Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

124. Ook al wordt de noodzakelijkheid van de Schrift erkend, er kan toch nog verschil bestaan over de duur van de noodzakelijkheid. Zelfs wie van mening is, dat de Schrift haar tijd heeft gehad, stemt dikwijls graag toe, dat zij in haar tijd van grote betekenis is geweest voor de opvoeding van mensen en volken. Maar op allerlei wijze is de duur van die noodzakelijkheid beperkt geworden. Het gnosticisme erkende haar noodzakelijkheid voor de qucikoi, maar bestreed ze voor de pneumatikoi. De mystiek achtte de Schrift wel nodig op het standpunt van de cogitatie en meditatie, maar niet meer op dat van de comtemplatio en visio Dei. Het rationalisme van Lessing en Kant ruimde voor de openbaring, de Schrift, de statutarische Religion een pedagogische plaats in, opdat daardoor de heerschappij van de Vernunftreligion werd voorbereid. Ook oordeelde Hegel, dat de vorm van de aanschouwing in de godsdienst voor het volk noodzakelijk was, maar dat de wijsgeer met zijn begrippen daaraan geen behoefte meer had. En telkens hoort men het uitspreken, dat de godsdienst goed is voor de massa om ze in toom te houden, maar dat de ontwikkelden en beschaafden ver daarboven verheven zijn.

Er ligt in deze voorstelling een onmiskenbare en heerlijke waarheid. De openbaring, de Schrift, de kerk, heel de Christelijke religie draagt inderdaad een tijdelijk, preparatoir en pedagogisch karakter. Zoals de Oudtestamentische oeconomie van het foedus gratiae voorbij is gegaan, zo zal ook deze bedeling van het genadeverbond, waarin wij leven, eens tot het verleden behoren. Als Christus zijn gemeente vergaderd en als een reine bruid aan de Vader voorgesteld heeft, geeft Hij het koninkrijk over aan God. Bovendien kan de tweeheid van genade en natuur, van openbaring en rede, van gezag en vrijheid, van theologie en filosofie niet eeuwig van duur zijn. Het hoogste in de religie bestaat toch daarin, dat wij God dienen zonder dwang en zonder vrees, uit liefde alleen, naar de inspraak van onze eigen natuur. Het is God zelf in zijn openbaring er om te doen, om mensen te vormen, in wie zijn beeld weer ten volle is hersteld. Hij schonk ons niet alleen zijn Zoon maar ook de Heilige Geest, opdat die ons wederbaren zou, zijn wet in ons hart zou schrijven en ons tot alle goed werk bekwaam maken zou. De wedergeboorte, het kindschap, de heiligmaking, de verheerlijking zijn de bewijzen, dat God zijn kinderen tot vrijheid opvoedt, tot een liefdedienst, die nimmer verdriet. In zover kunnen de bovengenoemde voorstellingen een anticipatie van het toekomstig ideaal worden genoemd. Maar zij zijn desalniettemin van een zeer gevaarlijke strekking. Zij gaan alle uit van een verwarring tussen de bedeling van het heden en die van het hiernamaals. Omdat het nieuwe Jeruzalem geen zon en geen maan meer behoeven zal, blijven beide hier op aarde toch noodzakelijk. Omdat wij eens zullen wandelen in aanschouwen, blijft toch het geloof in deze bedeling onmisbaar. Ofschoon de strijdende en triomferende kerk één zijn, blijft er toch onderscheid in beider toestand en leven. De grenslijn mag en kan niet worden uitgewist. Tot het hemelse leven brengen wij het hier op aarde nooit. Wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Wij zien nu door een spiegel in een duistere rede; eerst hiernamaals zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht en kennen, gelijk wij gekend zijn. De visio Dei is voor de hemel weggelegd. Zelfstandig, onafhankelijk worden wij op deze aarde nooit. Wij blijven gebonden aan de kosmos, die ons omringt. Het standpunt van het gezag kan hier op aarde nooit overwonnen worden.

Maar voorts graaft deze leer van de tijdelijke noodzakelijkheid van de Schrift een diepe kloof tussen de psychische en de pneumatische mensen, tussen de beschaafden en de massa, tussen de wijsgeren en het volk. En zulk een kloof heeft in geen enkel opzicht recht van bestaan. Als godsdienst in kennis bestond, dan zouden de geleerden een voorrecht genieten boven de onontwikkelden. Maar religieus zijn alle mensen gelijk; zij hebben dezelfde behoeften. In Christus is er geen onderscheid van Griek en barbaar. De religie is voor alle mensen één, hoe verschillend zij ook mogen zijn in stand, rang, ontwikkeling enz., want voor de religie, d.i. voor het aangezicht van God zijn al die rangonderscheidingen en voorrechten waardeloos, waardoor men onder mensen boven anderen uitmunt. De scheiding tussen die tweeërlei soort van mensen getuigt dan ook van een geestelijke hoogmoed, welke zelf met het wezen van de Christelijke religie, met de ootmoed en de nederigheid, die zij eist, in lijnrechte strijd is. De tollenaren gaan voor de Farizeën en de minste is in het koninkrijk van de hemelen de meeste.

Vervolgens zou er voor deze scheiding nog iets te zeggen zijn, als het rationalisme gelijk had en de openbaring in niets dan Vernunftwahrheiten bestond. Dan toch zouden deze, ofschoon voorlopig uit de openbaring gekend, later door het denken uit de rede zelf kunnen worden afgeleid. Maar de openbaring heeft een heel andere inhoud dan een rationele leer. Zij is historie, heeft genade tot inhoud, de persoon van Christus tot middelpunt, de herschepping van de mensheid tot doel. Dit alles kan nooit door het denken worden gevonden of uit de rede worden afgeleid. Om zulk een openbaring te kennen, blijft de Schrift te allen tijde noodzakelijk. Zelfs een openbaring van God aan ieder mens hoofd voor hoofd zou niet kunnen schenken, wat nu de openbaring in Christus door de Schrift aan alle mensen biedt. Het historisch karakter van de openbaring, het feit en het idee van de vleeswording en de organische beschouwing van het menselijk geslacht eisen een Schrift, waarin de openbaring van God voor de hele mensheid neergelegd is. Gelijk één zon met haar stralen de hele aarde verlicht, zo is Christus de opgang uit de hoogte, die verschijnt aan degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood, en zo is de een en zelfde Schrift het licht op aller pad en de lamp voor aller voet. Zij is het woord van God tot de hele mensheid. De historie zelf legt voor deze noodzakelijkheid van de Schrift een krachtig getuigenis af. Het hooggeestelijk mysticisme is telkens omgeslagen in het vulgairste rationalisme; en het enthousiaste spiritualisme is dikwijls in het grofste materialisme geëindigd. De necessitas S. Scripturae wordt negatief even sterk bewezen uit de richtingen, die haar bestrijden, als positief uit de kerken, die haar belijden.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept