Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

68. Het uitgangspunt van alle kennis bij de mens is dus de zinnelijke waarneming. Oude noei o nouv ta ektov mh met aisyhsewv onta1. Omnis cognitio intellectualis incipit a sensu2. Intellectus noster nihil intelligit sine phantasmate3. En alle Christelijke theologen waren van dezelfde gedachte. De fout van de scholastiek, zowel bij Protestanten als Roomsen, lag alleen hierin, dat zij met de waarneming veel te vroeg klaar was en ze bijna volledig, op ieder terrein van wetenschap, in de boeken van Euclides, Aristoteles, de kerkvaders, de confessie opgenomen en neergelegd dacht. In die mening liet men de waarneming na en begon in eens met de reeds verkregen begrippen. Daarom kon het haast een ontdekking heten, toen Baco tot de zinnelijke waarneming als tot de enige bron van de kennis terugkeerde. Toch was het geen ontdekking, maar wel een noodzakelijke verfrissing voor de wetenschap, want deze moet altijd weer tot de bronnen terug. Niet uit boeken, maar uit de werkelijke wereld moet de waarheid geput. Aanschouwing is de bron van alle echte wetenschap. (Die Anschauungen sind die Kontanten, die Begriffe die Zettel4. Bij deze zinnelijke waarneming nu heeft ieder zintuig zijn eigen aard en zijn eigen taak; elk zoekt in de verschijnselen het verwante op, de tastzin doet ons de mechanische, smaak en reuk doen ons de chemische eigenschappen kennen, het gehoor ontsluit ons de wereld van de tonen en het gezicht die van de kleuren5. De zintuigen nemen dus ieder voor zichzelf niet het gehele voorwerp waar, maar slechts bepaalde eigenschappen aan dat voorwerp. Het waarnemingsbeeld, dat in ons bewustzijn ontstaat, is samengesteld uit vele verschillende indrukken, die door de verschillende zintuigen ontvangen, langs de zenuwdraden in onze hersens overgeplant, daar op een onverklaarbare wijze in gewaarwordingen omgezet, en tot een geheel verbonden worden. Er zijn geen eenvoudige gewaarwordingen, ze zijn alle reeds uit verschillende andere samengesteld; elk voorwerp dat we zien, elke toon die we horen is reeds een complex van waarnemingen. De menselijke geest is daarom bij de eenvoudigste waarnemingen reeds actief; hij is geen tabula rasa, waarop de buitenwereld slechts schrijft wat zij wil, geen spiegel, waarin het voorwerp zich eenvoudig weerkaatst. Maar elk waarnemingsbeeld is in het bewustzijn zelf gevormd uit de factoren, die door de verschillende zintuigen uit het voorwerp worden aangebracht.

Daarom is de vraag van zo groot belang, wat de verhouding is tussen het waarnemingsbeeld, de voorstelling (fantasia, fantasma, species sensibilis, perception, Vorstellung) in ons bewustzijn en de werkelijkheid, het voorwerp, buiten ons. De Griekse filosofie ging over het algemeen uit van de gedachte, dat gelijk slechts door gelijk kon worden gekend; fasi gar gignwskesyai to omoion tw omoiw6. Sommigen leidden daaruit af, dat de ziel van de mens uit dezelfde elementen en atomen moest bestaan als de werkelijke wereld, en dat er bij de waarneming stoffelijke atomen uit de voorwerpen indrongen in de ziel. Aristoteles echter vatte dit zo op, dat de ziel niet actueel maar potentieel al het gedachte is— h quch ta onta pwv esti panta7, en dat de voorwerpen door waarneming en denken een ideale existentie in de ziel verkregen. De scholastiek nam dit over en zei: cognitum est in cognoscente per modum cognitionis, non per modum cogniti. d.i. de dingen gaan niet zelf in de ziel over, maar alleen hun beeld, hun vorm, eidov, forma, species, similitudo8. Er is dus enerzijds een wezenlijk verschil tussen het ding en zijn voorstelling, want het eerste is buiten ons, heeft daar een reëel bestaan, maar de tweede bestaat in ons en heeft slechts een ideale existentie. Maar er was anderzijds toch ook een volkomene overeenstemming; de voorstelling is een beeld, een getrouwe ideale reproductie van het voorwerp buiten ons. De nieuwere filosofie echter, lettende op de activiteit van ‘s mensen bewustzijn bij het vormen van de waarnemingsbeelden, heeft tussen ding en voorstelling een hoe langer hoe bredere kloof gegraven. De waarnemingsbeelden zijn geen species, formae, maar hoogstens nog tekens, symbolen, diagrammen van de buitenwereld, vrij in onze geest gevormd naar aanleiding van de wijzigingen, die van buiten door de zintuigen en zenuwen heen in onze hersencellen worden aangebracht. Indien dit zo is, verdwijnt de objectieve wereld steeds verder uit ons gezicht, ze lost zich op in schijn; want een controle van het waarnemingsbeeld aan de werkelijkheid is daarom onmogelijk, omdat wij haar nimmer benaderen kunnen, en het waarnemingsbeeld zich altijd tussen haar en ons inschuift.

De dwaling, die aan deze theorie ten grondslag ligt, schijnt deze te zijn, dat het eigenlijke voorwerp van onze waarneming niet het ding buiten ons, maar een of andere indruk of trilling van onze zenuwen in ons zou zijn. Nu is het zeker waar, dat er geen voorstelling in ons bewustzijn gevormd kan worden, zonder dat er trillingen in de zenuwen naar onze hersencellen worden overgeplant. Maar noch het beeld, dat op het netvlies van het oog geworpen wordt, noch de wijzigingen in de hersencellen ten gevolge van de zenuwtrillingen zijn de oorzaak, waaruit de gewaarwording en voorstelling in ons bewustzijn ontstaat. Alle psychometrische onderzoekingen, hoe belangrijk ook, hebben ons ter verklaring van dit wonderbaar verschijnsel geen stap nader gebracht. Wij staan hier voor een, naar het schijnt, onoplosbaar raadsel. De zenuwtrillingen kunnen tot in het centrum van de hersens worden nagegaan, haar sterkte en snelheid kan worden berekend; maar de voorstelling, die daarna in ons bewustzijn ontstaat, is toto genere daarvan verschillend. Zij is een psychische geestelijke akte, uit fysische verschijnselen, gelijk de zenuwtrillingen zijn, nooit te verklaren. Zo kunnen dan de voorstellingen geen producten zijn, die door de zenuwtrillingen ons zelf onbewust in ons bewustzijn worden voortgebracht. En zij kunnen ook geen bewuste scheppingen zijn van onze geest, naar aanleiding van de wijzigingen in onze hersencellen, om de eenvoudige reden, dat niemand van heel dit proces van de zenuwtrillingen ook maar iets bij de waarneming weet, en elk mens eerst door opzettelijk fysiologisch onderzoek daarvan kennis krijgt. Daar komt nog bij, dat de zenuwtrillingen en wijzigingen in de hersencellen soms wel, bij het zien zonder opmerken, bij het horen zonder verstaan enz. geheel en zuiver mechanisch toegaan, maar dat ze toch bij het eigenlijke waarnemen altijd reeds van een psychische akte vergezeld zijn. Het gaat niet zo toe, dat de zenuwtrillingen eerst in onze hersens worden overgebracht, en dat pas daarna het bewastzijn ontwaakt en uit die wijzigingen in de hersencellen de voorstelling vormt; maar de waarneming zelf door de zintuigen is een akte van het bewustzijn. Het is de geest van de mens, die ziet door het oog en hoort door het oor. Voorwerp van de waarneming is dus niet enig verschijnsel in mij, maar het ding buiten mij. Dezelfde geest, die het voorwerp ziet, is het ook, die de voorstelling vormt. Beide zijn psychische akten. Daarom is er ook geen reden tot twijfel, dat wij in de voorstellingen een getrouwe, ideale reproductie hebben van de voorwerpen buiten ons. Daarbij is het tot op zekere hoogte onverschillig, of wij de voorstellingen eidh, species, formae, tekens, symbolen enz. van de dingen noemen; want ook deze woorden zijn beelden, en voor het merendeel aan de gezichtswaarneming ontleend. Indien maar vaststaat, dat de voorstellingen in haar geheel en in haar delen getrouwe vertolkingen zijn van de wereld van de werkelijkheid buiten ons.

Maar bij deze voorstellingen blijft de menselijke geest niet staan. Wetenschappelijke kennis komt niet voort uit de zintuigen maar uit het verstand. Niet de loutere waarneming, maar het ernstig nadenken over de waargenomen verschijnselen hebben Kopernikus tot de vader van de astronomie en Newton tot de ontdekker van de zwaartekracht gemaakt. Het waarnemen van verschijnselen is nodig en goed, maar het is niet het enige en het hoogste. Object van de wetenschap is niet het bijzondere maar het algemene, het logische, de idee. De Griekse filosofie heeft dit reeds ingezien. Socrates was de eerste, die de idee van het weten met bewustheid indacht en tot beginsel maakte van zijn filosofie; wetenschap is kennis, niet van de schijn, maar van het wezen van de dingen. Plato onderscheidde tussen doxa, welke tot inhoud had het gewone, empirische weten, en episthmh die het waarlijk zijnde van de dingen tot inhoud had. En Aristoteles omschreef wetenschap in dezelfde zin als kennis tou ontov, tou kayolou, twn prwtwn aitiwn kai arcwn9. Vooral Augustinus heeft deze intellectueele kennis op de voorgrond gesteld. Hij verwerpt de kennis door de zintuigen niet, hij verdedigt haar waarheid tegen de Academici in een afzonderlijk geschrift, en erkent dat wij de invisibilia Dei verstaan per ea quae facta sunt, de Gen. ad. litt. 4,32. Maar hij onderschat toch haar waarde, evenals Plato; het zinlijke geeft slechts doxa, c. Acad. 3,26, het is de waarheid zelf niet, het is er maar een beeld van, Solil. 2,32. De kennis van de natuur is zonder waarde, nihil prodest, Conf 5,7. 10,55. Enchir. 3,5. Er zijn eigenlijk maar twee dingen, die belangrijk zijn te kennen, God en onszelf: deum et animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil omnino, Solil. 1, 7. En deze kennis verkrijgt hij niet door naar buiten, maar door naar binnen te zien, noli foras ire, in te ipsum redi, in interiore homine habitat veritas, de vera relig. c. 39 n. 72; niet door de zinnelijke waarneming maar door het denken, aliud est sentire, aliud nosse, de ord. 2,5. cf. Solil. 2,33. De scholastiek, zich nauwer aansluitend aan Aristoteles, heeft de waarde van de zinnelijke waarneming beter ingezien, maar toch ook de betekenis van de intellectus voor de wetenschap ten volle erkend. Thomas drukte dit kort en duidelijk aldus uit, scientia non est singularium; intellectus est universalium10. Wetenschap heeft tot object het algemene en noodzakelijke11, en kan daarom alleen door de intellectus worden verschaft. Want terwijl de zinnelijke waarneming de dingen beschouwt quantum ad exteriora ejus accidentia, is het juist het eigenaardige van de intellectus, dat hij doordringt ad interiora rei, penetrat ad essentiam rei12. Zijn eigenlijk object is de quidditas rei materialis13. Het verstand n.l. maakt als intellectus agens, dat is als abstractievermogen, gelijk wij het noemen zouden, uit de zinnelijke voorstellingen het algemene los; het laat het bijzondere eruit wegvallen, het schijnt er als een licht over heen, maakt ze intelligibel, laat het algemeen eruit kenbaar worden, en neemt dan als intellectus possibilis, d. i. als intellectueel kenvermogen, dat algemeen in zich op en maakt het tot eigendom van de geest14.

1 Aristoteles, de sensu c. 6. Zeiler, Philos. d. Gr. III 198.

2 Thomas, Summa Theol. I q u. 84 art. 1 en 7.

3 Thomas, Contra Gentiles III 41.

4 Schopenhauer, Die Welt usw. II 76-98.

5 Aristoteles bij Zeiler t. a. p. III 533 v. Thomas, Summa Theol. I qu.78 art. 3. Schopenhauer, Die Welt II 30-36. Bilderdijk, Taal- en Dichtk. Verscheidenheden 1821 II 39 v. Id. Verhandelingen, ziel-, zede- en rechtsleer betreffende, 1821 bl. 12 v. Brieven V 48. Land, lnl. tot de Wijsbeg. 63 v.

6 Aristoteles, de anima I 2.

7 Id. de an. III 8.

8 Thomas, Summa Theol. I qu, 75. I 2 qu. 5 art. 5. II 2 qu. 23 art. 6 ad 1. Contra Gent. I 77. II 77, 98.

9 Zeller Philos. der Griechen lil 161 v.

10 Thomas, Summa Theol. I qu. 1 art. 2. C. Gent. I 44.

11 Thomas, S. Theol. I qu. 14 art. 13 ad 3. I qu. 84 art. 1 ad 2. I qu. 86 art. 1 en 3.

12 Thomas, C. Gent. I 58. III 56. IV 11. Summa Theol. II 2 qu. 8 art. 1.

13 Thomas, Summa Theol. I qu. 81:5 art. 5 ad 3.

14 Thomas, Summa Theol. I qu. 79 art. 3 en 4. I qu. 84 art. 6. C. Gent. II 76. 77 III 45.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept