Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

129. Maar deze leer is met de Schrift zelf in lijnrechte strijd. Nooit wordt de gemeente in Oude en Nieuwe Testament naar iets anders verwezen dan naar het telkens voorhanden, hetzij dan geschreven of ongeschreven, woord van God. Daarbij alleen kan de mens geestelijk leven. In de telkens aanwezige Schrift vindt de gemeente al wat ze behoeft. De volgende Schriften onderstellen de voorafgaande, sluiten er zich bij aan en zijn er op gebouwd. De profeten en psalmisten veronderstellen de thora. Jesaja roept, Jes. 8:20, allen tot de wet en het getuigenis. Het Nieuwe Testament beschouwt zich als vervulling van het Oude, en wijst naar niets anders dan naar de bestaande Schrift terug. Sterker spreekt nog het feit, dat al wat buiten de Schrift ligt, zo beslist mogelijk uitgesloten wordt. Tradities worden als inzettingen van mensen verworpen, Jes. 29:13, Matt. 15:4,9, 1 Cor. 4:6. De overlevering, die in de dagen van het Oude Testament opkwam, heeft de Joden tot verwerping van de Christus geleid. Jezus stelt tegen haar zijn: Ik zeg u, over, Matt. 5, en sluit zich juist weer tegen de Farizeën en Schriftgeleerden bij de wet en de profeten aan. De apostelen beroepen zich alleen op de Oudtestamentische Schrift en verwijzen de gemeenten nooit naar iets anders dan het woord van God, dat door hen verkondigd is. In zoverre de traditie in de eerste tijd niets anders wilde wezen, dan bewaring van hetgeen persoonlijk door de apostelen was geleerd en ingesteld, droeg ze ook nog geen gevaarlijk karakter. Maar daarvan is de Roomse traditie ten enenmale ontaard. Het is onbewijsbaar, dat er nog enige leer of enig gebruik van de apostelen afkomstig is, dan voor zover dit uit hun schriften kan worden aangetoond. De traditie bij Rome, waaruit de mis, de Mariolatrie, de pauselijke onfeilbaarheid enz. is voortgekomen, is niets dan de sanctie van de feitelijken toestand van de Roomse kerk, de rechtvaardiging van de superstitie, die er binnen gedrongen is.

De sufficientia van de Heilige Schrift vloeit verder ook voort uit de aard van de Nieuwtestamentische bedeling. Christus is vlees geworden en heeft al het werk volbracht. Hij is de laatste en hoogste openbaring van God. Hij heeft ons de Vader verklaard, Joh. 1:18; 17:4,6 Door Hem heeft God in de laatste dagen tot ons gesproken, Hebr. 1:1. Hij is de hoogste, de enige profeet. Zelfs het Vaticaans Concilie erkent, dat de assistentia divina, aan de paus geschonken, niet bestaat in revelatie en in openbaring van een nieuwe leer. En Rome tracht zijn dogmata, hoe nieuw ook, toch altijd nog zoveel mogelijk uit de Heilige Schrift te betogen, en voor te stellen als ontwikkeling en explicatie van wat in kiem in de Schrift voorhanden is1. Maar het wikkelt zich daardoor in geen geringe moeilijkheid. Want of de dogmata zijn alle in dezelfde zin als bv. de triniteit, de twee naturen van Christus enz. explicatie van momenten, die in de Schrift zijn vervat, en in dat geval is de traditie onnodig en de Schrift genoegzaam; of ze zijn inderdaad nieuwe dogmata, die geen steun hebben in de Schrift, en dan is de assistentia divina van de paus wel wezenlijk een revelatie en openbaring van nieuwe leer. Dit laatste mag theoretisch dan nog ontkend worden, praktisch wordt het toch aanvaard. Daarom zijn de Roomse theologen na de Hervorming over het algemeen vrijgeviger dan vóór die tijd in de erkentenis, dat sommige dogmata alleen in de traditie gegrond zijn. En daarom worden er thans argumenten voor de traditie aangevoerd, welke vroeger niet of althans niet in die zin en in die mate werden gebezigd. Nu wordt de onvoldoendheid van de Schrift en het recht van de traditie daaruit bewezen, dat er profetische en apostolische geschriften zijn verloren gegaan, dat Christus niet alles aan zijn apostelen heeft geleerd, dat de apostelen ook mondeling veel aan de gemeente hebben bevolen enz. Maar dat er geschriften zijn verloren gegaan, en of ze geïnspireerd2 waren of niet3, doet niets ter zake. Want de vraag is alleen, of de voorhanden Schrift al datgene bevat, wat tot onze zaligheid te weten nodig is; en niet, of ze bevat al wat profeten en apostelen geschreven hebben, en Christus zelf gesproken en gedaan heeft. Ook al werden er nog geschriften van profeten en apostelen gevonden, ze zouden als Heilige Schrift geen dienst meer kunnen doen. En zo staat het ook met het onderwijs van Jezus en de apostelen. Zij hebben meer gesproken en gedaan, dan ons beschreven is. Kennis daarvan was historisch belangrijk, maar is religieus onnodig. Wij hebben voor onze zaligheid aan de Schrift genoeg, en hebben geen enkel ander geschrift, al was het van Jezus zelf afkomstig, meer nodig. Dat was de leer van de Hervorming. Kwantitatief is de openbaring veel rijker en groter geweest, dan de Schrift ons bewaard heeft, maar kwalitatief, substantiëel is de Heilige Schrift voor onze zaligheid volkomen genoegzaam. Rome kan dan ook geen andere dogmata noemen dan die van de Mariolatrie, de onfeilbaarheid van de paus en dergelijke, welke buiten de Schrift om uit de traditie zijn opgekomen; maar al die, welke betrekking hebben op God, de mens, Christus, de zaligheid enz. zijn ook volgens Rome in de Schrift zelf te vinden. Wat hebben we dan nog getuigen nodig? De Roomse traditie dient alleen om de specifiek Roomse dogmata te bewijzen, maar de Christelijke, de katholieke dogmata zijn, volgens Rome zelf, alle in de Schrift gegrond. Ook dit feit toont aan, dat de Schrift voldoende is, en dat de aard van de Nieuwtestamentische bedeling deze sufficientia S. Scr. meebrengt en eist. Christus heeft alles ten volle, of persoonlijk en mondeling of ook door zijn Geest, aan de apostelen geopenbaard. Door hun woord geloven wij in Christus en hebben wij gemeenschap met God, Joh. 17:20, 1 Joh. 1:3. De Heilige Geest openbaart geen nieuwe leer meer, Hij neemt het alles uit Christus, Joh. 16:14 In Christus is de openbaring van God voltooid. En ook is het woord van de zaligheid in de Schrift volkomen begrepen. Zij vormt één geheel, zij maakt zelf de indruk van een organisme, dat zijn volle wasdom heeft bereikt. Ze eindigt, waar ze begint. Ze is een cirkel, die in zichzelf wederkeert. Ze begint met de schepping, ze eindigt met de herschepping van hemel en aarde. De canon van Oude en Nieuwe Testament werd eerst gesloten, toen alle nieuwe Ansätze van de heilshistorie aanwezig waren4. De Heilige Geest heeft geen andere taak in deze bedeling, dan om het werk van Christus toe te passen en ook het woord van Christus uit te leggen. Hij voegt aan beide niets nieuws toe. Het werk van Christus behoeft niet aangevuld te worden door de goede werken van de gelovigen; het woord van Christus behoeft niet aangevuld te worden door de traditie van de kerk; Christus zelf behoeft niet opgevolgd en vervangen te worden door de paus. De Roomse leer van de traditie is de loochening van de volkomen vleeswording van God in Christus, van de algenoegzaamheid van zijn offerande, van de volmaaktheid van zijn woord. De geschiedenis van de Roomse kerk toont ons het langzaam voortgaand proces, hoe een vals beginsel zich indringt en eerst nog onder Christus en zijn woord zich stelt, dan daarnaast zich plaatst, straks daarboven zich verheft, om te eindigen in een volledige remplacering van de Schrift door de traditie, van Christus door de paus, van de gemeente door het instituut. De ontwikkeling is zeker nog niet ten einde. Het schijnt een anomalie, dat de paus, die langzamerhand boven Schrift, kerk, concilie, traditie zich verhief, door feilbare mensen, al zijn zij ook kardinalen, wordt benoemd. Wie kan beter, dan hij, die zelf onfeilbaar is, zijn opvolger aanwijzen? Zo is het best mogelijk, dat de pauselijke soevereiniteit in de toekomst zal blijken onverenigbaar te zijn met de macht van de kardinalen. In elk geval is de weg van de deïficatie van de mens door Rome nog niet ten einde toe afgelopen.

Toch wordt met dit al het goede en ware niet miskend, dat in de leer van de traditie ligt opgesloten. Het woord traditie heeft nog een ruimere zin, dan die er door Rome aan gegeven wordt. Rome verstaat er onder een leer, die door de apostelen is overgeleverd, door de bisschoppen, bepaaldelijk door de paus, wordt bewaard en door deze wordt vastgesteld en afgekondigd; maar deze opvatting bleek onhoudbaar. Traditie kan echter ook verstaan worden van heel dat religieuze leven, denken, gevoelen, handelen, hetwelk in iedere godsdienstige gemeenschap wordt aangetroffen en in allerlei vormen, zeden, gewoonten, gebruiken, religieuze taal en literatuur, confessie en liturgie enz. zijn uiting vindt. In deze zin is er traditie in elke godsdienst. Zelfs kan het begrip nog verder worden uitgebreid tot al die rijke en veelsoortige banden, die de volgende geslachten verbinden aan de voorafgaande. In deze zin is er geen gezin, geen geslacht, geen maatschappij, geen volk, geen kunst, geen wetenschap enz. zonder traditie bestaanbaar. De traditie is het middel, waardoor alle schatten en goederen van de voorgeslachten naar het heden en de toekomst worden overgebracht. Tegenover het individualisme en atomisme van de vroegere eeuw hebben de Bonald, Lamennais e.a. en Bilderdijk bij ons de betekenis van de gemeenschap, de autoriteit, de taal, de traditie enz. weer in het helderste licht geplaatst. Zulk een traditie is er zeer zeker ook in de religie en in de kerk. Reeds de algemeenheid wijst er op, dat wij hier niet met een toevallig verschijnsel te doen hebben. Traditie vinden wij niet alleen in de Roomse kerk maar ook bij de Joden, de Mohammedanen, de Boeddhisten enz. In de hogere godsdiensten komt er nog een reden bij voor de noodzakelijkheid van de traditie. Zij zijn alle gebonden aan een heilige schrift, die in een bepaalde tijd is ontstaan en in die zin hoe langer hoe verder komt af te staan van het thans levend geslacht. Ook de Bijbel is een boek, in lang vervlogen eeuwen en onder allerlei historische omstandigheden geschreven. De verschillende boeken van de Bijbel dragen het karakter van de tijd, waarin zij ontstonden. Hoe duidelijk de Schrift dan ook mag zijn in de leer van de zaligheid en hoezeer zij is en blijft de viva vox Dei, zij vereist tot recht verstand toch menigmaal allerlei historische, archeologische, geografische kundigheden. De tijden zijn veranderd, en met de tijden de mensen, hun leven en denken en gevoelen. Daarom is er een traditie nodig, om de samenhang te bewaren tussen de Schrift en het religieuze leven van deze tijd. Traditie in goede zin is de vertolking en toepassing van de eeuwige waarheid in de spraak en het leven van het tegenwoordig geslacht. Een Schrift zonder zulk een traditie is onmogelijk. Vele secten in vroeger en later tijd hebben dit wel beproefd. Ze wilden van niets weten dan de woorden en letters van de Schrift; verwierpen alle dogmatische terminologie, die niet in de Schrift werd gebruikt; keurden alle theologische opleiding en wetenschap af, en kwamen er soms toe, om letterlijke toepassing te eisen van de burgerlijke wetten onder Israël en van de voorschriften van de bergrede. Maar al deze richtingen veroordeelden daarmee zichzelf tot een gewisse ondergang of althans tot een kwijnend leven. Ze plaatsen zich buiten de maatschappij en derven alle invloed op haar volk en haar eeuw. De Schrift is er niet voor, om van buiten geleerd en nagepraat te worden, maar om in het volle rijke mensenleven in te gaan en het te vormen, te leiden en tot zelfstandige werkzaamheid te brengen op ieder gebied. De Hervorming plaatste zich dan ook op een ander standpunt. Zij verwierp niet alle traditie als zodanig, zij was reformatie, geen revolutie. Zij trachtte niet alles nieuw te scheppen, maar wel alles van dwaling en misbruik te reinigen naar de regel van Gods woord. Daarom bleef ze staan op de brede Christelijken grondslag van het apostolisch symbool en de eerste concilies. Daarom was ze voor een theologische wetenschap, die de waarheid van de Schrift denkend vertolkte in de taal van het heden. Het verschil in de opvatting van de traditie tussen Rome en de Hervorming bestaat hierin: Rome wil een traditie, die zelfstandig loopt naast de Schrift, een traditio juxta Scripturam of liever nog een Scriptura juxta traditionem. De Hervorming erkent alleen zulk een traditie, die gegrond is op en voortvloeit uit de Schrift, traditio e Scriptura fluens5. De Schrift was naar de gedachte van de Reformatie een organisch beginsel, waar heel de traditie, voortlevende in prediking, belijdenis, liturgie, cultus, theologie, religieuze literatuur enz. uit opwast en gevoed wordt; een zuivere bron van levend water, waar alle beekjes en kanalen van het religieuze leven uit gevoed en onderhouden worden. Zulk een traditie is in de Schrift zelf gegrond. Als Jezus zijn werk heeft volbracht, zendt Hij de Heilige Geest, die wel niets nieuws aan de openbaring toevoegt, maar toch de gemeente inleidt in de waarheid, Joh. 16:12-15, totdat zij door alle verscheidenheid heen komt tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, Ef. 3:18-19; 4:13. In deze zin is er een goede, ware, heerlijke traditie. Zij is de weg, waarlangs de Heilige Geest de waarheid van de Schrift doet overgaan in het bewustzijn en leven van de gemeente. De Schrift is immers maar middel, geen doel. Doel is, dat de kerk, onderwezen uit de Schrift, vrij en zelfstandig de deugden verkondige van Degene, die haar geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Het verbum externum is instrument, het verbum internum is doel. De Schrift heeft haar bestemming bereikt, als allen door de Heere geleerd en met de Heilige Geest vervuld zullen zijn.

1 Lombardus, Sent. III dist. 25. Thomas, S. Theol. II 2 qu. 1 art. 7. qu.174. art. 6. Schwane, Dogmengeschichte 12 1892 blv 7 v. Heinrich, Dogm. Theol. II 22 v.

2 Bellarminus, de verbo Dei 1 Ve. 4.

3 Augustinus, de civ. Dei XVIII 38.

4 Hofmann, Weissagung u. Erfüllung I47.

5 Moor, Comm. im Marckii Comp. I351.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept