Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

93. Wonderen. Gelijk de mens, behalve door zijn verschijning en zijn woord, ook door zijn daden zich kennen doet, zo openbaart zich God niet alleen door zijn woorden, maar ook door zijn werken. Woord en daad staan in nauw verband. Gods woord is een daad, Ps. 33:9, en zijn doen is een spreken, Ps. 19:2 [Ps. 19:1], 29:3, Jes. 28:26. Beide, woord en daad, vergezellen elkaar in schepping zowel als herschepping. Gemeenlijk gaat het woord vooraf, als belofte of als bedreiging, maar het bevat de daad als in kiem in zich. Zijn woord keert niet ledig weer, maar doet wat Hem behaagt, Jes. 55:10-11. Het woord eist de daad, het wonder verzelt de profetie; niet alleen het bewustzijn, ook het zijn moet vernieuwd worden. De woorden, waarmee in de Schrift de daden, de werken van God worden aangeduid, zijn verschillend. Naar hun uitwendige verschijning zijn ze twalpn, Ex. 3:20; 34:10, Ps. 71:17. alp, Ex. 15:11, Jes. 25:1, insignia, ingentia, of Mytpwm, Ex. 4:21; 7:19; Ps. 105:5, splendidum quid, beide in het Grieks terata, iets bijzonders, ongewoons, dat van de gewone gebeurtenissen zich onderscheidt. Zij heten twrwbg, Deut. 3:24, Ps. 21:14 [Ps. 21:13]; 54:3 [Ps. 54:1]; 66:7, dunameiv, Mysem, Ps. 8:7 [Ps. 8:6]; 19:2 [Ps. 19:1]; 103:22; Jes. 5:19, of twlyle, Ps. 9:12 [Ps. 9:11]; Ps. 77:13 [Ps. 77:12], erga megaleia, om de grote, goddelijke kracht, die er zich in openbaart. Vooral worden ze ook genoemd twtwa, Ex. 3:12, 12:13 enz., omdat ze een bewijs en teken zijn van de tegenwoordigheid van God. Die werken van God zijn allereerst op te merken in zijn schepping en onderhouding. Al Gods werken zijn wonderen. Ook de werken van de natuur worden menigmaal in de Schrift met de naam van wonderen aangeduid, Ps. 77:13 [Ps. 77:12], 97:3, 98:1, 107:24, 139:14. Daaruit mag echter niet met Scholten1 worden afgeleid, dat de H. Schrift geen onderscheid kent tussen natuur en wonder. Zeker, de gedachte, dat een wonder in strijd zou zijn met de wetten van de natuur en dus onmogelijk zou wezen, komt niet op. Veeleer gaat heel de Schrift uit van het geloof, dat voor God niets te wonderlijk is, Gen. 18:14, Deut. 8:3 v., Matt. 19:26. Maar daarom ontbreekt het niet aan een onderscheiding tussen de gewone orde van de natuur en de buitengewone machtsdaden Gods. Het Oude Testament kent een vaste orde van de natuur, ordinantiën die voor hemel en aarde gelden, die vastliggen in het bestel des Heeren, Gen. 1:26,28; 8:22; Ps. 104:5,9; 119:90-91; 148:6; Pred. 1:10, Job 38:10 v., Jer. 5:24, 31 v., Jer. 33:20,25. En het Nieuwe Testament maakt een even duidelijk onderscheid, Matt. 8:27; 9:5,24,33; 13:54; Luk. 5:9; 7:16; 8:53; Joh. 3:2, 9:32, enz. Wonderen zijn een hayrb, een schepping, iets nieuws, dat anders nooit gezien wordt, Ex. 34:10, Num. 16:30. De feiten, die in de H. Schrift als wonderen zijn vermeld, worden ook door ons nog als wonderen beschouwd; over de kwalificatie van die feiten is er geen verschil2. Voorts erkent de Schrift wel, dat ook buiten de openbaring ongewone krachten kunnen werken en ongewone dingen kunnen geschieden, Ex. 7:11,22; 8:7,18; 9:11 ; Matt. 24:24, Openb. 13:13 v., een teken of wonder is op zichzelf dus niet genoeg tot verzegeling van een profeet, Deut. 13:1-3. Maar toch is het alleen Israëls God, die wonderen doet, Ps. 72:18, 77:15 [Ps. 77:14], 86:10, 136:4. Soms brengt Hij die wonderen zelf rechtstreeks tot stand, soms bedient Hij zich van mensen of engelen. Maar altijd is het God, die ze doet. Zijn dunamiv wordt daarin openbaar, Luc. 5:17; 14:19; Mark. 7:34, Luk. 11:20, Joh. 3:2; 5:19 v., Joh. 10:25,32; Hand. 2:22, 4:10. Het is de Geest des Heeren, die ze werkt, Matt. 12:28, Hand. 10:38.

