Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

86. De Schrift kent wel het begrip van een vaste natuurorde maar maakt toch bij de openbaring tussen natuurlijke en bovennatuurlijke geen onderscheid. Zij bezigt voor beide dezelfde woorden, b.v. hlg, fanyroun en apokaluptein ook voor de revelatio naturalis, Job 12:22; 33:16; 36:10, Rom. 1:18-19. Nosgen1 maakt daarom ten onrechte bezwaar, om aan de openbaring Gods in de natuur reeds de naam van openbaring te geven. Eigenlijk is op het standpunt van de Schrift alle openbaring, ook die in de natuur, bovennatuurlijk. Het woord zelf sluit ook niets in aangaande de wijze, waarop iets openbaar wordt, maar zegt alleen, dat iets, hetwelk verborgen was, aan het licht treedt. Op religieus terrein duidt het aan, dat God een eigen, zelfstandig, van de natuur onderscheiden leven bezit en nu uit zijn verborgenheid op een of andere wijze voor het oog van redelijke schepselen te voorschijn treden kan. Van openbaring kan dus in eigenlijke zin alleen spreken, wie het supranaturele, een ordo supra hanc naturam erkent; en elk, die het woord in deze zin bezigt, is in beginsel supranaturalist, ook al neemt hij slechts een openbaring aan op natuurlijke wijze. De onderscheiding van revelatio naturalis en supernaturalis is niet ontleend aan de actie van God, die in de ene en andere openbaring zich uit, maar aan de wijze, waarop die openbaring geschiedt, n.l. per of praeter hanc naturam. In oorsprong is alle openbaring supranatureel. God werkt altijd, Joh. 5:17. Dat werken Gods is naar buiten begonnen met de schepping. De creatie is de eerste revelatie van God, aanvang en grondslag van alle volgende openbaring. Het bijbels begrip van de openbaring wortelt in dat van de schepping2. Door de schepping is God het eerst voor schepselen naar buiten getreden en heeft Hij zich aan schepselen geopenbaard. Als God de wereld schept door zijn Woord en levend maakt door zijn Geest, dan liggen daarin reeds de grondlijnen van alle volgende openbaringen getekend. Maar aan de schepping sluit terstond de voorzienigheid zich aan. Ook deze is een almachtige en alomtegenwoordige kracht en daad Gods. Al wat is en geschiedt, is een werk van God in eigenlijke zin, en voor de vrome een openbaring van zijn deugden en volmaaktheden. Zo beziet de Schrift natuur en geschiedenis. Schepping, onderhouding en regering zijn één machtige, voortgaande openbaring van God. Geen natuurpoëzie heeft die van Israël overtroffen of geëvenaard3. Alles in de natuur spreekt de vrome van God. De hemelen vertellen Gods eer, het uitspansel verkondigt van het werk van zijn handen. Gods stem is op de grote wateren. Die stem verbreekt de cederen, dreunt, in de donder, loeit in de stormwind. Het licht is zijn kleed, de hemel zijn gordijn, de wolken zijn zijn wagen. Zijn adem schept en vernieuwt het aardrijk. Hij regent en geeft zonneschijn over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren en alle dingen komen de gelovige niet bij geval toe maar van Gods vaderlijke hand. De natuur- en geschiedbeschouwing van de Schrift is religieus en daarom ook supranatureel.

Voor de Schrift hangen zelfs religie en bovennatuurlijke openbaring ten nauwste samen. Zij verhaalt van zulk een openbaring niet eerst na, maar ook reeds vóór de val. De verhouding van God en mens in de status integritatis wordt als een persoonlijke omgang getekend. God spreekt tot de mens, Gen. 1:28-30, geeft hem een gebod dat hij van nature niet weten kon, Gen. 2:16, en voegt als met eigen hand de vrouw ter hulpe hem toe, Gen. 2:22. Ook het foedus operum is niet in die zin een foedus naturae, dat het vanzelf uit de natuurlijke aanleg van de mens opkomt, maar is een vrucht van bovennatuurlijke openbaring. En omdat het foedus operum nu niets anders is dan de vorm van de religie bij de naar Gods beeld geschapen mens die,het hoogste nog niet had verkregen, zo kan gezegd worden, dat de Schrift de zuivere religie zich niet denken kan zonder revelatio supernaturalis. Het bovennatuurlijke strijdt niet met ‘s mensen natuur, noch met de natuur van de schepselen; het behoort, om zo te spreken, tot het wezen van de mens. De mens is beeld van God en Gode verwant, en door de religie staat hij tot God in een rechtstreekse verhouding. De aard van deze verhouding sluit in, dat God zich aan de naar zijn beeld geschapen mens beide objectief en subjectief openbaart. Er is geen religie zonder traditie, dogma, cultus; en deze alle zijn met het begrip van openbaring samengeweven. Alle religies zijn dan ook positief en berusten niet alleen op natuurlijke maar altijd ook op werkelijke of vermeende bovennatuurlijke openbaring. En alle mensen erkennen van nature het supranaturele. Het naturalisme is evenals het atheïsme een vondst van de wijsbegeerte, maar het heeft geen steun in de menselijke natuur. Zolang de religie zal behoren tot het wezen van de mens, zal de mens ook zijn en blijven supranaturalist. Elk gelovige, van welke richting ook, hij moge naturalist zijn met zijn hoofd, hij is toch supranaturalist met zijn hart. Wie uit de religie, dus uit het gebed, uit de gemeenschapsoefening met God het supranaturele bannen wil, doodt de religie zelf. Want religie onderstelt werkelijke verwantschap en gemeenschap met God en is door en door supranaturalistisch. Zij is onafscheidelijk van het geloof, dat God supra naturam staat en dat Hij met haar doen kan naar zijn welbehagen, dat Hij de natuurorde dienstbaar maakt aan de zedelijke orde, de rijken van de wereld aan het koninkrijk van de hemelen, de physis aan de ethos. Er is daarom terecht gezegd, dat de bede om een rein hart even supranaturalistisch is als die om een gezond lichaam (Pierson). De theïst, die waarlijk theïst wil zijn en toch de bovennatuurlijke openbaring bestrijdt, is met deze ontkenning er nog volstrekt niet af. Hij moet of terug naar het deïsme of pantheïsme, of hij moet vooruit en ook de mogelijkheid van de bovennatuurlijke openbaring aannemen. Want geen enkele godsdienst kan met de abstracte waarheden van de religio naturalis volstaan. De enige ware tegenstelling van de erkenning van het supranaturele is dan ook niet het rationalistisch deïsme, maar het naturalisme, d.i. het geloof, dat er geen andere hogere kracht bestaat dan die in de tegenwoordige natuurorde aanwezig is en zich openbaart. Maar dan valt ook alle recht, om aan de triomf van het goede, aan de eindelijke zegepraal van het rijk Gods, aan de macht van de zedelijke wereldorde te geloven. Want het goede, het ware, de zedelijke wereldorde, het rijk Gods zijn zaken, die in zichzelf geen macht hebben, om zich te realiseren. De hoop, dat de mensen ze tot heerschappij zullen brengen en voor de macht van de waarheid zwichten zullen, wordt iederen dag door de ervaring teleurgesteld. Dan alleen is hun triomf verzekerd, als God een persoonlijk, almachtig wezen is en heel de schepping, ondanks alle tegenstand, heenleiden kan tot het door Hem beoogde doel. De religie, de moraal, de erkenning van een bestemming voor mensheid en wereld, het geloof aan de zegepraal van het goede, de theïstische wereldbeschouwing, het geloof aan een persoonlijk God zijn alle onlosmakelijk met het supranaturalisme verbonden. De idee van God en van de religie involveert die van de openbaring4.

