Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

11. Indien alzo de dogmatiek in het derde deel der theologische wetenschap haar rechtmatige plaats vindt, behoort zij thans nog van enkele vakken, welke met haar tot dit derde deel behoren, nauwkeurig onderscheiden te worden. Alle vakken dezer groep hebben het met het dogma te doen, dat is met de waarheid, gelijk God ze in zijn Woord heeft geopenbaard, maar ieder op een eigen wijze. Het kan beluisterd worden, zoals de gemeente het klaar en krachtig in haar beschreven of onbeschreven confessie belijdt, en dan ontstaat de theologia symbolica. Het kan in eenvoudige, bevattelijke vorm, als melk 1 Petr. 2:2 aan de jeugdige leden, de kinderen der gemeente, worden voorgedragen, en dan is de theologia catechetica aan het woord, wel te onderscheiden van de catechetiek, de kunst om dat te doen. Het kan in zijn waarheid en recht tegenover bestrijders worden gehandhaafd en dan volbrengt de theologia elenctica haar taak. Het kan ook thetisch en positief, en tevens op wetenschappelijke manier, in systematische vorm worden uiteengezet, en dan wordt de dogmatiek beoefend. Al deze vakken hebben met elkaar gemeen, dat ze de thesauri Sacrae Scripturae uitstallen, maar ieder op eigen wijze. De dogmatiek doet dat, gelijk men oudtijds zeide, op scholastieke, schoolse wijze, dat is, zoals het in de scholen der wetenschap behoort te geschieden. Natuurlijk hangt hier zo niet alles, dan toch veel af van het standpunt, dat de dogmaticus inneemt. Indien hij met de piëtisten en theologi biblici een scherpe tegenstelling aanneemt tussen Schrift en kerkleer, dan zal hij zo eng mogelijk aan de Schrift zich aansluiten, ook in woorden en uitdrukkingen, en zo min mogelijk de gevonden stof denkend verwerken. Ziet hij in de belijdenis der kerk, in de historia dogmatum, geen verbastering maar ontwikkeling der Schriftuurlijke waarheid, dan zal zijn dogmatiek kerkelijk en confessioneel gekleurd zijn. En als hij tegen Schrift en kerk beide rationalistisch overstaat, zullen de geloofsovertuigingen, die hij voordraagt, vooral een negatief karakter dragen. Dat alles is een verschil van methode en komt later ter sprake. Maar juist daarom is het niet goed, met Prof. Doedes1, drieërlei dogmatiek te onderscheiden, n.l. Nieuwe Testament of Christelijke, kerkelijke en kritische. Want daardoor wordt aan alle drie gelijke rang en bestaansrecht toegekend, neemt de verwarring nog toe, komt de Nieuwtestamentische dogmatiek als de Christelijke bij uitnemendheid tegenover de beide anderen te staan, kunnen de beide eerste soorten van dogmatiek geheel buiten de eigen overtuiging omgaan, en wordt de kritische dogmatiek alleen die van de eigen zelfstandige beschouwing. De taak der dogmatiek is veeleer altijd één en dezelfde. Zij is en kan naar haar aard niets anders zijn dan een wetenschappelijke uiteenzetting der godsdienstige waarheid, een enarratio verbi Dei, een uitstalling van de thesauri Sacrae Scripturae, een παραδοσις εις τυπον διδαχης, Rom. 6:17, zodat wij in haar hebben een forma en imago van de doctrina coelestis. De dogmatiek is dus zelf niet het Woord Gods, zij is er altijd maar een flauw beeld en een zwakke gelijkenis van; zij is een feilbare, menselijke poging om op eigen, vrije wijze na te denken en na te spreken, wat God voortijds veelmalen en op velerlei wijze door de Profeten en in deze laatste dagen tot ons gesproken heeft door de Zoon2.

De vraag, hoe de dogmatiek het best deze haar taak vervullen kan, is een vraag van methode en wordt in de volgende paragraaf beantwoord. Hier dient alleen nog, om het belang der zaak, de verhouding van de dogmatiek tot de apologetiek en de ethiek besproken te worden. Over begrip en taak, methode en plaats van de apologetiek bestaat er tot op de huidige dag groot verschil van mening. Zij is beurtelings bij elke groep van theologische vakken onder dak gebracht en nu eens aan het hoofd van de ganse theologische wetenschap geplaatst, dan weer ternauwernood, als een practisch vak van geringe beteekenis, in het laatste deel der theologie geduld, of zelfs geheel van haar erfgoed verbannen. Er is noch voor zulk een overschatting noch voor zulk een minachting een geldige reden. Haar naam, evenals ook die van polemiek en elenctiek, wijst reeds uit, dat zij geen heuristische wetenschap is, die, onder die naam of ook als Prinzipiënlehre, Fundamentaldogmatik, filosofische Dogmatik enz., het wezen des Christendoms heeft op te sporen en de gedachte daarover aan heel de theologie als maatstaf heeft voor te houden. Want de theologie, als een zelfstandige wetenschap, brengt haar eigen principia mee en ontleent deze niet aan de filosofie. De vooropstelling van de apologetiek bij Schleiermacher en anderen is alleen daaruit te verklaren, dat men de eigen principia van de theologie niet meer erkende en nu elders een grondslag moest zoeken, waar het theologisch gebouw op rusten kon. Wanneer de theologische waarheid echter uit haar eigen bron, dat is uit de openbaring, afgeleid wordt, dan staat ze van en door zichzelf vast en heeft geen filosofische redeneringen tot haar bevestiging nodig. De apologetiek kan dus niet en mag ook niet aan de dogmatiek voorafgaan, maar veronderstelt het dogma en ontvangt nu de bescheiden maar toch ook heerlijke taak, om dit dogma tegenover alle bestrijding te handhaven en te verdedigen. En wijl zij dit thans tracht te doen, niet naar aanleiding van een of andere gelegenheid, maar principieel, naar de tegenstand, die het dogma als waarheid Gods te allen tijde, zij het ook in steeds wisselende vormen, bij de natuurlijke mens ontmoet, heeft zij zich allengs van apologie tot apologetiek verheven en een steeds meer wetenschappelijk karakter aangenomen. Zulk een wetenschappelijke verdediging van het dogma, dat is van heel de inhoud der openbaring en van het ganse Christendom is nu daarom mogelijk, wijl natuur en genade, schepping en herschepping, als afkomstig van één en dezelfde God, als zodanig niet strijden en niet strijden kunnen. Alleen de zonde, die niet slechts in een verkeerde neiging des harten maar ook in verduistering des verstands bestaat, heeft tegenstelling en strijd tussen beide gebracht. Wijl echter de herschepping juist dient, om die zonde gans en al weg te nemen, en de schepping weer in haar oorspronkelijke staat te herstellen, bevestigt zich voor de onderzoeker, die geduld heeft, altijd weer het woord van J. Görres: Grabet nur tiefer, und ihr werdet überall auf katholischem, (of liever: Christlichem, theistischem) Boden stossen. Leves gustus in filosofia movent fortasse ad atheismum, sed pleniores haustus ad religionem reducunt.

1 Doedes, Encyclopaedie par 48.

2 Polanus, Synt. Theol. bl. 539. Heidegger, Corpus Theol. Christ. I par 58.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept