Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

76.

B. Zetel van de Religie.

Nadat het wezen van de religie is onderzocht, moet de plaats worden aangewezen, welke zij in het menselijk zieleleven inneemt. Daarbij treden dan de psychische faculteiten en functies aan het licht, welke in het religieuze leven werkzaam zijn en wordt meteen ook de verhouding duidelijk, waarin de godsdienst staat tot wetenschap, kunst en zedelijkheid. Reeds de scholastiek stelde de vraag, of de religio een virtus intellectualis of moralis was, en Thomas beantwoordde haar in laatstgenoemde zin1. Maar door de wijziging, die er gekomen is in het begrip van de godsdienst, heeft deze vraag in de nieuwere tijd een veel grotere betekenis verkregen. Over de plaats van de godsdienst in het zielenleven zijn er nu in hoofdzaak drie opvattingen voorgedragen. Ten eerste is er de intellectualistische, die het wezen van de religie stelt in de kennis, en haar zetel plaatst in het verstand. Het gnosticisme zei reeds, dat de gnosis zalig maakte, dat de agnitio was redemptio interioris hominis2. Dit gnosticisme heeft te allen tijde in de Christelijke kerk verdedigers gevonden, maar is vooral weer opgekomen in de nieuwere filosofie. Spinoza houdt verstand en wil voor unum et idem, laat de amor Dei geboren worden uit de heldere en duidelijke kennis van de mens van zichzelf en zijn affecten, en noemt hem daarom ook amor intellectualis. Omdat onze geest een deel is van het oneindige verstand van God, bestaat de hoogste deugd van onze geest daarin, dat hij God kent. En deze kennis van God, die wezenlijk één is met de beschouwing van de dingen sub specie aeternitatis, is summa mentis acquiescentia3. Volgens Schelling in zijn eerste periode is er van het Absolute, als identiteit van het eindige en oneindige, alleen een absoluut weten mogelijk; de religie verliest hier dus geheel haar zelfstandigheid, het geloof is een onjuiste, onzuivere opvatting van de idee4. Vooral Hegel heeft deze intellectualistische bepaling van het wezen van de religie uitgewerkt. Bij hem is het Absolute het denken zelf, dat in de tegenstellingen ingaat en uit deze weer tot de identiteit met zichzelf terugkeert. Heel de wereld is dus een ontwikkeling van de geest, een logische ontvouwing van de inhoud van de rede, een proces, waarin de idee eerst in de natuur zich objectiveert en dan daaruit in de geest weer tot zichzelf terugkeert. Een van de momenten, welke dit proces doorloopt, is de religie. De menselijke geest is het, in wie het Absolute tot zichzelf komt en zich van zichzelf bewust wordt. En dit zelfbewustzijn van de absolute geest in de eindige geest is religie. Religie is dus wezenlijk weten, geen gevoelen en geen handelen, maar weten en wel van God door de eindige geest of objectief weten Gods van zichzelf door en in de eindige geest. De mens weiss nur von Gott, insofern Gott im Menschen von sich selbst weiss, diess Wisssen ist Selbstbewustseyn Gottes, aber ebenso ein Wissen desselben vom Menschen, und diess Wissen Gottes vom Menschen ist Wissen des Menschen von Gott. Der Geist des Menschen von Gott zu wissen, ist nur der Geist Gottes selbst5. Religie is echter niet het hoogste weten; het is maar een weten van het Absolute in de vorm van zinnelijke, historische voorstellingen. Het hoogste, ware weten wordt eerst bereikt in de filosofie. De religie is daarom tijdelijk, een lagere vorm, voor de onontwikkelden geschikt. Maar de filosofie maakt uit de zinnelijke voorstellingen van de religie de idee los en komt zo tot een absoluut, adekwaat, begrifflich weten van God6 Wanneer religie en filosofie op die wijze tot elkaar in verhouding stonden, dan lag het voor de hand, om de laatste hoog boven de eerste te verheffen, en deze van alle waarde te beroven. Dat gebeurde dan ook spoedig na Hegels dood en wel voornamelijk door Feuerbach: religie en filosofie zijn bij hem niet meer een lagere en een hogere vorm van weten, maar vormen een tegenstelling en sluiten de een de andere uit. Het geloof maakt de mensen serviel, de wetenschap maakt hen vrij; de theologie steunt op het mirakel, de filosofie op de werkelijkheid; gene heeft tot grondslag de fantasie, deze het denken. De theologie eist, te geloven aan het dogma en het dogma is niets anders dan een verbod, om te denken; de filosofie heeft tot taak, niet om het dogma te rechtvaardigen, maar om de illusie te verklaren, waardoor het ontstaat. Want geloof, religie, theologie, dogma zijn inderdaad niets anders dan een grote illusie; zij hebben geen anderen dan antropologische oorsprong, zijn niets anders dan een vergoding van de mens door zichzelf, de weerspiegeling van ‘s mensen wezen in zijn eigen verbeelding; de theologie is wezenlijk antropologie; de wens is de oorsprong en ook het wezen van de religie. In dezelfde geest trad Strauss met de bewering op, dat theologie en filosofie, theïsme en pantheïsme niet te verzoenen waren. Al is aan religie en filosofie ook de idee van de eenheid van het goddelijke en menselijke gemeen, deze idee wordt door de religie gekleed in de vorm van de voorstelling, zodat God en mens dualistisch naast elkaar komen te staan en slechts op bovennatuurlijke wijze, door wonderen, schepping, menswording, openbaring enz. weer tot elkaar gebracht kunnen worden. Het denken legt echter deze vorm van de voorstelling af, erkent God als het eeuwig proces, dat de wereld uit zich voortbrengt en eerst in de mens tot zelfbewustzijn, tot persoonlijkheid, tot zichzelf komt. Hier is alle wonder uitgesloten; God en mens zijn één, de mensheid is de ware zoon van God. Deze beide standpunten van religie en filosofie, van voorstelling en begrip zijn onverenigbaar. De religie is de wereldbeschouwing van het volksbewustzijn, die door de filosofie in de adakwate vorm van het begrip wordt opgelost. Beiden, Feuerbach en Strauss, kwamen tenslotte tot het materialisme; de zinlijke natuur is de enige werkelijkheid, de mens is wat hij eet. Keine Religion, zei de eerste, ist meine Religion; Keine Philosophie, ist meine Philosophie, en hij had er bij kunnen voegen: Keine Moral, ist meine Moral7. Evenals door Lamettrie in de achttiende eeuw, werd omstreeks het midden van de vorige eeuw, door Bruno Bauer, Arnold Ruge, Edgar Bauer, Max Stirner, Büchner, Vogt en anderen het geloof aan God voor de grootste en schadelijkste dwaling gehouden8.

Nu heeft Hegel zeer goed ingezien, dat religie ook kennis bevat en dat godsdienst en metafysica ten nauwste verwant zijn. De aard van de zaak maakt dit ook duidelijk. Religie is altijd een verhouding van de mens tot een boven hem staande, goddelijke macht. Religie is er dus niet en kan er niet zijn zonder een bepaalde voorstelling van God; en deze sluit weer andere voorstellingen in omtrent wereld en mens, oorsprong en einddoel van de dingen. Deze godsdienstige voorstellingen hebben voor de gelovige transcendentale betekenis; hij is ten diepste overtuigd van haar objectieve realiteit en waarheid. Zodra hij deze voorstellingen gaat houden voor producten van zijn fantasie, voor idealen zonder realiteit, of ook aan de kenbaarheid van het metafysische wanhoopt, is het met zijn religie gedaan. Het scepticisme vernietigt het voorwerp van de religie en daarmee deze zelf. Ook met het verstand moet God worden gediend; maar als het verstand inziet, dat de religieuze voorstellingen niet beantwoorden aan een werkelijkheid, houdt het op godsdienstig te zijn. Religieuze en theoretische wereldbeschouwing, theologie en wetenschap zijn niet hetzelfde maar kunnen toch onmogelijk met elkaar strijden. Zulk een dualisme is met de eenheid van de menselijke geest in onverbiddelijken strijd9.

Maar Hegel dwaalde toch hierin, dat hij godsdienst en wijsbegeerte tot elkaar in verhouding stelde als lager en hoger, als voorstelling en begrip, en ze dus opvatte als successieve momenten van één proces. De Hegelianen zoals Strauss en Biedermann, zagen het onjuiste hiervan zelf in10. Inhoud en vorm zijn nooit zo mechanisch en uitwendig verbonden, dat gehele wijziging van deze gene onveranderd laat. De omzetting van de godsdienstige voorstellingen in filosofische begrippen tast ook de godsdienstigen inhoud zelf aan. De historie van de Hegelsche filosofie bracht dit spoedig aan het licht. Er bleef bij haar van de Christelijke dogmata zo goed als niets over; triniteit, menswording, voldoening behielden de orthodoxe namen maar werden geheel anders geïnterpreteerd. De feiten van het Christendom werden tot de vorm gerekend en waardeloos geacht. In de plaats daarvan kreeg men begrippen, die geen inhoud meer hadden. Een tweede fout van Hegel bestond daarin, dat hij aan religie en filosofie een gelijke inhoud gaf en toch de eerste voor een lagere vorm hield van de tweede. De religie werd daardoor verlaagd tot een relatief goed, dat alleen nog maar waarde had voor de eenvoudigen en de onontwikkelden. De wijsgeren waren er verre boven verheven en hadden aan de filosofie genoeg. Dit nu berust op een totale miskenning van het wezen van de religie. Want religie en wetenschap zijn wel verwant maar toch ook hemelsbreed verschillend. Al hebben zij menigmaal eenzelfde inhoud en voorwerp, deze komen toch in beide onder een geheel ander gezichtspunt voor. In de wetenschap is het om kennis, in de religie is het om troost, vrede, zaligheid te doen. De religie en filosofie zijn evenmin als de état théologique, métaphysique en positive van A. Comte elkaar historisch opvolgende toestanden van de menselijke geest, maar zijn verschillende gezichtspunten, waaronder dikwijls eenzelfde zaak beschouwd kan worden. Ook de diepzinnigste wijsgeer komt daarom met al zijn kennis boven de religie niet uit; door de wetenschap kan hij nimmer zijn religieuze behoefte bevredigen. De wetenschap moge hem al zeggen, dat en wat God is; alleen door de religie weet hij, dat die God ook zijn God en zijn Vader is. De wetenschap moge hem leren dat er zonde is en genade; alleen door de religie wordt hij de zaligheid van de vergeving en van het kindschap Gods deelachtig. Al kon de wetenschap alles weten, en al kon ze alle metafysische problemen oplossen; dan nog gaf ze slechts theoretische kennis, en geen persoonlijk deelgenootschap aan de goederen van het heil. Niet aan het weten, maar alleen aan het geloven is de zaligheid verbonden. Maar het is er verre van af, dat de wetenschap en de wijsbegeerte het zover brengen kan. Weliswaar zijn er nog velen, die van de wetenschap alle heil blijven verwachten en de godsdienst overbodig rekenen. Haeckel doet zich in zijn Welträthsel kennen als een echt profeet van de Aufklärung, als een intellectualist, die geen raadsel, geen mysterie, geen mystiek meer duldt en meent, dat de mens met zijn gewoon, gezond verstand alles weten kan of althans zal kunnen weten. Ladenburg hield op de vergadering van natuur- en geneeskundigen te Cassel 21 Sept. 1903 een rede, waarin hij alle Christelijke dogmata verwierp en de Franse Revolutie een groter zegen voor de mensheid achtte dan het Christendom. En in November van datzelfde jaar sprak Berthelot op het feest van de vrijdenkers een oratie uit, waarin met science, progres, liberté gedweept en met hart en geweten, godsdienst en zedelijkheid hoegenaamd geen rekening gehouden werd. Maar er is toch een omkeer gekomen. Voorname mannen van wetenschap beginnen in te zien, dat de wetenschap op de belangrijkste vragen het antwoord schuldig blijft. De verwachting, die Renan in 1848 van haar koesterde, bleek hem zelf in 1890 een illusie te zijn geweest. Dubois Reymond sprak reeds in 1880 van de zeven wereldraadselen. Brunetiere gewaagde, na een bezoek aan de paus, in 1895 van het bankroet van de wetenschap, ten onrechte, inzover niet de wetenschap, maar de dwaze verwachting, door mensen op haar gebouwd, bankroet heeft geslagen. In de natuurwetenschap nemen de mysteries niet af maar toe, en begint ook de natuurfilosofie weer haar stem te verheffen. In literatuur en kunst deed de mystiek haar intrede. Het recht van metafysica en religie wordt in steeds breder kring erkend. Zelfs onder de socialisten staan er mannen op, die de vijandige houding tegenover de godsdienst willen afleggen. En de vele superstitieuze verschijnselen in de tegenwoordige tijd bewijzen, dat de mens bij het brood van de wetenschap alleen niet leven kan, maar behoefte heeft aan een woord, dat van de mond Gods uitgaat. Inderdaad zegt ons de wetenschap niet, wat God, noch wat de mens is; zij laat ons onbekend met de oorsprong, het wezen en het doel van de dingen. En daarom kan zij nimmer de religie vervangen en nooit haar verlies vergoeden11.

1 Thomas, Summa Theol. II 2 qu. 81 art. 5.

2 Irenaeus, adv. haer. I c. 21.

3 Spinoza, Ethices Pars II prop. 11. 44. 49. V prop. 15. 27. 32.

4 Schelling, Philosophie und Religion, Werke, Erste Abth. VI 11 v .

5 Hegel, Vorles. über die Philos. der Religion, herausg. v. Marheinecke 1832, Werke XII 428.

6 Hegel, t. a. p. bl. 15 v. Verg. Strauss, Christl. Glaub. I 12.

7 Verg. A. Drews, Die deutsche Spekulation nach Kant. Berlin 1893 II 237 v.

8 Verg. bijv. Max Stirner, Der Einzige und sein Eigenthum 1845. Vogt, Köhlerglaube und Wissenschaft3. Giessen 1855. Büchner, Kraft und Stoff16 1885 bl. 392 v. Specht, Theol. und Naturw3. 1878 bl. 74 v.

9 Ed. von Hartmann, Die Religion des Geistes2, Leipzig Friedrich bl. 3 -27.

10 Strauss, Chr. Gl. I 12 v. Biedermann, Chr. Dogm2. I 18 v.

11 Voigt, Fundamentaldogm. 120 v. Von Hartmann, t.a.p. Siebeck, Religionsphilos. hl. 1-11. Nitzsch, Ev. Dogm. 92-96. Pfleiderer, Gl. n.. Sittenlehre par. 11.

x
This website is using cookies. Accept