Bovennatuurlijke openbaring mag echter niet met onmiddellijke openbaring vereenzelvigd worden. De onderscheiding van middellijke en onmiddellijke openbaring is telkens in verschillende zin genomen. Onmiddellijk werd vroeger elke openbaring genoemd, die zonder tussenpersoon tot de ontvanger zelf kwam; en middellijk die, welke door engelen of mensen aan anderen werd overgebracht5. Inzoverre nu de openbaring tot profeten en apostelen meest persoonlijk kwam, daarentegen tot ons slechts komt door hun geschriften heen, kon de eerste als revelatio immediata tegen de laatste, als revelatio mediata, worden overgesteld. Bij de rationalistische en moderne theologen hebben deze benamingen dikwijls een geheel andere zin ontvangen, en daardoor de verwarring in de opvatting van de openbaring doen toenemen6. In strikte zin is er geen onmiddellijke openbaring, noch in de natuur noch in de genade. Altijd bedient God zich van een middel, hetzij uit de schepselen genomen hetzij vrij gekozen, waardoor Hij zich aan mensen openbaart. Door tekens en symbolen doet Hij hen zijn tegenwoordigheid gevoelen; door daden verkondigt Hij zijn deugden; door spraak en taal maakt Hij hun zijn wil en gedachte bekend. Zelfs waar Hij door zijn Geest inwendig zich openbaart in het bewustzijn, geschiedt deze openbaring toch altijd organisch en dus langs middellijke weg. De afstand tussen Schepper en schepsel is veel te groot, dan dat de mens God rechtstreeks gewaarworden kan. Finitum non est capax infiniti. Of er in de status gloriae een visio Dei per essentiam zal zijn, kan pas later worden onderzocht. Maar in deze bedeling is alle openbaring middellijk. Gelijk God is en spreekt in zichzelf, kan Hij door geen schepsel worden aanschouwd of verstaan. Openbaring is daarom altijd een daad van genade; in haar daalt God tot zijn schepsel af, dat naar zijn beeld is gemaakt. Alle openbaring is antropomorfisme, is een zekere menswording Gods. Zij geschiedt altijd in zekere vormen, in bepaalde modi. In de revelatio naturalis zijn zijn goddelijke en eeuwige gedachten op creatuurlijke wijze in de schepselen neergelegd, zodat ze door de mens denkende kunnen verstaan worden. En bij de revelatio supernaturalis bindt Hij zich aan ruimte en tijd, neemt Hij aan menselijke taal en spraak, en bedient zich van creatuurlijke middelen, Gen. 1:28, 2:16 v., Gen. 2:21 v., Gen. 3:8 v. En door deze media heen vernam en verstond de mens God even goed en even duidelijk, als nu de vrome de spraak van God verneemt in heel de natuur. Zo weinig onmogelijk en bedrieglijk de openbaring Gods in de natuur en geschiedenis is voor de gelovige, is het ook de bovennatuurlijke openbaring, waarbij God van ongewone middelen zich bedient, maar waarvoor Hij ook op bijzondere wijze de ogen opent. Natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring gaan dus naar de leer van de Schrift in de status integritatis saam. Zij zijn geen tegenstelling maar vullen elkaar aan. Zij zijn beide middellijk en aan bepaalde vormen gebonden. Zij berusten beide op de gedachte, dat God in genade zich nederbuigt tot de mens en hem gelijkvormig wordt. En zij hebben beide deze modi, dat God zijn tegenwoordigheid gevoelen, zijn stem horen, zijn werken aanschouwen doet. Door verschijning, woord en daad maakte God zich van de aanvang af aan mensen bekend.

Opmerkelijk is het nu, dat de zonde, die door de eerste mens intreedt in de wereld, in het feit zelf van de openbaring geen verandering brengt. God blijft zich openbaren; Hij trekt zich niet terug. Allereerst wordt ons door heel de Schrift heen een revelatio naturalis geleerd. Gods openbaring is begonnen in de schepping en zet in de onderhouding en regering van alle dingen zich voort. Hij openbaart zich in de natuur om ons heen, spreidt daarin zijn eeuwige kracht en goddelijkheid ten toon, en bewijst in zegeningen en oordelen beurtelings zijn goedheid en zijn toorn, Job 36; 37. Ps. 29; 33:5; 65; 67:7 [Ps. 67:6]; 90; 104; 107; 145; 147; Jes.59:17-19. Mt.5:45. Rom. 1:18. Hand. 14:16. Hij openbaart zich in de geschiedenis van volken en personen, Deut. 32:8. Ps. 33:10, Ps. 67:5 [Ps. 67:4], 115:16. Spr. 8:15-16. Hand. 17.20. Rom. 13:1.. Hij openbaart zich ook in het hart en geweten van ieder mens, Job. 32:8, 33:4. Spr. 20:27. Joh. 1:3-5, 9-10. Rom. 2:14-15; 8:16. Deze openbaring Gods is algemeen, op zichzelf waarneembaar en verstaanbaar voor ieder mens. Natuur en geschiedenis zijn het boek van Gods almacht en wijsheid, van zijn goedheid en rechtvaardigheid. Alle volken hebben deze openbaring tot op zekere hoogte erkend. Zelfs de afgoderij onderstelt, dat in de schepselen Gods dunamiv en yeiothv zich openbaart. Wijsgeren, natuuronderzoekers en geschiedvorsers hebben menigmaal op treffende wijze van deze openbaring Gods gesproken7. Door de Christelijke theologie is deze algemene openbaring te allen tijde eenparig aangenomen en verdedigd8. In het bijzonder door de Gereformeerde theologen werd deze algemene openbaring gehandhaafd en hoog gewaardeerd9.

Maar volgens de Schrift is deze algemene openbaring niet louter natuurlijk, maar bevat zij ook bovennatuurlijke elementen. De openbaring, die terstond na de val geschiedt, draagt een supranatureel karakter, Gen. 3:8 v, en wordt door traditie het eigendom van de mensheid. De oorspronkelijke kennis en dienst Gods blijft nog lange tijd in min of meer zuivere toestand bewaard. Aan Kaïn wordt genade geschonken voor recht; zelfs wordt hij de vader van een geslacht, dat met de cultuur een aanvang maakt, Gen. 4. Het verbond, dat na de zondvloed met Noach en in hem met heel de nieuwe mensheid opgericht wordt, is een verbond van de natuur en toch niet natuurlijk meer, maar vrucht van ongehouden bovennatuurlijke genade, Gen. 8:21-22; 9:1-17. Meermalen gewaagt de Schrift van wonderen, die God gewrocht heeft voor de ogen van de Heidenen, in Egypte, Kanaän, Babel enz., en van bovennatuurlijke openbaringen, die aan niet-Israelieten te beurt gevallen zijn, Gen. 20; 30; 40; 41; Richt. 7; Dan. 2:4 enz. De godsdiensten van de Heidenen rusten dus niet alleen op de erkentenis van Gods openbaring in de natuur, maar zeer zeker ook op elementen, die van de oudste tijden af uit bovennatuurlijke openbaring door de traditie, zij het ook menigmaal verbasterd, zijn bewaard. En zelfs is een werking van bovennatuurlijke krachten in de heidenwereld a priori noch onmogelijk noch zelfs onwaarschijnlijk. Er kan waarheid liggen in het beroep op openbaringen, dat aan alle godsdiensten gemeenschappelijk is. En omgekeerd is niet alles wat tot het terrein van de bijzondere genade behoort, in strikte zin bovennatuurlijk. Er verlopen hele perioden in de geschiedenis van Israël, vele dagen en jaren in het leven van Jezus, en ook in het leven van de apostelen, waarin geen bovennatuurlijke openbaring plaats heeft en die toch een gewichtig deel vormen in de historia revelationis. Als Jezus de armen het evangelie verkondigt, is dit van geen minder gewicht, dan wanneer Hij kranken geneest en doden opwekt. Zijn sterven, dat natuurlijk schijnt, is van geen mindere betekenis dan zijn bovennatuurlijke geboorte. Daarom is de onderscheiding van natuurlijke en bovennatuurlijke openbaring niet identiek met die van algemene en bijzondere. Ter aanduiding van de tweeërlei openbaring, die aan de heidense religies en aan de religie van de Schrift ten grondslag ligt, is de laatste onderscheiding te verkiezen boven de eerste.

1 Beweis des Glaubens, Nov. 1890 bl. 416-417.

2 Oehler, Theol. des A. Test. 1883 bl. 21.

3 Pierson, Geestelijke Voorouders I 389 v.

4 Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. 36 v. James Orr, The christian view of God and the world, Edinb. 1893 bl. 60 v. 91 v. Of. RauwenhoU, Wijsbeg. v. d. godsd. 530 v.

5 Witsius, Misc. Sacr. I 16.

6 Rothe, Zur Dogm. 55 v. 64 v. Nitzsch, Lehrbuch der ev. Dogm. 163 v.

7 Bijv. Xenophon, Memor. I 4, 5. Cicero, de nat. deor. II 2. de di villat. II 72. Verg. voorts voor de beoefenaars der wetenschap, Zöckler, Gottes Zeugen im Reich der Natur2 1906. Kneller, Das Christ. und die Vertreter der neueren Naturw2. 1904.

8 Irenaeus, adv. haer. II 6. Tertull.,. de testim. an., adv. Marc. I10. August. de civ. Dei 8, 9 v. 19, 1. de trin. 4, 20. Damasc., de fide orthod. I c. 1. 3. Thomas, S. c. Gent. 1-3. S. Theol. I qu. 2. V erg. verder Denzinger, Vier Bücher v. 01. rel. Erk. II 27-45.

9 Calvijn, Inst. I c. 4. Verg. voorts Schweizer, Gl. der ev. ref. K. I 241 v. Heppe, Dogm. bl. 1 v. Scholten, L. H. K. I 304-326. Doedes, Inl. tot de leer van God2 107-252.

x
This website is using cookies. Accept