Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

119.

B. Het Gezag van de Schrift.

Het gezag der Schrift is tn allen tijde in de Christelijke kerk erkend. Jezus en de apostelen geloofden aan het Oude Testament als het Woord van God en schreven daaraan toe een goddelijk gezag. De Christelijke kerk is onder het gezag van de Schrift geboren en opgegroeid. Wat de apostelen geschreven hebben, moet zo worden aangenomen, alsof Christus zelf het geschreven had, zei Augustinus1. En Calvijn verklaart in zijn uitlegging van 2 Tim. 3:16, dat wij aan de Schrift eandem reverentiam verschuldigd zijn als aan God. Dat gezag van de Schrift stond tot de achttiende eeuw toe in alle kerken en onder alle Christenen vast. Daarentegen kwam er tussen Rome en de Hervorming een ernstig verschil over de grond, waarop het gezag rust. Kerkvaders en scholastici leerden nog dikwijls de autopistie der Schrift, maar de drijfkracht van het Roomse beginsel heeft hoe langer hoe meer de kerk geschoven vóór de Schrift. De kerk, zo is thans de algemene Roomse leer, gaat temporeel en logisch aan de Schrift vooraf. Zij was er eerder dan de Schrift, en heeft haar oorsprong, bestaan en autoriteit niet aan de Schrift te danken, maar bestaat in en door zichzelf, d.i. door Christus, of de Heilige Geest, die in haar woont. De Schrift daarentegen is juist voortgekomen uit de kerk en wordt nu door haar erkend, bevestigd, bewaard, uitgelegd, verdedigd enz. De Schrift heeft dus wel de kerk, maar de kerk heeft niet de Schrift nodig. Zonder kerk is er geen Schrift, maar zonder Schrift is er wel een kerk. De kerk met de onfeilbare traditie is het oorspronkelijk en genoegzaam middel, om de openbaring te bewaren en mee te delen; de Heilige Schrift is er later bijgekomen, is op zichzelf onvoldoende, maar is als steun en bevestiging van de traditie wel nuttig en goed. Feitelijk wordt bij Rome de Schrift geheel afhankelijk van de kerk. De authentiteit, integriteit, inspiratie, canoniciteit en autoriteit van de Schrift wordt door de kerk vastgesteld. Daarbij wordt dan echter deze onderscheiding gemaakt, dat de Schrift niet quoad se, maar quoad nos geheel van de kerk afhangt. De kerk maakt door haar erkenning de Schrift niet geïnspireerd, canonisch, echt enz., maar zij is toch de enige, die deze eigenschappen van de Schrift op onfeilbare wijze kennen kan. Het getuigenis, dat de Schrift van zichzelf geeft, maakt toch niet uit, dat juist deze boeken van Oude en Nieuwe Testament, en geen andere en mindere, geïnspireerd zijn; nergens geeft de Heilige Schrift een catalogus van de boeken, die tot haar behoren; de teksten, die de inspiratie leren, dekken nooit de hele Schrift, 2 Tim. 3:16 slaat alleen op het Oude Testament; bovendien een beroep voor de inspiratie van de Schrift op de Schrift zelf is altijd nog maar een cirkelbewijs. De Protestanten zijn dan ook onderling verdeeld over de boeken, die tot de Schrift behoren; Luthers oordeel over Jakobus wijkt af van dat van Calvijn enz. De bewijzen voor de Schrift aan de kerkvaders enz. ontleend, zijn niet vast en stevig genoeg, ze hebben als motiva credibilitatis grote waarde, maar ze geven toch slechts waarschijnlijkheid, menselijke en dus feilbare zekerheid. Alleen de kerk geeft goddelijke, onfeilbare gewisheid, gelijk Augustinus dan ook zei: ego vero Evangelio non crederem, nisi me catholicae ecclesiae commoveret auctoritas2. De Protestanten hebben daarom de Schrift ook kunnen aannemen en erkennen als Gods woord, omdat zij haar uit de hand van de kerk ontvingen3. Het Vaticanum, sess. 3. cap. 2 erkende de boeken van het Oude en Nieuwe Testament als canonisch, propterea quod Sp. So. inspirante conscripti Deum habent autorem atque ut tales ipsi ecclesiae traditi sunt. Door deze gedachten geleid, stelde Rome te Trente sess. 4 en in het Vaticaan, sess. 3 cap. 2 de canon vast, nam daarin naar het voorbeeld van de Griekse vertaling en de praktijk van de kerkvaders ook de apocriefen van het Oude Testament op, en verklaarde bovendien de editio Vulgata voor de authentieke tekst, zodat deze in kerk en theologie beslissend gezag heeft.

Tegenover deze Roomse leer stelde de Reformatie de autopistie van de Schrift4. Bij dit verschil liep de vraag niet hierover, of de kerk niet een roeping had te vervullen tegenover de Schrift. Algemeen werd toegestemd, dat de kerk van grote betekenis is voor de Schrift. Haar getuigenis is van groot gewicht en, een motivum credibilitatis. De kerk van de eerste eeuwen bezit in haar getuigenissen een sterke steun voor de Schrift. Voor elk mens is de kerk de leidsvrouw tot de Schrift. In deze zin is en blijft het woord van Augustinus waar, dat hij door de kerk bewogen was om de Schrift te geloven. Protestantse theologen5 hebben dit woord van Augustinus verzwakt, door het alleen op het verleden, op het ontstaan van het geloof te laten slaan. Maar de redenering van Augustinus t.a.p. is duidelijk. Hij plaatst zijn manichese tegenstander voor dit dilemma: gij moet of tot mij zeggen: geloof de katholieken, maar deze waarschuwen mij juist om u te geloven, of geloof de katholieken niet, maar dan kunt gij u ook niet tegenover mij op het Evangelie beroepen, quia ipsi Evangelio, catholicis praedicantibus, credidi. De kerk is inderdaad voor Augustinus een motief van het geloof, waarvan hij hier tegenover de Manicheër gebruik maakt. Maar er is verschil tussen motief en laatste grond van het geloof. Hoe hij in de kerk een motief van het geloof ziet, heldert hij elders zelf op als hij zegt: cur non potius evangelicae autoritati, tam fundatae, tam stabilitae, tanta gloria diffamatae atque ab apostolorum temporibus usque ad nostra tempora per successiones certissimas commendatae, non te subdis6? De kerk met haar waardigheid, haar macht, haar hiërarchie enz. heeft altijd op Augustinus een diepe indruk gemaakt. Zij bewoog hem voortdurend tot het geloof, zij steunde en sterkte hem in twijfel en strijd, zij was de vaste hand, die hem altijd weer leidde tot de Schrift. Maar daarmee wil Augustinus niet zeggen, dat de autoriteit der Schrift van de kerk afhangt, dat zij de laatste en diepste grond is van zijn geloof. Elders zegt hij duidelijk, dat de Heilige Schrift door zichzelf gezag heeft en om zichzelf moet geloofd worden7.

De kerk heeft en houdt voor ieder gelovige tot aan zijn dood toe een rijke en diepe pedagogische betekenis. De wolk van getuigen, die om ons heen ligt, kan ons sterken en bemoedigen in de strijd. Maar dit is heel iets anders, dan dat de autoriteit van de Schrift van de kerk afhangen zou. Rome durft dit zelfs nog niet openlijk uitspreken. Het Vaticanum erkende de boeken van het Oude en Nieuwe Testament toch ook daarom voor canoniek, propterea quod spiritu So. inspirante conscripti neum autorem habent en als zodanig van de kerk zijn overgeleverd. En de Roomse theologen maken onderscheid tussen de autoriteit van de Schrift quoad se en quoad nos. Maar die onderscheiding kan hier niet gelden. Want indien de kerk de laatste en diepste grond is, waarom ik aan de Schrift geloof, dan is die kerk, en niet de Schrift autopistov. En nu een van beide: de Schrift bevat een getuigenis, een leer over zichzelf, over haar inspiratie en autoriteit, en dan doet de kerk niets dan dit getuigenis aannemen en bevestigen; of de Schrift leert zelf zulk een inspiratie en autoriteit niet, en dan is het dogma van de kerk over de Schrift voor de Protestant geoordeeld. De Roomse theologen verkeren dan ook in een niet geringe tegenstrijdigheid. Enerzijds trachten zij in de leer van de Schrift haar inspiratie en gezag uit haar zelf te betogen; en anderzijds, toegekomen aan de leer der kerk, pogen zij die bewijzen te verzwakken en aan te tonen, dat alleen het getuigenis van de kerk een onomstotelijke zekerheid geeft. Hangt daarentegen de autoriteit quoad se van de Schrift zelf af, dan is zij ook quoad nos, de laatste grond van ons geloof. De kerk kan slechts erkennen wat er is; zij kan niet maken wat er niet is. De beschuldiging, dat op die wijze een cirkelredenering wordt gemaakt en de Schrift met de Schrift zelf wordt bewezen, kan op Rome zelf worden teruggeworpen, omdat zij de kerk met Schrift en de Schrift met de kerk bewijst. Indien Rome daartegen opmerkt, dat zij in het eerste geval de Schrift niet als Gods woord maar als menselijke, geloofwaardige en betrouwbare getuigenis gebruikt, dan kan ook de Protestantse theoloog deze opmerking overnemen: eerst wordt uit de Schrift als betrouwbaar getuigenis de inspiratie afgeleid en daarna met deze de Schrift als Gods woord bewezen. Maar veel meer is dit van betekenis, dat in elk vak van wetenschap, en zo ook in de theologie, de principia door zichzelf vast staan. De waarheid van een principium kan niet betoogd, maar alleen erkend worden. Principium creditur propter se, non propter aliud. Principii principium haberi non potest nec quaeri debet8.

De Schrift zelf leert dan ook duidelijk, dat niet de kerk maar het woord van God, beschreven of onbeschreven, autopistov is. De kerk is te allen tijde aan dat woord van God, voor zover het er was en in die vorm waarin het bestond, gebonden geweest. Israël ontvangt op Horeb de wet, Jezus en de apostelen onderwerpen zich aan de Oudtestamentische Schrift, de Christelijke kerk is van de aanvang af gebonden aan het gesproken en geschreven woord van de apostelen. Het woord van God is het fundament van de kerk, Deut. 4:1, Jes. 8:20, Ezech. 20:19, Luk. 16:29, Joh. 5:39, Ef. 2:20, 2 Tim. 3:14, 2 Petr. 1:19 enz. De kerk kan wel getuigen van het woord, maar het woord staat boven haar. Zij kan niemand het geloof aan het woord van God in het hart schenken. Dat kan het woord van God alleen, door zichzelf en de kracht van de Heilige Geest. Jer. 23:29, Mk. 4:28, Luk. 8:11, Rom. 1:16, Hebr. 4:12, 1 Petr. 1:23. En reeds daardoor alleen blijkt de kerk beneden de Schrift te staan. Daarom kan de kerk en kunnen de gelovigen de inspiratie, autoriteit en canoniciteit van de Schrift uit haar zelf leren kennen, maar zij kunnen deze nooit eigenmachtig afkondigen en vaststellen. De Hervorming heeft liever enige onzekerheid gewild, dan een zekerheid, die alleen door een willekeurige beslissing van de kerk werd verkregen. Want de Schrift geeft inderdaad nergens een catalogus van de boeken die zij bevat. Over sommige boeken is er in de oudste Christelijke kerk en ook later verschil van mening geweest. De tekst bezit niet die integritas, welke ook Lutherse en Gerefeformeerde theologen zo graag wensten. Maar desalniettemin heeft de Reformatie de autopistie van de Schrift tegenover de aanspraken van Rome gehandhaafd, de kerk ondergeschikt gemaakt aan het woord van God, en daardoor de vrijheid van de Christen gered.

1 Augustinus, de cons. evang. I35.

2 Augustinus, c. epist. Manich. c. 5. c. Faustum 1. 28 c. 2. 4. 6.

3 Bellarminus, de Verbo Dei IV cap. 4. Perrone, Praelect. Theol. IX 71 v. Heinrich, Dogm. I2 764 v. Jansen, Prael. Theol. I766 v.

4 Calvijn, Inst. I c. 7. Ursinus, Tract. Theol. 1584 bl. 8 v. Polanus, Synt. I c. 23-30. Zanchius, de S. Scriptura, Op. VIII 332-353. Junius, Theses Theol. c. 3-5. Synopsis pur. theol. disp. 2 par. 29 v. Gerhard, Loci theol. Ic.3 enz.

5 Calvijn, Inst. I 7, 3. Polanus, Synt. bl.30. Turretinus, de S. Scr. auctoritate, disp. 3 par. 13 v. Gerhard, Loci theol. Ic. 3 par. 51,

6 C. Faustum 1. 32 c. 19, cf. de util. cred. c. 14v

7 Clausen, Augustinus S. Scr. interpres 1827 hl. 125. Dorner, Augustinus. Berlin 1873. bl. 237 v. Reuter, Augustinische Studien. Gotha 1887 bl. 348 v. Schmidt, Jahrb. f. deutsche Theol. VI 235 v. Hase, Protest. Polemik 5te Aufl. Leipzig 1891 bl. 81. Harnack, D. G. III 70 v. Kuyper, Enc. II 503.

8 Gerhard, Loc. theol. Icap. 3. Zanchius, Op. VIII 339 v. Polanus, Synt. I cap. 23 v. Turret., Theol. El. loc. 2 qu. 6. Trelcatius, Schol et method. loc. comm. S. Theol. Institutio 1651 bl. 26.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept