkele bevoorrechten door bijzondere genade geschonken werd, en beschreef nu, hoe en langs welke weg de ziel daartoe geraken kon en welk licht van daaruit, van uit die gemeenschap met God, verspreid kon worden over de waarheden van het geloofs. De mystiek in dezen zin had te allen tijde in de Christelijke kerk hare vertegenwoordigers, en komt in meer of mindere mate bij alle kerkvaders voor; ze hangt ten nauwste samen met het monnikideaal; ze gaat uit van de veronderstelling dat er niet alleen een kennis van God is door het verstand, maar ook een ervaring, bevinding, gemeenschap Gods door het gemoed. Ze sloot in de Middeleeuwen zich vooral aan bij Augustinus, die het eerst de diepte van het zieleleven had gepeild en in onnavolgbare taal had weergegeven, en bij Pseudodionysius, die de trappen en mijlpalen had aangewezen, langs welke de ziel uit de eindigheid tot de oneindige God opklimmen kon. Door praktische oefeningen, zoals ascese, reiniging, zelfpijniging, wereldvlucht, enz. of ook door theoretische bespiegeling, zoals auditio, lectio, oratio, cogitatio, consideratio, meditatio kon de ziel hier op aarde al komen een toestand van aanschouwen of genieten van God. Zo wordt mystiek opgevat en beschreven in verschillende werken van Bernard van Clairvaux, Hugo en Richard van St. Victor, Bonaventura, Thomas, Gerson en Thomas à Kempis. Maar het lag voor de hand, dat de mystiek, die zo de nadruk legde op de contemplatie, de kennis ging geringschatten; in de genieting van het hart ging de helderheid van het bewustzijn, de waarde van de kennis verloren; ze kwam menigmaal onder invloed van ‘t neoplatonisme en kreeg bijv. bij Eckhart, gestorven 1327, e.a. een pantheïstische bijsmaak.

1 Thomas, S. Theol. II 2 qu. 179 v.

x
This website is using cookies. Accept