De wonderen hebben hun aanvang en hun grondslag in de schepping en onderhouding van alle dingen, welke een voortdurend werk en wonder Gods is, Ps. 33:6,9. Joh. 5:17. Al wat geschiedt, heeft zijn laatste grond in de wil en de macht van God. Niets kan Hem weerstaan. Hij doet met het heir des hemels naar zijn welbehagen, Jes 55:8 v. Ps. 115:3. Deze macht en vrijheid van God wordt gepredikt door de natuur, Jer. 5:22; 10:12; 14:22; 27:5; Jes. 40:12; 50:2-3; Ps. 33:13-17; 104; Job 5:9 v., Job 9:4 v.. enz., maar komt vooral uit in de geschiedenis van zijn volk, Deut. 10:21, 11:3, 26:8, 29:2, 32:12 v., Ps. 66:5 v., Ps. 74:13v., Ps. 77:15v. [Ps. 77:14], Ps. 78:4 v., Ps. 135:8 v., Jes. 51:2,9, Jer. 32:20 v., Hand. 7:2 v. ; In deze geschiedenis treden vooral de wonderen op. Ze geschieden met verschillend doel. Nu eens om de goddelozen te straffen, Gen 6:6 v., Gen. 11:19, Ex. 5 v., Lev. 10:1, Num. 11:30 v., Num. 14:21; 16:1 v., Num. 21:6 enz., Matt. 8:32; 21:19; Hand. 13:11 enz. Dan, om Gods volk te redden en te verlossen, om heil en genezing aan te brengen, zoals de plagen in Egypte, de doortocht door de Rode Zee, de wonderen in de woestijn, de genezingen van Jezus. Meermalen hebben zij ook de rechtstreekse of zijdelingse bedoeling, om de zending van de profeten, de waarheid van hun woord, en zo het geloof aan hun getuigenis te bevestigen, Ex. 4:1-9, Deut. 13:1 v., Richt. 6:37 v., 1 Sam. 12:16 v., 1 Kon. 17:24, 2 Kon. 1:10; 20:8; Jes. 7:11, enz, Matt. 14:33, Luk. 5:11; 3:14,24; Joh. 2:2; 5:36; 7:31; 9:16; 10:38; 12:37; Hand. 2:22, 10:38 enz. Profetie en wondergave gaan samen. Al de profeten en ook de apostelen hebben het bewustzijn, wonderen te kunnen doen. Mozes is groot ook in zijn wonderen geweest, Ex. 5-15, Deut. 34:10-12. Zijn zonde bestond eenmaal in twijfel aan Gods wondermacht, Num. 20:10 v. Om Elia en Eliza groepeert zich een cyclus van wonderen, 1 Kon. 2-2 Kon. 13. Bij de latere profeten nemen de wonderen niet zo grote plaats meer in. Dikwijls bedienen zij zich van zogenaamde symbolische handelingen, om daarmee hun profetie te bevestigen en als het ware aanvankelijk te realiseren, 1 Kon. 11:29-39, 20:35 v., 1 Kon. 22:11, Jes. 7:3; 8:1; 20:2 v., Jes. 21:6; 30:8; Jer. 13; 16; 18; 19; 25:15; 27; 28:10 v., Jer. 32:6; 43:8; Ezech. 4; 5; 6:11; 7:23; 12:3; 17:1; Hos. 1; 2; 3; Hand. 21:10 v. 3. Maar toch worden ook van hen nog wonderen verhaald en hebben zij de overtuiging, wonderen te kunnen doen, Jes. 7:11, 16:14, 21:16, 38:7 cf. 2 Kon. 20, Jer. 22:12,30; 28:16; 29:22; 36:30; 37:7 v., Dan. 1. Maar al die wonderen in het Oude Testament hebben niet bewerkt een verheffing, een vernieuwing van de natuur. Zij hebben hun werking gehad. Zij hebben de mensheid beurtelings gestraft en gezegend, en in ieder geval voor de andergang bewaard. Zij hebben in Israël een eigen volk gecreëerd, uit de dienstbaarheid van Egypte verlost, voor de samenvloeiing met de Heidenen bewaard, en als volk Gods beschermd tegenover de neerdrukkende macht van de natuur. Maar zij waren momenteel, gingen voorbij, verminderden in werking en werden vergeten. Het leven nam zijn gewoon verloop. De natuur scheen te zegepralen. Toen verhief de profetie haar stem en zij sprak, dat Israël niet onder kon gaan en vervloeien in het natuurleven van de Heidenen. God zal opnieuw en in grotere heerlijkheid tot zijn volk komen. God zal zijn verbond niet vergeten, het is een eeuwig verbond, Ps. 89:1-5 [Ps. 89:1-4], Jes. 54:10. Met dat komen van God gaat de oude tijd over in de nieuwe. Dat is het keerpunt in de wereldgeschiedenis. Het is de hwhy Mwy, de Dag des Heeren, waarop Hij zijn heerlijkheid openbaren en zijn wondermacht ten toon spreiden zal. God geeft dan wondertekenen aan de hemel, Am. 8:8 v., Joël 2:30. Heel de natuur, hemel en aarde, zullen bewogen worden, Am. 9:5, Jes. 13:10,13; 24:18-20; 34:1-5; Joël 2:2,10; 3:15; Mich. 1:3 v., Hab. 3:3v., Nah.1:4 v., Ezech. 31:15 v., Ezech. 32:7 v., Ezech. 38:19 v. Het gericht zal gaan over de goddelozen, Jes. 24:16 v. enz., maar het zal ook louteren en bevrijden. God zal zijn volk redden door zijn wonderen. Jes. 9:3, 10:24 v., Jes. 11:15 v., Jes. 43:16-21; 52:10; 62:8. Hij doet wat nieuws op de aarde, Jes.43:19, brengt Israël weer uit de dood, Ezech. 37:12-14, en doet het delen in een volheid van geestelijke en stoffelijke zegeningen. Vergeving van de zonden, heiligheid, een nieuw verbond, Jes. 44:21-23; 43:25; Ezech. 36:25-28, Jer. 31:31 v., Zach. 14:20,21, maar ook vrede, veiligheid, welvaart zal zijn deel zijn. Zelfs de natuur zal veranderen in een paradijs, Hos. 2:17 v., Joël 3:18, Jer. 31:6,12-14, Jes. 11:6-8; 65:25; Ezech.34:29, 36:29 v., Zach. 8:12. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, Jes. 65:17, 66:22. Deze Jom Jhvh, deze abh Mle, aiwn mellwn, in tegenstelling met de hzh Mle, aiwn outov, is naar de voorstelling van de Schrift met het Nieuwe Testament. aangebroken. De komst van Christus is het keerpunt van de tijden. Een nieuwe wondercyclus groepeert zich om zijn persoon. Hij is zelf het absolute wonder, van boven neergedaald en toch de waarachtige, volkomen mens. In Hem is in beginsel de schepping weer hersteld, uit haar val weer opgeheven tot haar vroegere heerlijkheid. Zijn wonderen zijn shmeia van de tegenwoordigheid Gods, bewijs van de Messiaanse tijd, Matt. 11:3-5; 12:28; Luk. 13:16, een deel van zijn Messiaanse arbeid. In Christus treedt een goddelijke dunamiv op, die sterker is dan alle verdervende en verwoestende macht van de zonde. Deze macht valt Hij aan, niet alleen in de periferie, door ziekten en kwalen te genezen en allerlei wonderen te doen; maar Hij dringt tot in haar centrum door, breekt en overwint ze. Zijn menswording en voldoening, zijn opstanding en hemelvaart zijn de grote verlossingsdaden van God. Zij zijn de principiële herstelling van het rijk van de heerlijkheid. Deze heilsfeiten zijn geen middelen alleen, om iets te openbaren, maar zij zijn de openbaring Gods zelf. Het wonder wordt hier tot historie, en de historie zelf is een wonder. De persoon en het werk van Christus is de centrale openbaring van God; alle andere openbaring groepeert zich daar omheen. Maar ook na Jezus’ heengaan zet zijn wondermacht in de dicipelen zich voort, Matt. 10, Mark. 16:18, Luk. 8. En niet alleen in de Handelingen worden vele wonderen verhaald, Hand. 2:43; 3:5; 5:12-16; 6:8; 8:6,7,13; 9:34,40; 13:11; 14:3; 16:18; 19:11; 20:10; 28:5,8; maar ook Paulus legt getuigenis af van deze wondermacht van de apostelen, Rom. 15:18-19, 1 Cor. 12:9-10, 2 Cor. 12:12, Gal. 3:5, cf. Hebr. 2:4. Een tijd lang werkt deze wondermacht ook nog voort in de gemeente. Maar ze is opgehouden, als het Christendom gevestigd is en de kerk het voorwerp is, waarin God de wonderen van zijn genade verheerlijkt4. De geestelijke wonderen zijn het, in welke God thans zijn macht en zijn heerlijkheid openbaart5. Toch wijst de Schrift heen naar een toekomst, waarin het wonder opnieuw zijn werking zal doen. De aiwn mellwn voleindt zich eerst in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Dan is het wonder geworden tot natuur. Ethos en physis zijn verzoend. Het koninkrijk Gods en het koninkrijk der wereld zijn een, Op. 21; 22 6.

1 Scholten, Supranaturalisme in verband met Bijbel, Christendorn en Protestantisme. Leiden 1867 bl. 9 v.

2 Verg. PRE2 XVII 360. Pierson, Gods wondermacht en ons geestelijk leven 1867 bl. 10 v. Gloatz, in Stud. u. Krit. 1886, 3tes Heft bl. 403 v. W Bender, Der Wunderbegriff des N. T. Frankf. 1871 bl. 100 v. Schultz, Altt. Theol. 577 v. Kleinert, Naturanschauung des A. T. Stud. u. Krit. 1898 bl. 1 v. Koeberle, Natur und Geist nach der Auffassung des A. T. Munchen 1901, passim, vooral bl. 231 v. 260 v.

3 Schultz, Altt. Theol. 250 v. Smend, Lehrb. der altt Rel. Gesch. 88. König, Der Offenbarungsbegriff II 111 f.

4 Augustinus, de civ. Dei XXII 8. de util. cred. 16. de vera relig. 25.

5 Luther bij Köstlin, Luthers Theol. II 249 v. 341 Vv Scholten L. H. K. I 143.

6 Verg. over de wonderen in de Schrift: Neander, Gesch. der Pflanzungund Leitung der Chr. K5. bl. 49 v. 154 v. 336 v. Tholuck, Vermiste Schriften 1839 I 28 v. OehIer, Theol. des A. T. bl. 210 v. Schultz, Altt. Theol bl. 270 v. 534 v. 577 v. Smend, Lehrbuch 88 v. w. Bender, Der Wunderbegriff des N. T. 1871. Schaff Jezus Christus, het wonder der geschiedenis 1867. Borchert, Die Wunder der Propheten, Bew. d. Gl. 1897 bl. 177-189. Feine, Das Wunder im N. T. Eisenach 1894. E. Ménégoz, La nation biblique du miracle. Paris 1894. R. Ch. Trench, Die Wunder des Herrn. Deutsche Uebersetzung von Ed. Rollet. Neukirchen 1903. I. H. Ziese, Die Gesetz- und Ordnungsgemässheit der biblischen Wunder universalgeschichtlich begründet. Schleswig 1903. G. Fulliquet, Le miracle dans la Bible. Paris 1904.

x
This website is using cookies. Accept