Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

30. De dogmatiek bij de Hervormers was van huis uit antischolastisch en werd eerst voorgedragen in zeer eenvoudige en praktische vorm. Melanchton’s Loci, verschenen in 1521, ontstonden uit voorlezingen over Paulus’ brief aan de Romeinen. Ze zijn door en door praktisch, behandelen alleen antropologische en soteriologische capita, vooral die van zonde en genade, wet en evangelie, en laten de objectieve dogmata van God, triniteit, schepping, vleeswording, voldoening geheel onbesproken. Maar de uitgave van 1535 werd door Melanchton zeer uitgebreid en leidde de secunda aetas van de Loci in; ze werd in een voorrede opgedragen aan Hendrik VIII, begon met 5 nieuwe capita over God, eenheid, triniteit, schepping en oorzaak van de zonde, werd in het midden nog met enige hoofdstukken verrijkt en breidde de drie laatste ethische capita uit tot tien hoofdstukken van ethische, ecclesiologische en eschatologische inhoud, samen 39 capita of artikelen. In 1543 gingen de Loci hun tertia aetas in; er kwam een voorrede bij pio lectori; het aantal loci daalde wegens vereenvoudiging van 39 tot 24, maar de inhoud was nog belangrijk toegenomen. De laatste door Melanchton zelf bezorgde editie is die van 1559. De opeenvolgende uitgaven tonen een steeds grotere toenadering aan de synthetische indeling, die bij God begint en tot zijn werken in natuur en genade afdaalt; maar daarbij is opmerkelijk, dat de prolegomena geheel ontbreken, dat de christologie te kort komt, omdat Christus’ persoon en werk niet afzonderlijk behandeld worden, dat het dogmatische en ethische ten nauwste verbonden blijft en het geheel niet met de eschatologische dogmata maar met enige ethische capita wordt besloten1. Zwingli’s Commentarius de vera et falsa religione, en zijn Fidei Christianae Expositio behandelen ook wel enige dogmatische loci maar werden spoedig in de schaduw gesteld door Calvijns Christianae Religionis Institutio. De eerste editie verscheen in het Latijn te Bazel in Maart 1536 en bevatte een praefatie van 23 Aug. 1535 aan Frans I, en daarna zes hoofdstukken over de wet, het geloof, het gebed, de sacramenten, de Roomse sacramenten en de vrijheid. Ze werd driemaal uitgebreid in 1539, 1543 en 1559. De laatste editie was ongeveer vijfmaal groter dan de eerste, en bevatte wel vermeerdering en uitbreiding, maar geen verandering. Melanchton was in de latere uitgaven synergistisch en krypto-calvinistisch geworden; Calvijn bleef dezelfde. Melanchton ‘s Loci werden meer synthetisch in de vorm, maar bleven het karakter van een reeks van loci behouden; Calvijns Institutie kreeg meer en meer een systematischen vorm. De editie van 1559 bevat vier boeken, over de kennis van God als Schepper, als Verlosser, als Heiligmaker en een laatste boek over de uitwendige genademiddelen. De indeling is dus niet zuiver trinitarisch maar is ontleend aan de apostolische geloofsbelijdenis; vandaar dat een vierde deel achteraan komt, handelend voornamelijk over kerk en sacramenten. Het eerste boek geeft veel meer dan de titel belooft, behandelt ook de bronnen van de Godskennis en de leer van de triniteit. Kosmologie en antropologie worden over het eerste en tweede boek verdeeld. Het derde boek bevat behalve soteriologische ook veel ethische hoofdstukken, samen met de leer der verkiezing en der opstanding. Het uitgangspunt van de Institutie is theologisch, maar Calvijn gaat niet uit van een abstract Godsbegrip, maar van God, gelijk Hij door de mens uit natuur en Schrift gekend wordt2. Lutherse en Gereformeerde theologen hebben deze synthetische indeling van Melanchton en Calvijn in het eerst bijna algemeen nagevolgd. Ze werd om verschillende redenen voor de beste gehouden. Niet alleen Gereformeerden3, maar ook Luthersen4 hebben aan de synthetische methode de voorkeur gegeven, omdat daarin gelijk Hyperius zegt, a primis principiis per formas ac differentias ad finem usque fit progressus. Deze indeling werd daarom geprefereerd, omdat zij dezelfde historische gang volgde, welke God in zijn Openbaring had voorgetekend; omdat zij de minste aanleiding bood voor apriorische speculatie en het positief karakter van de theologie het best bewaarde; en omdat zij analoog was aan de methode in de andere wetenschappen, die ook met de eenvoudigste elementen of principia beginnen en dan tot het samengestelde voortschrijden. Deze indeling bleef dan ook in de Lutherse kerk de heersende tot op Calixtus toe; men vindt ze in hoofdzaak bij Strigel, Selneccer, Heerbrand, Chemniz, Hutter, Gerhard, enz. In de Gereformeerde theologie werd zij gevolgd tot op Coccejus toe, door Sohnius, Musculus, Hyperius, Ursinus, Martyr, Wollebius, Polanus, Amesius, enz. Maar toch wordt ze in sommige punten belangrijk gewijzigd. Reeds spoedig werd aan de eigenlijke dogmatiek een inleiding voorgevoegd, waarin het begrip van de theologie, de leer van de Schrift, een enkele maal ook, bijv. bij Amesius en Mastricht, het wezen van het geloofs werd behandeld. De dogmatiek werd dus in twee delen ingedeeld, de principiis theologiae en de articulis fidei5. In het corpus zelf kwam betere onderscheiding en begrenzing, en ook meer systematische ordening van de loci; de verkiezing, door Calvijn in het derde boek behandeld, kwam naar voren in de leer der besluiten; de leer van wereld, mens, Christus, enz. kregen ieder een eigen plaats; het slot der dogmatiek werd niet in beslag genomen door enige ethische capita, maar door de consummatio seculi; de ethische stof werd òf in de soteriologie ter sprake gebracht òf ook wel in een tweede deel, de operibus, in onderscheiding van het eerste de fide, behandeld, òf met Danaeus en Calixtus geheel van de dogmatiek gescheiden. De behandeling van de afzonderlijke loci werd in de 17e eeuw hoe langer hoe scholastischer; de samenhang met het geloofsleven werd hoe langer hoe minder gevoeld.

1 Phil. Melanchtonis Loci Theol. ed. Augusti 1821 bl. 167 v. Die Loci C. des Ph. M. in ihrer Urgestalt nach G. L. Plitt. 2e Aufl. von Dr. Th. Kolde, Erlangen, Deichert 1890. PRE2 IX 503 f. Zöckler, Handb. der Theol. Wiss. II 622 v. en de uitgave der Loci in het Corpus Reformatorum.

2 Köstlin, Oalvins Institv nach Form und Inhalt in ihrer geschichtl. Entw., Stud. u. Kr. 1861 bl. 7-62. 410 486. Godgel. Bijdr.1868 bl. 861 v. 1869 bl.483 v. Gass, Gesch. der prot. Dogm. I 99 v. Pierson, Studien over J. Kalvijn I 127 v. Corpus Reform. XXXIX bl. IX v. Doumergue, Jean Calvin I 589-595. Brunctière, L’oeuvre litteraire de Calvin, Revue d. deux Mondes 15 act. 1900. Warfield, The literary history of Calvins Institutio. Presb. and Ref. Rev.April 1899.

3 Hyperius, Methodus Theol. 1574 bl. 11-16. Alsted, Theol. schol. didact.in de praefatio. Ursinus, Opera 1612 I 417. H. Alting, Oratio inauguralis de methodo loc. comm. Heidelberg 1613. Leydecker, de Verit. Relig. Christ.1690 bl. 77.

4 Flacius, Clavis Scripturae Sacrae II tract I bl. 54. Declaratio tabulae trium methodorum theologiae, bij Gass, Gesch. d. prot. Dogm. I 46.

5 Polanus, Synt. Theol. bl. 133.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept