Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

Eerste Deel

Inleiding

Par. 1. Naam en Begrip der Dogmatiek.

Heppe, Dogm. d. deutschen Protest. 1857 I 4-14. Plitt-Kolde, Die Loci Communes Ph. Melanchtons in ihrer Urgestalt 3. Erlangen 1900. Kunze, Art. Loci C. in PRE 3 XI 570-572. Sanseverino, Philos. Christ. Neap. 1878 III 286-315. Suicerus, Thesaurus Eccles. s. v. δογμα. Cremer, Wörterbuch der neut. Gräcität s.v. W Schmidt, Christl. Dogmatik, Bonn 1895 I 1-19. Lobstein, Einleitung in die Evang. Dogm. Freiburg 1897. Stange, Das Dogma und seine Beurteilung in der neueren Dogmengesch. Berlin 1898. Kuyper, Encycl. der h. Godg. III 395 v.

1. De naam dogmatiek is van nog jonge dagtekening. Vroeger waren vele andere namen in gebruik. Origenes gaf aan zijn dogmatisch hoofdwerk de titel Περι Ἀρχων; Theognostus, een opvolger van Origenes aan de school te Alexandrië, koos voor zijn verloren gegaan werk de titel van Uποτυπωσεις en Lactantius sprak van Divinae Institutiones. Augustinus omschreef zijn Enchiridium ad Laurentium door de bijvoeging: sive de fide, spe et caritate. Johannes Damascenus gaf een Eκδοσις ακριβης της ορθοδοξου πιστεως. Met Isidorus Rispalensis kwam de naam Sententiae op, die in de 13e eeuw plaats maakte voor die van Summa Theologiae. Melanchton sprak van Loci communes rerum theologicarum sive hypotyposes theologiae. De term loci is aan Cicero ontleend en diende als vertaling van het Griekse τοποι. Aristoteles verstond daaronder de algemene regels der dialectiek, die van zichzelf bekend waren en vaststonden en daarom als στοιχεια των αποδειξεων dienst konden doen, Rhet. II 22, 13. Metaph. IV 3, 3. Cicero bracht deze leer van de τοποι uit de dialectiek naar de rhetorica over en duidde daarmee de algemene regels of plaatsen aan, waar de redenaar de argumenten vinden kon, welke hij bij de behandeling van enig onderwerp nodig had. Hij omschreef de loci als sedes, e quibus argumenta promuntur, i. e. rationes, quae rei dubiae faciunt fidem, en wees als zulke bronnen aan het begrip, de definitie, de divisie, de grondbetekenis van het woord, de synoniemen enz., Top. II 2. In de rhetorica bleven deze loci topici eeuwenlang een voorname plaats bekleden; zij gaven de middelen aan de hand, om bij het behandelen van enig onderwerp de nodige stof en bewijzen te vinden. Wanneer deze sedes argumentorum een algemeen karakter droegen, zodat zij bij alle onderwerpen dienst konden doen, werden zij loci communes genoemd; in onderscheiding daarvan werd de naam van loci proprii gegeven aan zulke bewijsplaatsen, welke alleen bij een bepaald onderwerp te pas gebracht konden worden.

De loci communes van Melanchton hebben hun ontstaan te danken aan een dubbele arbeid, waaraan hij in dezelfde tijd bezig was, n.l. aan een reeks kritische aanmerkingen op de Sententiae van Lombardus en aan een commentaar op Paulus’ brief aan de Romeinen. Daaruit rijpte bij hem in 1520 het plan, om locos communes te schrijven de legibus, de peccato, de gratia, de sacramentis deque aliis mysteriis, d.w.z., om de schriftuurlijke stof, welke hij uit de studie van de brief aan de Romeinen verkreeg, overeenkomstig de raad van de retoren, rubrieksgewijze, onder enige algemene begrippen samen te vatten en te behandelen. Deze algemene begrippen of loci ontleende Melanchton aan Lombardus, maar hij vulde die met een andere inhoud, n.l. met een inhoud, niet aan de scholastiek maar aan de Schrift, bepaaldelijk aan Paulus’ brief aan de gemeente te Rome ontleend. De naam loci communes had bij Melanchton dus nog niet de betekenis van grondwaarheden, maar alleen die van formele grondbegrippen of schemata, waaronder de waarheden der Schrift geschikt konden opgenomen en behandeld worden. De behandeling dezer loci had ook geen wetenschappelijk doel, maar diende alleen, om onontwikkelden in te leiden in de kennis der Heilige Schrift; zij liet daarom in volledigheid en orde nog veel te wensen over, en werd eerst in een latere uitgave aanmerkelijk uitgebreid. Daar Melanchton zelf zijn loci communes omschreef door hypotyposes theologiae en later ook van loci praecipui sprak, ging de formele betekenis van de naam allengs en ongemerkt in een materiële over loci communes werd de naam voor de hoofdwaarheden van het Christelijk geloof. De Duitse vertaling van Melanchtons geschrift door Spalatin gaf de titel dan ook naar de inhoud volkomen juist weer door: Hauptartikel und fürnehmste Punkte der ganzen Heiligen Schrift.

Bij Roomse theologen vond deze nieuwe naam voor de behandeling der geloofswaarheid, op een enkele uitzondering na, weinig ingang. Wel bezigen zij de uitdrukking loci, maar niet in de zin, die zij allengs door Melanchton verkregen had, doch in de betekenis, welke er van de dagen van Aristoteles en Cicero aan gehecht was. Zij verstaan er niet onder de articuli fidei, maar de principia of bronnen der theologie1. Het beroemde werk van Melchior Canus, dat in 1563 onder de titel van Loci Theologici verscheen, behandelt niet de dogmatiek zelf, maar haar bronnen, welke tien in getal zijn: Schrift, Traditie, Paus, Conciliën, Kerk, Kerkvaders, scholastici, rede, filosofie, geschiedenis. Daarentegen werd de naam loci communes van Melanchton door vele Lutherse en Gereformeerde theologen overgenomen, zoals Chemniz, Hutter, Gerhard, Calovius, Martyr, Musculus, Hyperius, Ursinus, Maccovius, Chamier enz.

Toch kon deze naam zich op de duur, naarmate de behoefte aan een meer systematische behandeling van de geloofswaarheden zich gelden deed, niet handhaven. Van de aanvang der Hervorming af waren ook reeds andere namen in gebruik geweest. Zwingli had dogmatische geschriften in het licht gegeven onder de titel van Commentarius de vera ac falsa religione, Christianae fidei brevis et clara expositio. Calvijn verkoos de naam van Institutio religionis Christianae. En latere theologen uit de Lutherse en Gereformeerde kerk keerden tot de ouden naam van theologia terug. Ter onderscheiding van andere theologische vakken, die allengs in aantal en in gewicht toenamen, moest deze naam van Theologia nader omschreveu worden. Daartoe diende de bijvoeging didactica, systematica, theoretica, positiva, en sedert L. Reinhart, Synopsis theologiae dogmaticae 1659, ook die van dogmatica. Deze omschrijving lag voor de hand, wijl de geloofswaarheden reeds lang met de naam van dogmata werden aangeduid, en de met Danaeus en Calixtus begonnen scheiding van dogmatiek en ethiek voor beide vakken een afzonderlijke naam eiste. Sedert heeft deze bijvoeging zo grote heerschappij verkregen, dat zij het hoofdbegrip van theologie heeft gebannen en zelfstandig is opgetreden, dat zij onder theologen van allerlei belijdenis instemming heeft gevonden, en door de nieuwere namen van geloofsleer, heilsleer, Christelijke leer enz. niet is kunnen verdrongen worden.

1 Cf. Dens, Theolagia ad usum seminariarum, Mechl. 1828 I 5. Billuart, Summa S. Thomae sive Cursus Theologiae 1747 I 47. Daelman, Theologia seu Observ. Theal. in Summam D. Thomae 1759 I 18.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept