Gereformeerde Dogmatiek, 2e druk.

87. Deze revelatio generalis is echter om verschillende redenen onvoldoende. Ook hierin zijn alle Christelijke theologen eenstemmig. Irenaeus betoogt tegenover de gnostieken de beperktheid van de menselijke kennis, en Justinas Martyr, Tertullianus, Lactantius, Arnobius en anderen schilderen de zwakheid van de rede in zeer sterke kleuren1. Augustinus ontkent niet, dat er ook bij de Heidenen enige waarheid is, waarmee de Christenen hun winst kunnen doen, de doctr. chr. 2, 60. Maar de filosofie is niet de ware weg tot de zaligheid. Ze kan slechts weinigen en slechts weinig leren, de trin. 13, 12. de civ. 12, 20. de util cred. 10, 24. Ze kent wel het doel, maar niet de weg, die tot het doel leidt, Conf. 5, 5. 7, 26. de civ. 10, 29. Dikwijls leidt ze op een dwaalweg en houdt de waarheid in ongerechtigheid onder, de trin. 13, 24, zoekt ze niet op vrome wijze, Conf. 5, 4, mist de liefde, die tot kennis der waarheid nodig is, de civ. 9, 20, en wordt door haar eigen superbia verhinderd in de kennis van de waarheid, want alleen humilitas is de weg ten leven, de civ. 2, 7. Daarom is er nog een andere weg tot de waarheid nodig, nl. de auctoritas, de vera relig. c. 24. de mor. eccl. 1, 2. Thomas betoogt de noodzakelijkheid van de openbaring zelfs voor de door de rede gekende articuli mixti2. De Roomse kerk heeft de insufficientia van de theol. nat. duidelijk uitgesproken in de voorrede van de Catech. Romanus, en in het Concilium Vaticanum, sess. 3 cap. 2 de revelatione, en can. 2, 2-4. En de Protestantse theologen oordeelden over deze insufficientia van de algemene openbaring niet anders3. De genoegzaamheid van de algemene openbaring en van de daarop gebouwde religio naturalis werd in vroeger tijd alleen geleerd door de Pelagianen, die drieërlei weg tot de zaligheid aannamen, n.l. de lex naturae, lex Mosis en lex Christi. Ook waren er in de Christelijke kerk altijd enkele theologen, die gunstiger over de Heidenen oordeelden en zelfs aan de mogelijkheid hunner zaligheid geloofden, zoals Justinus, Clemens Alex., Erasmus, Zwingli en anderen4. Doch bij dezen rustte dit geloof meestentijds niet op de leer van de genoegzaamheid van de algemene openbaring, maar op de onderstelling, dat God ook met zijn bijzondere genade onder de Heidenen hetzij dan in of na dit leven werkte. Daarentegen werd de volkomen genoegzaamheid van de algemene openbaring en van de natuurlijke religie in de 18e eeuw geleerd door de deïsten en rationalisten, zoals Cherbury, Tindal, Collins, Rousseau, Kant e.a.5.

Over de insufficientia van de algemene openbaring kan er haast geen twijfel bestaan. Ten eerste blijkt ze daaruit, dat deze openbaring ons hoogstens enige kennis verschaft van Gods bestaan en van sommige van zijn eigenschappen, zoals goedheid en gerechtigheid; maar ze laat ons volstrekt onbekend met de persoon van Christus, die alleen is de weg tot de Vader, Mt.11:27. Joh. 14:6, 17:3. Hand. 4:12. De algemene openbaring is daarom onvoldoende voor de mens als zondaar, zij weet van geen genade en vergeving; menigmaal is zij zelfs een openbaring van toorn, Rom. 1:20. Genade en vergeving, die voor de gevallen mens de hoofdinhoud van de religie moeten zijn, zijn een daad van welbehagen, niet van natuur en noodzakelijkheid. De algemene openbaring kan hoogstens enige waarheden doen kennen, maar brengt geen feiten, geen geschiedenis, en verandert dus niets in het zijn. Zij verlicht het bewustzijn enigszins en beteugelt de zonde, maar zij herschept de natuur van mens en wereld niet. Zij kan vrees inboezemen, maar geen vertrouwen en liefde6. In de tweede plaats is de kennis, welke de algemene openbaring verschaffen kan, niet alleen gering en onvoldoende, maar ze is ook onzeker, steeds met dwaling vermengd, en voor verreweg de meeste mensen onbereikbaar. De geschiedenis van de filosofie is een geschiedenis van elkaar afbrekende systemen geweest, en is bij de Grieken in het scepticisme, in de Middeleeuwen in het nominalisme, en thans bij velen in het agnosticisme geëindigd. De voor de religie noodzakelijkste waarheden, bestaan en wezen van God, oorsprong en bestemming van mens en wereld, zonde en vergeving, loon en straf zijn beurtelings geleerd en bestreden. Er is in de filosofie over al deze vragen geen genoegzame zekerheid te verkrijgen. Cicero vraagt daarom terecht: ex filosofis nonne optimus et gravissimus quisque confitetur multa se ignorare, multa sibi etiam atque etiam esse discenda?7. Maar ook al kwamen sommige denkers tot enige ware en zuivere kennis, zij was nog altijd met allerlei dwaling vermengd. Elk wijsgerig systeem heeft zijn leemten en gebreken. Plato, wiens systeem volgens Augustinus, de civ. 8,5 het naast aan het Christendom verwant is, verdedigt het te vondeling leggen van zwakke kinderen, de pederastie, gemeenschap van vrouwen enz. Zelfs in de moraal is er groot verschil en onzekerheid; vérité en deça des Pyrenées, erreur au delà (Pascal). Nescio quomodo nihil tam absurde dici potest, quod non dicatur ab aliquo filosoforum8. En al waren de wijsgeren ook in het bezit geweest van de schoonste en zuiverste leer, de autoriteit zou hun toch hebben ontbroken, om haar onder het volk ingang te verschaffen. Dikwijls sluiten zij daarom zelf in de praktijk van het leven toch weer bij het volksgeloof en de volkszeden zich aan; of zij trekken met een: Odi profanum vulgus et arceo, van het volk in hoogheid zich terug. Hun onderlinge strijd en de tegenstelling tussen hun leer en leven verzwakte hun invloed. En al was ook dit alles nog niet het geval geweest, dan zou toch de leer van de wijsgeeren nooit de religie van het volk hebben kunnen worden of blijven, omdat in zaken van religie een intellectueel klericalisme en een wetenschappelijke hiërarchie onverdraaglijk zijn. Daarom had Thomas volkomen gelijk, als hij zei, dat ook zelfs in die waarheden, welke de algemene openbaring ons kennen doet, nog openbaring en autoriteit nodig is, omdat die kennis slechts voor weinigen geschikt is, te lange tijd van onderzoek vereisen zou en ook dan nog onvolkomen en onzeker bleef9. In de derde plaats wordt het onvoldoende van de natuurlijke openbaring duidelijk aangetoond door het feit, dat geen enkel volk met de zogenaamde religio naturalis is tevreden geweest. De algemene religie van de deïsten, de moralische Vernunftreligion van Kant, de pietas en obedientia van Spinoza, zijn alle niets dan pure abstracties, die in de werkelijkheid nooit hebben bestaan. Zelfs al waren de vijf artikelen van Herbert of de rationalistische trilogie van Kant volkomen zeker en streng wetenschappelijk bewijsbaar, dan nog zouden ze tot het stichten van een religie, van een kerk onbekwaam zijn. Want religie is iets wezenlijk anders dan wetenschap, zij heeft een andere bron en grondslag. De achttiende eeuw kon in zulke redewaarheden en ijdele abstracties behagen vinden. De negentiende eeuw met haar historische zin heeft spoedig ingezien, dat zulk een religio naturalis nergens bestond en ook nergens bestaan kan. Thans wordt ook algemene toegestemd, dat alle godsdiensten positief zijn en rusten op openbaring10.

1 Just. M. in de inleiding van zijn Dial. c. Tryph. Tertull., de an. 1. Lactantius, Instit. div. III 1. IV 1. Arnobius, adv. nat. I 38. II 6.

2 Thomas, S. Theol. I. qu. 1 art. 1. S. c. Gent. I 4.

3 Calv. Inst. I 5 par. 11 v. en cap.6. Heidegger, Corpus Theol. I par. 9-13. Trigland, Antapologia cap. 17. Owen, Yeologoumena I cap. 6. Turret., Theo. Elenct. I qu. 4. Moor, Comm. in Marckii Comp. I 61 v.

4 Verg. Vossius, Rist. Pelag. 1655 bl. 383 v.

5 Lechler, Gesch. des engl. Deismus 1841. Bretschneider, System. Entw. aller in der Dogm. vork. Begriffe 1841 bl. 35 v. Clarisse, Encycl. 1835 bl. 405 v. Doedes, Inleiding tot de Leer van God 1880 bl. 197 v.

6 Shedd, Dogm. Theol. I 66, 218.

7 Cicero, Tusc. I 5.

8 Cicero, de divin. II 58. Verg. Montaigne bij Stöckl, Philos. des M. A. III 372.

9 Thomas, S. Theol. I quv 1 art. 1. II 2 qu. 2 art. 4. c. Gent. I 4.

10 Schleiermacher, Glaub. par. 1O Zusatz. Ritschl, Rechtf. Uv Vers, III2 4,500. Id. Unterricht in der christl. Religion3 20. Frank, Systern der chr. Wahrheit. I2512 v. Doedes, Encyclopaedie 190.191. W. Bender, Zur Geschichte der Emancipation der natürl. Theol., Jahrb. f. prot. Theol. 1883 bl. 529-592. R. Rütschi, Die Lehre von der natürlichen Religion u. vom Naturrecht, Jahrb. f. prot. Theol. 1884 bl. 1-48. Hoekstra. Wijsg. Godsd. I 19 v.

Bavinck, Herman. Gereformeerde dogmatiek. Deel 1. 2e druk. Kampen: J. H. Kok, 1906. (revised) [450]
x
This website is using cookies. Accept